Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Jacob van Lennep · De roos van Dekama · 1836

Vijftiende hoofdstuk (2 van 2)

Sybe Van Adeelen betoonde zich het haar geschonken vertrouwen volkomen waardig, door de teedere zorgen, welke zij aan het aanvallige wicht besteedde, waarvoor zij al spoedig een moederliefde opvatte en betoonde, schier gelijk aan die, welke zij toedroeg aan haar eenigen zoon Seerp, een knaap, ongeveer tien jaren ouder dan Madzy. Recht in zijn schik, dat moeder hem een zusje had medegebracht, hechtte hij zich terstond aan het kleine meisje, droeg voor haar meermalen waakzame zorg wanneer zijn moeder afwezig was, achtte zich gelukkig, wanneer hij de eerste schreden van het lieve kind besturen mocht, en verliet niet zelden zijne spelen om bij het wiegje te zitten en aan zusje Madzy de zoetste woordjes, die hem in den zin kwamen, te laten nastamelen.

Ook Juwe Van Adeelen had zijn aangenomen dochtertje lief; misschien even zooveel als zijn vrouw, en iets minder dan zijn zoon, met wien hij het meest ophad, en wel om de eenvoudige reden, dat deze de eenigste was van de drie, die hem op zijn jacht- en vischpartijen kon verzellen. Buiten deze genoegens en die van de daarmede in verband staande drinkmalen, was de goede man toch onvatbaar voor eenige genieting; en de oogenblikken, welke hij rustig en in den huiselijken kring op zijn stins doorbracht, waren zoo zeldzaam, en hij bevond zich bij die gelegenheden zoo misplaatst, dat men hem daar minder als den Heer des huizes dan wel als een gastvriend beschouwde. Hij liet dan ook zijn echtgenoote volkomen vrij, zoowel in de besturing van haar huiselijke zaken als in haar beschikkingen omtrent Madzy:—en zeker had hij zijn vertrouwen nimmer beter kunnen plaatsen.

Onder de waakzame oogen der edele Vrouw bracht de telg van Dekama de dagen harer kindsheid allergelukkigst door, teeder gehecht aan haar pleegmoeder, en ook aan haar grooten broeder Seerp, gelijk zij hem noemde: hoewel zij met dezen laatsten, naarmate zij in jaren klommen, somtijds onaangename tooneelen had, door zijn hoofdigen en eigenzinnigen aard veroorzaakt; want, zoolang hij met haar gesold had als met een klein kind, dat hem nimmer tegensprak, had zij nooit iets van hem te lijden gehad; maar naderhand ging het tusschen hen als met Alexis en zijn zusje, volgens het bevallige gedichtje, dat wij tot motto van dit hoofdstuk hebben gebezigd. Daar echter Madzy zachtzinnig en inschikkelijk van aard was, en bij alle oneenigheid dadelijk toegaf, was de vrede doorgaans spoedig hersteld en de smart ras vergeten:—en welke zijn de onaangenaamheden, welke de kindsheid niet spoedig voorbijziet?

Het duurde ongeveer tien jaren, eer Dekama, die intusschen, als der wereld en hare vreugde afgestorven, zijn treurige dagen op zijn erfgoed had doorgebracht, zich herinnerde, dat hij nog een dochter op Adeelastins in leven had: en verveling of nieuwsgierigheid, meer dan ouderliefde, dreven hem derwaarts. Doch helaas! het onvoorbereide meisje rukte zich los uit de armen van den somberen, zwarten edelman, die haar omhelzen wilde, en zocht haar toevlucht aan den hals van haar pleegmoeder.

