Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Jacob van Lennep · De roos van Dekama · 1836

Vier-en-dertigste hoofdstuk (2 van 2)

Aldus sprekende was hij met de zijnen tot dicht bij de versperring genaderd, niettegenstaande de hagelbui van steenen en pijlen, welke de Bloemkampers van uit hun hooge stelling op hem afzonden, toen opeens Reinout zich boven op de borstwering vertoonde, met een bevende stem uitroepende:

“Heer van Beaumont! geef u gevangen! gij kunt onmogelijk tegen de overmacht kampen.”

“Is dat niet de stem van den verrader Reinout?” vroeg Beaumont, overluid: “hij kent mij, hij weet dat ik mij niet overgeef, zoolang er nog hoop op redding bestaat.”

“Zijt gij razend?” riep de Abt, Reinout terugtrekkende: “wij willen geen gevangenen! Smijt hen dood, mannen! smijt hen dood!”

En de Hollanders werden opnieuw begroet door de werpschichten en steenen, die de monniken op hen wierpen, terwijl hun talrijke vervolgers van het oogenblik, dat zij stand moesten houden, gebruik maakten om van alle zijden op hen aan te dringen. Beaumont gelastte hierop aan zijn achterhoede rechtsomkeert te maken, om de hen vervolgende Friezen af te houden, terwijl hij zelf met de voorhoede de versperring bestormde. Het gevecht hield nu met hevigheid aan, en ofschoon nu en dan een der Hollanders viel, bleef Beaumont echter zijn stelling inhouden niet alleen, maar wist weldra het krijgstooneel op de versperring zelve over te brengen. Intusschen begon het water te wassen, en het strand beneden te overstroomen, zoodat de Friezen, die zich daar bevonden, zich haastten om het Roode Klif te bereiken en zich bij de Bloemkampers te vervoegen. Dit ontging ook Beaumont niet; hij wendde het oog naar de zee, en met verrukking zag hij de afgedrevene vaartuigen, welke met den vloed weder kwamen opzetten.

“Daar zijn de schepen, kinderen!” riep hij: “nog een halfuur volgehouden! en wij zijn gered!”

“Nog een halfuur!” brulde de Abt, die dezen uitroep hoorde, “hoort gij dat, Broeders! wat staat gij daar en kijkt? Met steenen werpen is het niet te doen! Gij moet voor den dag komen en hen verpletteren. En dat volk van Martena, dat om hen heen staat, alsof het naar een hanengevecht keek. Broeder Sicco! haast u! zie dat gij wat haken en latten bijeenhaalt, om hen van den dijk af te halen of van bovenneer te stooten. Loop gezwind! ik zal hen ondertusschen hier aan den praat houden.”

De monnik snelde met eenige conversen naar de naaste woningen, van waar zij weldra terugkeerden, met haken gewapend, waarmede zij nu poogden de Hollanders in den gordel te vatten, of met touwen, welke zij hun om ’t lijf wierpen, om hen omver en naar zich toe te halen, en als dit gelukt was, af te maken. Anderen droegen balken en palen, waarmede zij als met stormrammen op de achterhoede van Beaumont indrongen en de slagorde verbraken. Spoedig werd het gevecht nu wederom, gelijk het in den vorigen nacht geweest was, algemeen en man tegen man; en hoe dapper zij zich ook gedroegen, de volgers van Beaumont waren niet langer bestand tegen de overmacht, die als een waterstroom op hen aandrong, en hun geen handbreed ruimte overliet om hun wapenen te zwaaien. Verscheidenen geraakten van den landweg af, waar terstond vijftig handen gereed waren om hen te verpletteren; anderen werden versmoord of ellendig vertrapt in het gedrang; de lijken werden terstond uitgeschud; een taak welke hoofdzakelijk vervuld werd door de vrouwen, die in grooten getale als zoovele furiën het Friesche leger gevolgd waren, en wier afschuwelijke razernij zich niet ontzag, op de naakte lichamen der gesneuvelden te woeden, en die op de onmenschelijkste wijze te verminken.

