Jacob van Lennep · De roos van Dekama · 1836
Negentiende hoofdstuk (2 van 2)
Deze geestige zet werd door al de aanwezigen met een luid gelach ontvangen. Vader Syard, zijn eenvoudig maal uit de handen der dienstmaagd aannemende, vergenoegde zich met te zeggen:
“Indien gij, mijn zoon! in de plaats van met ongure dieren, met vrome lieden verkeerd hadt, zoudt ge althans de lessen der beleefdheid jegens vreemdelingen beter hebben leeren in acht nemen.”
“Hij spreekt bylo of hij een pater ware,” zeide Daamke, wiens vroolijkheid verdubbelde. Barbanera, die naast hem zat, zag op dit oogenblik den monnik in ’t gezicht, die hem echter niet herkende, daar zij elkander slechts eenmaal aan het ziekbed van Elske gezien hadden, en de kwakzalver thans den wassen neus niet ophad, die hem anders vermomde.
“Een pater!” herhaalde de wapenknecht met een schuinschen blik op den monnik: “hij is dan waarschijnlijk uit het Karthuizer convent te Arnhem, waar de monniken, zooals men weet, nooit uitgaan dan met een mooi Mariëndaalsch zusje.”
“Of het een mooi zusje was, is nog de vraag,” zeide de hansworst: “want zij was zoo dichtgestopt als een metworst, toen zij ons voorbijstoof.
“Niet zoo ingestopt,” zeide de wapenknecht, “of ik heb een voetje gezien, dat ik in mijn vuist had kunnen sluiten, en een blank malsch handje, dat de kruik vasthield. Zeg eens, huisman! is ’t je dochter, of je vrouw! want ik wil je wel van je reisgenoot ontslaan, zoo je haar voor een slok verkoopen wilt.”
“Dat ware met recht kat in den zak koopen,” zeide Daamke.
“Nu, wij konden haar wel eens bekijken gaan,” hernam de wapenknecht, opstaande: “zij zit zeker bij moeder Treuzel in de keuken.”
“Ja! laat zien of wij haar kennen,” zeide Melis, zijn voorbeeld volgende.
“Een oogenblik, goede vrienden!” zeide vader Syard, zich voor de deur stellende, met zulk een vastberadene houding, dat de beide gasten een poos besluiteloos stonden: “ik ben een man van jaren en ongewoon om met rauwe gasten als gij zijt te vechten; maar ik zou nog kracht genoeg hervinden om den eersten, die zich verstoutte aan den wervel van deze deur te raken, zijn vermetelheid duur betaald te zetten.”
Onder het uiten dezer woorden sloeg hij de dorre hand aan den degen, die aan zijn zijde hing.
Melis trad een stap terug: schoon eenigszins door den drank verhit, was hij niet beschonken genoeg of hij besefte, dat een aanval op den vreemdeling in dit geval meer dan een gewoon messengevecht zoude wezen en hem strafbaar maken voor het gerecht. De wapenknecht echter, meer oploopend en stout, trok zijn zijdgeweer half uit en wilde op den monnik aandringen, toen het gewaad van dezen zijne opmerkzaamheid wekte: “wat duivel!” riep hij, plotseling stilstaande: “hoe komt gij aan dat pak?—Dat zijn mijne kleeren.... mijne laarzen.... mijn tasch!”
Deze opmerking, in stede van den monnik van zijn stuk te brengen, gaf aan het schrander oordeel van vader Syard integendeel een wapen in de hand, waarvan hij zich met wakkerheid bediende.—“Uw naam is Walger!” zeide hij.
Inderdaad, het was Walger, die, na zijn vrouw, gelijk wij vroeger verhaalden, te hebben mishandeld, zijn hut had verlaten in den waan dat zij dood was. Den avond van dien dag teruggekomen zijnde, om zich van de gegrondheid zijner vrees te verzekeren, had hij door het venster naar binnen gezien, en Madzy, den monnik en de beide Italiaansche Ridders bemerkt bij de legerstede, waarop zijn vrouw, dood zoo hij meende, lag uitgestrekt. Vervuld van schrik had hij geene uitkomst geweten als in de vlucht, en ten einde spoediger weg te komen, had hij de paarden der Ridders losgemaakt, en een daarvan bestijgende, was hij met de twee naar Leiden gedraafd, waar hij ze een paar dagen later aan den Ridder van den Rooden Arend verkocht had, die, van hem vernemende dat hij dienst zocht bij de Stichtschen, hem met een aanbeveling aan Jonker Robbert van Arkel naar Utrecht had gezonden, waar hij aangenomen en met een wederkeerige boodschap naar Plaswijk was gestuurd.
