Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Jacob van Lennep · De roos van Dekama · 1836

Vier-en-dertigste hoofdstuk (1 van 2)

Le flux les apporta; le reflux les remporte.

Corneille, le Cid.

Terwijl dit alles in den omtrek van Sint-Odulf plaats had, was Reinout, gelijk wij hierboven vermeld hebben, aan Martena het bericht gaan geven, waarmede Adeelen hem belast had, en van daar over Warns naar Gaasterland gereden, om die zelfde tijding aan Helbada te brengen. Terwijl hij heendraafde over den kronkelenden zandweg, die van het genoemde dorpje naar Rys geleidt, was het hem meer dan eens voorgekomen, alsof er, behalve Daamke, die achter hem reed, nog iemand was, die hem volgde, die stilhield, wanneer hij stilhield, en zich weder in beweging stelde, zoodra hij voortging. Hoe moedig Reinout ook ware, zijn landaard, de eenzaamheid van den weg en de onbekendheid met het land waren zoovele redenen, geschikt om hem bijgeloovig en ongerust te maken. Hij kortte eindelijk den teugel, en, zich tot Daamke wendende, die hetzelfde deed: “hoor Daamke!” zeide hij: “er is iemand achter ons.”

“Achter ons!” riep de vreesachtige dienaar, die reeds weinig zin had in deze nachtelijke onderneming: “en wie zou dat wezen?”

“Ik weet het niet; maar het is juist, alsof ik behalve door u, door nog een ruiter gevolgd worde, die een kreupel paard berijdt, en desniettegenstaande altijd gelijken tred met ons houdt.”

“Een kreupel paard! o wee! dat is de Booze,” dacht onze voormalige nar.

“Weet gij wat Daamke!” vervolgde Reinout: “rijd gij eens vooruit: dan zal ik volgen, en zoo de onbekende ons weer op de hielen durft blijven, geest of man, ik zal hem den schedel splijten.”

“Ik vooruitrijden!” riep Daamke, wien het denkbeeld alleen over het geheele lijf deed sidderen: “dat ware immers met alle betamelijkheid strijdig.”

“Ik wil het zoo!” zeide Reinout, op een strengen toon: “en ik zweer u, dat ik u den kop insla, zoo gij eenig blijk van lafhartigheid geeft.”

“In Gods naam dan!” zeide de ontstelde knaap: en de orde van den tocht omkeerende, reed nu de dienaar voor den Heer; maar nauwelijks waren zij weder een eind wegs gevorderd, of Reinout hoorde hetgeen hij een kreupel paard achtte te zijn, niet meer achter, maar voor zich uit. Een huivering overviel hem; maar hij vermande zich en besloot wijselijk te onderzoeken wat het ware: hij gaf zijn ros de sporen; en zoodra hij naast zijn dienaar kwam, klonk het vreemde geklots hem dicht aan zijn oor. In hetzelfde oogenblik ontdekte hij, hoe dwaas en buitensporig zijn bijgeloovige angst geweest was. Hetgeen hij voor een hem vervolgenden ruiter hield, was de tooverkast van meester Barbanera, welke op Daamkes rug hing, en onder ’t rijden op en neder wippende, juist het ongelijke geluid maakte, hetwelk hij voor het trappelen der hoeven van een kreupel paard had gehouden.

Zijn eerste beweging was een schaterend gelach; zijn tweede, een beweging van ongenoegen en gramschap.

“Wie heeft u, dubbele ezel,” vroeg hij, “verlof gegeven, zulk een kast op uw nek mede te nemen, wanneer gij de eer hebt, mij te vergezellen? Wilt gij, dat men mij voor een kokeler aanzie?”

“Laat uwe Edelheid niet toornig op mij zijn,” antwoordde Daamke, terwijl hij, voor slagen beducht, geheel achter het onderwerp van het gesprek wegschool. “Er zijn zeer goede redenen, waarvoor ik die kast medeneem: vooreerst heeft die mij eens het leven gered, toen wij door de Hollandsche voorposten vloden, waar mijn arme Cesar bij omkwam, het goede beest, zooals uwe Edelheid weet, dat....”

