Jacob van Lennep · Ferdinand Huyck · 1840
Twaalfde hoofdstuk (2 van 2)
"Nu moet gij ons recht veel vertellen van uw reizen," zeide Tante Van Bempden: "hoe zegt Lafontaine ook weer van de zwaluw?"
"Quiconque a beaucoup vû,
Peut avoir beaucoup retenu,"
zeide Susanna, haar te recht helpende.
"Van harte gaarne," zeide ik: "indien UEd. mij slechts vragen wilt, ben ik tot antwoorden bereid:" en ik schoof mijn stoel dichter naar den haren. Maar nu schoven ook de overigen hunne zetels bij en ik zag, dat mijn taak niet zoo gemakkelijk was, als ik mij die had voorgesteld; want ik werd van vier of vijf kanten bestormd met vragen van geheel verschillenden aard; en daar het mij minder gemakkelijk viel, die gelijktijdig te beantwoorden, dan aan de overigen, om die gelijktijdig te doen, moest ik wel verzoeken, of men ordelijk wilde te werk gaan, en ik stelde voor, dat, ten einde niemand redenen tot beklag zoude hebben, elk der aanwezigen, te beginnen met Tante Van Bempden, die rechts van mij zat, op zijn beurt mij eene vraag zoude doen. Dit vond goedkeuring, en nu werd ik beurtelings over de meest uiteenloopende onderwerpen ondervraagd. Aan Tante Van Bempden, moest ik een beschrijving geven van het Carnaval, dat ik te Napels had bijgewoond, terwijl Susanna mij over de kleeding der Oostenrijksche dames ondervroeg: mijn vader stelde er meer belang in, iets van de gedenkstukken van het Oude Rome te hooren, en tante Letje wilde weten, hoe ik het toch in dat Heidensche land had aangelegd om mijn godsdienstplichten uit te oefenen. Toen de beurt aan mijn goede moeder kwam, drukte de vraag, welke zij deed, haar moederlijke teederheid volkomen uit; want zij verlangde een volkomen beschrijving van alle zoodanige personen, die mij op reis van dienst geweest waren of beleefdheid hadden betoond, en van welke ik in mijn brieven gesproken had: en zij schepte er een zichtbaar genoegen in, van hen te hooren gewagen, die in haar Ferdinand hadden belang gesteld.
Toen de eerste nieuwsgierigheid bevredigd was, werd langzamerhand het gesprek meer algemeen: en Tante Van Bempden, wier gedachten zich zelden lang bij het zelfde onderwerp bepaalden, en die er van hield de gelegenheid bij de haren te vatten, nam mijn vader onderhanden, om zijn oordeel, waarop zij, en met recht, niet weinig prijs stelde, over eenige nieuw uitgekomen werken te vragen, over welke hij haar echter grootendeels antwoordt schuldig moest blijven door zijn beroepsbezigheden slechts zeer weinig tijd tot lezen had, en in de weinige ledige oogenblikken, die hem overschoten, liever zijn oude classici bij de hand nam, dan de voortbrengselen van den dag. Toen nu Tante bemerkte, dat zij omtrent deze punten weinig troost erlangen kon, begon zij over politiek te redeneeren: een onderwerp, waaromtrent mijn vader geen ignorantie kon pretendeeren, en welke behandeling hij zich dus getroostte, hoezeer dat duidelijk op te merken was, dat zulks alleen uit inschikkelijkheid geschiedde; want vooreerst was hij geen vriend van met dames over dergelijke stoffen te redekavelen, en ten andere dwong zijn ambt hem reeds genoeg daarover te hooren en wilde hij, in gezelschap zijnde, ter ontspanning van zijn geest wel eens over iets anders praten.
Gedurende het onderhoud van mijn vader met Tante Van Bempden, gaf mijn moeder, voor wie die onderwerpen veelal te uitheemsch en te hoogdravend waren, mij een vrij breedvoerig, doch zeer duidelijk verslag van de gehoorde predikatie, en voegde er nogmaals de betuiging bij van haar leedwezen dat ik haar niet vergezeld had: Tante Letje zat stil voort te arbeiden, en vergenoegde zich, met nu en dan een aanmerking betreffende het een of ander, dat haar meer bijzonder gesticht had, te voegen bij hetgeen mijn moeder verhaalde: terwijl Suzanna, die, zoo lang het verslag duurde, zich alleen met haar trekpot en schoteltjes bemoeid had, na het eindigen daarvan het woord nam en mij vertelde, wie er al in de kerk geweest was, en met wie zij al in het uitgaan gesproken had.
