Jacob van Lennep · De roos van Dekama · 1836
Vijftiende hoofdstuk (1 van 2)
Alexis heeft zijn zusje lief,
Zoolang ze in vrede leven.Van Alphen. Kindergedichtjes.
Adeelen was, niettegenstaande zijn nederlaag, de stad stappende uitgereden, niet willende dat iemand zijn vertrek aan schaamte over zijn val zou toeschrijven, en begrijpende, dat hij zich dapper genoeg gekweten had, om het hoongelach niet te verdienen der volksmenigte, welke, zoowel wegens den oploop in den Hout als wegens zijn vermetele uitdaging, maar meer nog om zijn landaard, tegen hem was ingenomen. De gedachten van spijt en wraak en minnenijd, welke zijn ziel vervulden, deden hem echter thans de beleedigingen, hem van alle zijden nagezonden, ternauwernood opmerken en zijn weg vervolgen zonder acht daarop te slaan. Buiten de poort gekomen, gaf hij zijn ros de sporen en stond in weinige oogenblikken voor het klooster.
“Waar is vader Syard?” was wederom zijn eerste vraag onder het afstijgen.
“De pater is zooeven naar zijn cel vertrokken,” antwoordde Sytsken, die op het binnenplein stond: “een schoone Ridder, die spoorslags van Haarlem was komen rijden, heeft naar hem gevraagd en een paar woorden met hem gewisseld zonder af te stijgen, waarna hij weder is voortgereden.”
“Droeg die Ridder niet een rooden arend op den helm?” vroeg Adeelen haastig: “en bereed hij niet een zwarten hengst?”
“Of ’t een arend of een valk was, dat wil ik niet zeker zeggen: maar zooverre een arme deerne als ik over een paard kan oordeelen, was het net zoo een stel als daar een dier Ridders op reed, die u uit de handen van de Haarlemmers verloste.... maar goede hemel! Jonker Seerp! wat ziet gij er uit. Hebt gij in de stadsgracht gelegen of hebben zij u bespoten?—Het water druipt u van den wapenrok af.”
“Genoeg gesnapt,” zeide Adeelen.—“Laat iemand den pater verzoeken in mijn slaapzaal te komen. Ik zal mij gaan ontwapenen.”
Na een half uur waren beiden ter bestemde plaatse bijeen.
“Welnu,” vroeg de monnik: “heeft uw uitdaging een goed gevolg gehad? Mij dunkt gij zijt spoedig terug,” vervolgde hij, ziende dat Adeelen, zonder hem te antwoorden, het vertrek met groote stappen op en neder wandelde; “en gij schijnt slechts matig tevreden over den uitslag van het kampgevecht.”
“Dat mij de donder sla!” riep Adeelen, “zoo ik morgen het slijk, dat mijne wapenen bezoedeld heeft, niet afwassche met het bloed van mijn wederpartij; maar zeg mij, Pater! wat is u die Ridder van den Rooden Arend komen verhalen? Bij Sint-Nikolaas! hij heeft zich geweerd als de vogel dien hij voert, en wij hebben in hem een wakkeren bondgenoot.”
“Hij is mij komen zeggen,” zeide vader Syard, “dat hij naar het Sticht ging, en dat men weldra van hem hooren zoude. Tevens heeft hij mij geraden te vluchten, daar ik eerstdaags zou gevat worden. Er schijnt iets van onze bijeenkomsten te zijn uitgelekt.”
“En zult gij zijn raad volgen?”
“Dat men mij vange, ik vrees niets:—elke beleediging, die hier eenen Fries wordt aangedaan, zal slechts strekken om den haat onzer landgenooten te feller te doen ontbranden;—maar dat daargelaten:—gij hebt mij nog den uitslag van het steekspel niet doen weten.”