“Moordenaar!” vervolgde de monnik, op een bestraffenden, doordringenden toon: “wat hebt gij met uwe vrouw gedaan? weet gij niet dat zoowel de wet des Heeren als die der menschen het doodslaan verbiedt? En in plaats dat gij in zak en asch uw misdaad beschreien, en door berouw en boete de genade Gods afbidden zoudt, vind ik u hier dartelend en wijn drinkende, als de menschen in de dagen Noachs deden, voor de zondvloed kwam en ze allen van de aarde wegnam.—Beef! want het bloed zal bloed eischen en de wraak zal u vervolgen, waar gij ook schuilen moogt.”
Walger trad onthutst en bedremmeld terug: en terwijl de overigen, die weinig of niets van des monniks toespraak begrepen hadden, hen beiden met bevreemding aanzagen, kwam de waardin juist op het gerucht af.
“Wat beduidt dit, vrienden?” zeide zij: “mijn herberg is een ordentelijk huis en ik wil hier geen rumoer hebben. Een eerlijke bekkesnijderij op Zon- en Feestdagen of met kermis, in goede eendracht, dat gaat er nog mede door; maar in de week en dat nog wel ’s avonds, verkies ik geen ruzie in huis.”
“Er is geen ruzie ter wereld, moeder Jaspersz!” zeide een der boeren: “daar is Melisbuur, die u ongetrouw wordt en eens effentjes een vriendelijk bezoek wil gaan afleggen bij de deerne, die hier t’ avond gekomen is.”
“En denkt gij, leelijke slungel,” vroeg de waardin, met de handen in de zijden naar Melis toestappende, “dat ik dat van u velen zou? Ga zitten man!” vervolgde zij, terwijl zij hem bij de schouders nam en op zijn bank neerkwakte: “en drink je zoopje; maar wee je gebeente, zoo je verder dan het voorhuis je pooten durft zetten.
“De droes!” zeide de hansworst: “vriend Melis! zoo gij u ooit bekeeren wilt, doe dan als je daar eerst zeidet: neem moeder Jaspersz tot vrouw en zij zal u spoedig zoo tam maken als een lammetje.”
“Hij mij tot zijn vrouw nemen!” riep de waardin: “Maaike Jaspersz laat zich niet zoo nemen: ik wou nog liever, dan dat ik zoo’n apenbakkes in mijn slaapkamer zag en mijn zuur verdiend penningske door zijn keelgat wandelen. Hij moest maar liever eens denken, hoe hij bij mij in ’t krijt staat, en wachten tot hij mij betalen kan, eer hij zooveel praats had. Maar ik zeg alsnog: die buiten het voorhuis komt, neem ik bij de lurven en gooi hem de deur uit.”
Hoewel de wakkerheid der waardin en het gezag, dat zij over haar gasten scheen uit te oefenen, vader Syard eenigszins geruststelden, begreep deze echter niet heen te moeten gaan zonder alvorens nog eenig gewicht aan haar vermaning bij te zetten: “luistert vrienden!” zeide hij: “ik ga naar het slot, en zoo iemand in mijne afwezigheid zich verstout mijn nicht te beleedigen, beloof ik hem morgen een plaats in de kelders van het kasteel.”—Dit gezegd hebbende, begaf hij zich het huis uit.
“Ik lach wat met zijn dreigen,” zeide Walger, zijn onbeschaamdheid terugvindende, zoodra hij den scherpen blik des monniks niet meer te vreezen had: “de slotvoogd zal zich wel wachten mij een vinger aan te raken. Ik heb op het kasteel althans zooveel invloed als die oude gek.”
“Vertrouw daar niet te veel op, vriendje,” zeide de hansworst: “het zou mij niet verwonderen, indien die grijskop langer dan gij, kennis had met dengene, die op dat slot huisvest.”
“En wie huisvest er dan op?” vroeg Melis: “behalve de oude Peter en een aantal uilen en kraaien!”
“Zeg daar maar niets van,” zeide een der andere boeren: “ik heb er niet later dan gisteravond een Ridder zien binnenrijden in volle wapenrusting met een helm op ’t hoofd en op een fraaien zwarten hengst gezeten.”
