Jacob van Lennep · De roos van Dekama · 1836
Achtste hoofdstuk (1 van 2)
Phocas.
Tombai-je dans l’erreur, ou si j’en vai sortir?
Si ce billet est vrai, le reste est vraisemblable.Exupere.
Mais qui sait si ce reste est faux ou véritable?
Corneille. Héraclius.
Den volgenden morgen was Reinout reeds vroegtijdig, doch thans alleen, op weg naar de woning van Walger. Ongeneigd een bekende te ontmoeten, was hij langs een achterweg den Hout doorgegaan;—dan toen hij zich in de nabijheid van het oude klooster bevond, kon hij de bij een minnaar zoo natuurlijke verzoeking niet weerstaan om het aangebeden voorwerp, al ware het slechts een oogenblik, ongemerkt te aanschouwen. Hij begaf zich derhalve langs een zijpad, dat door het kreupelhout slingerde, naar den achtermuur van het gebouw; weldra echter zag hij, dat er weinig hoop voor hem bestond, om het gewenschte doel te bereiken: want het vertrek, door Madzy betrokken, had geen uitzicht dan op den boomgaard en was zelfs niet zichtbaar voor al wie buiten stond. Hij bleef desniettemin een wijl, den rug tegen een boomstam geleund en de armen over de borst geslagen, in zoete mijmering verzonken, half gelukkig door de gedachte dat zij, die hij beminde, waarschijnlijk alleen door den steilen muur, welken hij voor zich had, van hem gescheiden was. Uit deze liefelijke droomen werd hij gestoord door het geluid van een openspringend slot: en spoedig daarop zag hij een achterdeurtje in den tuinmuur opengaan. Als een dief, die vreest betrapt te worden, school hij onmiddellijk weg achter het geboomte; doch bleef tusschen het loof gluren om te ontdekken wie het wezen kon, die langs dezen ongebruikelijken weg den boomgaard verliet. Alras herkende hij vader Syard, die, na de deur met behoedzaamheid weer achter zich te hebben gesloten, zijn kap over het hoofd sloeg en het bosch intrad. Zonder te weten met wat oogmerk, volgde hij dadelijk de stappen van den monnik, maar op een afstand, ver genoeg om hem, zoo hij zich omkeerde, geen stof tot achterdocht te geven. Vader Syard ging langzaam, doch met vasten tred vooruit, zonder den blik rechts of links te wenden, en sloeg weldra een gul voetpad in, dat tusschen welige berken en dennen liep en naar de gissing van Reinout, op den zijweg, niet verre van de woning des boschwachters, uit moest komen. De monnik scheen echter reeds vroeger de plaats zijner bestemming te hebben bereikt. Links van het pad bleef hij staan bij een klein vervallen schuurtje, dat tegen de helling van een met dennen en mos begroeiden heuvel gebouwd was. Het dak van dit getimmerte (zoo eenige ruw aaneengehechte planken dien naam verdienden) was reeds ten halve weggerot of ingestort, en de houten wanden dreigden eerlang het voorbeeld van het dak te zullen volgen; geen blijk was er aanwezig dat dit verblijf ook zelfs den armoedigsten daglooner tot woning verstrekte of verstrekken kon: en het was dus niet zonder bevreemding, dat Reinout den monnik zag stilstaan en aan het deurtje kloppen, dat, even vervallen als de rest, slechts aan één hengsel meer vasthing.
Onze Ridder had zich intusschen in het kreupelhout verborgen, ten einde te zien wat gebeuren zoude. Verre was hij van te denken, dat het getimmerte eenig menschelijk wezen bevatten zou, en het was voor hem een nieuwe stof tot verbazing, toen hij de deur niet zonder moeite over den zandgrond zag openschuiven en een hoofd zich aan den ingang vertoonen. Maar, wat Reinout het meest van alles verwonderde, was, aan den vooruitspringenden neus en de zwarte haren, in den tijdelijken bewoner van het schuurtje den persoon van meester Barbanera te herkennen. Vader Syard trad nu binnen en de deur werd wederom gesloten.
