Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Jacob van Lennep · De roos van Dekama · 1836

Vijf-en-dertigste hoofdstuk (1 van 2)

Dit, leider! was een nacht vol ramps, vol ongevals.

Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.

Het ware moeilijk, een juiste beschrijving te geven van de gewaarwordingen, welke Deodaat bezielden gedurende de eerste uren, die hij doorbracht in de eenzame cel, waarin men hem had opgesloten. Het waren beurtelings, wrevel over het mislukken zijner onderneming, hetwelk hij zich zelven toeschreef: blijdschap over zijn verzoening met Reinout: ongerustheid over het lot der vloot, welke hij begreep dat het met den storm, die den kerktoren schudden deed, erg genoeg moest hebben: angstige zucht om te weten, of zijn eeuwig dierbare Madzy en haar achtingswaardige voogd ook aan eenig gevaar zouden blootgesteld zijn: dankbaarheid aan zijn Beschermheilige, die hem het leven gered had: in één woord, een mengeling der meest tegenstrijdige gevoelens. De storm echter, die nog zonder ophouden woedde, nam eindelijk zijn aandacht geheel in: en vurig zoude hij gewenscht hebben, het natuurtooneel te beschouwen, dat zich buiten liet zien; maar deze wensch was ijdel; want de cel, waarin hij gezeten was, had geen ander uitzicht dan op een nauwe binnenplaats, rondom door zulke hooge muren omgeven, dat men niets van de lucht gewaar kon worden en alleen het gekletter der buien hooren, die daar binnenvielen.

Later, toen het weer eenigszins begon te bedaren, troffen de psalmen, die in de kerk werden aangeheven, zijn oor; doch zoo nauw, dat hij zich vruchteloos inspande om de wijs te vernemen: vermoeid en afgemat strekte hij zich eindelijk uit op de houten legerstede, daar hij tot nu toe op gezeten had, en poogde te slapen; maar nauwelijks was hij even ingesluimerd, of een nieuw gedruisch wekte hem. Hij luisterde: men liep de gangen en vertrekken van het klooster op en neder: onder, boven hem, aan alle kanten dreunden de stappen der monniken door de gewelven, met meer drift, dan men zulks van stille kloosterbroeders zoude verwacht hebben. Dit deed hem met reden oordeelen, dat er iets buitengewoons moest plaats hebben:—en weldra zag hij zijn vermoeden bevestigd, toen hij trompetgeschal vernam, en kort daarna bespeurde, dat men bezig was het klooster te beleggen. O! hoe onverduurbaar werd toen de toestand van den wakkeren Ridder. Daar buiten, dit wist hij, daar streden zijn wapenbroeders! En hij, hij moest werkeloos in zijn cel blijven en mocht niet in hun gevaren deelen! Ja, zijn gegeven woord verbood hem, de deur open te trappen en zich met de strijdende drommen te vereenigen! Dit denkbeeld ontvlamde zijn spijt: en stampvoetende liep hij als een zinnelooze het enge verblijf, dat hem besloot, op en neder.