Hier lichtte de reiziger die op de bank lag, en die zich het vorige tooneel volstrekt niet had aangetrokken, even het hoofd op; doch hernam terstond weer zijn onverschillige houding.
“Wie weet dat beter dan ik,” zeide Walger, “die hem het paard verkocht heb waar hij op zat? een echten kastiliaan, dat beloof ik u.”
“Is het sedert niet lang, dat gij paardenkooper geworden zijt?” vroeg Daamke: “voor weinige dagen stondt gij nog in den Hout naar onze kunstverrichtingen te kijken, met het wapen van Holland op uw jachthuis.”
“Heugt u dat!” zeide Walger: “welnu, wat steekt daarin? ik heb een ander beroep bij de hand genomen.”
“Gij neemt andere dingen ook,” zeide de hansworst: “want gij hebt bij uw vertrek twee paarden meegepakt.”
“Wie durft dat zeggen,” riep Walger, met drift opstaande en de hand aan het geweer slaande.
“Dat durf ik zeggen,” hernam Daamke: “ik, die er bijna klappen om gehad heb.”
“Goede hemel!” riep de waardin uit, terwijl zij haar handen naar boven hief: “een paardendief in mijn huis.”
“Zottin, geen dief!” zeide Walger, terwijl hij wrevelig weder plaats nam: “maar, dewijl het toch morgen, naar men zegt, oorlog wordt tusschen Holland en het Sticht, moest al wat onder het Bisdom behoort mij danken, zoo ik twee paarden op de Hollanders heb prijsgemaakt en aan den Bisschop de aanwinst bezorgde van een knappen kerel als ik ben.”
”’t Is dan zeker ook om afbreuk te doen aan de Hollanders,” vervolgde Daamke, “dat gij uw Hollandsche vrouw half doodgeslagen hebt?”
“Lieve Maagd!” herhaalde de waardin: “een dief en een wijvesmijter! kameraad! je zoekt maar een andere herberg op, dan de mijne.”
“Hoe nu!” zeide Walger, “heeft de oude Peter mij niet zelf hier gebracht en u gezegd dat ik een Bisschoppelijke wapenknecht was en dat gij mij zoudt herbergen?”
“Dat is waar,” antwoordde de waardin: “maar....”
“En zoudt gij denken,” vervolgde Walger, met meer en meer drift, “dat de slotvoogd of zelfs de Bisschop mij zoude vragen wat ik in Holland verricht had en mij niet gaarne absolutie geven voor het kwaad, dat ik er mocht hebben uitgevoerd? Komaan! tap nog een kan ouden wijn en laat er niet meer over gesproken worden.”
”’t Is wel!” zeide de waardin: “maar daar gij morgen wel eens in ’t hoofd zoudt kunnen krijgen om weer naar de Hollanders over te loopen, zal ik zorgen, dat ik bij uw vertrek de paarden tel, die op stal staan.”
“En wat u betreft,” vervolgde Walger, zich tot den hansworst wendende, zonder acht te geven op het gezegde der waardin, “zoo er nog een woord over het voorgevallene bij Haarlem uwe lippen ontrolt, zweer ik u, dat ik u kennis met mijn zwaard zal doen maken, en uw veelvervig pak van den kraag af tot de hoos toe de kleur van uw bloed doen aannemen.”
“Kom! kom!” zeide Daamke: “heb maar zooveel praats niet: die lange Fries van den Heer van Aylva mocht eens terugkomen en u afranselen zooals hij in den Haarlemmerhout deed.”
“Schurk!” riep Walger: “wat let mij of....”
“Welnu,” zeide de waardin, met een nieuwe kan terugkomende: “begint gijlieden weer? komt! drinkt als vroolijke gezellen met elkaar en laat dat eeuwige gekijf varen. ’t Is of gij heden allen van den Booze bezeten zijt: er is hier geen wijs mensch dan ik en die goede man, die op de bank ligt te slapen.”
“Slapen!” zeide Walger: “ja, zoo gij ’t maar gelooven wilt. Wij hadden hem ook wel eens kunnen aanstooten, om te zien of hij ons beter bescheid zou doen, dan de paai die zoo even heenging. Wie weet, misschien is hij wel een spion van den Graaf, gezonden om ons te verderven.”
