Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Jacob van Lennep · Ferdinand Huyck · 1840

Zestiende hoofdstuk (2 van 2)

"En waart gij zelf onbeschadigd?" vroeg ik.

"Er was een kogel door mijn hoed gekomen," antwoordde Pulver, "die mij zoo netjes had doen groeten alsof er een Schout-bij-Nacht monstering kwam houen; maar anders, wonden had ik niet."

"Wel, dat noem ik zonderling," zeide Suzanna, het dikke lichaam van den schipper glimlachende aanziende.

"Je wilt zeggen, Juffertje! mijn buik was nogal een mooi wit geweest om op te mikken? Maar zoo gaat het: er lag een Senhor naast mij, die drie kogels gekregen had en toch maar een vent was niet veel dikker dan mijn linkerarm. Maar ieder kogel heeft zijn opschrift, weet je? Nu, om weer op ons verhaal te komen (zooals mijn eerste stuurman placht te zeggen als hij 's ochtends zijn oorlam nam), de rooverkapitein was op het dek gesprongen en zwaaide een blanke sabel in zijn vuist, die niet van stroo was. Ik dacht bij mijzelven: Pulvertje, mijn man, daar is je leste uur geslagen: te meer toen ik zoo rondkeek en zag, dat ik op degenen, die nog leefden al zooveel kon rekenen als op een gekauwden kabel. Wat zou ik doen? Ik lei mijn handspaak neer, en wachtte af, wat het geven zou. Maar daar was Sandertje, die had maar in 't geheel geen trek om zich over te geven, en net zooals een van die ongenoode gasten hem bij de lurven wou pakken, daar sprong hij als een ondernemende durf-al die hij was, recht op den rooverkapitein aan en hieuw naar hem als een dolleman! "Hier weerlichtskind!" zeide hij: "hou daar, beroerde bl....."

"Nu ja!" zeide ik: "wij behoeven die uitdrukkingen zoo nauwkeurig niet te vernemen."

"Integendeel, Sinjeur!" zeide Pulver: "want zonder die uitdrukkingen zou het met Sander en mij er slecht hebben uitgezien, gelijk je op zijn tijd zult hooren (zooals de dief, die zijn vonnis beethad, tegen zijn maat zei, die het nog krijgen moest). Sander sloeg dan in 't wilde op den roover; maar daar waren er aanstonds vijf of zes van die lieve jongens bij, die hem in zijn baaitje namen en hem op het dek haalden: en juist was er een, die zijn bijl oplichtte om hem met de complimenten naar zijn grootje te sturen, toen de rooverkapitein in 't Spaansch gelastte, dat zij hem sparen zouden: en ik, die ook begreep, dat de jongen beter deed zich stil te houden, ik riep uit al mijn macht: "Sandertje, mijn vriend! Ben je mal? Wat wil je toch uitvoeren?" En zoo meteen als ik dat zei, keek de Kapitein mij aan en, naar mij dacht, iets vriendelijker dan de overigen: en toen fluisterde hij iets in de ooren aan een kameraad van hem. Sandertje en ik werden aan mekaar gebonden, en zoo werden wij, namelijk allen die nog leefden, op het roofschip overgebracht en tusschendeks gesmeten."

"Dat was zeker al heel vriendelijk," merkte Suzanna aan.