"Ik ben er gek afgekomen," zeide zij: "ik had mij gevleid, aan mijn buren in het doophek en aan al wie ik ontmoeten zou, in echten courantenstijl te vertellen: heden is hier met lang span (alias de Muiderschuit) gearriveerd de Heer Ferdinand Huyck, zoon van den Ed. Gestr. Heer Hoofdofficier en broeder van de beminnelijke Juffrouw Suzanna Alette Huyck;—maar jawel:—pas ben ik op mijn plaats gekomen, of daar haalt mijn buurvrouw, het dikke wijf van den koperslager, haar loddereintje uit de tasch en na mij driemalen te hebben aangekeken, als wilde zij zeggen: "ik weet wat ik weet," en driemalen aan het mooie zilveren doosje geroken te hebben, steekt zij het mij toe en vraagt: "is Mijnheer uw broeder ook in de kerk? Wel! wel! dat moet een vreugde geweest zijn!—Ja, ik heb het al gehoord van de krantenvrouw. En heeft Mijnheer een goede reis gehad? Wel! wel!"—En eer ik haar kon antwoorden, daar tikt Betje Du Fay, die aan de andere zijde zat, mij op den arm. (Je herinnert je Betje Du Fay wel, Ferdinand? de dochter van Schepen Du Fay met dien haviksneus?) en begint met een schor stemmetje: "ik feliciteer je wel Santje! met de terugkomst van je broer:" en te gelijk voel ik de dorre vingers van Mevrouw Muysvaal, mijn achterbuurvrouw, mijn schouder grijpen als met een arendsklauw, en gonst het in mijn ooren: "ik heb met veel genoegen vernomen dat uw broeder terug is. Ik feliciteer u wel:"—en meteen piept het en bromt het voor en achter mij al de rijen langs, als waren er overal echo's: "ik feliciteer je wel. Juffrouw Huyck, ik feliciteer je wel:"—zoodat ik blij was, dat het gezang werd aangeheven, want mijn nek begon mij zeer te doen van het knikken en buigen.—En bij het uitgaan was het nog erger; want toen dacht ik, dat ik nooit den dorpel, veelmin de koets zou bereikt hebben, zoo drong men zich om mij heen: "Is het waar wat ik gehoord heb? Is Ferdinand waarlijk terug?—Ik kom eerstdaags uw broeder zien. Hartelijk geluk!" enz. En zoo ging het voort, zoodat mijn ribben bont en blauw zijn van de stompen en duwen, die ik gekregen heb van al de lieden, die uit loutere deelneming op mij afkwamen."
"Santje overdrijft weer, volgens haar gewoonte, zeide mijn moeder; "ik heb maar een paar menschen gesproken die er iets van schenen te weten; maar Santje schijnt er van te houden, diergelijke opschuddingen in de kerk te maken."
"De menschen moesten wat meer denken," zeide Tante Letje, "dat de kerk is een bedehuis, en niet een plaats voor ijdelen klap en onnut gesnap; maar het is als de profeet zegt: zelfs in mijnen huyze vindt ik haar boosheyt.—Ik wilde wel, Nicht! dat gij over deze stofte gelezen hadt een dierbaar boekske, dat geschreven is door de eerzame Weduwe Knijpduim, en dat ten titel draagt: "over de onchristelijke opschuddinge in Gods Kerke," waarin dat alles uitvoerig betoogd wordt. 't Is niet gedrukt; maar zij heeft het ons eens op de oefening bij den zielbezorger Zoutbrand voorgelezen. Ik zal het u wel eens bezorgen, Santje! het kan u nuttig zijn."