“Licht mogelijk,” zeide Melis: “mij dunkt, hij deed beter van naar zijn nest te gaan, zoo hij niet met ons wil aanzitten.”
“Wij kosten hem wel eens even wakker schudden,” zeide Walger.
“Gij zult den man stil laten liggen,” zeide de waardin: “hij heeft zijn avondeten genomen en zonder afdingen betaald: en ik zie niet, waarom hij niet evenveel recht zou hebben om rustig te slapen, als gij om rustig te drinken.”
“Nu! maar eventjes,” hernam Walger: “ik zal den man geen kwaad doen. Ik wil hem voor de grap slechts eens laten ruiken, of hij ook trek krijgt om mede te doen.” En zijn kroes volschenkende, zwaaide hij naar den reiziger toe, en hield dezen het vocht onder den neus; maar de vreemdeling, plotseling opstaande, en den mantel afwerpende, die hem bedekte, vertoonde hem de welbekende gelaatstrekken van Reinout van Verona.
“Onbeschaamde dief!” zeide hij: “kunt gij dan niemand met rust laten.”
De eerste indruk, welken deze verschijning op Walger deed, was, dat hij zwichtte voor het zedelijk overwicht, hetwelk iemand van hoogeren rang doorgaans op zijn minderen uitoefent. Hij herstelde zich echter weldra, vooral toen hij bemerkte, dat Reinout geene andere wapenen droeg dan een dolk.
“Ter hulp, Vazallen van het Bisdom!” riep hij: “ziet daar, zooals ik zeide, een zendeling van den Hollander, een flikflooier van Graaf Willem, wiens vangst meer genoegen aan de Kapittel zal doen dan de inneming van een kasteel.”
“Indien het zoo is,” zeide Melis, met de andere boeren toetredende, “dan ware het zeker wel de moeite waardig?....”
“Lompe kinkels!” zeide Reinout, de armen kruisende en in een onbeweeglijke houding blijvende staan: “is dan de oorlog reeds verklaard, dat gij zoo bulkt? Vermoeit u niet onnoodig; want mijn weg leidt naar Utrecht en ik zal hem vinden zonder uw geleide. Wat u betreft, schurk!” (zich tot Walger wendende) “gij bezorgt mij het paard terug, dat gij mij volgens uwe eigene bekentenis ontstolen hebt.”
Walger stond eenigszins versuft, te meer, daar hij aan de weifelende houding der boeren besmeurde, dat er weinig staat was te maken op hun bijstand, en dat zij nog nuchter genoeg waren om te begrijpen, dat een beleediging, eenen gunsteling des Graven, eenen Edelman aangedaan, in allen gevalle hachelijke gevolgen voor hen zou kunnen hebben.
“Welnu!” herhaalde Reinout, met een donderende stem: “mijn paard! hebt gij mij niet verstaan?”
“Bij Sint-Maarten!” zeide eindelijk Walger, op den koppigen toon van iemand, die zijn besluit genomen heeft en op al de kansen is voorbereid, “indien gij uw paard wilt hebben, zoek het dan, waar het te vinden is.”
“Ik geloof,” zeide Daamke, die dit gansche tooneel met een vroolijk meesmuilen had aangezien, “dat hij uw paard en dat van uw vriend in den buidel draagt, die aan zijn gordel vast is:—althans voor zooverre de lieve beestjes zijn keelgat niet reeds zijn doorgereden.”
“Beken!” zeide Reinout: “aan wien hebt gij mijn paarden verkocht?”
“Dat laat zich raden,” zeide de nar: “aan dien Ridder met den rooden arend, die gisteren op het slot gekomen is.”
“Welnu! volg mij dan naar het slot,” zeide Reinout met drift tegen Walger.
“Perdonatemi!” zeide Barbanera, opstaande en hem terughoudende: “zoudt gij den morgen niet afwachten?” voegde hij er bij in de Italiaansche taal: “ik stel mij borg, dat de Ridder op het slot u de paarden zal teruggeven, en dat wel zonder zwarigheid te maken;—maar, zoo gij mij gelooft, zullen wij hem in zijn rust niet storen.”
“Het is wel, Paolo,” zeide Reinout: “maar intusschen hebben wij elkander nog veel te zeggen, en deze kerel moet ons niet ontsnappen.”