"Zooals je zult komen te hooren," vervolgde Pulver: "wij gingen onder zeil en het duurde zoo wat ongeveer vier of vijf etmalen dat wij in dat Satansche hok bleven opgesloten zonder zon of maan te zien: alhoewel, dit moet ik tot eer van den vrijbuiter en van zijn kok zeggen, wij kregen, ofschoon gevangenen, beter eten dan op het Spaansche schip. Eindelijk, den zesden dag geloof ik, liet men ons op het dek hijschen. Ik keek ereis rond om de hoogte te nemen; maar Joost haal me zoo ik de plaats herkende, waar wij ons bevonden: en dat was nogal natuurlijk, daar ik er nooit geweest was. Wij lagen voor anker in een zeestraat; althans voor zooverre ik in dien korten tijd heb kunnen bespeuren: het was zout water, en zoo helder, dat men het zand van den bodem en al de visschen, die er heen en weer zwommen, onderscheiden kon. Rechts en links een muur van rotsen, die naar mijn gissing wel vijfhonderd voet uit het water oprezen, en zoo steil, dat men zou gedacht hebben, zij waren den dag te voren van elkander gespleten: overal groeiden er boomen en struiken op, waar maar een beetje aarde en een scheur in de rots was om zich op vast te hechten: terwijl het kanaal op sommige plaatsen zoo smal was, dat de takken van weerskanten elkander ontmoetten bijwijze van een berceau, zoo als men dat op zijn Fransch heet, geloof ik; en dan had men er vogels in van alle soort, duiven en spechten en eenden, en nachtegalen, die zongen, dat het een lust was, en witte kraanvogels, en zwarte kraanvogels, en grijze kraanvogels, die hier en daar stonden te kijken, met een verwaandheid als een diender voor een Sinterklaaswinkel. Maar ik had niet lang tijd om alles nauwkeurig op te nemen: wij werden in de jol neergelaten en een eindweegs van het schip gevoerd, tot wij ons op een stee bevonden, waar het water een inham in de rotsen maakte. Hier was een landingsplaats en een natuurlijke trap in de rots, die wij op moesten: het was er bijwijlen mooi donker: want het hing er zoo dicht van takken en struiken, dat de zon geen gelegenheid had om er door te schijnen; en er liepen overal hagedissen, zoo vlug en zoo glinsterend als ik ze mijn leven niet gezien heb.—Nu! toen wij boven op de hoogte waren, moesten wij er aan de andere zijde weer af, en kwamen zoodoende in een vallei, waar dan eigenlijk het ware verblijf van de zeeroovers was: en een goede schuilplaats was het, want wie den ingang tot de zeestraat en het pad over de rots niet kende, zou er jaren naar gezocht hebben. Hier bracht men ons in een groote schuur, waar dag en nacht schildwachten met geladen vuurroeren voor stonden: 't geen mooi onnoodig was; want al hadden wij willen en kunnen wegloopen, ik weet niet waar wij heen waren gegaan. Alle dagen kwam men een van de met ons gevangen Senhores halen en die kwam dan niet weerom. "Die is er om koud", zei Sander dan. Maar ik zei: "neen! dan zouden zij ons zoo lang den kost niet gegeven hebben; maar zij geven hun de keus om gehangen te worden of dienst bij hen te nemen; dat is zoo zeerooversmanier."—Wij dachten al, wanneer zal de beurt aan ons komen? toen eens op een dag een allerliefst Juffertje binnenkwam, een meisje zoo van veertien of vijftien jaren, naar ik gis, met een recht vriendelijk gezichtje en een heel net kleedje aan: "zijn er hier geen Hollandsche zeelui?" vroeg zij in zuiver Nederduitsch. Sander en ik wij keken elkander aan, alsof wij het te Keulen hadden hooren donderen. "Tot je dienst," zeiden wij allebei: "wat is er van je believen?"—"Wilt ge zoo goed zijn, mij te volgen?" zei zij toen weer, met een allerliefst stemmetje. "Niets liever dan dat," antwoordden wij; want wij hadden mooi onze bekomst van in die stinkende schuur te zitten. Zij ging vooruit; de schildwachten presenteerden het geweer voor haar, krek of zij een prinses ware geweest, en zoo wandelden wij achter haar over het veld, totdat wij aan een heel aardig zomerhuis kwamen, dat tusschen hooge kokosboomen gelegen was. Hier stond weer een kerel op schildwacht, die ons met haar doorliet. Zij stootte een zijdeur open en wij zagen een man zitten met een sitsen gebloemden japanschen rok aan zijn bast, druk bezig met schrijven.—"Hier zijn de twee Hollanders. Papa!" zeide het Juffertje. De vreemde Heer keek op: het was warentig de rooverkapitein.—"Hoe heet je?" vroeg hij, terwijl hij mij strak aankeek.