“Laten wij hun de rest geven,” riep de Abt van Bloemkamp, op Beaumont wijzende, wien het met een tiental dapperen gelukt was, een gedeelte der versperring omverre te halen en zich daarbinnen als in eene kleine schans te plaatsen, waaruit hij, met de zijnen rug aan rug staande, de slagen der aanvallers afweerde: “komt Broeders! zij hebben onze fraaie vesting half vernield: wij zullen hen helpen: en al wat er nog overig is hun op het lijf smijten. Handen aan ’t werk!”

Een ieder zijner volgers maakte zich vaardig om aan het bevel te gehoorzamen en de steenklompen of brokken huisraads op het rampzalig overschot der Hollandsche dapperen te doen nederkomen. Er waren slechts twee onder al de hier verzamelde lieden, die geen deel aan den strijd namen: Reinout namelijk en zijn dienaar Daamke. De eerste was, sedert Beaumont aan zijn verlangen geen gehoor had willen geven, met het hoofd in de beide handen achter de versperring blijven zitten, als hoorde of zag hij niets van al wat in zijn nabijheid plaats had; want hij gevoelde noch de kracht om zich aan dit afschuwelijk tooneel te onttrekken, noch die om daaraan eenig deel te nemen. Wat Daamke betrof, deze was bezig, zijn medicijnkist van onder den ineengestorten hoop voor den dag te halen en zag nu niet zonder innige droefheid den deerlijken staat, waarin zich het voorwerp zijner nasporing bevond. Hij werd in zijn onderzoek gestoord door een geweldigen oorveeg, hem door de met ijzer bekleede hand des Bloemkampers toegediend.

“Wat doet gij daar, luiwammes?” vroeg deze: “en waarom helpt gij niet een handje? spoedig! Smijt mij die kast over de versperring heen op den kop der Hollanders. Ziet gij niet, dat hunne sloepen reeds naderen?”

“Bij Sint-Julfus!” antwoordde Daamke: “ik dien Ridder Reinout, en, wanneer die niet vecht, zie ik niet waarom ik het doen zoude.”

“Gij zijt een schelm! en uw meester een verrader, wien ik zal doen hangen. Handen af van die kast!”

Daamke wilde zich zijn schat echter niet uit de handen laten rukken, waarop de Abt, woedend geworden, zijn strijdbijl oplichtte om hem een slag toe te brengen, die den armen hansworst wel voor altijd zoude belet hebben, medicijnen te gebruiken of die aan andeten te slijten; maar gelukkig sprong de knaap ter zijde en het neergevallen moordtuig trof alleen het voorwerp van hun twist, waar het in vast bleef zitten. De verschrikte Daamke vluchtte bij zijn meester, en de Abt, na vol woede de kast in elkander getrapt te hebben om zijn bijl los te krijgen, stoof over de borstwering heen en op de Hollanders af.

“Wat is het?” vroeg Reinout, als uit een droom ontwakende en een wilden blik op zijn dienaar werpende: “wat komt gij mij verhalen?”

“Wel, ik zeg het u immers, Ridder!” zeide Daamke: “die vervloekte monnik, die den duivel inheeft, heeft mij, uw trouwen knecht, den kop in willen slaan en u wil hij doen hangen:—en mijn kist! mijn arme kist! Zie eens! zij is geheel verbrijzeld.”—En op handen en voeten weder naar de kist toekruipende, vulde hij zijn tasch en muts met al wat heel gebleven was. Op eens, terwijl hij met deze verrichting bezig was, ontdekte hij iets, dat zijn droefheid in vreugde deed overgaan: namelijk een wel voorziene lederen beurs, wier aanzijn hem onbekend was, naardien zij achter een dubbelen bodem, nu door den Abt opengetrapt, verborgen was geweest. Nabij die beurs, en in die zelfde geheime plaats, lag een beschreven blad perkament, hetwelk Daamke met evenveel verachting achter zich wegsmeet als hij de beurs met welgevallen bij zich stak.