“Hoe komen die twee aan malkander? en wat kunnen zij te zamen te verhandelen hebben?” waren twee vragen, welke zich zeer natuurlijk aan den geest van Reinout voordeden. Het vermoeden, dat een ontmoeting tusschen een Frieschen monnik en een duivelskunstenaar zeker niets goeds kon beteekenen, gevoegd bij een nieuwsgierigheid, welke èn de betrekking des paters tot Madzy èn de geheimzinnige taal van Barbanera eenigszins verschoonlijk maakten, deed hem een besluit vormen, ’t welk hij zich te voren of in andere omstandigheden zou geschaamd hebben, en ’t geen hem zelfs op dit oogenblik een blos op het aangezicht jaagde:—dat namelijk, van het onderhoud dier beide personen te gaan beluisteren. Met langzame schreden sloop en kroop hij achter struiken en struweelen om, zooveel mogelijk vermijdende, den voet op het krakende mos te zetten, dat zijn tegenwoordigheid zou kunnen verraden, en nu en dan op handen en voeten voortschuivende, totdat hij zich achter het schuurtje bevond. Hier legde hij zich plat op den grond neder, en het hoofd op de hand leunende, keek hij op zijn gemak door eene der menigvuldige spleten naar binnen.
Wederom tot zijn bevreemding zag hij binnen die vier enge wanden een schouwspel, dat hem een oogenblik deed wanen dat zijn eigene oogen hem bedrogen. Barbanera, de kokeler, was zeer op zijn gemak (zooveel namelijk de gelegenheid eenig gemak aanbood) op een houten blok gezeten, het eenig meubel, dat zich in dit berooid verblijf bevond. Een dichte mantel overdekte al zijn ledematen, uitgenomen het rechterbeen, ’t geen beter gemaakt en vaardiger scheen dan Reinout verwachtte, en waarmede hij nu en dan op en neder wipte, of met de punt van den voet in het zand figuren teekende. En voor hem stond de monnik, in dezelfde nederige en deemoedige houding, waarmede hij zijn Abt zou genaderd zijn. Geen van beiden sprak; maar het was duidelijk te zien, dat de geestelijke wachtte, dat het den kokeler behagen zou zijne rede tot hem te richten.
“Welnu!” zeide deze eindelijk, en dat wel in zeer zuiver Nederduitsch: “het is dan heden, dat de Afgevaardigden hun opwachting bij hun wettigen Heer gaan maken?”
Vader Syard boog toestemmend het hoofd.
“En wat zullen zij den doorluchtigen Graaf van Holland en Henegouwen verhalen?—Want ik veronderstel dat het uwe pen is, welke het formulier heeft opgesteld, waarin hun hulde zal vervat zijn.”
“Ik vermeen,” antwoordde de monnik op een eerbiedigen toon, “dat zij zich op dit gehoor zullen bepalen bij het aanhooren van de voorslagen, welke hun vanwege den Graaf zullen gedaan worden. Het belang der Friezen is tijd te winnen en des Graven toorn niet gaande te maken, noch zijn geheele legermacht tegen zich in te halen, eer zij tot bekwamen wederstand vaardig zijn. Maar hoe het ook loope, liever zullen zij een doodelijken oorlog verkiezen dan den Graaf als hun Heer erkennen.”
“Inderdaad!” riep Barbanera: “de personen, die de bezending uitmaken, deden mij vreezen, dat men tot een nederige onderwerping besloten had. Ik meende dat Aylva een Vetkooper ware en tot Holland geneigd.”
“Aylva is een echte Fries,” zeide de monnik: “een man, die zijn land oprecht bemint en geene der beide partijen, welke Friesland beroeren, is toegedaan. Ik beken, hij erkent den Keizer als zijn Heer, en zou daarom niet ongeneigd zijn, den Graaf als beschermer van Friesland aan te nemen, doch zonder hem eenig ander gezag dan dat van bemiddelaar toe te willen kennen. Geloof mij! hij zal het zwaard trekken en de scheede wegwerpen, zoodra de onafhankelijkheid zijner landgenooten bedreigd wordt.”
“En hoe denkt uw vrome Abt er over?” vroeg de kokeler.
“De geestelijkheid is wellicht nog sterker dan de adel tegen alle vreemde heerschappij,” zeide de monnik.
“Toch niet tegen allen invloed van buiten?” hernam de kokeler: “anders zoudt gij mij met een ijdele hoop gestreeld hebben.”
“Ik vlei mij,” zeide vader Syard, “dat na al de twisten en verdeeldheden, welke onze kloosters geschandvlekt hebben, na het volslagen gebrek aan orde en tucht, dat de monniken kenmerkt, zij het belang zullen gevoeld hebben van een gestreng patronaat, hetwelk hen binnen de palen van regelmaat en betamelijkheid wist te houden;—doch dat patronaat zal zich moeten bepalen tot kerkelijke zaken: en ook de Bisschop van Utrecht zou niets dan tegenkanting vinden, bij de minste poging om zijn gezag verder te doen strekken.”