“En ziet gij dien dan niet, bij alle duivels!” riep Adeelen, op zijn vochtigen wapenrok wijzende: “zesmalen heb ik mijn wederpartij overwonnen;—de laatste reis wierp mijn paard mij in de beek;—doch genoeg daarvan:—wij zullen zorgen, morgen gelukkiger te zijn.”
Dit zeggende, nam hij een vollen beker, om op den goeden uitslag van zijn kamp te drinken, en deelde vervolgens aan den monnik mede hoe het met zijn uitdaging was afgeloopen. Weldra kwamen nu de Heer van Aylva en de Abt met Madzy van het feest terug, en haastten zich hun vriend op zijn kamer te gaan bezoeken, ten einde hem woorden van troost en opbeuring toe te spreken. Zij vonden hem wrevelig en vermoeid in een armstoel liggende.
“Ik beklaag u van harte,” zeide Aylva: “gij hadt u te dapper geweerd om door een zoo noodlottig toeval uw aanspraak op den prijs te verbeuren;—maar ik zou in uw nederlaag nog grooter deel nemen, indien ik die niet aanmerkte als een straf des hemels voor uw laatdunkendheid. Welke booze geest kon u de dwaasheid ingeven, den Graaf te gaan uitdagen op zijn eigen grondgebied?”
“Humiles levat, superbos deprimit Deus,” zeide de Abt, “’t geen zeggen wil, dat de nederigen verhoogd en de trotschen vernederd worden. Ja! broeder Syard weet hoe dikwijls ik mijn best gedaan heb om hoogmoed en eigenwaan bij onze broeders uit te roeien.”
“Zoo de hoofsche taal van den Graaf u verlokt heeft,” zeide Adeelen: “zoo gij, mijne Heeren! al de beleedigingen, die ons hier worden aangedaan, als zoete koek gelieft op te eten, het is mij wel. Ik ben ongelukkigerwijze van een min gemakkelijken aard en zal niet rusten voordat ik den hoon gewroken heb, den Frieschen naam en mijn Madzy aangedaan.”
“Wat mij betreft,” zeide Madzy: “ik heb mij niet beleedigd gevoeld.”
“Dat geloof ik wel,” zeide Adeelen: “gij zijt vriendelijk onthaald, gevleid, gestreeld: en wellicht zoude het u nog bovendien aangenaam zijn, dat die Italiaansche windbuil morgen de zege behaalde, al ware de overwonnene een Fries en uw verloofde.”
Madzy werd bleek: doch zich straks herstellende, zeide zij met vuur: “ik beken dat ik niet zou juichen, indien op morgen uw lans het bloed deed stroomen van een schuldelooze, van iemand, die u het leven gered heeft.”
“Ga voort!” zeide Adeelen: “voeg er nog bij, van iemand, die uw hart gestolen heeft. Is het niet zoo? Maar weet, schoone Jonkvrouw! dat ik morgen, zoo ik den knaap overleve, verwinnaar of verwonnene, niet zal gedoogen, dat gij een dag langer deze verpeste lucht inademt.”
“Seerp Van Adeelen!” zeide Madzy met waardigheid: “onze ouders hebben ons als kinderen aan elkander verloofd: ik heb u altijd de liefde eener zuster en de toegeeflijkheid, die eene vrijster aan haar verloofde schuldig is, betoond. Maar dit verklaar ik u plechtig, dat niets ter aarde mij dwingen zal u te huwen, zoolang gij den dwazen weg blijft houden, dien gij sedert eenigen tijd zijt gevolgd. Boogt gij op den naam van vrij, ik stel daar geen minderen prijs op: en nimmer zal ik de gade worden van iemand, die mij reeds vóór het huwelijk als zijn slavin behandelt.’”
“En wie der hofvlinders,” vroeg Adeelen, “welke om u heen gefladderd hebben, heeft u dat schoon besluit doen vormen?”
“Madzy heeft volkomen recht,” zeide Aylva: “en zoo iemand hier haar gehoond heeft, zijt gij het, door uw onbetamelijk uitvaren. Dan het is tijd, dat wij ons voor het feest bereiden. Zult gij ons vergezellen, Adeelen?”