“Ik weet alleen, dat gij een bloode schobberd zijt,” zeide Reinout: “en dat u die kast niet beveiligen zal tegen een goede dracht slagen, welke ik u zal toetellen zoodra ik er den tijd toe vinde.”

“Dan wensch ik, dat uwe Edelheid nog lang de handen vol moge hebben.—Ten tweede: er is immers een bevel bij het leger uitgevaardigd, dat ieder strijder zich achter ’t een of ander verbergen moet, om niet gezien te worden, ten einde....”

“En dat bevel wilt gij zoo nauwkeurig nakomen, dat gij in uw kast zult kruipen, om er niet uit te komen, dan als de slag voorbij is, nietwaar?”

“Niet in de kast, maar daarachter, heer Ridder!—en dan bovendien, ten derde, zullen er geen gewonden zijn? en bevat deze kast niet de gansche nalatenschap van Barbanera? (God hebbe zijn ziel; want het gerucht loopt, dat hij van honger is omgekomen;) namelijk: een uitgelezen schat van poeders, pillen, zalven, tincturen, talismans en wat dies meer zij, waar ik mijn medemensen mede van dienst kan zijn, tegen een kleine belooning, als vanzelf spreekt.”

Reinout kon niet nalaten te lachen over de kluchtige verdediging van zijn dienaar, en over de vrees, die, met speculatiezucht vereenigd, hem de voorzorg had doen nemen van zich met een meubel te belasten, dat aan anderen in gelijke omstandigheden tot hindernis zou gestrekt hebben. Hij maakte dan ook geene verdere aanmerkingen: maar zijn paard, dat hij gedurende het gesprek had laten stappen, wederom in den draf zettende, kwam hij weldra aan den ingang van het bosch, waar hij begreep de manschappen van Helbada te zullen vinden. Hier stond hij stil en blies op den hoorn, die om zijn hals hing. Terstond zag hij overal zwaarden en bijlen schitteren en van achter al de struiken en struweelen kwamen menschengedaanten te voorschijn, welke echter, zoodra hij zich bekend maakte, weder verdwenen. Een hunner intusschen verzocht hij, hem naar Helbada te geleiden, dien hij te Rys vond, bezig een zijner verspieders te ondervragen, die hem bericht bracht, dat de Hollanders op de Zuidvenne bij Sint-Odulf geland waren.

“Gij komt mij zeker uitnoodigen, om derwaarts te trekken, Jonker!” zeide Helbada, zoodra hij Reinout zag.

“Integendeel!” antwoordde deze: “Adeelen laat u smeeken, u niet van uw post te verwijderen, eer de nood zulks eischt. Hij vreest een landing aan de Lemmer of aan deze zijde der kust.”

“Moge de Hemel mij mijn vurigsten wensch ontzeggen en mij beletten den moord mijns zoons op Worp Ropta te wreken, indien ik hier als een onnut meubel blijf suffen, gelijk een verroest zwaard, dat nergens toe deugt.—Neen! by alle duivels!” vervolgde Helbada, op de tanden knarsende en op het gevest van zijn slagzwaard slaande; “ik wil mij hier niet staan te verkniezen, en al de eer van den strijd anderen gunnen. Hier! Else! Wopko! zeg terstond dat een ieder zich vaardig make.”

Vruchteloos waren de pogingen, welke Reinout aanwendde, om den stijfzinnigen, naar den strijd hakenden Fries van zijn voornemen te doen afzien. Al wat hij verkrijgen kon was, dat Helbada den morgen, die niet verre was, alsmede de nadere tijdingen, die hij uit de Lemmer wachtte, zou verbeiden, en zich verzekeren, dat er aan die zijde geen landing te vreezen ware, eer hij op Zuidvenne aantrok.