"Harmen Pulver," zei ik:—"Wat duivel spreekt UEd. ook al Duitsch?"

"Gij komt hier om te antwoorden: en niet om vragen te doen," zei hij, met een barsche stem, terwijl hij de wenkbrauwen samentrok. "Hoe oud zijt gij?"

"Vijf en veertig jaar," zei ik weer, terwijl ik mijn kop krabde.

"Hoe kwaamt gij op dat Spaansche schip verzeild?" vroeg hij alweer.

"Wel!" zei ik: "dat wil ik wel ereis vertellen:"—en zoo zei ik hem de gansche waarheid, van stukje tot beetje. Hij luisterde heel aandachtig toe en vroeg mij vervolgens, hoe lang ik ter zee gevaren had, of ik vrouw en kinderen te huis had en zoo al meer. Toen draaide hij zich naar Sandertje, die ook zijn naam en zijn jaren op moest biechten.—"Sander Gerritz!" zei hij toen, "gij zult vooreerst in mijn dienst blijven, tot zoolang ik een andere bestemming voor u vinde. Amelia! breng dien knaap naar achteren en zeg aan Diego, dat hij hem een stel kleederen bezorge en in zijn werk onderrichte."

Bij dit gedeelte van Pulvers verhaal kon ik niet nalaten, verwonderd op te zien. "Amelia," herhaalde ik: "heette zijn dochter Amelia?"

"Wel ja, Amelia!" hernam Pulver: "een mooie naam voor de dochter van een rooverkapitein. Nu, dat is tot daar aan toe. Het meisje was in allen gevalle een lief en vriendelijk ding: zij wipte de kamer uit en Sander volgde haar, niet recht zeker of hij wel of kwalijk deed, geloof ik; want hij keek mij een keer of drie aan in 't heengaan, als een tolgaarder zou doen, wien ze onzuivere munt in de hand gestopt hebben. "Nu komt mijne beurt," dacht ik.—"En gij, Harmen Pulver!" zei de Kapitein, "gij zult Onderstuurman bij mij worden, overmits ik den mijnen in het laatste gevecht heb verloren."—"Ik bedank u hartelijk," zei ik.—Toen zette hij een gezicht, alsof hij mij op wou vreten. "Wat," zei hij, "en waarom niet?" vroeg hij, alsof het een Admiraalsbaantje was, dat hij mij gepresenteerd had.

"Wel!" zei ik weer: "omdat...." en meteen snuffelde ik in mijn broekzak, waar ik nog, spijt schipbreuk en roovers en al, een klein zakbijbeltje had bewaard, en ik sloeg het open: "kijk!" zei ik, en wees hem op het achtste gebod."

"Dat was braaf gehandeld," zeide Henriëtte: en Suzanna zag den dikken man met eenigen eerbied aan, alsof zij een innerlijke gelofte deed, van ten minste de eerste tien minuten den spot niet met hem te drijven.

"En hoe nam de zeeroover dat op?" vroegen wij allen als uit éénen mond.

"Wel dat viel mee (zooals de dronken bottelier zei, toen hij met de gangtrap in zee rolde).—Hij keek wel eerst wat stuursch, maar het maakte toch indruk, merkte ik: "ik wil geen theologisch dispuut met u beginnen," zei hij: "anders zou ik u kunnen overtuigen, dat dit artikel (hij noemde het een artikel: de man was ook niet vast in de leer!) dat dit artikel," zeide hij, "op mijn beroep niet toepasselijk is. Ik ben hier zooveel als Souverein, geloof ik," zei hij: "en in oorlog met alle natiën: alleen heb ik nog een gekkelijk zwak voor Hollanders, ofschoon zij het niet aan mij verdiend hebben.—Ik geef u nog een uur om te bedenken," zei hij; en meteen vouwde hij heel bedaard het papier dat hij geschreven had, dicht, en stond op om heen te gaan.—"En zoo ik het nu niet aanneem," zei ik: "wat dan?"