Deze ontmoeting was weinig geschikt om aan Dekama meerdere teederheid voor zijn dochter in te boezemen. Hij verkropte echter zijn spijt, uit aanmerking der erkentenis, welke hij aan Sybe verschuldigd was; maar hij eischte zijn kind niet terug, tot groot genoegen der edele Vrouw, die het ongaarne gemist zou hebben op een tijd, dat het in staat begon te worden de haar bewezene diensten te beloonen. Daarentegen schepte hij, gedurende het kort verblijf, dat hij op Adeelastins maakte, genoegen in den omgang met den jeugdigen Seerp, die nu de jaren bereikt had, waarop hij de wereld in kon treden, en wiens hooghartig karakter veel overeenkomst met het zijne had. Dekama bemerkte weldra, dat de opvoeding van den jongeling in vele opzichten verwaarloosd was, daar deze op de stins en onder de leiding zijns vaders weinig gelegenheid had gehad om zich in het meer edele gedeelte der ridderlijke oefeningen bekwaam te maken. Hij stelde daarom aan den ouden Adeelen voor, dat Seerp hem naar Dekamastins zoude vergezellen om hem tot schildknaap te verstrekken en onder zijn opzicht aan te leeren wat hem nog ontbreken mocht;—door welken dienst hij, gelijk hij zich uitdrukte, de handelwijze der Adeelens jegens zijne dochter hoopte te vergelden. Deze voorslag klonk in den beginne vrij onwelkom in de ooren van Juwe, die niet gaarne een zoo wakkeren jachtgezel als zijn zoon wilde missen; doch op aandrang, zoowel van den knaap zelven, die, volgens den aard der jeugd, naar verandering haakte en wien het in de ziel griefde, dat ieder zijner tijdgenooten hem in bekwaamheid vooruit was, als van de verstandige moeder, die het voorbeeld van haar echtgenoot hoogst gevaarlijk achtte voor den jongeling, gaf de oude man toe, en Seerp volgde Dekama op de stins van dezen, waar hij zich al spoedig in alle ridderlijke oefeningen zoodanig volmaakte, dat hij in staat was, om, gelijk wij gezien hebben, met eer op een steekspel te verschijnen. Maar behalve de uiterlijke bekwaamheden, welke hij van Dekama overnam, zoog hij ook van dezen, gelijk wel te verwachten was, al de vrijheidsademende denkbeelden en al den nationalen trots in, welke den ouden Edelman kenmerkten en, als het meestentijds gaat, door zijn kweekeling nog overdreven werden.

Dit duurde zoo tot den dood van den ouden Juwe Van Adeelen, die na verloop van een drietal jaren op een jachtpartij overleed aan de gevolgen van een twist, uit een beuzelachtige omstandigheid ontstaan: namelijk over het aanleggen van het vuur. Eenigen der Edelen, die de Schieringer-partij waren toegedaan, hadden namelijk het vuur boven de brandstoffen gelegd, iets hetgeen de Vetkoopers, die gewoon waren, zich te onderscheiden door de turven boven het vuur te leggen, niet wilden gedoogen. De kortelings nog vroolijke jachtgezellen, door den drank verhit, trokken hun dolken en zwaarden; Juwe, ofschoon van een vreedzamen aard, zag zich genoodzaakt partij te kiezen en ontving in het gevecht een doodelijke wonde. Seerp keerde op het bericht van dit voorval naar zijn stins, om van zijns vaders erfgoed bezit te nemen en zijn dood te wreken. Weldra toonde hij, dat de leden van zijn geslacht aan hem geen zoo gemakkelijk stamhoofd, noch de eigengeërfden uit den omtrek een zoo toegevenden buurman hebben zouden als zijn vader geweest was. Zijn eerste daad was, zijn krijgsknechten uit te rusten, de moordenaars zijns vaders op hunne stinsen te overvallen en hen van ’t leven te berooven. Deze doodslag werd wel gezoend; maar niet zonder dat een aanzienlijk gedeelte der landgoederen van Adeelens vijanden in zijn bezit verbleven: terwijl zijn stoute daad hem een grooten naam gaf bij zijn partij en hem trotscher en hooghartiger maakte dan ooit. De zachte vermaningen zijner moeder en de zusterlijke raadgevingen van Madzy hielden hem echter eenigszins in toom, en beletteden althans voor eenigen tijd, dat Adeelen zich in nieuwe twisten stak. Intusschen zag de edele Vrouw de toekomst donker in, en voedde niet ten onrechte de vrees, dat wanneer zij eens haar echtgenoot in het graf zoude gevolgd zijn, haar zoon, bij gemis van goeden raad en leiding, zich geheel aan de inspraak van zijn heerschzuchtigen aard zou overgeven. Haar vurigst verlangen, hetwelk zij meer dan eens bedektelijk uitte, was daarom, dat Madzy, wier juist oordeel, uitmuntend verstand en zachte inborst haar tot zulk een taak volkomen in staat stelden, Seerp eenmaal, wanneer zijn moeder kwam te vallen, tot leidsvrouw en gezellin op ’s levens pad verstrekken mocht. Madzy, die nooit eenig jongeling dan Seerp had leeren kennen, en hem een zusterlijke genegenheid toedroeg, leende geen afkeerig oor aan de wenschen, door haar weldoenster gekoesterd, en gewende zich als van zelve aan het denkbeeld van op Adeelastins haar dagen aan de zijde des Burchtheers te blijven doorbrengen. Wat dezen betrof, hij beschouwde haar nog te veel als een kind, dan dat hij er om gedacht zoude hebben, haar in goeden ernst zijn hof te maken: hij behandelde haar, gelijk hij altijd gewoon was geweest, zeer uit de hoogte; maar hij deelde niettemin in den wensch zijner moeder; want hij voorzag, dat Madzy een aardig lief vrouwtje zoude worden, en de gedachte streelde hem, dat de bezittingen van de rijke erfgename der Dekama’s hem eenmaal tot den vermogendsten der Friesche Edelen zouden maken en hem in staat stellen, een overwegenden invloed op zijn landgenooten uit te oefenen, en hen tot afschudding van het Hollandsche juk te nopen.