"Spreek mij niet van Juffrouw Knijpduim, Tante!" zeide Santje: "die kan mij nooit door woorden of werken meer stichten, sedert ik haar laatst in de Oude Kerk met een andere oude Juffer een kwartier lang heb zien kijven en knorren over haar plaatsen, dat geen vischwijven het erger hadden kunnen doen. En wat mij het meest ergerde, was dat, toen zij gezeten waren, zij dadelijk de waaiers uitsloegen om te gaan bidden. Maar de oude Heer Slyper, die achter haar in de ouderlingenbank zat, tikte haar op de schouders en zeide: "wacht daar liever nog wat mede, tot gij bekoeld zijt, en denk inmiddels om Matth. V: 24."
"Hoe is het, Santje! krijgen wij geen thee meer?" vroeg mijn vader, die, ofschoon luisterende naar de redeneeringen van Tante Van Bempden, echter genoeg van Santjes vertelling gehoord, en te goed den onvergenoegden blik van Tante Letje bespeurd had, om niet te begrijpen, dat het gesprek een andere wending moest nemen. Santje begreep dien wenk en haastte zich, terwijl zij de kopjes vulde, mij te vragen, welke der plaatsen, die ik bezocht had, ik het liefst tot mijn verblijf zoude kiezen. Van mijn kant willende medewerken om het gesprek zoo ver mogelijk van het vorige onderwerp te verwijderen, gaf ik een ontwijkend antwoord, en begon de voor- en nadeelen op te tellen van al de voornaamste steden, waar ik eenigen tijd had doorgebracht. Mijn vader moest zich staande dit gesprek voor eenigen tijd verwijderen om ambtsbezigheden, en nu viel Tante Van Bempden, die mij van Rome hoorde spreken, mij plotseling in de rede, om mij te vragen of ik de fresco's in het Vaticaan gezien had.
Ik antwoordde toestemmend en wilde een uitgebreide beschrijving van deze kunststukken geven; maar kwam er deze reis vrij van; want Tante scheen de gelegenheid alleen te willen waarnemen, niet om van mij iets te vernemen, maar om mij een redetwist te vertellen tusschen den Kunstkooper Tempermes en den Makelaar Mosselzalf, betreffende een haar toebehoorende schilderij, welke de eerste beweerde dat een origineele Carlo Dolce was, de andere daarentegen voor een kopie hield. De behandeling van dit punt gaf aanleiding tot een omslachtige uitweiding over de Italiaansche school, welke gevolgd werd door een vertoog over het voortreffelijke der keurslijven v. Douillié, en besloten met een aanbeveling van den pasteibakker Jakobsz.
De verschijning der jongere leden van de familie, die nu uit de verschillende scholen terugkwamen, gaf een nieuwe wending aan het gesprek, door aan Tante een andere bezigheid te bezorgen; want, aan mijn broeder Frits verzocht hebbende, haar een groot pak aan te reiken, met grauw papier omwonden, dat uit het rijtuig gekomen en in een hoek der kamer gelegd was, opende zij het, en vertoonde aan de verheugde kinderen een menigte prentenboekjes, welke zij onlangs gekocht had en hun ten geschenke aanbood, aan elk in 't bijzonder de uitlegging op den koop toegevende van het onderwerp, dat in de boekjes behandeld of op de plaatjes afgebeeld was, met vele aanwijzingen daarbij, op welke wijze en ten welken einde zij een en ander best zouden kunnen gebruiken. De milddadigheid van Tante bracht mij te binnen, dat ik ook geschenken had rond te deelen, en, zoodra het theegoed van tafel was genomen verzocht ik Frits en Jakob mij even naar mijn kamer te willen volgen. Zij voldeden slechts schoorvoetende aan mijn verzoek; want het kostte hun moeite de geschiedenis van Robinson Crusoë met fraaie houtsneeplaten, en de galerij van uitheemsche kleederdrachten neder te leggen;—maar des te hooger steeg hun blijdschap, toen ik, hen in mijn kamer gebracht hebbende, mijn koffers opende en daaruit een talrijken hoop pakjes, doozen en andere snuisterijen haalde, waarmede ik hen belaadde, terwijl ik mijzelf belastte met die voorwerpen, welke het meest gevaar liepen van te breken of beschadigd te worden.
"Mijn hemel! Ferdinand! waar moet dat alles heen?" vroeg mijn moeder, toen ik, vergezeld van mijn twee helpers, de zijkamer instapte.
"Zij gelijken wel de drie koningen, die met giften en gaven uit het Oosten komen," fluisterde Suzanna Tante Van Bempden in 't oor.