"Dan wordt gij gehangen," zei hij, op denzelfden toon, alsof hij mij de keus had gelaten tusschen een slok brandewijn of een glas rood, en hij stapte de deur uit."

"Uw toestand moet alles behalve vroolijk zijn geweest," merkte ik aan.

"Om den drommel niet," zeide Pulver: "maar ik had er mij al zoo half en half op verwacht en mijn besluit was genomen; want ik dacht: men moet toch eenmaal dood en dan nog liever als een Christenmensch gestorven. Zoo ging ik zitten en dacht: ik zal mijn laatste uurtje toch zoo goed mogelijk besteden en lezen een kapitteltje uit de Schrift: en met dat ik daaraan bezig was, zoo komt mij dat Juffertje weer binnentrippelen. "Och Kapitein!" zei ze zoo: "vertel mij toch ereis wat van Holland: ik hoor zoo graag van Holland spreken."—"Lief Juffertje!" zei ik, "dat zou ik met plezier doen, waarom niet; maar ik heb nu zoo slecht den tijd, want over een uur, weet je, moet ik gehangen worden: en daarom dien ik mijn leste oogenblikken wel te besteden met mijn ziel in een staat van genade te brengen, en nog eens aan mijn arme vrouw en zes bloeien van kinderen te denken, die ik ik huis heb gelaten." En met voelde ik dat mijn oogen overliepen. "Wat!" zei zij: "hebt gij vrouw en kinderen?" en zij begon ook mee te schreien, de goede medelijdende ziel. "En wie wil u laten hangen?" vroeg zij: is het Papa?—Ja?—In dat geval, zal ik hem zoo lang smeeken en bidden, tot hij u genade geeft."—"Juffertje!" zei ik: "het hangt van mij af, om te blijven leven; maar dan moet ik dienst nemen bij uw vader; en zie je, dat kan ik nu zoo maar niet met mijn geweten overeenbrengen."—"En waarom niet?" vroeg zij, met een heel natuurlijk stemmetje. "Ja!" zei ik zoo, "om dat rooversbedrijf, dat strijdt zoo wat tegen goddelijke en menschelijke wetten." Toen keek zij mij heel strak in 't gezicht, omtrent even strak als haar vader gedaan had. "Ik weet het," zei zij toen, snel sprekende, net alsof zij bang was voor hetgeen zij zeide: "ik weet het:—spreek daar niet meer over. Gij hebt gelijk: ik ben het slechts ontwend, dergelijke waarheden te hooren. Lees voort en ik zal u niet storen: maar ik wil hier blijven: ik moet met mijn vader spreken: dat zal zoo niet afloopen."

"Zonderling!" zeide Henriëtte, zich een traan uit het oog wisschende: "en hoe kwam de vader van een meisje, dat zoo sprak, aan het hoofd van een roofschip?"

