Jacob van Lennep · De roos van Dekama · 1836
Achtste hoofdstuk (2 van 2)
“Waarom zoudt gij een oud man willen dooden?” vroeg hij, altijd in ’t Italiaansch, den jongeling met zijn knippende, gluipende oogen beschouwende.
“Beken mij zonder omwegen,” zeide Reinout in dezelfde taal, op een straffen toon: “op welke wijze gij mijn oogen hebt misleid: door welke zwarte praktijken gij u tevens hier en bij den monnik in het schuurtje hebt bevonden: beken mij de lagen, welke gij den edelen Graaf legt, of het gaat er door, zoo waar ik leef.”
“Gij zoudt den moed niet hebben van den man te dooden, die zorg droeg voor uw kindsche jaren,” zeide Barbanera.
“Hoe!” riep Reinout, verbaasd zijn dolk latende zakken.
“Gij kunt den dag niet vergeten zijn, toen gij in den vijver gevallen waart en de getrouwe Paolo u met eigen levensgevaar daaruit haalde.”
Reinout sidderde en zag den kokeler sprakeloos aan.
“Deze lange haren en baard hebben mijn gelaat veel veranderd; dan ik dacht niet geheel onkenbaar te wezen voor de oogen mijns voedsterlings.” Dit zeggende nam hij zijn hoofddeksel af en streek zich de haren van ’t voorhoofd.
“Paolo!” riep de jongeling uit: “zijt gij het waarlijk?”
“Wacht!” vervolgde de kwakzalver, zich zoodanig om wendende dat Elske zijn beweging niet zien kon, en meteen den valschen neus, die hem vermomde, even africhtende: “herkent gij mij nu?”
“Ik herken u,” zeide Reinout: “maar nog begrijp ik niet....”
“En gij wildet mij dooden? mij, met wien het geheim uwer geboorte ten grave zou dalen?”
“Maar, waarom hebt gij u niet terstond bij mij aangemeld?”
“Wist ik, of gij den ouden Paolo zoudt willen herkennen? Weet gij, of ik onderricht ware, dat gij u hier bevondt? Zijt gij overtuigd, dat de berichten, die ik breng, u aangenaam zullen wezen?”
Reinout zweeg een oogenblik en zag eenigszins onthutst voor zich neder. “Paolo!” zeide hij eindelijk: “geloof dat elk bericht, van welken aard het ook zij, mij welkom wezen zal, mits het mij slechts uit mijn ondraaglijke onzekerheid redde. Spreek dan, en wees overtuigd, dat, wat gij mij ook melden moogt, gij u aanspraak op mijne dankerkentenis verwerven zult.”—Dit gezegd hebbende nam hij tegenover Barbanera plaats, in de houding van iemand, die een belangrijke mededeeling en een lang verhaal verwacht; namelijk, hij stak de beenen voor zich uit, liet een arm naast zich neerhangen, leide een elleboog op tafel en zijn kin op de opene hand en zag Paolo strak in ’t gelaat.
“Gij weet,” zeide deze: “dat het huis van Salerno sedert de onheuglijkste tijden tot de aanzienlijkste van Verona behoord heeft. Van mijn jeugd af was ik een kliënt van dat huis, en diende, gelijk mijn vader vóór mij deed, den edelen Graaf Luigi, het hoofd van dat geslacht. Hij was een edel Heer, Signor, die zich veel roem had verworven in krijg en onderhandelingen: en gij zult wel op deze of gene wijze van zijne daden gehoord hebben.”
“Ga voort! en verleng uw verhaal niet door onnoodige uitweidingen,” zeide Reinout.