Na een korte rust aan zijn paard gegund te hebben, keerde Reinout met zijn dienaar terug, doch nu den kortsten weg naar Stavoren, langs den zeekant nemende. Hij deed zulks, in de verwachting, te zullen zien hoe de zaken bij Sint-Odulf stonden, en daarvan kondschap aan Adeelen te kunnen geven. Misschien zullen sommigen onzer lezers zich verwonderen, dat Reinout, wiens moed niet in twijfel kon getrokken worden, het zich had laten welgevallen, de rol van boodschapper voor lief te nemen. Maar de waarheid is, dat hij zelf daarom verzocht had. Een inwendige tegenzin deed hem huiveren tegen het oogenblik, waarop hij met zijn voormalige vrienden zou slaags raken, en dat oogenblik wilde hij hoe langer hoe liever uitstellen. Bovendien was zijn gansche ziel nog te zeer vervuld met het gebeurde van den dag, dan dat hij het van zich zoude hebben kunnen verkrijgen, rustig en bedaard achter een hegge of kade de komst des vijands te verwachten, gelijk de andere Friezen deden, wier anders zoo onstuimige zielen door de zekerheid der overwinning (die allen bezielde) in staat gesteld waren met een ijskoude kalmte het uur van treffen af te wachten. Hij haakte alleen naar verandering van plaats en van tooneel: en welkom was hem dus elke gelegenheid, die zulks verschafte.

De lucht was nu eenigszins helderder geworden; maar de weg, die hier bovendien weinig bereden werd, was door de regenplassen van den vorigen nacht schier onbruikbaar geworden, zoodat de Ridder, van de vermoeide rossen niet te veel willende vergen, stappende voortging. Verre vooruit, achter de torens van Stavoren, die er donker tegen uit kwamen, verhieven zich nog nu en dan hooge vlammen en dikke rookkolommen uit het brandende Norwert; maar een ander schouwspel, dat dichterbij zich in de richting van Sint-Odulf vertoonde, boeide de aandacht des ruiters nog sterker. Het scheen hem toe, alsof het klooster in wolken smooks gehuld was, waaruit nu en dan vlammende vonken vlogen; en hoe meer zij naderden, hoe meer zij de overtuiging verkregen, dat zij een krijgsrumoer hoorden, hetwelk al gedurig dichterbij kwam.

Het begon nu meer en meer te dagen: en Reinout zag met genoegen, dat hij niet verre meer was van een heuvel, van wiens hoogte hij zich een ruim uitzicht over het slagveld beloofde, toen Daamke hem met een bevende stem opmerkzaam maakte op eenige menschengedaanten, welke zich aan den voet dier hoogte schenen te bewegen.

“Zouden wij niet terugkeeren, Ridder! en bij Helbada hulp vragen? Die lieden daar hebben ongetwijfeld niets goeds in den zin.”

“Wij zullen ons eerst verzekeren, of het vrienden of vijanden zijn,” zeide Reinout, en zijn hoorn nemende, blies hij het herkenningsteeken, hetwelk terstond vóór hem uit werd beantwoord.—“Het zijn Friezen!” zeide hij: “er valt niets te duchten:” en vooruitrijdende met zooveel spoed als de slechte weg toeliet, was hij in weinige oogenblikken aan den voet des heuvels.

“Hoe staan de zaken?” riep hij een zwaargewapenden krijgsman toe, die op de helling der hoogte stond.

“Aha! zoo! zijt gij het, Jonker van Aylva?” vroeg de man, tot wien hij zijne toespraak richtte: “eilieve stijg eens af! ik zal u een schouwspel laten zien, dat geschikt is, aller hart te verheugen.”

“Ik kom bij u,” zeide Reinout, den Abt van Bloemkamp herkennende: “maar ik kan niet lang blijven. Adeelen wacht mij terug.”—Dit zeggende, steeg hij en Daamke met hem van hunne paarden, welke laatstgenoemde aan een paal bond, en beklommen zij den heuvel. Niet zonder bevreemding bemerkte Reinout, dat de oppervlakte daarvan geheel overtogen was met een grauwe korst, naar welker bestanddeelen hij vruchteloos giste; maar zijn verwondering steeg ten top, toen hij zag dat die korst zich bewoog als een reusachtige mierenhoop.

“Wat gebeurt daar?” vroeg hij aan den Abt, naar boven wijzende.

“Gij zult het wel zien,” zeide deze: “maar één ding moet ik u zeggen: gij kunt nu onmogelijk verder:—al het volk tusschen hier en Stavoren is op de been: en gij zoudt al zoo goed kunnen ondernemen, de markt te Bolswart op en neer te draven wanneer het kermis is, als u door gindsche menigte een weg te banen. Volg mij maar: gij zult hier ook gelegenheid vinden om een goede beweging te nemen!”