"Dat is wat ik ook dikwijls gedacht heb, Juffertje!" zeide Pulver: "maar UEd. zal nog meer hooren. Juffrouw Amelia dan ging over mij zitten, met de armen gekruist en terwijl zij stipt voor zich keek. Het uur was nauwelijks verloopen, of daar stapte haar vader weêr binnen: "Wie heeft u geheeten, hier te komen?" vroeg hij aan zijn dochter: "laat ons alleen."—"Neen!" zei zijn dochter: "dat doe ik niet, of gij moet mij eerst beloven, dien man vrij te laten. Hij heeft vrouw en kinderen," zei zij, terwijl zij de handen vouwde. "Laat hem gaan, vaderlief, gij zult het immers aan uwe kleine Amelia niet weigeren?" en zoo ging zij voort, terwijl ze hem allerlei lieve woordjes gaf, en hij wrevelig voor zich bleef kijken. Eindelijk scheen hij eenigszins tot andere gedachten te komen: hij nam haar bij de hand, zei iets tot haar in 't Spaansch, en bracht haar, half willig, half onwillig de kamer uit. Ik hoorde echter dat hij haar buiten de deur een zoen gaf: dat dacht mij een goed voorteeken te zijn. Toen kwam hij weer tot mij: "Wel!" zeide hij: "hebt gij uw besluit genomen!"—"Ja," zei ik. "En wat is het, kort en goed, zonder teksten?" vroeg hij, "ja of neen?"—"Neen!" zei ik. "Dus hangen?" vroeg hij weer.—"Neen! ook niet," zei ik, "immers niet met mijn wil."—"Gij begrijpt toch," zei hij, "dat er geen derde keus overblijft. Ik kan toch niet iemand, die eenmaal hier geweest is, levend laten vertrekken om, als hij te huis is, mijn schuilplaats te verklikken."—"Hoor, weet je wat, Kapitein!" zei ik: "laat mij gerust gaan, al ware het op dezelfde manier waar ik op gekomen ben, van mijn bezoeken zal je geen last meer hebben, dat beloof ik u: en om aan anderen den weg te wijzen, dan moest ik hem eerst zelf kennen. 't Is waarachtig beter, dat gij mij het leven schenkt: gij weet niet hoe het u naderhand nog kan te pas komen: als b.v. de Heeren van de Compagnie u eens bij de kladden krijgen, dan zal het u meer goed doen, als ik in uw voordeel spreken kan, dan dat ik nu aan een van die gindsche hoornen bungelde."—Hij scheen even na te denken: "gij kunt onze levenswijs nog niet beoordeelen," zei hij: "een man moet weten, wat hij kiest of wat hij verlaat." Met floot hij en er kwam een aardige jongen in een matrozenpakje binnen, aan wien hij in 't Spaansch zijn bevelen gaf. "Volg dien knaap!" zei hij toen: "die zal u brengen, waar gij wezen moet!" Wat zou ik doen? Ik maakte een strijkage en ging ons maatje achterna, die mij buitenshuis bracht en naar een ander gebouw, waar de bende gewoon scheen te zijn haar middagmaal te nemen. Hier kwam er een hoop bij elkander alsof zij van den toren van Babel gestuurd waren, volk van alle natiën en tongen: er waren er Portugeezen, Spanjolen, Engelschen, Italiaanders, Françoisen, Hollanders ook, schande genoeg! En ik moest mee aanzitten en zien hoe het er toeging. Ik moet zeggen, die schelmen hadden een tafel of het voor een Burgemeester was: vleesch en gevogelte van allerlei soort: en wijn, zooveel hun lustte en van den besten ook. Ik dacht: Pulvertje! dat is allemaal om u te verleien; maar deze reis zal het hun niet lukken.