“Om weer tot een voorwerp van spot te verstrekken? Ga, zoo gij verkiest, en zeg dien trotschen Graaf, dat ik zijn uitnoodiging verafschuw, en dat het tusschen hem en mij een zaak van dood en leven is. En wat u betreft, Madzy! ga en lach en scherts met uwe nieuwe vrienden! schimp met hen op den armen Adeelen, op uw verloofde, die morgen misschien om uwentwille en om den wille van het land zijner vaderen zijn leven laten zal. Voorwaar! de maagden van Friesland zullen u eerekransen vlechten bij uwe terugkomst en uwen lof bezingen, omdat gij zoo schoon de eer der uwen hebt opgehouden.”
“Gij zijt onbillijk, Adeelen!” zeide Madzy, terwijl de tranen in haar lieve oogen blonken: “denkt gij, dat ik het gevaar, ’t welk den vriend mijner kindsheid, mijn speelmakker, mijn broeder boven het hoofd hangt, met een onverschillig oog aanzie?—Gelooft gij, dat ik zelve gestemd ben, dat gehate feest bij te wonen!—O neen, mijn voogd! laat mij blijven, en dit gebouw niet eer verlaten, dan om naar Friesland te keeren.”
“Ik weet,” zeide Adeelen, bewogen, “dat uw hart goed is, en dat gij ook om het onheil eens onbekenden zoudt treuren: maar bij den hemel! ik werd liever door u bespot en uitgelachen, dan dat gij mij alleen die tranen schonkt, welke men voor een speelmakker, voor een broeder vergiet. Het is als uw bruidegom, als uw minnaar, dat ik uwe tranen verg, en God weet, of zij niet sterker nog vloeien zullen, indien mijn arm morgen in den kampstrijd dien Italiaan neerslaat, die u van liefde heeft durven spreken.”
Madzy berstte in tranen uit: zij wilde zich verdedigen, maar zij kon geen geluid uitbrengen; want haar hart was vol: het had de juistheid van Adeelens uitdrukking gevoeld. De ruwe Fries was zelf ontzet over de uitwerking zijner woorden: hij bleef staan, kruiste de armen over de borst, en Madzy met sombere oogen aanziende: “is het waarlijk zoover gekomen?” riep hij uit: “heeft Madzy Dekama, de edele dochter van Frieslands braafsten held, de bruid van Seerp Van Adeelen, zich door de zoete woorden laten bepraten van een onbekenden gelukzoeker, die naam noch afkomst bewijzen kan, wien een onzalige wind naar deze kust gevoerd heeft om zich ten koste der ingezetenen te verrijken? En moet de ronde, vrije Fries achterstaan, omdat zijne taal oprecht en ongeveinsd is, omdat hij nooit de schoone woorden en de vleitaal der hovelingen heeft leeren spreken? Gij antwoordt mij niet: gij zwijgt, Madzy! gij slaat uwe oogen neder! o! ik bezweer u, spreek slechts één woord: zeg mij, dat gij nog dezelfde zijt: zeg, dat het enkel een tijdelijke bedwelming, een vrouwelijke behaagzucht is geweest, welke u het oor aan zijne taal heeft doen leenen. Zeg mij dit, Madzy! stel mijn hart gerust, en gij zult mij voortaan ook veranderd vinden. Ik zal niet meer als meester tot u spreken: ik zal uwe wenschen gehoorzamen: ik zal u naar de oogen zien: uwe begeerten raden en voorkomen. O! tot dit oogenblik toe had ik nooit geweten, hoe heftig ik u beminde; maar de vrees om u te verliezen heeft mij de oogen doen opengaan: ik gevoel nu de kracht mijner liefde: waarlijk! ik zal geen geluk meer hebben, zoolang ik niet van de uwe verzekerd ben.”