Lang reeds had hij in een staat van opgewondenheid verkeerd, die aan verbijstering grensde, toen hem opeens door het tralieraam een brandlucht tegenwoei, die weldra gevolgd werd door geheele rookwolken, die voorbij het venster opstegen. Nu ijsde hij: het klooster was wellicht in brand gestoken!—En hij zoude het weerlooze slachtoffer worden! Hij zou een dood zonder eer, zonder glorie sterven! Dit denkbeeld was hem onverdraaglijk. De iederen sterveling ingeschapen zucht tot zelfbehoud deed hem terstond besluiten zich uit dezen toestand te verlossen, en zijn cel, het mocht kosten wat het wilde, onmiddellijk te verlaten. Hij had wel zijn woord van eer gegeven niet te zullen ontvluchten; maar hij had geenszins beloofd in de hem aangewezen kamer te zullen blijven, vooral wanneer hij kans had daar levend geroost te worden. Al zijn krachten dus inspannende, trapte hij zoo lang op de deur, welke hem den uittocht belette, tot het paneel aan stukken sprong en hij zich er door kon werken. Nu stond hij in de gang, en ijlde naar de deur, die aan het einde geplaatst was: helaas! deze was gesloten: en al de pogingen, die hij aanwendde, toonden hem slechts zijn onmacht aan, om die te verwrikken. Hij keerde terug om een anderen uittocht te vinden: links van hem was niets dan een blinde muur; rechts cellen, gelijk die welke hij verlaten had, waaruit de deuren waren weggenomen, en die in stede van ramen slechts met hooge luchtgaten voorzien waren. Aan het andere einde van de gang was, ja, een venster, maar met dikke bouten er voor, welke alle denkbeeld van ontkoming wegnamen. Hij plaatste zich echter daarvoor, ten einde te ontdekken, wat er gaande was en of er een wezenlijk gevaar voor hem bestond;—want hoewel nog opgesloten, zijn ongerustheid was eenigszins verminderd, sedert hij zich in een grootere ruimte bewegen kon. Hij werkte zich dan met behulp der ijzeren bouten tegen het hooge venster op, en poogde zoogoed hij kon naar buiten te zien; maar de duisternis liet hem niets anders bespeuren, dan den kloostermuur aan de overzijde der groote plaats, waarop het venster uitzag, en de lucht daarboven. Het krijgsgedruisch vermeerderde intusschen: en weldra zag hij een schouwspel, dat hem met ijzing vervulde. De muur tegenover hem en het dak daarboven werden door een rooden, flikkerenden vuurgloed verlicht: wolken rooks stegen dwarrelend van uit de binnenplaats naar boven: en door dien rook henen bewogen zich in de dakgoten eenige strijders, als zoovele fantastische schimmen. Het waren gedaanten van monniken, waaronder hij nu en dan de welgevulde gestalte van vader Volkert meende te herkennen: het waren krijgslieden in ’t harnas en met vlammen op het hoofd en in de hand (want de weerkaatsing van den brand verwekte dit optisch bedrog), die als in de lucht handgemeen waren: en die gedaanten streden en vluchtten voor elkander, en bewogen zich heen en weder op de smalle kampplaats, waar voor en onder hen de dood hen aangrijnsde; en Deodaat zou misschien gewaand hebben, dat het slechts ijdele spoken en luchtbeelden waren, zoo niet het daverend krijgsalarm en de brandlucht en het geluid van den smak, die nu en dan zich hooren deed, wanneer deze of gene krijger van het dak op de binnenplaats stortte, hem overtuigd hadden dat hij waakte en dat hetgene hij voor oogen had schrikkelijke waarheid was. En inderdaad: ondanks al de dapperheid, door de geestelijken betoond, was het aan een gedeelte der krijgsknechten eindelijk gelukt, de kerk te beklimmen, en zich van daar over verschillende daken te verspreiden, waar zij nu de monniken en conversen bevochten.

Zoo geheel was Deodaat door dit schouwspel geboeid, dat hij zijn eigen toestand vergeten was, toen een gekraak onder zijn voeten opeens een gedachte bij hem levendig deed worden, welke hem met ijzing vervulde. Hij zag de vlam zelve niet; maar haar weerschijn tegen den muur aan de overzijde;—de brand was dus aan zijnen kant:—was juist onder hem: en het gekraak, dat hij hoorde, klonk in zijn ooren als een voorspelling, dat weldra de geheele zoldering zou instorten. Rillende liet hij zich weder van het venster afvallen; hij snelde terug naar ’t einde van de gang en matte zich nogmaals af in vruchtelooze pogingen om de deur te openen: hij zocht een plank om die open te loopen:—al wat tilbaar was had men uit de cellen genomen om de borstwering voor de benedenpoort te maken. Hij keerde dan in zijn eigen verblijf: nam de planken uit de bedstede en bezigde die om de deur te rammen; maar zij werden in zijn handen tot spaanders gebroken en hij vorderde niet. Dan op het oogenblik, dat hij den vloer onder zijn voeten reeds heet voelde worden en de wanhoop hem een hulpgeschreeuw aanheffen deed, hoorde hij voetstappen van buiten en te gelijk een welbekende stem, die hem antwoord gaf.