—Ondertusschen waren er een paar naast mij gaan zitten, die vertelden mij, hoe goed zij het hadden onder Don Manoël, zoo noemden zij den Kapitein, en wat een dwaasheid ik doen zou, indien ik niet met hen bleef: en onderwijl schonken zij mij al in, den eenen kroes voor, den anderen na. Maar ik lachte in mijn vuist: en dacht: als het op pooieren aankomt, dan ben ik nog niet bang: ik heb een bast, die kan er tegen, zooals Thomasvaer in de klucht zeit. En bovendien had ik van al het praten een keel gekregen, zoo droog of ze van een weverswammes gemaakt was. En ziet, mijn buren raakten allebei zoo mooi bezorgd, dat zij van de bank rolden. Toen kwam er een ander, die wou mij een papier laten teekenen; maar ik smeet het wat deftig over de tafel heen: waarop er een was, die mij te lijf wou: maar ik gaf hem een muilpeer, dat hij naar de tweede niet vroeg. Toen vielen zij allemaal op mij aan; en bonden mij en smeten mij in een hok, waar ik tijd had om uit te slapen. Den volgenden morgen kwamen er vier kerels mij halen, en begonnen mij met een doek over mijn kluisgaten te binden, dat ik niet zien zou wat zij in 't vizier hadden. Ik kreeg slechte gedachten, toen zij mij naar buiten brachten, en meende, nu was mijn uur gekomen, en ik moest maar mijn best doen om als een vroom Christenmensch te sterven; maar jawel! ik had pas een eindweegs opgekuierd, of ze smeten mij in een sloep, en na een tijdlang roeiens, merkte ik aan den wind, die op mijn frontwerk speulde, dat wij kort aan zee waren. Opeens werd ik aan boord van een schip geheeschen: "zouden zij mij nu naar zeemansmanier aan de ra hangen?" dacht ik; maar ook al niet: ik werd tusschendeks gelaten, ik hoorde het anker lichten, en wij staken van wal. Het duurde zeker wel twintig dagen, eer de reis ten einde was, en ik bleef al dien tijd beneden, zonder eens op het dek te mogen komen, en zonder dat iemand boe of ba tegen mij zei: gij kunt denken, of ik ook het land had. Eindelijk liet men het anker vallen: ik werd weer geblinddoekt, in de sloep gelaten en aan wal gebracht. Toen mij de doek werd afgenomen, zag ik, dat ik in een klein boschje was, doch waar, wist Joost. Een van de roovers, die Hollandsch sprak, stond naast mij en stelde mij een geldzakje ter hand. "Houdaar!" zei hij: "en maak dat je naar den bl—— komt. Gij hebt slechts het eerste pad het beste te volgen, om menschen te vinden. Maar zoo gij ons altemet mocht herkennen t'avond of morgen, draag zorg dan ons niet te verklappen, noch ons na te volgen, of...," hier maakte hij een beweging, die ik best begreep. "Geen nood," zei ik, "en goeie reis (zooals de man, die zich baadde, tegen de haaien zei.)" Weg liepen zij: en ik stond alleen te kijken als malle Piet. Maar ik dacht, ik zal den anderen weg kiezen: en zoo liep ik dwars door het boschje heen, mooi nieuwsgierig waar ik zou aanlanden, tot ik aan een soort van huisje kwam, waar ik een paar negers vond, die mij te recht hielpen, en mij naar de Havannah brachten, want daar was ik geen twee geweerschoten van verwijderd. Ik kuierde de stad binnen en vond al gauw een plaats om onder dak te komen, bij een ouden landsman, dien ik er wonen wist. "Wel Kapitein Pulver," zei die, toen hij mij zag: "hoe kom je zoo uit de lucht vallen?" "Patientie!" zei ik, "dat zal ik u naderhand wel eens vertellen." Den volgenden dag ging ik ereis op mijn kuier, maar, schoon ik in een paar kooplieden, die ik onderweg ontmoette, twee van Don Manoëls volk meende te herkennen, en schoon er een net getuigd en gekoperd brikje onder Portugeesche vlag in de haven lag, dat al rare vermoedens bij mij deed ontstaan, ik paste wel op, mijn mond dicht te houden, zoo lang ik er bleef: 't geen gelukkig korter was dan ik eerst vreesde: want er kwam eenige dagen daarna gelegenheid om naar Curaçao te varen, waar ik "de Prins te Paard" bij geluk nog vond, die juist het anker zou lichten, en je kunt denken, hoe zij allen te kijken stonden, toen zij mij in levenden lijven weerom vonden; want zij dachten niet anders, of ik had uit de groote spoelkom gedronken. Nu vraag ik u, of Kapitein Pulver al rare ondervinding heeft opgedaan?"