Reinout volgde den krijgshaftigen kloostervoogd den heuvel op, en werd nu onder het naderen gewaar, dat hetgeen hij voor een zwarte korst had aangezien niets anders was dan een bende monniken in hun ordegewaad, welke over de geheele hoogte verspreid lag. Op den top gekomen, stond hij stil en zag met diepe belangstelling naar de zijde van Sint-Odulf, waar de Abt hem heen wees.

De plaats, waar zij stonden, welke Reinout zich nu herinnerde nogmaals bezocht te hebben, was geene andere dan het in de Friesche geschiedenissen zoo beroemde Roode Klif. De gestadig invretende golf, die voornamelijk sedert het aanleggen van den zeedijk deze natuurlijke zeewering met verdubbelde woede ondermijnt, heeft haar tegenwoordig ten halve afgeslagen, zoodat zij zich thans voordoet als een klein voorgebergte, steil aan den zeekant en aan de binnenzijde meer glooiend afloopende. Maar in den tijd, waarin onze geschiedenis voorviel, was nog het Roode Klif een heuvel, volkomen gelijk aan die, welke zich in den omtrek bevinden, alleen met dit onderscheid, dat hij boven al de overige uitstak en derhalve van zijn top een prachtig panorama opleverde over de omliggende landstreek en de wateren der Zuiderzee. Zijn zuidelijke helling, wier voet de golven bespoelden, stak bijna even verre in zee uit als de landtong van Sint-Odulf, die een halfuur gaans vandaar gelegen was. Tusschen deze beide vooruitspringende punten en den zomerdijk, die beide aan de landzijde vereenigde, lag het lage, onvruchtbare strand bloot, hier en daar met helm en duinplanten begroeid, en slechts enkele terpjes of verhevenheden bevattende, welke tot een schrale weide verstrekten voor de kudden van diegenen uit den omtrek, die niet rijk genoeg waren om zelf eenigen grond te bezitten en zich aldus vergenoegen moesten, hun vee aldaar op het domein van ’t algemeen te laten grazen: een voorrecht, dat niet vrij van gevaren en tegenspoeden was: want ofschoon het zeewater, wanneer het bij gewonen vloed den geheelen zandigen oever bedekte, de genoemde terpjes doorgaans vrijliet, gebeurde het niet zelden, wanneer de wind op de kust stond, dat ook die verhevenheden overstroomd werden en het daarop weidende vee, indien het niet tijdig landwaarts opgedreven was, door het geweld der golven werd weggesleept. Thans echter had men, zoowel uit vrees voor de vijanden als om den storm, de kudden binnengehaald: en, daar het water was afgeloopen, vertoonde zich de gansche ruimte tusschen den hierboven genoemden omtrek geheel droog, uitgezonderd eenige kuilen en diepten, waar het zeenat altijd in staan bleef, en ettelijke plassen, door den regen gevormd. Het was op den bovengenoemden zomerdijk, die mede tot landweg langs de kust diende, dat zich ongeveer op een kwartieruurs afstand een verwarde klomp menschen vertoonde, en zich een krijgsgedruisch hooren liet, oorverdoovend als het golfgeklots bij den storm.

“Gij ziet het,” zeide de Abt, zich de handen wrijvende: “zij zijn ingesloten, en niets is in staat hen te redden. Hun schepen, die ginds machteloos tegen de ebbe liggen te worstelen, kunnen hen niet opnemen: willen zij naar de landtong keeren, daar wachten hen de Lidlummers: pogen zij landwaarts in te dringen, het leger van Martena is opgerukt en bezet al de passen: dalen zij af naar het strand, daar worden zij door de overmacht verplet en tot den laatsten man toe afgemaakt, als een troep reebokken, die in een wildbaan gejaagd zijn: en die aan het staal ontkomen, verzuipen zoodra de vloed komt opzetten.”