“Hier vrienden! hakt deze deur open! Hier is de Ridder, dien wij zoeken!”—De deur vloog onder eenige bijlslagen open en Deodaat bevond zich in de armen van zijn getrouwen Zweder van Naaldwijk. Deze had, gelijk wij vroeger verhaald hebben, de deur van gemeenschap tusschen de kerk en het klooster in brand gestoken en zich nu daarbinnen een toegang verschaft, bijna op hetzelfde tijdperk, dat de Heer van Spangen de voorpoort overweldigd had.

“Ik wist het wel, Ridder!” zeide Zweder, “dat wij u eindelijk zouden vinden: het klooster is ons! althans ik denk niet, dat die vrome paters zich lang meer zullen verweren:—hier, geeft den Ridder een zwaard ... een bijl ... wat het eerste bij de hand is ... en nu haastig naar beneden; eer de trap afbrandt:—ik heb u nog juist bijtijds gehoord.”

Neen! de goede schildknaap had zijn meester niet bijtijds gehoord; dit werd hij te ras en op een schrikkelijke wijze gewaar. Hij was bij het opklimmen de voorste geweest: en bij het terugkeeren bevond hij zich dus met Deodaat achteraan: slechts deze omstandigheid redde beider leven:—want nauwelijks bevonden de gewapenden zich op de trap, of deze stortte in met een oorverdoovend gekraak, en de beide aanvoerders stonden alleen op het portaal, voor een muur van vlammen en van rook, die uit het puin naar boven sloeg.

“Ik ellendeling! wat heb ik gedaan!” kreet Zweder, zich voor het hoofd slaande: “ik, die u redden wilde, moet de oorzaak van uw verderf zijn!—Uit zucht om de eerste binnen te wezen stak ik de kerkdeur in brand, en nu heeft zich de vlam aan het gansche gebouw medegedeeld!”

“Die ongelukkigen!” zeide Deodaat, terwijl hij een treurigen blik wierp op de rampzalige wapenknechten, die gillende en kermende beneden lagen;—“maar kom!” vervolgde hij: “wij moeten alle hoop op lijfsbehoud niet opgeven. Hier is een trap, die naar boven leidt; waarschijnlijk vinden wij een uitweg, die naar een ander gedeelte van het gebouw voert.”

Zoo gezegd, zoo gedaan. Beiden snelden met spoed de trap op; want reeds vervolgde hen de vlam. Zij kwamen nu op een korte, smalle en overwelfde gang uit, zonder deur noch venster, maar met een vierkant gat aan het einde, welk gat eenige voeten boven den vloer verheven en in de dikte van den muur uitgehouwen, en waartegen een klein trapje geplaatst was.

“Bij Sint-Japik!” zeide Zweder: “ik geloof, dat dit de weg naar den toren is: zoo ik wel bereken, zijn wij hier boven de kerk.”

“Hoogstwaarschijnlijk!” zeide Deodaat: “maar om ’t even! Wanneer wij daar eens zijn, hebben wij vooreerst geen gevaar en kunnen nader overleggen, hoe wij verder komen.”

De schildknaap had wel geraden; want zoodra hij de opening binnen- en onder eenige dwarsbalken doorgekropen was (niet zonder zijn hoofd eenige keeren geducht te stooten), bemerkte hij, dat hij zich in den toren bevond. Het was echter meer door den tocht, die hem tegen woei, dat hij zulks gewaarwerd, dan door de scherpte van zijn gezicht: want het was hier bijster donker: en geen wonder, daar zij zich op een middelzoldering bevonden, waar van geene zijde eenig licht kon doordringen, dan alleen de flauwe terugkaatsing der vlam, die tegen de wanden scheen van de gang, die zij uit waren gekomen.