De stille leefwijze, welke Madzy sinds haar eerste kindsheid op Adeelastins geleid had, moest eindelijk ophouden. De Vrouwe van Adeelen, die sedert eenige jaren de beginselen eener teringziekte had onder de leden gedragen, voelde haar einde naderen. Op haar sterfbed gaf zij nog voor ’t laatst haar innig verlangen te kennen, dat Madzy eenmaal haar zoon zoude huwen: en toen het diep ontroerde meisje door aandoening werd belet haar te antwoorden, legde zij de handen der twee wezens, welke zij boven alles bemind had, in elkander, en ontsliep zonder smarten, de zalige gedachte met zich nemende, dat zij een brave gade voor haar zoon had opgekweekt.

Toen Sjoerd Dekama kennis van het sterfgeval bekwam, zag hij wel in, dat hij niets anders doen kon, dan de zoolang door hem verwaarloosde dochter bij zich in te nemen. Hij zond zijn ouden slotvoogd om haar af te halen; en zij kwam tot hem, een vreemdeling in het huis haars vaders. Wel was deze innerlijk trotsch op zijn dochter, toen hij zag, hoe schoon en beminnelijk zij was geworden; maar sedert zoolang was zijn stins door geen vrouwenvoet betreden geweest, dat hij moeite had, haar die gemakken te verschaffen, welke haar kunne en staat vereischten: zoodat zij een weinig genoeglijk leven sleet, alleen in het gezelschap van iemand, die den omgang met vrouwen geheel was afgewend. In den beginne kwam, wel is waar, Seerp haar nu en dan bezoeken en eenige verscheidenheid in haar eentonig leven brengen; doch daar deze eerlang met de monniken van Lidlum in een heftigen twist geraakte, die hem zijn huwelijksvoornemens voor een wijl deed uit het oog verliezen, werden die bezoeken weldra meer schaarsch en hielden eindelijk geheel op.

Dan, ook de tegenwoordige toestand van Madzy moest van korten duur zijn. Dekama stierf, eer nog het jaar ten einde was, aan een aanval van beroerte, welke men toeschreef aan de woede, waarin hij geraakt was, bij het vernemen, dat Stavoren en nog twee Friesche steden de laagheid hadden gehad, den Graaf van Holland als Heer te huldigen. Bij zijn uitersten wil droeg hij de voogdij over zijne dochter op aan den Heer van Aylva, zijn krijgsmakker en wapenbroeder in vroegere jaren, en den eenigen man bijna, wiens gezelschap hij nog in de dagen zijner afzondering had willen dulden.

Aylva kwam naar Dekamastins, zoodra hij het verlangen van zijn overledenen vriend had vernomen. Madzy kende den Olderman niet persoonlijk; maar zij had hem meermalen door haar vader hooren prijzen, die hem een volkomen Ridder noemde, welke slechts één gebrek had, namelijk dat hij niet genoeg Fries was, ’t geen Dekama aan de veelvuldige reizen en lange uitlandigheid van Aylva toeschreef. Weldra, bij de kennismaking met haar voogd, die haar nu meermalen ter regeling en besturing van haar erfgoed bezoeken kwam, leerde zij zijn beminnelijk en edel karakter ook bij ondervinding kennen en waardeeren, en met een soort van verwondering ontdekte zij, dat er nog een ander slag van menschen bestond, dan haar vader of de Adeelens. Zij hoorde nu niet meer op allen vreemden landaard schelden, noch uitsluitend datgene prijzen, wat louter Friesch was: zij hoorde van gewoonten en gebruiken spreken, waarvan zij nooit gedroomd had: en een beschaafden, wellevenden toon voeren, welke noch op het sombere huis van Dekama noch op Adeelastins ooit gekend was. Het was dan ook zonder tegenzin, dat zij het aanbod aannam, haar door Aylva gedaan, om eenigen tijd op zijne stins te komen doorbrengen en aldaar zijne zusters gezelschap te houden, terwijl het huis haars vaders eenige herstelling en vertimmering onderging, die door langdurig verzuim hoogst noodig waren geworden.