“Ik twijfel, of men de monniken door een bloot geestelijk wanen in toom zal houden,” zeide Barbanera: “indien men een hervorming in de kloosters wil te werk stellen, zal er meer noodig zijn dan ijdele bedreigingen met kerkban en afzetting, waar zij mede lachen. Denk eens ernstig over onze bedoelingen na, broeder! en zoo gij mij van dienst kunt zijn, ik zal mij niet ondankbaar toonen. Het is niet onder die ruwe Friezen, dat een man van oordeel en kennis, als gij, zijn leven verslijten moet. De Proost van Sint-Salvator te Utrecht wordt oud en ik geloof dat zijn vierkante muts u niet kwalijk zou passen.”
“Gij miskent mijne bedoelingen,” zeide de monnik, “zoo gij waant dat ik de uwe in dien opzichte zoude willen bevorderlijk zijn. Ik ben, ja, een geestelijke en wensch den echten vromen zin onzer instelling weder in de kloosters te zien herleven; maar ik ben een Fries boven al en zou mede niet schromen het zwaard te ontblooten, zoodra de vrijheid van mijn land werd bedreigd.”
“Waarlijk!—.... nu, wij zullen hierover nader spreken;—maar zeg mij eens, broeder! hoe is men er toe gekomen, zulk een wildeman als Seerp Van Adeelen aan de bezending toe te voegen?”
“Wat zal men zeggen?” antwoordde vader Syard, de schouders ophalende: “Adeelen is rijk en machtig: hij stamt, althans dit beweert men, van Koning Adegild af: zijn invloed is groot en zal nog aanwassen, indien hij, gelijk eerlang te verwachten is, zich met de erfgename der Dekama’s in den echt verbindt.”
Hier trilde Reinout en maakte een beweging; Barbanera wendde het hoofd om.
”’t Is niets,” vervolgde hij, “er liep zeker een rat langs het dak;—maar zeg mij.... hebt gij iets van den indruk vernomen, dien Barbanera’s voorspellingen gisteren op het gemoed der Hollandsche edelen hebben teweeggebracht?”
“Ik hoor, dat de dappere Graaf sidderde en bleek werd als een riet.”
“En, bij Sint-Maarten! wel mocht hij sidderen! Ha! ik herinner mij hoe dikwijls mijn edele vader mij die profetie van den ouden Graaf van Gelder verhaald heeft. Hij was er bij tegenwoordig, toen deze Willem van Avesnes in de Domkerk met het heilige doopwater besprenkeld werd. De Graaf van Gelder was lang te voren aangezocht geworden om als gevader over het kind te staan: maar sedert een geruimen tijd was de grijsaard tot een staat van kindschheid vervallen: zoodat niemand dacht, dat hij de plechtigheid zou kunnen bijwonen, en elk een vertegenwoordiger in zijne plaats verwachtte. Hij kwam echter, de oude Reinout, verstramd en verbleekt, half gedragen in de armen zijner dienaars en met verwilderde oogen, wier ongestadige blik bij elk der aanwezigen den angst deed ontstaan, dat hij de plechtigheid ontijdig zou storen. Hij bleef echter bedaard en stil nederzitten, zoolang de gebeden en het gezang duurden; maar toen het oogenblik daar was, dat het kind ten doop geheven moest worden, was het, alsof zijn vorige jeugd op eenmaal terugkeerde. Zonder hulp van iemand rees hij van zijn zetel, trad met een vasten stap naar de doopvont en nam net kind uit de armen der ontstelde moeder. Met angst bleven alle oogen op hem gevestigd; want een oogenblik van verzwakking had de hoop van Holland en Henegouwen op het harde vloersteen of in de doopvont doen rollen, tot eeuwige droefheid van dat beminnelijke huis van Avesnes. Alles liep echter buiten, ja boven verwachting gelukkig af. Maar toen het kind gedoopt was en de Bisschop daarover den zegen had uitgesproken, was het of een heilig vuur, een inblazing van boven, op eens den grijsaard bezielde. Hij hief het kind omhoog, kuste het, en sprak toen met luider stem deze merkwaardige woorden uit: “Gelukkig zult gij wezen, mijn zoon! voorspoedig in krijg en vrede, tot u de kodde der Friezen het leven beneemt.”