“Nu, deze Graaf Luigi was dikwijls neerslachtig, dat hij geen zoon had, op wien hij zijn naam en bezittingen kon doen overgaan. Vruchteloos had hij kerken begiftigd en aalmoezen uitgereikt. Het huis van Salerno was bestemd in hem te eindigen. Weinige vaders hadden echter zoovele redenen tot troost; want zijn dochter Bianca was van hare kindsheid af beschouwd als het pronkjuweel van Verona. Het was dan ook geen wonder, dat de aanzienlijkste Edelen van Verona om strijd naar hare hand kwamen dingen. Onder deze was er geen, die door den Graaf Luigi met meer onderscheiding behandeld werd dan Francesco della Scala, die zich door zijn geboorte, macht en rijkdommen als het hoofd der vermogendste partij in Verona had doen erkennen. Zijn uiterlijk voorkomen was echter weinig geschikt om liefde in te boezemen, en stak bitter af bij dat van zijnen bloedverwant Carlo, die een volkomen Ridder was én evenzeer zijn best deed om de hand der schoone Bianca te verwerven.—Maar uwe Edelheid weet, dat het hart van een jong meisje een vreemd en onverklaarbaar voorwerp is. Noch de gunst der fortuin, welke Francesco, noch de gaven der jeugd, welke Carlo della Scala versierden, waren in staat haar hart voor een van beiden te winnen. Zij was naar Milaan bij een naastbestaande den zomer gaan doorbrengen, om althans voor eenigen tijd de vervolgingen van Francesco en de vermaningen haars vaders te ontgaan:—daar had zij een Duitschen avonturier leeren kennen en dezen hare liefde geschonken. Graaf Luigi, hiervan onbewust, en zijn dochter weer bij zich willende hebben, om haar door sterkere dwangredenen tot het huwelijk met Francesco over te halen, zond haar bevel tot een onverwijlde terugkomst. Dit maakte haar en haar minnaar wanhopend.—Zij zwoer hem, nooit een anderen dan hem te willen huwen:—hij maakte van een oogenblik van zwakheid gebruik.... in ’t kort, zij verliet Milaan niet eerder dan nadat zij met hem in een geheimen echt was verbonden.”
“En volgde haar die geheime echtgenoot naar Verona?” vroeg Reinout.
“Hij kon zich aldaar niet vertoonen,” zeide Paolo: “want hij had op een steekspel in Duitschland twist gehad met Francesco della Scala, en deze had hem den dood gezworen. Bovendien had hij een gelofte gedaan en moest met andere Duitsche Heeren naar het Heilige Land. Hij had echter aan Bianca beloofd, haar bij zijn terugkomst te zullen opzoeken en haar alsdan door list of geweld als zijn gade met zich te voeren.
“Graaf Luigi liet nu niet na, zijn dochter tot een echtverbintenis aan te sporen met Francesco della Scala, die intusschen de opperheerschappij van Verona verkregen had en wiens verlangen niemand meer dorst wederstreven. Gij kunt beseffen, in welken angst zich de arme Bianca bevond, te meer toen zij gevoelde, dat een pand van des Duitschers liefde haar onder het hart leefde. In deze nijpende verlegenheid moest zij voor alles een poging doen om tijd te winnen en wendde bij haren vader voor, een gelofte te hebben gedaan om eene bedevaart naar O. L. Vrouwe van Loretto te zullen doen, alvorens zich in ’t huwelijk te begeven. Hoe ongaarne ook, gaf Graaf Luigi eindelijk zijne toestemming tot die reis. Zij deed die in ’t gezelschap van mijne vrouw, die haar vertrouwde dienstmaagd was en zich mede zwanger bevond, en van mij. Op den tocht werden beiden voorspoedig, elk van een zoon, verlost: de kraamvrouwen keerden hersteld terug en mijn vrouw ging met de jonggeborenen op het land wonen, waar beiden voor mijn kinderen doorgingen.”
“Madre di Dio!” riep Reinout, wien het klamme zweet uitbrak: “ik weet al genoeg. Zeg mij nu slechts, wie van ons beiden is Bianca’s zoon?”
“Niet zoo haastig, Signore! ziedaar juist wat uitgemaakt moet worden.—De schoone Bianca kwam terug, gelijk ik u zeide: er was nu geen middel voor haar overig om het huwelijk met Francesco te ontwijken:—of zij had haar geheimen echt moeten bekennen:—dan, zij ontving door een vertrouwden vriend de tijding dat haar gemaal gesneuveld was, en toen, hoezeer onder tranen en rouwklachten, gaf zij hare hand aan den dwingeland.
“Zij was ongeveer een jaar met hem gehuwd, toen zijn argwaan werd opgewekt door de bezoeken, welke zij, zoo dikwijls zij daartoe gelegenheid vond, bij mijn vrouw afleidde om haar zoon te zien en te omhelzen. Hij liet haar bespieden: zijn argwaan groeide tot volkomen wantrouwen, en er had een vreeselijk tooneel tusschen hen plaats, waarin hij een verklaring eischte dier bezoeken, welke zij volstandig weigerde hem te geven. Vreezende, dat de ijverzuchtige dwingeland op haar onnoozel kind zoude woeden, achtte zij het van belang, het aan zijn dolk te onttrekken. Zij vormde daartoe een stout, maar welberekend ontwerp: zij kende den edelen aard van Carlo della Scala, die, om den schijn niet te hebben van met zijnen snooden neef te heulen, in Pisa was gaan wonen. Zij schreef aan dezen, en belastte mij, haar zoon tot hem te brengen. Intusschen was mijn vrouw evenzeer bekommerd over haar kind; want, zeide zij, indien dan Francesco moordenaars zendt om het kind der Gravin te dooden, zal men het onze niet sparen:—kortom, gij weet, wat sedert Adams tijd af, een vrouwetong vermag:—ik bracht de beide knaapjes naar Pisa en leide ze in Carlo’s hof te vondeling.”