De toren, waarin zij zich nu op twee derden der hoogte bevonden, was een oud en hoog gebouw, dat wellicht reeds gestaan had, vóór de oprichting van het klooster, waarvan het nu den noordwestelijken hoek uitmaakte, en het woonhuis met de kerk vereenigde. Het was achthoekig van gedaante en van zwaren, grauwachtigen steen opgetrokken tot op een hoogte van ongeveer negentig voet: de muren, dik genoeg om geen schade van brand en bestorming te vreezen, waren slechts hier en daar met een enkel kijkgat voorzien, en verder geheel ontbloot van allen zweem van versiering; zoo men den koepel uitzondert, die later, toen men de Oostersche bouworde in Friesland begon na te bootsen, op den top was nedergezet, en waarboven een kruis prijkte, dat, evenals de platen, welke den koepel dekten, van koper was. Deze koepel was, gelijk wij vroeger gezegd hebben, peervormig; doch had, evenals de toren zelf, acht zijden, van onderen met een breeden metalen band omsloten en zich van daar tot op den torentrans uitspreidende, evenals de voet van een ouderwetsch kelkje, of als de neergekrulde halve schil van een chinaasappel. In dien omgeslagen benedenrand waren twee vooruitspringende venstertjes, met luiken en een leien dakje voorzien: het eene, waaruit de seinlantarens staken, naar den zeekant uitziende: het andere, dat thans gesloten was, over het kloostergebouw heen, naar de oost- of landzijde. Van binnen was de toren volkomen vierkant, niet ruimer dan ongeveer tien voet in de doorsnede, en van onder tot boven volkomen hol. Om den top te bereiken waren, op elke dertig voet hoogte, houten zolderingen bijgebracht, van welke de niet overal veilige planken op dwarsbalken rustten, en in wier midden een opening gelaten was, welke men bereikte door middel van een trapladder, die van onderen tegen den muur vaststond en van boven met een paar ijzeren krammen voor het wiggelen bewaard werd. Er waren dus in ’t geheel drie van deze ladders; of liever: er behoorden er drie te zijn; want de onderste was, gelijk wij hierboven verhaald hebben, op last van vader Syard weggenomen. Verder had, als ons gebleken is, de toren ook nog een zijdelingsche gemeenschap met het kloostergebouw: en onze beide zwervers, die daarvan gebruik hadden gemaakt, bevonden zich nu op twee derden der hoogte, boven de tweede, en aan den voet van de hoogste ladder.

“Ziezoo!” zeide Zweder: “hier zitten wij hoog en droog: wisten wij nu slechts een middeltje te bedenken om hier vandaan te geraken.”

“Mij dunkt,” zeide Deodaat, naar beneden ziende, waar hem de flauwe schemering, die uit de kerk voortkwam, de ladder ontdekken deed: “wij kunnen hier afdalen.”

“Om ons de hersens op de zerken tot gruis te slaan?” viel Zweder in: “ik dank u, heer Ridder. De onderste trap is weggehaald. Die vervloekte monniken wisten wel wat zij deden. Bovendien, de kerk zelve staat in lichterlaaie.”

“Kunnen wij ons niet aan de klokketouwen aflaten?”

“Die gebruiken zij niet. Zij luiden hier door middel van groote hamers, die Belialskinderen!—en bovendien geloof ik niet dat er hier een klok in den toren is:—die zwelgers hebben alleen een etensbel noodig: en die hangt boven de bakkerij.”

“Welaan!” zeide Deodaat: “dan moeten wij nog hooger onze fortuin beproeven, en zoeken of er ook een raam in den toren is, ten einde eens uit te kijken, of wij hulp of verderf te wachten, hebben.”

Dit zeggende klom hij, van Zweder gevolgd, de hoogste ladder op, die hen in den voet van den koepel bracht. Dadelijk staken beiden het hoofd door het opene venster: en, ofschoon er zonder vleugels aan geene ontkoming te denken viel, ondervonden echter zoowel Deodaat als zijn schildknaap een gewaarwording van verkwikking en genoegen, toen de frissche wind hun in ’t gelaat woei en zij weder in Gods vrije schepping mochten rondzien. Het onweer was bedaard: slechts enkele dunne, waterlooze wolkjes dreven als sneeuwvlokken door het blauwe zwerk. De oppervlakte der zee was stil geworden; maar het dof gegons der wateren verkondigde nog, hoezeer zij door het geweld van den storm was beroerd geweest. De natuur was kalm en liefelijk: en had niet het oorverdoovend geweld van den strijd, die aan de andere zijde woedde, alle gedachten aan rustige genieting verbannen, Deodaat zou nog lang met wellust op den heerlijken sterrenhemel en op die sombere zee daaronder zijn blijven staren. Maar zijn ziel was te bezig met den kamp, die in het klooster gevoerd werd, dan dat hij zich den tijd kon gunnen, langer naar deze zijde uit te kijken.