Madzy gevoelde zich sterk aangedaan. Nooit had zij Adeelen zoo warm, zoo waardig, met zooveel gevoel hooren spreken. “Ja, ik wil uw vriendin zijn, Adeelen! gelijk voorheen,” zeide zij, hem hare hand toereikende: “doch op ééne voorwaarde. Ik wil even oprecht zijn als gij met mij geweest zijt: ja, uw gedrag heeft mij verontwaardigd. Gij hebt in mijne tegenwoordigheid dien Italiaanschen Ridder beleedigd.... neen, antwoord niet; hij moge dan zijn wie hij mag: die afkomst doet hier niets ter zake;—gij hebt hem gehoond, en mij ter zelfder tijd. Gij hebt mij in zijne oogen en in die van anderen voorgesteld, als ware ik een losse, minzieke deerne, gereed mij te vergooien aan al wie mij een zoet woordje toesprak. Hoor wat ik eisch en tot welken prijs gij mijne achting kunt herwinnen. Gij zult dien vreemdeling, dien Deodaat van Verona, bestrijden;—maar eerst zult gij hem verklaren, dat de woorden, u in drift ontvallen, u leed doen: dat gij overtuigd zijt, dat nooit tusschen hem en mij eenige gesprekken zijn voorgevallen, die ik niet hooren mocht: en dat gij ook den hoon vergeten wilt, u door hem ter wedervergelding aangedaan.”
“Gij vraagt veel, Madzy!” zeide Adeelen: “meer dan met ridderplicht kan strooken. Zal ik iemand om vergeving bidden, wiens vuistslag nog op mijn aangezicht gloeit?”
“Gij zijt een Fries,” zeide Madzy: “en draagt roem op uw rondborstigheid. Zoudt gij die alleen aanwenden om te beleedigen en niet om te durven erkennen, dat gij ongelijk hadt?”
“Welaan!” zeide Adeelen: “ik zal doen wat gij begeert: ik zal heden nog, in uwe tegenwoordigheid, den Italiaan de vergoeding doen, die gij verlangt; doch ik heb ook mijne voorwaarde, en de edele Aylva zal oordeelen, of zij billijk is: zij is deze, dat gij na uwe terugkomst in Friesland u met mij in den echt verbindt, en dat ik u heden nog aan het hofgezin als mijne bruid en toekomstige gade moge voorstellen.”
“Mij dunkt,” zeide Aylva: “dat deze voorslag niet onredelijk is: zoo kwam er een einde aan alle moeilijkheid.”
Madzy verbleekte: zij was op dit onverwachte voorstel niet verdacht, en een samenloop der meest verschillende en tegenstrijdige gewaarwordingen doorstroomde haar hoofd. Maar evenals een akker, hoe meer hij omgewoeld is, des te spoediger vruchten voortbrengt, zoo is ook het menschelijk hart te gereeder een grootsch besluit te nemen, naarmate het feller door driften geschokt is. Zij vermande zich, wischte den opgewelden traan uit het oog en stak haar hand opnieuw aan Adeelen toe.
“Ik geloof inderdaad,” zeide zij met een vaste stem, “dat gij gelijk hebt. Ja! ik zal de uwe zijn en heden moge dit op het feest ruchtbaar worden,—maar.... vergenoeg u dan met hetgeen gij tot nu toe verricht hebt: wees bedaard en terg den Graaf niet meer.—Ja, kan het zijn, dat die onzalige kampstrijd op morgen geene plaats had.... doch ik gevoel dat dit onmogelijk is.
“Gij zegt wel, Madzy,” zeide Aylva: “had Adeelen mij geraadpleegd, ik zoude getracht hebben, hem die dwaze uitdaging uit het hoofd te praten; maar nu die eens geschied is, kan hij niet teruggaan zonder zijn eer te krenken.”
“En nu!” zeide Adeelen, wien het zoet vooruitzicht, waarmede hij zich streelen mocht, bijna op eens in een galanten ridder herschapen had, “laat vrij in ’t perk komen wie wil: door Madzy’s liefde gesterkt, ben ik onverwinnelijk.”