“Santa Madre!.... maar Carlo vermoedde niet, wie den brief geschreven had: althans op zijn sterfbed gaf hij ons dien, maar meldde ons den naam der schrijfster niet.”
“Hij moet dien vermoed hebben; maar waarschijnlijk heeft hij de rampen der ongelukkige Bianca niet willen verzwaren door een geval ruchtbaar te maken, dat Francesco’s wraakzucht zoude vermeerderd hebben: of mogelijk wilde hij haar geheim eerbiedigen!—Hoe ’t zij, de dwingeland was woedend, toen de kinderen aan zijn macht ontsnapt waren:—hij mishandelde de ongelukkige Bianca, die nu, daar haar vader overleden was, geen steun of hulp meer had, en hield haar in een bangen kerker gevangen.”
“En leeft zij nog?” riep Reinout: “leeft mijne moeder.... leeft Bianca di Salerno nog?”
“Ziedaar wat mij op het oogenblik onbewust is.—Om tot mijn verhaal terug te keeren:—nieuwsgierig om het lot mijns zoons te vernemen, reisde ik na verloop van een paar jaren naar Pisa en wist daar in dienst van Carlo della Scala te komen. Welke zorg ik, zoolang ik bij hem bleef, voor u beiden gedragen heb, is u bekend.”
“En voor het goed van Carlo mede,” zeide Reinout: “want zoo ik mij niet bedrieg, joeg hij u weg omdat hij u van diefstal verdacht hield.”
“Ik werd onschuldig aangeklaagd en ongehoord weggezonden,” zeide Paolo, de schouders ophalende: “mijn vrouw was dood: ik had niemand meer, die zich mijner aantrok: ik bracht sinds mijn leven zwervend door; mij nu met dezen, dan met genen verbindende om de oogen en het brein van het domme, en ook van het meer verlichte gedeelte des menschdoms te verblinden, gelijk u gisteravond gebleken is, toen ik u herkende en mijn toespraak op die herkenning grondde.”
“Maar nu!” zeide Reinout: “verlos mij van mijn onzekerheid:—wie onzer is de zoon van Bianca?.... Of neen!—antwoord mij nog niet!—Ook Deodaat moet van dit alles onderricht zijn! ..... kon ik zoolang mijn edelen vriend vergeten!—In zijn bijzijn alleen moet gij ons het geheele geheim onzer geboorte ontvouwen .... kom! volg mij naar Haarlem.—Ik zal den Graaf smeeken, dat hij zijn besluit weer intrekke.”
Maar het scheen dat Paolo er zijne rekening niet bij vond om ook aan Deodaat mede te deelen, hetgeen hij aan Reinout had verhaald, en weinig genegenheid had, den Ridder naar Haarlem te volgen. Hij zag hem gedurende eenige oogenblikken zijdelings aan, als wilde hij op zijn gelaat lezen in hoeverre hij vatbaar was om tot het doel, dat hij beoogde, te willen medewerken. “Jongeling!” zeide hij eindelijk: “gij hadt mij beloofd niets van ons voorgenomen onderhoud aan uw vriend te openbaren.”
“Ik heb geene geheimen voor Deodaat,” zeide Reinout, haastig.
“Des te erger!—want om gulweg te spreken, ik heb gegronde redenen om te verlangen, dat hij van alles onbewust blijve. Een uwer is de zoon van Bianca, en ik wil mij niet aan den toorn des anderen blootstellen.”
“Paolo! moet ik den zin uwer woorden gunstig opnemen?” riep Reinout vol blijdschap uit, daar hij in de taal des kokelers eene schijnbare bevestiging zijner innige hoop meende te ontdekken.
“Zooals gij wilt: doch hoe dit ook zij:—wat zoudt gij den armen Paolo geven, indien hij u de stukken in handen stelde, welke gij noodig hebt om u voor den zoon eens aanzienlijken edelmans te doen herkennen?”
“Gij kent mijn vader!” riep Reinout: “en zijn naam is....”