Het blad viel juist op den schoot van Reinout, die het werktuiglijk opnam en er het oog op sloeg: maar nauwelijks had hij de onderteekening en een paar regels gelezen, of zijn geheele ziel scheen zich te vereenzelvigen met het geschrift. Hij rees op: zijn lichaam trilde van het hoofd tot de voeten: hij las verder en zijn gelaat kenschetste de hevigste gemoedsbeweging. Op dit oogenblik sloeg hij den blik naar het strand: de golven hadden het buitenveld bedekt: de Hollandsche vaartuigen waren genaderd, en hun sloepen roeiden naar wal.

“Daamke!” zeide hij met een vaste stem: “stijg te paard! neem dit blad en breng het aan den Heer van Aylva. Vloek over u, indien gij mijn laatsten wil niet voldoet.”

“Van harte gaarne,” zeide Daamke, die niets liever wenschte, dan zich van het krijgstooneel te verwijderen: en terstond zijn ros beklimmende, reed hij landwaarts in, terwijl Reinout insgelijks in den zadel sprong.

De medestrijders van Beaumont waren bezweken. Hij zelf, uit zijn verschansing naar beneden gedrongen, stond aan den voet van het Klif op het strand, tot de knieën in ’t water, omringd van zijn bespringers. Reeds scheen hij reddeloos verloren, toen op eens Reinout te paard van het Klif kwam af hollen, de hem in den weg staande monniken onderstboven rijdende, terwijl hij met een daverende stem den oorlogskreet weergalmen deed van: “Holland! Holland! Beaumont à la rescousse!” Zoo groot was de verbazing, dat een ieder opzag naar den Ridder, wien men veronderstelde, dat door meer gevolgd werd. Snel als het weerlicht was Reinout aan de zijde van Beaumont, en terwijl hij met de eene hand den Abt van Bloemkamp, die juist zijn heirbijl boven het hoofd des grijzen oorlogsmans had opgeheven, een vuistslag gaf, die hem in het zilte nat voorover wierp, tilde hij met de andere zijn waardigen leermeester op het paard en holde zeewaarts in. Er was een oogenblik van verbazing: maar weldra, terwijl de monniken hun doornatten Abt weder ophielpen, snelden eenige rappe gasten, half wadende, half zwemmende, den vluchteling na. Deze was echter door de manschap in de sloepen bespeurd geworden en met alle macht roeide men naar hem toe.

“Blaas den aftocht!” zeide Martena, die juist op het Klif aankwam: “daar moet er ten minste één zijn, die in Holland vertelle, hoe de Friezen hun bespringers ontvangen.”

Hetgeen aan het Roode Klif had plaats gehad, was slechts een toonbeeld der verschillende ontmoetingen, welke den Hollanders bij hun landing aan de Friesche kust ten deel viel, zoo ten noorden van Stavoren, waar Adeelen hen opwachtte, als in Gaasterland, waar zij door de benden van Helbada en Fadinga verslagen werden. In stede van, gelijk het welberaamde plan met zich bracht, haar manschappen gelijktijdig aan wal te zetten, had de vloot die niet dan bij gedeelten kunnen ontschepen: zoodat die van het eene vaartuig reeds vernield was, eer die van het volgende haar te hulp kon komen. Wat den Graaf betrof, hij had, gelijk wij vroeger vermeld hebben, de reede van Enkhuizen verlaten om op het brandende Norwert aan te zeilen, en hierdoor het voordeel gemist om zich met Beaumont te kunnen vereenigen, gelijk ontwijfelbaar geschied ware, indien hij op den zuidkant van Stavoren had aangehouden. De ontscheping was niet dan uiterst langzaam geschied; daar het in de eerste plaats duistere nacht was, en ten tweede het aan wal brengen van de paarden, die in grooten getale op ’s Graven schip aanwezig waren, een lang oponthoud veroorzaakte.