“Spoedig, Zweder!” zeide hij, “laat ons zoeken, of er geen ander venster is, waaruit wij iets van het gevecht kunnen bespeuren.”

“Een oogenblik!” zeide de knaap, terwijl hij de lantarens binnenhaalde: “hier is iets, dat ons misschien zal kunnen dienen: men moet in onze omstandigheden niets verzuimen.”—Dit zeggende, maakte hij een eind touw los, dat aan de lantarens vastzat, en door een katrol liep, welke aan het einde van den uitgestoken staak hing, en bond het zich om het lijf.

“Ziezoo!” zeide hij, “nu hebben wij licht, en een touw; dat zijn reeds twee zaken, welke, wanneer men hoog en in ’t donker zit, van dienst kunnen wezen. Laat ons nu dezen kant uitzien.”

Dit zeggende, opende hij het luik van het andere venster: en beiden zagen uit.—Welk een geheel onderscheiden tooneel deed zich hier aan hun oogen voor! Aan de andere zijde de aanblik der stille natuur: aan deze, die van den oorlog in zijn schrikkelijkste gedaante.

In de eerste oogenblikken was het echter voor Deodaat en Zweder, die met uitgestrekte halzen buiten het raam lagen, moeilijk iets met juistheid te onderscheiden. De kerk zoowel als de drie overige zijden van het gebouw stonden in lichterlaaie: en de rook, die van alle kanten in breede wolken opsteeg, bedekte al wat beneden was met een dikken nevel. Het scheen beiden toe, als zagen zij in een ziedenden ketel, of liever in den gapenden krater van een vlammenspuwenden berg. Maar toen de wind, die van den zeekant woei, de rookwolken voor een oogenblik van een scheidde en als uitgerolde wimpels over de landtong heen deed zwaaien, ontdekten zij de kloosterlingen, die in een breeden kring op het binnenplein bijeenverzameld stonden en zich met een hardnekkigen moed verweerden tegen de krijgsknechten, die hen van alle zijden bestookten. In het midden van de jongere broeders en conversen, stonden de grijsaards en zwakken, met schorre kelen doch met een prijzenswaardige gelatenheid den psalm zingende: quare fremuerunt gentes; ofschoon de rook, die hun in de keel vloog, hen nu en dan dwong, het lied te staken en met een benauwd gekuch te verwisselen.

“Mij dunkt,” zeide Deodaat, “die monniken vechten als leeuwen: gij hadt gezegd, zij zouden zich niet lang meer verdedigen; maar, naar het mij voorkomt, staat de kans vrij ongelijk en kunnen zij blijven vechten tot de gansche boel ineenstort en vrienden en vijanden samen verplet.”

“Inderdaad,” zeide Zweder, peinzende: “het getal onzer manschappen komt mij voor, geringer te zijn, dan het behoorde te wezen. Ik zie den Heer van Beaumont niet; noch ook den Heer van Spangen. Wij waren straks ruim zoo talrijk. Zouden er zoo velen door de handen dier papen zijn gevallen? Of is de rest vertrokken en heeft men gedacht, dat er manschappen genoeg bleven om het klooster te winnen.”

“Het komt mij voor, als ware men buiten ook nog aan het strijden,” zeide Deodaat: “althans ik hoor een luidruchtig alarm aan de landzijde. Indien slechts die satansche rook het uitzicht over de landtong niet belette.”

Terwijl beiden, onbewust van de redenen, die Beaumont genoodzaakt hadden het klooster te verlaten, zich in gissingen verdiepten, trad de Heer van Spangen, door een der zijgangen, welke alsnog door het vuur gespaard was gebleven, de binnenplaats op.

“Geeft u over, vervloekte papen!” riep hij: “uw klooster staat in brand en het is immers al gewonnen.”

Herkomst van de tekst: de uitgave van A.W. Sijthoff, Leiden. Spelling ongewijzigd.