“Inderdaad! ik ken hem;—maar zijn naam moet tot nog toe een geheim blijven; het is goud waardig.”
“Geloof, Paolo! dat mijn dankbaarheid.....”
“Dankbaarheid is een woord: ik ben te oud geworden om in uwe handen niet meer te worden dan de citroen, welken men wegwerpt na er het sap van uitgedrukt te hebben. Ik eisch stellige bewijzen, geen ijdele beloften.”
“Gij zijt een ellendig wezen, Paolo!” zeide Reinout, hem met een verachtelijken blik aanziende.
”’t Is mogelijk,” zeide Paolo: “maar toch een wezen, dat u liefheeft en er u blijken van geeft door u alleen deelgenoot mijns geheims te maken.”
“Welaan!—noem uw eisch: en ik zal zien wat ik doen kan.”
“Zoudt gij niet denken, dat driehonderd gulden terstond, en een goede schriftelijke belofte van het dubbele dier som, zoodra ik u in de armen van een rijken, vermogenden vader gevoerd heb, een billijke belooning ware voor hetgeen ik ten uwen gevalle verricht?”
“Ik zal er over denken,” zeide Reinout, wien deze eisch, welke in de tegenwoordige dagen onaanzienlijk zal voorkomen, in een tijd toen het geld nog schaarsch was buitengemeen hoog toescheen: “wie weet bovendien, of uw gansch verhaal geen verdichtsel is, uitgedacht om mij geld uit de tasch te halen. Eerst uwe bewijzen of ik beloof u geen penning.”
Op dit oogenblik ontstond er een verward gedruis van stemmen en voetstappen buiten de hut, en de hansworst kwam met een angstig geschreeuw binnenstuiven.
“Meester Barbanera! meester Barbanera!” riep hij: “daar zijn menschen, die u zoeken.”
”’t Is mij om ’t even!” zeide Reinout: “maar ik laat u niet los, oude! gij zult met mij naar Haarlem.” En, de daad bij de woorden voegende, vatte hij den kokeler bij zijn kleed.
“Ja, pak hem maar frisch bij den kraag, heer Ridder! en zorg dat hij niet ontsnappe,” kraaide met een schorre stem een klein mannetje, in ’t welk Reinout den marktschrijver Claes Gerritsz herkende, die met eenige Grafelijke Ambtsdienaars binnentrad: “Houd hem vast: hij wilde zich wegmaken zonder de marktgelden te voldoen en zonder zijn gelag te betalen, ’t geen eene blijkbare overtreding is van het Privilege van Graaf Willem zaliger gedachtenisse, artikel....”
“Dat u de duivel hale met uwe Privileges, vervloekte muggen!” riep Reinout, den kokeler loslatende: “ik heb wat met dezen man te verhandelen.”
“Indien uwe Edelheid borg voor hem wil stellen,” zeide Claes Gerritsz, “zullen wij dien gaarne aannemen, volgens art. 27 van het Privilege; maar het zal dan noodzakelijk zijn, dat UEd. ons naar Haarlem vergezelt, ten einde aldaar ten overstaan van Schepenen....”
“Welk een gereutel over eenige voddige grooten, die u de man misschien schuldig is,” zeide Reinout: “kunnen wij hier de zaak niet tot effenheid brengen?”
“Veroorloof mij, u te zeggen, Heer Ridder!” zeide de marktschrijver, “dat dit klaarblijkelijk zou aandruisen tegen alle gebruiken en usantie in zoodanig geval; daar de schuld nog moet vereffend worden ten genoegen van beide partijen, en deze man ons derhalve volgen moet naar Haarlem, waar bovendien nog andere zaken tot zijn last zijn, als: dat hij een geneesmiddel verkocht heeft aan Geurt Kneliszen, waar al zijn koeien van gestorven zijn, en een ander aan de vrouw van den rooden slachter, waardoor haar oog gezwollen is als een pad, al ’t welk strafbaar is met gevangenis, ingevolge art....”
“Dat u de heete koorts blakere, eeuwige babbelaar!” riep Reinout: “zorg slechts dat hem geen leed geschiede, of ik rijg u als een leeuwerik aan mijn speer.”