"Stil!" zeide deze met een bestraffenden blik: "laat Tante Letje u niet hooren."
"Mijn tijd! zijn dat allemaal presenten?" riepen mijn zusters Letje en Keetje, terwijl zij, haastig opstaande, een hoektafeltje bijschoven om er mijn waren op uit te stallen: de twee jongsten, Karel en Truitje, klapten in de handen en dansten van vreugde.
"Wel Ferdinand! Ik geloof, dat gij u arm gekocht hebt," zeide mijn moeder, haar breiwerk neerleggende: "komt toch nergens aan, kinderen! uw broeder zal het u immers wel wijzen."
"Ik hoop dat er voor mij ook wat bij is," zeide Suzanna, insgelijks oprijzende en zich nevens mij vervoegende. Zelfs Tante Letje kon haar nieuwsgierigheid niet bedwingen en ik vond mij weldra door de geheele familie omringd.
Het was een plechtig oogenblik. Daar stonden zij allen om mij heen in gespannen verwachting: en de stilte werd alleen afgebroken door halfgesmoorde uitroepen, als: "wat zou ik toch krijgen? hé! wat ben ik nieuwsgierig!—Ik weet wel wat ik zou verlangen! Stil toch! hinder uw broeder niet! Heden! wat een boel dingen!"—Wat mij betreft, ik liet mij geen woord ontvallen, maar een der zes of zeven scharen, om niet te gewagen van even zoovele knipmesjes, welke mij werden overgereikt, aannemende, maakte ik mij gereed om over te gaan tot het lossnijden der pakjes, toen ik mijn hand plotseling weder ophief.
"Wat is er? wat is er?" vroegen onderscheidene stemmen.
"Zullen wij niet wachten, tot vader weer terug is?" vroeg ik.
Daar keken zij elkander zwijgend en zuchtend aan.
"Wel foei!" zeide Suzanna: "dat is niet mooi, ons ongeduld eerst op de proef te stellen en dan niet te voldoen."
"Ja! maar mij dunkt dat Ferdinand gelijk heeft," zeide mijn moeder: "'t Zal vader zeker genoegen doen, de uitpakking bij te wonen, en daar moeten wij hem niet van berooven. Zijt nu verstandig kinderen!" vervolgde zij, ziende, dat deze en gene de lip liet hangen. "Uw vader zal wel zoo aanstonds terugkomen."
"Daar is Papa! daar is Papa!" riepen opeens een paar stemmen: en terstond liepen al de kinderen de kamer uit en kwamen terug, mijn vader, die uit zijn studeervertrek juist terugkwam, bij zijn gebloemde avondjapon voortsleurende.
"Ik geloof, dat ik ter goeder ure terugkom," zeide mijn vader, wien een blik, op de tafel geworpen, nog meer dan het door elkander roepen der kinderen, de toedracht der zaak deed begrijpen.
Nu ging de schaar haar gang: en het kleine Truitje was uitgelaten van vreugd, toen de losgemaakte papieren haar een fraai gekleeden pop deden aanschouwen.
"Ik hoop," zeide Kareltje, mij met zijn blauwe oogen vragend aanziende: "ik hoop...." hij durfde toch niet te zeggen wat hij hoopte; want hij begreep, dat het anders kon uitvallen; maar toen ik hem het voor hem bestemde toereikte, zag hij dat zijn wensch naar een verfdoos toch verwezenlijkt was.
Het zou bij u, waarde lezers! weinig belang wekken, indien ik stuk voor stuk de voorwerpen ging opnoemen, waarmede ik de jongere leden der familie beschonk; ofschoon gij,—voor zooverre gijzelven ooit in het geval zijt geweest, dergelijke geschenken na uw terugkomst van een buitenlandsche reis rond te deelen, of in uw jongere jaren die van anderen ontvangen hebt,—u de gewaarwordingen nog wel levendig zult kunnen voorstellen, welke men alsdan gevoelt, en welke te streelender zijn, naarmate het geschonkene meer de behoefte of den wensch van het oogenblik bevredigt. Wat mij betreft, ten dezen opzichte slaagde ik zeer gelukkig; want al wat ik uitdeelde was ook juist hetgeen men verlangde: en mijn broeders en zusters begonnen reeds te denken dat ik de gaaf had, op verren afstand iemands gedachten te raden, toen een glimlach mijner moeder aan de oudsten althans deed gissen, dat de goede vrouw mij in haar laatste brieven eenige wenken gegeven had omtrent hetgene meest welkom zijn zou.