Het was ongeveer met den dag, dat de manschap van ’s Graven vaartuig en van eenige andere schepen, die hem het naast gevolgd waren, op de zandplaat buiten den dijk stonden geschaard. Met een strakken, somberen blik beschouwde Willem de verzamelde Ridders en wapenknechten: zij waren nauwelijks zeshonderd in getal. Hij reed zwijgende de gelederen door: en menig oorlogsman, die hem vroeger in het veld gevolgd, en getuige geweest was van den opgeruimden blik, waarmede hij anders gewoon was, zijn heirscharen te begroeten, van de opwekkende toespraken en vroolijke gezegden, welke anders van zijn lippen vloeiden, en van den moed, die alsdan elk bezielde, door het vertrouwen, hetwelk hij aan de zijnen wist in te boezemen—voelde een angstige huivering door zijn aderen varen, als hij het gedrag, thans door den Graaf gehouden, bij zijn houding van vroegere dagen vergeleek.

Gedurende eenige oogenblikken liet Willem zijn oogen in ’t rond weiden, ten einde zijn plan van aanval te maken. Hij sloeg nogmaals den blik naar den kant van Sint-Odulf, dat nu in volle vlam stond. Dit schouwspel, hetwelk hem onder het ontschepen reeds getroffen had, deed voor een oogenblik zijn oogen weer flikkeren van het vuur der hoop. Hij hief zich rechtop in den zadel, en naar het brandende klooster wijzende, zeide hij tegen Teylingen:

“Gij ziet het! daar zijn de onzen nog meester.”

“God geve!” antwoordde de bezorgde Edelman, “dat het de lijktoorts onzer vrienden niet zij. Ook hier brandt nog een dorp,” (en hij wees op de smeulende puinhoopen van Norwert) “maar waar zijn de handen, die het aangestoken hebben?”

“Wellicht reeds in het binnenland,” zeide Walcourt, “en bezig om dien troep van dorpers voor zich uit te jagen. Waarom zou men zich altijd het zwaarste voorstellen? Ziet gij hier ergens een vijand, die ons het inrukken zou beletten?”

“Gij zijt een vreemdeling,” hernam Teylingen, “en kent den aard en de strijdwijze van dit volk niet: eer gij er om denkt, zult gij hen als vorschen voor uwen voet zien opspringen.”

“Het zij zoo,” hernam de luchtige Henegouwer: “wij zullen hen dan als vorschen vertrappen.”

Terwijl zij nog spraken, kwamen eenige knapen, die door den Graaf over den dijk waren uitgezonden om den staat van het binnenland te bespieden, in aller ijl terug met de schrikbarende tijding, dat het geheele land met gewapend volk overdekt was, en dat een kleine bende Hollanders in wanorde voor de overmacht des vijands terugtrok.

Zonder een woord te spreken, reed Willem naar den dijk, en, dien beklommen hebbende, zag hij uit zijn oogen het bedroevende schouwspel. Het waren de Baanrotsen van Merwede en Antogne, die, vroeger geland, door de gansche macht van Cammingha waren overvallen en op de vlucht gedreven.

“Ontplooit de banier!” riep de Graaf, zich omwendende: “en voorwaarts! op die muiters aangerukt!”

“Graaf! in den naam van alle Heiligen!” riep Teylingen, die na hem op den dijk gestegen was: “wat wil uw Genade verrichten? Beschouw ons klein getal en de overmacht der vijanden. Ik bezweer u, laat ons wachten, tot de overige vaartuigen aankomen.”

“Zijt gij bevreesd, Teylingen?” vroeg Willem, terwijl hij te paard steeg. “Ontvouwt de banier en rukt den dijk over!”

“Graaf!” vervolgde Teylingen, zich voor Willem op de knieën werpende, en zijn paard bij den teugel houdende: “o! ik bid u! veracht den raad niet van een ouden, getrouwen dienaar uws huizes Wat kan het uw eer verkleinen, een korte wijl te toeven? Waarom zoudt gij u zelven en al de waardige Edelen, die met u zijn, aan een wissen ondergang blootstellen?”

“Laat af!” riep de Graaf, toornig: “wie bevreesd is, moge naar de schepen keeren: wie ons liefheeft, volge ons!”—En, zijn paard de sporen gevende, rende hij de opening door, welke men in den wierdijk gehouwen had.