“En is het deze zelfde voorspelling, welke hem gisteravond in ’t geheugen geroepen werd?” vroeg de monnik.
“Aan hem, en aan al die ellendige landverraders, die niettegenstaande hun Hollandsch, ja Grafelijk bloed in de aderen vloeit, de knieën voor den vreemdeling buigen, en aan al die Vlamingen en Henegouwers, die hier onzen ouden adel verdringen.—Alleen Beaumont is er wel afgekomen:—hij is de eenige, wien ik zijn af komst uit Avesnes vergeven kan: hij was de vriend en wapenbroeder mijns vaders.”
“Ik geloof intusschen niet,” zeide vader Syard, “dat òf de voorspelling van Gelder, òf die van Barbanera den Graaf zouden afschrikken, indien hij het besluit vormde een tocht naar Friesland te wagen.”
“Ik ben van uw gevoelen;—doch ik heb niettemin mijn doel bereikt: ik heb schrik en ontsteltenis onder zijn edelen verspreid: en al achten zij nu die orakels minder zwaar, deze zullen hun in de ooren suizen, wanneer de ure komt des gevaars en dan hun moed wellicht geheel ter neder slaan:—en daarentegen, ik heb de stoutheid aangewakkerd in de harten der Friezen, die op de gesprokene taal moesten juichen, en in hun hart den Graaf verachten, die in hunne tegenwoordigheid om de woorden eens kokelers verbleekte.”
“Erg genoeg!” zeide vader Syard: “Adeelen heeft geen aansporing noodig om een dol stuk te begaan:—en zoo er oorlog komt, moet de aanleiding daarvan niet van zijne zijde komen, maar geheel Friesland opstaan als een enkel man.”
“Die tijd zal komen,” zeide Barbanera; “maar nu tot onze zaak:—ik heb de berichten, welke gij mij omtrent den staat uwer kloosters geeft, wel ontvangen; maar ik wenschte u nog wel over sommige punten te onderhouden, waartoe ons nu de tijd ontbreken zal. Is er geene mogelijkheid om....”
Hier veranderde zijne stem in een zacht gefluister, zoodat Reinout, hoe scherp hij ook toeluisterde, niet meer dan enkele afgebrokene woorden kon te verstaan krijgen; maar hij had reeds genoeg vernomen: en altijd voor ontdekking vreezende, stond hij op, gleed zachtjes den heuvel af en trad weer door het kreupelbosch heen naar het pad, dat naar den binnenweg voerde.
Nog had hij geen besluit genomen, hoe hij handelen zoude ten opzichte van hetgeen hij vernomen had, toen hij zich reeds ten einde van het pad bevond en van verre het rieten dak van Walgers woning boven het elzenhout zag uitsteken. Een groep kinderen, waaronder hij Marretje herkende, zat onder de kastanjeboomen met een mengeling van bewondering en vrees te kijken naar de kunsten, welke de hansworst van Barbanera, op het gras gezeten, aan meester Cezar verrichten liet. Kort bij hen liepen het paard en het grauwtje in goede eendracht naast elkaar en scheerden het jeugdige gras, dat langs den weg groeide.
Het gezicht van des bedriegers handlanger deed de gramschap van Reinout des te feller gloeien. Met fonkelende oogen en verhaasten stap trad hij op hem toe en brak den loop zijner potsen af met de barsche vraag: “Wacht gij hier op uw verdoemden meester, schurk?”
“Ja Heer!” antwoordde de nar, hem met groote oogen aanziende: “en mijn meester wacht binnen op uwe Edelheid.”
“Zoek mij geen logens op de mouw te spelden, ellendeling!” zeide Reinout: “ik behoor niet tot hen, die zich door u laten misleiden. Ik weet zeer wel, dat de waardige Barbanera zich thans niet binnen die hut bevindt.”
“Jawel heerschap!” zeide Marretje, hem toeknikkende: “de meester is al een half uur bij moeder.”
“En gij ook, klein nest! zoekt gij al zoo vroeg te bedriegen? Waar is dan die meester Barbanera?”
Dit zeggende liep hij in drift den elzenscherm door en de hut in; het eerste voorwerp, dat hij aanschouwde, was Barbanera, aan de tafel zittende.