Het was daar, in haar nieuw verblijf, dat zich de uitmuntende begaafdheden, welke zij van de natuur ontvangen had, geheel ontwikkelden. De twee zusters van Aylva, jonger dan hij, doch oud genoeg om Madzy door haar voorbeeld op te leiden, verschaften haar een even genoeglijk als leerrijk gezelschap. Beiden waren niet slechts in alle vrouwelijke handwerken, maar ook, hetgeen te dier tijd zeldzamer was, in zang en snarenspel bedreven; en Madzy maakte van haar onderricht zulk een nuttig gebruik, dat zij weldra haar meesteressen voorbijstreefde. Bovendien werd de stins van Aylva niet zelden bezocht door welkome gasten, die zoowel door den gullen en aangenamen omgang des Oldermans als door de schoonheid en begaafdheden van het beminnelijke drietal werden derwaarts gelokt, en de Roos van Dekama (want deze naam, haar door een reizenden minnezanger gegeven, was haar sedert bijgebleven) bracht, in die gestadige afwisseling van vroolijke en belangrijke gezelschappen, de schoone dagen harer jeugd op de aangenaamste wijze door.

Ondertusschen had Seerp Van Adeelen met de monniken van Lidlum vrede gesloten, waartoe hem, gelijk wij vroeger gezien hebben, de welsprekendheid van vader Syard genoopt had; de verstandige kloosterling had hem van zijn zwakke zijde aangetast, door hem te verhalen, hoezeer de Hollanders juichten over de inwendige tweespalt, die Friesland verdeelde. Adeelen begon nu weder aan Madzy te denken en zich te verwijten, dat hij haar eenigen tijd verwaarloosd had. Daar hij echter zijn huwelijk met haar als een vastgestelde zaak beschouwde, aan wier voltrekking geen twijfel wezen kon, deed hij, bij zijn eerste bezoek op de stins van Aylva, geene de minste moeite om zijn achteloos gedrag te vergoelijken, of verschooning aan Madzy, die hij nog altijd als een kind aanzag, af te smeeken. Wat haar betrof, zij had, wij moeten het gulweg bekennen, in den laatsten tijd weinig aan hem, ofschoon dagelijks aan zijn goede moeder, gedacht: zij zag hem niet terug met dat oog van eerbied en vrees, waarmede zij vroeger gewoon was geweest hem te aanschouwen. Hij was voor haar niet langer de Burchtheer van Adeelastins, zooveel ouder dan zij; maar eenvoudig een onhoffelijke, ruwe landedelman, die nog veel te leeren had, eer hij geschikt ware om haar hart te winnen. Zij behandelde hem echter, uit oude betrekking, met minzame vertrouwelijkheid; maar als Adeelen over hun aanstaand huwelijk sprak, kwam zij altijd met de verontschuldiging voor den dag, dat zij nog veel te jong was om daaraan te denken.

Hij kon zich echter over dit antwoord niet beklagen; want hij zag, dat het geene loutere uitvlucht was: daar zij verscheidene andere edele Friezen, die de rijke erfdochter der edele Dekama’s ten huwelijk waren komen vragen, ronduit had afgeslagen, en hem herhaaldelijk verzekerde dat zij bereid was, de hoop eenmaal te verwezenlijken, door zijn moeder gevoed.