“Wilt gij mij gevangenhouden?” vroeg Walger, die, hoewel het gezegde des Ridders, dat in ’t Italiaansch gehouden was, niet verstaande, genoeg aan zijn gebaren begreep wat hij zeggen wilde, en meteen haalde hij zijn zwaard half uit.
“Hoe nu! weer vechten?” riep de waardin: “wij zullen vechterijen genoeg hebben als de oorlog uitberst. Hou uw gemak, of ik zet u de deur uit, zoowaar ik Maaike Jaspersz heet.”
“Hij zou niets liever verlangen,” zeide Daamke, lachende, “hij heeft evenveel trek om te blijven als een verzadigde muis, die in de val zit.”
“Welnu! waarom gaat hij dan niet?” vroeg de waardin: “ik heb al last genoeg van dien oproermaker en zal blij zijn zoo ik van hem ontslagen raak.”
“Ik zal gaan of ik zal blijven, juist zooals ’t mij goeddunkt,” zeide Walger, zijn beker ledigende en met een koppige houding weer plaats nemende: “wat het paard van dien Ridder betreft, ik heb het niet gestolen, maar in ’t bosch opgevangen: en daar het op den stal van ’t kasteel staat, kan hij het ieder oogenblik van den dag terugvinden. Zoo ik reden had van uit Holland te vluchten, hij zal ze ook wel gehad hebben en misschien erger dan ik.”
Reinout zweeg en sidderde: de woorden van Walger hadden een dieper uitwerking gedaan dan deze zelf vermoeden kon.
“Komt!” zeide een der boeren: “laat ons een einde aan al dat gehaspel maken. Het wordt laat: nog één kroes en daarmede afgedaan.”
“Wel gezegd,” zeide Daamke: “het is altijd betamelijk ter ruste te gaan, wanneer de kan ledig is.”
Allen dronken hierop, behalve Reinout, die met groote stappen het vertrek op en neder wandelde. Zoodra de drank op was, trokken de dorpelingen af en begaven zich de gasten naar hun slaapverblijf, Walger wierp zich zonder een woord te spreken op zijn legerstede, alwaar weldra een zwaar gesnork aanduidde dat hij in diepe rust was: de hansworst volgde zijn voorbeeld en Barbanera maakte zich gereed hetzelfde te doen, toen Reinout hem weerhield.
“Gij zijt mij nog het einde van uw verhaal schuldig,” zeide hij in ’t Italiaansch.
“Wat zal ik u zeggen?” zeide de kwakzalver, de schouders ophalende en Reinout met een blik aanziende, die zooveel zeide als: “gij zult thans minder dan ooit in staat zijn, mijn ontdekkingen goed te beloonen,”—“ik heb u niet veel meer te verhalen; want het zal hoe langer hoe meer onzeker zijn, of gij, dan wel uw vriend Deodaat de echte zoon van Bianca is.”
“Mijn vriend Deodaat slaapt om niet weer op te staan,” antwoordde Reinout met een somberen blik: “welke rechten hij moge gehad hebben, zij zijn in de mijne versmolten. Er is geen keuze meer tusschen hem en mij.”
“Met dat al:” zeide de kokeler....
“Hier Paolo!” zeide Reinout, hem naar zich toe trekkende: “ik vermaan u, niet langer met mij te spotten. Bij God! ik heb gedaan wat ik onmogelijk had gedacht: ik heb mijn besten vriend, mijn wapenbroeder een dolk door het hart gejaagd. Gelooft gij dat ik, na zulk een daad, voor den moord van een ellendeling als gij nog zou terugdeinzen? Neen, bij de Almacht! Gij zult mij alles mededeelen wat gij weet: en wel terstond. Rijkdom en eer, de helft van mijn vermogen wachten u zoo gij spreekt;—uw dood is zeker, zoo gij langer aarzelt!”
Paolo bedacht zich een oogenblik. Eindelijk, ziende dat het Reinout ernst was, en indachtig, dat zijn plannen, om zich te verrijken, toch zonder eenige vrucht zouden blijven indien hij niet sprak, gaf hij hem te kennen, dat hij alles verhalen zou wat hij wist. Voor wij echter aan onze lezers den uitslag van hun onderhoud mededeelen, voegt het ons te zien wat vader Syard wedervoer bij zijn avondbezoek op het kasteel.
Herkomst van de tekst: de uitgave van A.W. Sijthoff, Leiden. Spelling ongewijzigd.