Een soort van duizeling overviel Reinout op het onverwachte schouwspel: hij bleef aan de deur staan alsof hij door den bliksem getroffen was: de verontwaardiging en toorn, welke zijn ziel vervulden, hadden plaats gemaakt voor een verbazing, welke hem het vermogen tot spreken, ja tot denken benam. Hoe was die Barbanera, dien hij slechts weinige oogenblikken geleden binnen de schuur in ’t duin gezien had, door tooverkracht op eens in de woning van Walger overgeplaatst? Ziedaar, wat hij niet beseffen, niet oplossen kon. Zijn verwilderde oogen dwaalden van den duivelskunstenaar naar moeder Elske, die met omwonden hoofd en nog bleek gelaat bij het vuur aan ’t spinnewiel zat, en van deze weder naar den kokeler, zonder dat hij het onverklaarbare van hetgeen hij gezien had en nu zag anders verklaren kon, dan door het aan betoovering of zinsbedrog toe te schrijven.
“Gij ziet, Signor Rinaldo!” zeide Barbanera, in ’t Italiaansch, “dat ik aan onze afspraak getrouw ben.”
Deze weinige woorden verbraken de bezwering en gaven den Ridder al zijn veerkracht terug. Hij wierp de deur achter zich dicht en trad met forschen stap naar de tafel: “bedrieger!” riep hij, “gij zijt het dan, die het verderf van den doorluchtigen Graaf beoogt?”
“Ik versta u niet,” zeide Barbanera, altijd in ’t Italiaansch, en blijkbaar onthutst door de forsche taal van Reinout: “indien uwe Edelheid geliefde Italiaansch te spreken.”
“Veins slechts, mij niet te verstaan!—Heb ik u niet zooeven met dien monnik zuiver Nederduitsch hooren spreken?”
De kokeler haalde zuchtend de schouders op, en Reinout herhaalde zijn gezegde met dubbele kracht in ’t Italiaansch.
“Ik zweer u,” zeide Barbanera: “ik heb geen monnik gezien of gesproken; en wanneer zou dat geschied zijn?”
“Zoo op ’t oogenblik, gelijk gij zoo goed weet als ik: ik kom nu van de schuur in ’t duin; maar hoe gij zoo spoedig hier zijt overgewaaid, verklaar ik niet te beseffen.”
De kokeler peinsde een oogenblik en keerde zich vervolgens naar Elske:
“Vrouke!” zeide hij in gebroken Nederduitsch: “hoe lang ik hier wezen?”
“Ongeveer een goed half uur,” zeide Elske, zonder zich te bedenken.
De kokeler zag den Ridder aan met een zegevierenden blik.
“Vrouw!” riep Reinout: “bezwaar uwe ziel met geen logen. Hoe lang is die schelm hier geweest?”
“Zoowaar ik de eeuwige zaligheid hoop, een goed half uur,” herhaalde zij.
“Dan moet de Booze uw oogen of de mijne verblind hebben!” zeide Reinout: “want er zijn geen tien minuten verloopen, sedert ik hem in het schuurtje in ’t duin met den monnik Syard in gesprek heb gezien.”
“Heilige God! is het mogelijk?” zeide Elske: “en de man is niet van dien stoel geweest. De Friesche juffer zou het hebben kunnen getuigen, die is zooeven hier vandaan gegaan.”
“Welk een kwelgeest schept behagen om mijn brein in de war te brengen?” riep Reinout, die deze woorden op Madzy toepaste, hoewel het slechts Sytsken geweest was, die naar den welstand der zieke was komen vernemen: “Hoe!” vervolgde hij, terwijl hij met groote stappen het vertrek op en neder ging: “zij was hier: ik had haar kunnen spreken, en ik heb mij laten ophouden door de guichelstreken van een bedrieger, die zijne ziel aan Satan verkocht heeft om vrome lieden te verstrikken; maar ik zal hem zijne schelmsche ontwerpen uit de keel halen; en zoo hij mij langer zoekt te blinddoeken zal zijn helsche list hem niet tegen de scherpte van mijn dolk beveiligen.”
Meester Barbanera had, gedurende deze alleenspraak van Reinout, de tegenwoordigheid van geest, die hem bij den eersten schrik verlaten had, teruggeroepen: en, zoo hem een heimelijke bezorgdheid bijbleef omtrent den uitslag van des Ridders overdenkingen, geen trek daarvan vertoonde zich op zijn onbeweegbaar en strak gelaat. Hij legde zelfs geene verlegenheid aan den dag, toen Reinout, zijn besluit genomen hebbende, op eens met een ontblooten dolk naar hem toe kwam en hem bij den kraag vatte.
Herkomst van de tekst: de uitgave van A.W. Sijthoff, Leiden. Spelling ongewijzigd.