Reinout sidderde; maar gaf geen antwoord: het begon nu helder dag te worden, en hij zag duidelijk de Hollanders al vluchtende naderbij komen, door hun grimmige vervolgers van alle zijden bestookt. Reeds begon hij die banieren te onderscheiden, welke hij zoo vaak op het pad der overwinning verzeld had, en het denkbeeld, dat die nu moesten wijken voor een saamgeraapten, ongeordenden hoop monniken en boeren, deed een kille huivering in zijn boezem ontstaan. Hij begon ijverig na te denken over den toestand, waarin hij zich bevond: gedwongen te strijden tegen hen, met wie hij voorheen zoo dikwijls de lauweren des zegepraals had geplukt, of, wat nog erger was, een koel aanschouwer te blijven van de slachting, onder hen aangericht. Het is waar, ook voor Utrechts wallen had hij de Hollanders bevochten; maar toen was zijn gemoed door zoovele hartstochten geslingerd en in zulk een staat van spanning, dat hij, onbekwaam tot nadenken, als in een gestadigen roes had geleefd. Thans echter was zijn gemoedsgesteldheid veranderd: hij was tot zich zelven teruggekeerd; hij had zijn vriend hervonden. Geen bloedschuld drukte hem langer: en zoo streelend was hem het denkbeeld aan die verzoening, dat zelfs de gedachte aan Madzy, aan het voorwerp der dolzinnige liefde, die hem schuldig had gemaakt, daarbij op den achtergrond stond. Was het wonder, dat onder zulke omstandigheden, hem de gedachte onduldbaar toescheen, zich met die Friezen, waarvoor hij geene neiging gevoelde, voor dat land, in hetwelk hij zich nog vreemdeling vond, het zwaard te moeten ontblooten tegen zijn voormalige wapenbroeders, ja den moord te aanschouwen van weerlooze vluchtelingen? o! hoe ongelukkig gevoelde hij zich niet! Hoe gaarne had hij de partij, aan welke hij thans verbonden was, willen verlaten en zich weder voegen bij hen, met wie hij vroeger de gevaren des oorlogs had doorgestaan! Maar ook deze, dit gevoelde hij, zouden den dubbelen overlooper met verachting terugwijzen! En wat zou het hem baten, al ontvingen zij hem in hun gelederen? Hij kon hen niet redden, en niets zou hem overschieten, dan de treurige eer, van met hen te mogen sterven.

“Hoe nu!” zeide de Bloemkamper, hem vrij onzacht op den schouder kloppende: “hoe staat gij daar zooals een druiloor? Ginds komen zij aan. Houd u nu als een kerel en toon, dat gij werkelijk een Aylva zijt en het goed met Friesland meent, of, bij O. L. Vrouwe! ik sla u den kop in.”

Deze zoogenaamde opwekkende toespraak was op haar zelve niet beleefd; maar aan Reinout klonk zij dubbel onwelkom in de ooren: zij verschilde zoo hemelsbreed van die hartelijke, echt ridderlijke aansporingen, waarmede zijn leermeester in de krijgskunst, de edele Beaumont, gewoon was, de jeugdige strijders aan te moedigen. Hij weerhield dan ook met moeite de uitdrukking van gramschap, die gereed was hem te ontvallen, ter beantwoording van het onbescheid des monniks; en de armen over elkander slaande, bleef hij zwijgend staroogen op de aansnellende krijgsdrommen. Opeens werd zijn gelaat bleek als een doek en hij gaf een kreet van ontroering.

“Mijn God!” riep hij, zich voor ’t hoofd slaande: “het is de banier van Beaumont!”

“Beaumont!” herhaalde de Abt, met verrukking: “is dat niet ’s Graven oom, die Henegouwer, daar Adeelen tegen kampte? Hoe jammer, dat deze niet hier is, om eens te zien, hoe wij hem wreken zullen.”

“Monnik!” zeide Reinout, zich niet langer kunnende bedwingen: “ik zweer u, wee hem, die den grijzen Ridder een haar deert. Neem hem gevangen: hij kan u een goeden losprijs betalen: en uw altaar zal blinken van gouden en zilveren vaten. Hij kan ons niet ontkomen, en zal zich wel moeten overgeven.”