Aldus stonden de zaken, toen de gebeurtenissen te Stavoren plaats vonden, welke aanleiding gaven, dat in den weerstal of de landsvergadering der Friezen tot het zenden van afgevaardigden besloten werd, waarbij men zich op de drie personen bepaalde, in deze geschiedenis genoemd. De keus der geestelijke Heeren viel natuurlijk op den Abt van Sint-Odulf, daar deze als een nabuur der inwoners van Stavoren het meest bij de zaak belang had, en het best in staat was het gebeurde te beoordeelen. Oostergoo benoemde Aylva, die, wegens zijn aanzienlijke bezittingen en als Olderman van Leeuwarden, in dat gewest een uitgebreiden invloed had. Westergoo koos Adeelen, zoowel om zijn koninklijke afkomst, welke hem zelfs onder de vrije Friezen een aanzien gaf, dat hij anders niet zoude hebben gehad, als om het ontzag, dat men voor zijn macht en wakkere daden gevoelde.

Adeelen, bezorgd dat Madzy in de afwezigheid van Aylva zonder bescherming zoude achterblijven, en wellicht ook de hinderlagen duchtende, welke, ’t zij door dezen of genen minnaar, ’t zij door een geheimen vijand zouden gelegd kunnen worden, drong bij Aylva aan, dat hij haar met zich op de reis naar Holland zoude nemen: tevens echter zijn verlangen te kennen gevende, dat zij zich aldaar zoo min mogelijk vertoonen zoude. Aylva had er niets tegen om aan het eerste gedeelte van dit verzoek te voldoen, hoezeer het hem leed deed dat zijn zusters, die in den tusschentijd gehuwd waren, haar niet zouden kunnen vergezellen;—maar hij bekende, de reden niet in te zien, waarom hij aan Madzy die vermaken zoude ontzeggen, welke een tijdelijk verblijf in Holland haar kon opleveren, en waarop iemand van haar kunne en leeftijd billijk mocht aanspraak maken. Madzy echter nam alle zwarigheid weg, door te verklaren, dat, zoo zij medeging, zulks alleen zoude wezen, om haar voogd op reis de noodige oppassing en dienst te bewijzen, waaraan hij gewoon was, en dat zij niet verlangde zich in ’t openbaar te vertoonen om aan de Hollandsche Jonkvrouwen tot een voorwerp van spotternij te verstrekken:—en het was onder deze voorteekenen dat de reis werd ondernomen.

Dan, de goede Madzy had niet nagedacht, dat deze reis zou dienen om haar voorwerpen te leeren kennen, en zaken uit een oogpunt te doen zien, van welke zelfs de gesprekken met haren voogd haar nog geen denkbeeld hadden kunnen geven. Zij vond zich, zonder zelve te weten hoe, op eenmaal als een twistappel aan het hof des Graven geworpen, gevleid, bewonderd en benijd. Zij had de zoete taal gehoord van Ridders, bij wie Adeelen evenmin te vergelijken was als de ruwe goedendag des huismans bij den sierlijken pronkdegen met Damasceensch lemmer des Edelmans, en hoe nederig ook en ingetogen, zij was eene vrouw, en had niet zonder eenig behagen haar lof in hoofsche taal hooren uitspreken door den mond eens Graven van Holland en zijner Edelen, en haar hart sloeg harder, wanneer zij zich den wakkeren Deodaat voorstelde, met zijn helderen, vriendelijken oogopslag, met zijn zachtaardig voorkomen, dat zoo vreemd afstak tegen zijn onweerstaanbaren moed, met zijn innemende stem, bevallige manieren en heusche handelwijze ten haren opzichte.

“Maar wat baat dit alles?” dacht zij, terwijl Sytsken haar hoofdtooi in orde bracht: “het zoude in dien Deodaat, die wellicht niets anders dan een ten hove gewone beleefdheid jegens mij in acht genomen heeft, een dwaasheid zijn, mij te beminnen: en in mij een nog veel grooter dwaasheid, zijn liefde aan te hooren. Geen uitlander als hij zou in Friesland als de echtgenoot van Madzy Dekama geduld worden; en mijn goede naam ware voor eeuwig verloren, indien ik mijn land verzaakte om een vreemdeling zonder fortuin of afkomst te volgen. Neen, zoo ik immer rust en geluk wil smaken, het is voor mij slechts in het land mijner vaderen te vinden: en gelijk de zwaluw slechts nestelt aan het dak waar zij uitgebroeid is, en niet met den vink naar vreemde luchtstreken reist, zoo mag ook de Friezin alleen in Friesland haar gade vinden.”

Herkomst van de tekst: de uitgave van A.W. Sijthoff, Leiden. Spelling ongewijzigd.