Intusschen hadden zich een paar dienaars meester gemaakt van Barbanera, die door zijn getrouwen hansworst van de toedracht der zaak was onderricht, en, als ware hij over den uitslag der zaak niet bekommerd, zich dadelijk had bereid verklaard mede te trekken en aan te hooren, wat men tegen hem had in te brengen. Ook Reinout begon nu te beseffen, dat hij zich ten onrechte driftig had gemaakt, en dat zijn belang vorderde, dat Paolo, of Barbanera, door wettelijke middelen gedwongen werd naar Haarlem te gaan en aldaar eenigen tijd te vertoeven, waardoor hij, Reinout, in de gelegenheid zou zijn hem nader te spreken, en het zoo verlangde geheim af te persen. Hij verklaarde daarom ook aan de Ambtslieden, dat hij hen zoude vergezellen.
“Wij zullen verheugd zijn, de eer van uw gezelschap te genieten,” zeide de marktschrijver: “en gij, goede vrouw!” vervolgde hij tegen Elske, die gedurende het gansche gesprek van Reinout en Paolo, waar zij geen woord van verstaan had, bedaard was blijven doorspinnen, “hoe gaat het al? Ik heb daar zooeven gehoord, dat uw man u half dood geslagen heeft en van zijn bediening is ontzet.”
“Ach!” zeide Elske: “ik ben een bedurven mensch, en hoe ik het zal redden met mijn twee bloeien van kinderen, weet onze lieve Vrouwe! en mijn man moet zeker denken dat hij mij dood geslagen heeft; want hij is nog niet terug gekomen.”
“Ik denk toch wel dat gij hem het heilig kruis zult hebben nageslagen,” zeide de marktschrijver: “nu vaarwel!—een spoedige genezing.”
Met dit afscheid vertrokken al de aanwezigen, Elske in tranen achterlatende, waaraan wellicht de ongerustheid over het wegblijven van haren man, wien zij nog liefhad in weerwil zijner boosheid, evenveel deel had als het besef van haar hulpeloozen toestand.
Reinout volgde op eenigen afstand den stoet, die meester Barbanera en zijn hansworst naar Haarlem geleidde, daar hij weinig trek gevoelde de eer van zijn gezelschap aan den marktschrijver te schenken. Het was langs den gewonen heirweg, dat men huiswaarts ging, en reeds was men de stad genaderd, toen Reinout uit een dikke stofwolk een aanzienlijk gezelschap te paard zag te voorschijn komen, in hetwelk hij weldra den Heer van Aylva en Madzy herkende, die met eenig gevolg van een morgenrit huiswaarts keerden. Verheugd naderde hij, in de hoop van ten minste een blik van zijn geliefde te erlangen; maar wie schildert de verontwaardiging, welke hem beving, toen hij aan de slinkerhand van Madzy en in een druk gesprek met haar gewikkeld, iemand gewaarwerd, wien hij verre was van aldaar te verwachten, te weten zijn wapenbroeder Deodaat. Hij bleef staan, sloeg stilzwijgend de armen over elkander en zag met een somber oog de vroolijke ruiters voorbij draven. Geen der Friezen scheen hem op te merken, maar Deodaat had zijn vriend herkend en een vluchtig rood bedekte zijn gelaat. Reinout oogde hem na: hij zag hem de hand van Madzy aanraken als om haar aandacht op den armen voetganger te vestigen. En inderdaad, zij wendde het hoofd om, zag Reinout aan met een spotachtigen blik, keerde zich vervolgens lachende weder naar Deodaat, en verdween met hem achter de stofwolk, die hen omhulde.
“En ziedaar dan den vriend, die om mijnentwille van de schoone Madzy wilde afzien,” zeide de verbolgen Reinout tot zich zelven: “den vriend, die mijner liefde geene hindernis wilde aanbrengen! hoe listig wist hij mij te verwijderen om de gelegenheid voor zich zelven te behouden;—want ik twijfel er niet aan, die ontmoeting is gisteravond reeds voorbereid geweest! Deodaat! Deodaat! is het mogelijk, dat een paar schoone oogen u een vriendschap van zoovele jaren verraden doet!”
Vervuld van deze sombere gedachten kwam hij binnen de stad aan, en begaf zich naar de gijzeling, waar men Barbanera gevoerd had. Hier verzocht men hem echter tegen den middag terug te komen, daar het verhoor niet voor dien tijd zoude kunnen plaats hebben, uithoofde van de hooge plechtigheid, waarbij de Schepenen moesten tegenwoordig zijn. Dit antwoord herinnerde Reinout aan zijn eigene verplichting om aanwezig te zijn bij het gehoor, dat de Graaf stond te geven; en daar de tijd reeds naderde, haastte hij zich naar de cel, welke hij in het Sint-Jans-klooster te Haarlem betrokken had.
Herkomst van de tekst: de uitgave van A.W. Sijthoff, Leiden. Spelling ongewijzigd.