“Neen!” zeide de Abt, met een boozen lach: “ontkomen kan hij niet, zoomin als een der zijnen. Zij zullen allen vallen en na hun dood op het strand blijven rotten, totdat de vloed hen wegslaat of de vogels des hemels hen komen opvreten. Zie eens! daar vergaderen zich de arenden reeds, om hun aandeel van den buit te verkrijgen. Komt! Broeders! zij willen dezen weg uit; maar, bij mijn Heiligen Patroon, wij zullen hun den doortocht sluiten. Op! elk en een iegelijk!” en tevens sloeg hij met zijn strijdbijl op een schild, dat naast hem lag. Dadelijk rezen al de monniken en conversen op, en begaven zich naar het punt, waar de dijk of landweg over de helling des heuvels heenliep. Hier hadden zij te voren een versperring gemaakt, welke zij nu nog met een aantal zware keien, hoedanige te dier plaatse in menigte te vinden waren, alsook met huisraad, dat door de vrouwen der naburige woningen gewillig werd aangebracht, voorzagen.

“Zoo vriend!” zeide de Abt tegen Daamke, die op zijn kast nabij de paarden zat; “brengt gij ook wat mede om den weg te stoppen?”

“Dat daar?” zeide Daamke: “neen! dat is een medicijnkist, om....”

“Wij hebben nu geen medicijnen van doen,” zeide de Abt: “en uw kast kan ons best te pas komen: plak die maar mede tegen de borstwering aan,” en onder het uiten dezer woorden gaf hij met zijn bijl een zoo geduchten slag op de kast, dat de verschrikte Daamke zich spoedde om te voldoen aan een bevel, dat op een zoo nadrukkelijke wijze gegeven werd. Hij bracht de kast bij de overige meubelen en plaatste die op de hem voorgeschrevene wijze: terwijl hij echter zorgde, dat hij zich niet meer verwijderde dan noodig was, en zijn schat voortdurend in ’t oog bleef houden.

Slechts een vierde gedeelte van de zeshonderd man, die aan den viersprong gestaan hadden, was nog overig, toen het met zijn aanvoerder op een boogscheuts afstands van de versperring genaderd was. Al de overigen waren òf bij den eersten aanval gesneuveld, òf lagen zieltogende langs den weg. Wat de overgeblevenen betrof, dezen waren meest Ridders, knapen of geharnaste speermannen, die hun leven te danken hadden aan hun wapenrustingen, waarop de pijlen afstuitten. Bijna allen hadden hun paarden verloren, en de meesten waren met wonden en kneuzingen bedekt; maar sedert het dag was geworden, hadden zij zich weder in staat gezien, zich in gelederen te stellen en een dichtgesloten klomp te vormen, die niet gemakkelijk te verbreken was. Hun vijanden bleven hen met verbittering najagen; doch waren op dit oogenblik minder in staat hen te deren; want die Friezen, die langs het strand en dus beneden hen gingen, werden zonder moeite afgeweerd: die, welke hen volgden, konden door hun dichten drom niet heen dringen: en die, welke aan de landzijde langs den dijk liepen, werden in hun vervolging belemmerd door de talrijke slooten, heggen en dijkjes, die hun in den weg stonden.

Dan, de moed der Hollanders begon op nieuw te verflauwen, toen zij voor zich uit de versperring gewaarwerden, en de talrijke bende van den Abt van Bloemkamp ontdekten, die, met bogen en slingers gewapend, het Roode Klif bezet hielden.

“Voorwaarts, mijne kinderen!” riep Beaumont: “onze laatste toevlucht ligt in de punt van ’t staal. Bemachtigt die versperring! dan kunnen wij die tot onze eigene bescherming aanwenden.”

De geestkracht, welke hem dit kloek besluit ingaf, deelde zich mede aan zijn volgers. Zij sloten zich in nog dichter gelederen samen, en, allen aanval, die van ter zijde kwam, afwerende, drongen zij moedig vooruit.

“Hoe hebt gij voor die verachtelijke dorpers kunnen vluchten?” riep Beaumont: “de overmacht kan ons immers niet deren, zoolang wij ons hier op den hoogen landweg blijven houden, waar geen vijf man zich naast elkander roeren kunnen: en wij overtreffen dat gespuis verre in wapenen en beleid. Komt wakkere knapen! neemt die verschansing in: dan zijn wij ook tegen de pijlen gedekt.”

Herkomst van de tekst: de uitgave van A.W. Sijthoff, Leiden. Spelling ongewijzigd.