“In Gods naam!” zeide Teylingen, met de woorden des Apostels: “laat ons dan medegaan en met hem sterven.”

Met gevelde lans en ontrolde banieren reed nu de kleine, maar dappere hoop het binnenland in en stuitte weldra op de vluchtelingen, aan de slachting ontkomen, welke laatsten terstond gedwongen werden, met hen voort te rukken. Weldra ontmoette men het Friesche leger, dat, zonder orde of leiding, maar met een onwederstaanbare woede en dorst naar slachting bezield, gedeeltelijk langs de wegen en voetpaden kwam aansnellen, gedeeltelijk over slooten, heggen en dijken heen sprong om de nieuwaangekomenen te vernielen. Zij waren echter niet in staat den eersten aanval des Graven en zijner welgeoefende wapenbroeders te wederstaan: en de kans van den oorlog scheen zich voor een oogenblik te herstellen ten voordeele van Willem; maar, ofschoon het dezen al een wijl gelukken mocht, den weg schoon te houden, hij was daarom niet ontslagen van zijn vijanden, die uit de akkers en perken lands hun pijlen op de Hollanders afschoten en gedurig in nieuwe zwermen voor den dag sprongen, nu van ter zijde, dan van achteren, de zwaargewapende volgers des Graven bestokende. Het was een vreeselijk schouwspel, die schier ongekleede Friezen, met hun bloote hoofden en ruige blonde lokken, met de oogen fonkelende van razernij, soms zonder ander wapen dan de naakte forsch gespierde armen, tegen de paarden te zien opspringen, zich aan de ruiters vastklemmende zonder de wonden te tellen, die zij bekwamen, en zich met hun vijanden latende voortsleepen: of, wanneer zij eindelijk onder de paarden geraakten, met hun tanden den armen dieren de pezen van den voet afbijtende. Want het was meest op de strijdrossen, dat men het geladen had: en het leed ook niet lang, of het grootste gedeelte der ruiterij, de Graaf zelf niet uitgezonderd, zag zich genoodzaakt te voet te vechten.

Onverschrokken echter bleven Willems wakkere Edellieden stand houden en den roem handhaven van hun gevreesde namen. Maar helaas! terwijl zij gedurig verliezen ondergingen, vermeerderde het getal der aanvallers met ieder oogen blik; want Adeelen, die tot nog toe geen deel aan eenig gevecht genomen had, was op het bekomen der tijding, dat de Graaf zelf geland was, met den rechtervleugel komen toeschieten, niet begeerende, dat Cammingha alleen de eer der overwinning zou genieten. Nu baatte geene dapperheid noch krijgskunde der Hollanders meer: geen orde werd langer in acht genomen: en elk was genoodzaakt voor zijn eigen leven te vechten, de een vroeger, de ander later vielen onder de bijl- en knotsslagen der Friezen, die met de felheid, hun landaard eigen, den zoo gehaten vijand rust noch duur lieten. Zeven Baanrotsen, allen hoofden der edelste huizen in Willems Graafschappen, twintig Ridders, allen vermaard door hun heldenfeiten, werden door de handen van verachte dorpers verslagen. Vreeselijk vooral woedde de vuist van Adeelen en zesmalen ontwrong hij een versch wapentuig aan de handen der verslagenen, omdat hij het zijne op des vijands lijf verbrijzeld of in de diepe wonden had laten steken. Maar noch het aantal der dapperen, die hij ter nedergeveld had, noch hun beroemde naam was hem genoeg. Hij zocht den Graaf van Holland: dien had hij tot zijn offer uitverkoren: op hem wilde hij de beleedigingen wreken, te Haarlem ondervonden. Terwijl hij, overal, brullende als een woudstier, naar hem zocht, ontmoette hij Walcourt, die, onthelmd en zonder schild, zich met het zwaard in de vuist een doortocht baande.

“Waar is uw meester, gevloekte Henegouwer?” riep hij, hem herkennende.