“God zegene u, mijne kinderen!” zeide de Olderman, beiden aan zijn hart drukkende: “maar laat ons thans den tijd niet verzuimen en ons gereedmaken voor het feest.”
Elk verliet hierop het vertrek, den Frieschen Edelman hooggestemd door vreugde en verwachting achterlatende. Madzy daarentegen gevoelde eene andere gewaarwording, sinds zij zelve haar lot bepaald had; zij was beklemd en neergedrukt: en nauwelijks was zij in haar vertrek gekomen, of zij zonk in een armstoel neder, en de macht, waarmede zij hare hartstochten beteugeld had, maakte plaats voor een diepe neerslachtigheid.
“Wat heb ik gedaan?” vroeg zij zich zelve af: “mijn hand toegezegd aan een man, voor wien ik geene liefde gevoel, wiens onhandelbare aard mij ongelukkig maken zal?—En toch! ik heb wèl gedaan. Zóó alleen kan en zal ik die dwaze grillen vergeten, welke dit noodlottig verblijf in Holland mij in ’t hoofd gebracht heeft. Te voren kon ik mij zonder ontroering het denkbeeld voorstellen van Adeelens vrouw te worden;—en waarom thans niet? Heb ik nog niet een oogenblik geleden nieuwe bewijzen gezien van den invloed, dien ik op hem bezit? en zal het mij niet mogelijk wezen, met de hulp des Hemels, de inborst mijns gemaals te verzachten? Zijn hart is goed en oprecht: en onder de ruwe schors zit een edele ziel verborgen. Zoo ik van hem verkrijgen kan dat hij zijne ontembare driften beteugele, zal ik met hem gelukkig kunnen zijn.... gelukkig! Ja, moet men dit niet altijd zijn, wanneer men zijn plicht doet!”
Hier werd zij uit haar mijmering gewekt door de stem van Sytsken, die al een poos naast haar gestaan had en haar vroeg, wanneer het haar behagen zou, zich aan te kleeden.
Ik geloof, dat het hier de plaats is om onze lezers, en vooral onze lezeressen, die wellicht de schoone Madzy van ongestadigheid of besluiteloosheid verdacht houden, kennis te doen dragen van de drijfveeren, welke haar hadden aangespoord om zoo en niet anders te handelen, en om haar karakter tegen alle beschuldigingen van dien aard te verdedigen. Het zal hiertoe noodig zijn, eenige omstandigheden op te halen uit haar vroeger leven, welker vermelding wij met opzet hebben verschoven.
Onder de Friesche geslachten, die steeds met den meesten ijver de voorrechten en vrijheden van hun volk verdedigd hadden, was dat der Dekama’s een der aanzienlijkste. Bezitters van uitgestrekte landgoederen en aan het hoofd eener talrijke schaar van aanhangers, hadden zij in de raadsvergaderingen, waar de belangen des lands verhandeld werden, zoo niet een overwegenden, dan toch steeds een gewichtigen invloed gehad. Aan het hoofd van dit adellijk geslacht bevond zich in het begin der veertiende eeuw de wakkere Sjoerd Dekama, wiens bezittingen een groot deel uitmaakten van die landerijen, welke zich, langs Frieslands Noordelijke kust, van Harlingen tot Dokkum uitstrekken. Toen bijna het gansche gewest zich voor den overwinnenden invloed van Willem den Derden nederboog, was Sjoerd Dekama schier de eenige, die de heerschappij des machtigen Graven van zijn hooge stins in Baarderadeel was blijven trotseeren. Gaarne had hij meer gedaan en zijne landgenooten in ’t veld aangevoerd, om het juk der slavernij, hoe zacht het ook ware, van hun schouderen te werpen; maar de binnenlandsche verdeeldheden, welke gedurende zijn leven Friesland teisterden, beletteden hen, zich genoegzaam aaneen te sluiten, om aan zijn verlangen te voldoen.