Toen nu het kleine volkje beschonken, of, om niet dubbelzinnig te spreken, begiftigd—was, kwam de beurt aan de grooteren, en Suzanna zette groote oogen op toen ik haar met een sluier vereerde (men zou thans zeggen: een voile) die, in aanmerking mijner bekrompen middelen, als een kostbaar geschenk kon worden aangemerkt. Voor mijn moeder had ik een netgewerkt zakhorloge medegebracht en voor Tante Letje een eenvoudigen, doch sierlijk gesneden ivoren waaier, die haar bijzonder behaagde, omdat hij fraai en toch niet opzichtig was. Tante Van Bempden, die alles had of kom laten komen, wat de weelde verlangen kon, ontving een kleine antieke urn, welke ik te Rome had gekocht:—dit geschenk bracht een langdurige vergelijking teweeg tusschen den antieken en hedendaagschen smaak in bouw- en beeldhouwkunst.—Eindelijk was mijn vader niet weinig in zijn schik, toen ik, een doos openschuivende, hem een kleine verzameling aanbood der Romeinsche munten, die vóór den tijd der Keizers in gebruik waren, door mij gedurende mijn verblijf te Rome bijeengebracht. Mijn vader was, ondanks de bezigheden, welke zijn ambt hem opleide, een minnaar gebleven der classieke oudheid en van alles, wat daarmede in verband stond: en het was hem de zoetste verpoozing van zijn arbeid, wanneer hij, in de weinige uren van uitspanning, die hem te beurt vielen, zich in de lezing en beoefening zijner geliefkoosde schrijvers verlustigen kon. De brokken uit de Latijnsche dichters, waarmede hij gemeenzaam was, werden dan ook, gelijk men uit de vorenstaande bladzijden heeft kunnen zien, niet minder dikwijls in het dagelijksch gesprek door hem te pas gebracht dan de aanhalingen uit het Corpus Iuris: ja somtijds ontvielen hem die, wanneer hij tegen mijn moeder sprak, hetgeen dan bij deze, en vooral bij mijn zuster, niet zelden een glimlach of vroolijke scherts deed ontstaan. Maar niet alleen de werken der Ouden waren mijn vader dierbaar: al wat zich, al ware het slechts zijdelings, aan de dagen van Athene of Rome's grootheid hechtte, was hem welkom: en die geldstukken, wier gehalte of innerlijke waardij voorzeker van weinig beduidenis was, en die hun meeste waarde daaruit ontleenden dat het stel vrij volledig scheen, werden door hem met te meer opgetogenheid beschouwd, naarmate der grootsche herinneringen, die zij bij hem opwekten.
Allen waren dus recht vergenoegd en tevreden: en de vroolijkheid werd niet weinig vermeerderd, toen een groote taart, ter viering mijner terugkomst gebakken, op de tafel verscheen en de zintuigen door de aangenaamste geuren streelen kwam. Witte broodjes, schoteltjes met kalfsvleesch en ossetong, en heerlijke vruchten, zooals in Europa de stookkasten van ons land alleen kunnen opleveren, omringden den hoofdschotel: en de sleutel des wijnkelders werd mij toevertrouwd om een flesch te halen van den wijn, die mij het best beviel. De kinderen kregen allen verlof, tot tien uren op te blijven: en de avond liep zoo genoeglijk af als men bij mogelijkheid verlangen kon: ja de algemeene vreugde werd door geen ander toeval gestoord, dan dat Tante Letje door het afbrokkelen van een stuk taart, een confituurvlek op haar hagelwitten halsdoek kreeg, en dat Jakob een half glas wijn stortte over eene der prenten, welke hij van Tante Van Bempden gekregen had: twee ongevallen, die echter, zooverre mij gebleken is, geen blijvenden indruk bij de lijdende partijen achterlieten.
· · ·
Herkomst van de tekst: een negentiende-eeuwse uitgave van het werk van Jacob van Lennep. Spelling ongewijzigd.