Het eenige antwoord van den Ridder was een geweldige sabelslag; maar Adeelen, dien afwerende, verbrijzelde hem met zijn strijdkolf den rechterarm.

“De linker blijft mij over!” riep Walcourt, zijn zwaard met de andere hand vattende. Maar op hetzelfde oogenblik zag hij een woesten boerenknaap op hem afkomen, met een dorschvlegel gewapend. Terstond herinnerde hij zich de voorspelling van Barbanera1, en het hoofd bukkende, onderging hij zwijgend den genadeslag, die hem bij de overige lijken voegde.

“Is die gevloekte Graaf dan nergens te vinden?” brulde Adeelen, terwijl hij rondliep als een leeuwin, die van haar jong beroofd is.

“Waar zoude hij wezen?” zeide Cammingha, die hem tegenkwam: “zij zijn allen dood op één na.”

“Leeft er nog één?” vroeg Adeelen, zich omwendende, met een verschrikkelijken blik: “Waar is hij?”

Cammingha wees hem op een terp, die niet verre vandaar gelegen, vroeger gestrekt had tot inhuldiging van ’s Graven vader als Heer van Friesland. Weinig dacht toen Willem III, dat die zelfde plek eens het moordtooneel zoude wezen, waar zijn dappere zoon met zoovelen zijner helden den dood zoude ondergaan.—Adeelen snelde derwaarts heen. Daar stond nog een enkele krijgsman tegen de helling der hoogte zich alleen tegen een drom van aanvallers te verdedigen. Zijn om hem gevallen wapenbroeders en de Friezen, die hij zelf had neergehouwen, vormden een verschansing van lijken om hem, die niemand straffeloos overschreden had. Zijn helm was afgeslagen, zijn schild gebroken en zijn geheele lichaam zoodanig met bloed en slijk en stof bedekt, dat men bijna niet zien kon of hij een harnas aanhad, al dan niet; maar zijn beide handen zwaaiden nog met ontzettende kracht een tweesnijdend zwaard, waarmede hij al wat hem omringde het naderen belette.

“Hoe is het bloodaards!” riep Adeelen: “deinst gij? laat mij met hem begaan: mij de eere, den laatsten man der bende te vellen.”

Met deze woorden drong hij door de schaar heen, en den vreemden krijger onvoorziens naderende, bracht hij hem een geweldigen slag op het hoofd toe.

“Neem dat,” zeide hij: “en ga in de hel vertellen dat Seerp van Adeelen er u heenzond.”

“Hoezee! leve Seerp van Adeelen!” riep het volk, dat den Hollander zag duizelen onder den slag.

Maar deze, hoezeer bedwelmd, was niet gewond geweest; want de strijdkolf was in de handen zijns bespringers gedraaid. “Zoo gij Seerp van Adeelen zijt,” zeide hij, zich herstellende, ofschoon met een gesmoorde stem, “neem dan dit laatste aandenken mede van uw Heer en Meester.”

Deze woorden waren nog niet uitgesproken, of Willem de Vierde had zijn zwaard omhoog geheven: en met een slag, luider klinkende dan die, welken de moker op het aanbeeld geeft, kwam het lemmer op het hoofd van Adeelen neder, drong door de helmplaten heen en spleet den schedel in tweeën. De onstuimige Fries viel zielloos neder: maar zijn overwinnaar poogde vruchteloos het zwaard uit de wond terug te halen: en vijftig knotsen, opgeheven door de Friezen, wie de dood huns aanvoerders nog meer verbitterde, deden in een oogenblik den weerloozen Graaf den stapel der dooden met zijn vorstelijk lijk vermeerderen.

Maar het is tijd om, alles daarlatende wat eigenlijk meer tot het gebied der geschiedenis behoort, tot den goeden Deodaat terug te keeren, dien wij, sedert zijn overbrenging naar Sint-Odulf, wat te lang uit het oog hebben verloren.

1 Zie bl. 65.

Herkomst van de tekst: de uitgave van A.W. Sijthoff, Leiden. Spelling ongewijzigd.