Vurig had Dekama gewenscht een stamhouder achter te laten, op wien zijn bezittingen en tevens zijn haat tegen alle vreemde overheersching zouden overgaan. Reeds lange jaren was hij gehuwd geweest met een dochter uit het geslacht der Hattinga’s; maar zijn echt was steeds onvruchtbaar gebleven. Bedevaarten naar Onze Lieve Vrouwe van Kevelaar en van Scherpenheuvel, ruime giften aan kloosters en kapellen, alles was beproefd geweest, om den zegen des hemels op dezen echt te verkrijgen; doch alles scheen vruchteloos: en reeds wanhoopten de beide ouders, toen eindelijk, na tien jaren huwelijks, de zwangerschap zijner echtgenoote aan Sjoerd Dekama het vooruitzicht opende om zijn hoop verwezenlijkt te zien. Men schreef deze gunstige wending daaraan toe, dat de edele Vrouw gedurende jaar en dag het water der heilfontein te Dokkum gedronken had. Volgens de overlevering was deze fontein (welke nog ten tijde van Winsemius gezien werd) haar oorsprong aan een wonderwerk verschuldigd. Toen men, in de negende eeuw, het klooster met de kerk op een hooge werf of terp zoude bouwen, wist men geen raad om de kloosterlingen aan zoet water te helpen. De landvoogd Abbo, die Friesland uit naam van Pepijn den Korten bestuurde, was er bij en wist al zoo weinig als de ingezetenen eenigen goeden raad te verschaffen. Het paard van een zijner Jonkers (dat waarschijnlijk van den vermaarden Pegasus afstamde) nam de zwarigheid weg; want het stampte slechts met de voeten op de aarde en fluks kwam er klaar bronwater opborrelen.—Wat er van deze vertelling zij, welke lang als ontwijfelbaar is beschouwd door de minnaars van het wonderbaarlijke, zeker is het, dat de Friezen over ’t algemeen heilzame krachten aan de fontein toeschreven, en vooral een vruchtbaarmakend vermogen, waarvan Foelke Dekama alsnu, gelijk men meende, de uitwerking had ondervonden. De vreugde was nu op Dekamastins ten top en de schoonste toekomst lachte den Burchtheer tegen, toen de geboorte van het zoolang verwachte kind alle vooruitzichten in rook deed verdwijnen. De Burchtvrouw bracht een meisje ter wereld en stierf in het kraambed.
Een wanhopige droefheid vervulde de ziel des vaders, die zich zoo opeens in al zijn verwachtingen zag teleurgesteld. Ter neder gedrukt door den slag, die hem getroffen had, bekommerde hij zich weinig over het onnoozele kind, dat hem niet slechts, als een levend aandenken, den droevigen dood zijner beminde gade bestendig herinnerde, maar ook door de kunne van het wicht de vergoeding niet aanbood, welke alleen in staat ware geweest hem bij haar gemis eenigen troost te verschaffen. Ja, de kindsheid der arme Madzy ware beroofd geweest van de noodige zorgen, had niet een bloedverwante van hare moeder, die bij de bevalling was tegenwoordig geweest en de Vrouwe van Dekama in haar uiterste had bijgestaan, zich het hulpelooze schepseltje aangetrokken. Deze liefdadige vrouw was Sybe Hattinga, de gade van Juwe Van Adeelen. Medelijden opvattende met den deerniswaardigen toestand van het verschoven weesje, verzocht zij als een gunst van Dekama om zijn dochtertje met zich naar Adeelastins te mogen nemen, onder belofte van voor haar eerste opvoeding te zullen zorg dragen: en Dekama, aan wien het gezicht van het kind meer en meer onverdraaglijk was geworden, stond dit verzoek volvaardig toe.
Herkomst van de tekst: de uitgave van A.W. Sijthoff, Leiden. Spelling ongewijzigd.