"Mij dunkt zij hebben nogal wat met u gesold," zeide Suzanna: "doch het schijnt u geen kwaad gedaan te hebben, en gij zijt tegen de verdrukking aangegroeid.—En hebt gij naderhand nooit iets van dien rooverkapitein vernomen?"

"Neen," antwoordde Pulver: "en ik heb ook nooit verlangd de kennis te hernieuwen (zooals de dief tegen den beulsknecht zei). Maar ik meen dat hij, zoo wat een jaar nadat ik hem gezien heb, verdwenen is:—althans later heb ik niet meer van hem hooren spreken, maar wel van een anderen zeeroover, die onder den naam van Zwarten Piet doorging, en geen haar beter was dan zijn voorganger."

"Zwarte Piet!" herhaalde Henriëtte: "is dat dezelfde, wien men beweert, dat hier in den omtrek rondzwerft en de wegen onveilig maakt."

"Foei! laten wij niet over dieven spreken, die zoo in de buurt huizen," zeide Suzanna: "dat geeft maar slapelooze nachten. Maar van uw vriend Sander, hebt gij daar nooit tijding meer van gehad, Kapitein?"

"Neen!" antwoordde hij: "en ik vrees, dat hij smaak in 't rooversleven gekregen heeft; want hij was altijd een ondernemende gast; 't zou jammer van den jongen bol geweest zijn; doch het bloed kruipt waar 't niet gaan kan."

De dames gingen voort, den Kapitein nog over vele bijzonderheden te ondervragen. Wat mij betreft, ik was stil geworden. Het weinige, dat de verhaler zoo van het uiterlijke voorkomen als van de handelwijze van Don Manoël en zijn dochter gezegd had, en de naam van Amelia, aan deze laatste gegeven, hadden zonderlinge vermoedens bij mij doen ontstaan, waaraan ik hechten bleef, in weerwil van mijzelven. Wenschende, hieromtrent nader onderricht te ontvangen, wachtte ik het oogenblik af, dat de jonge meisjes met haar ondervragingen hadden afgedaan en zich vermaakten om in de menagerie, waar wij waren aangekomen, de goudlakensche faisanten te voederen, terwijl Pulver zijn versch gestopte pijp door middel van een brandglas aanstak, om dezen laatste te vragen, mij nader te beschrijven, hoe die zeeroover er toch wel uitzag.

"Wel! zooals ik UEd. gezegd heb," zeide hij: "een groote forsche kerel met een sombrero op het hoofd, een plantersbuis en een zeemansbroek, een koppel pistolen...."

"Ja," viel ik in: "en naderhand een japansche rok; maar zijn gelaat?"

"Een knap slag van een vent: een paar fiksche oogen ... wat zal ik er meer van zeggen?"

"En zijn dochter?"

"Ja! een aardig meisje, of zij zwart of blond was weet ik niet meer: een goed gezicht ... en zoo groot als een meisje van veertien, vijftien jaren."

Met deze opheldering moest ik mij voor het oogenblik wel tevreden stellen: en de klank van den bengel, die ons de aankomst van nieuwe gasten verkondigde, deed ons spoedig weder den weg huiswaarts nemen. Wij vonden den eigenaar van Guldenhof en zijn zoon op de stoep met Tante en Van Baalen in gesprek. De Heer Blaek was de eerste, die naar ons toekwam. Zijn kleeding was vrij wat keuriger, zijn gelaat vriendelijker en zijn toon beleefder, dan toen ik hem in zijn koepel ontmoette. Hij groette ons op een zeer heusche wijze, zeide iets zeer vleiends aan Suzanna, kuste Henriëtte, en zich vervolgens tot mij wendende, drukte hij mij de hand en vroeg mij om verschooning, zoo mijn onthaal op Guldenhof niet was geweest gelijk het behoorde. "Maar mijn lieve Heer Huyck!" zeide hij: "alles werkte ook samen om mij verkeerde vermoedens jegens u te doen opvatten: uw kleeding, de verrassing van het oogenblik, het verhaal van dieverijen in de buurt gepleegd, en zoo voort. Nu! doe mij vermaak en toon mij, dat UEd. mij geen kwaad hart toedraagt, door mij eens te komen bezoeken.—Gij zult mij altijd welkom wezen, en het zal mijn zoon ongetwijfeld aangenaam zijn, nadere kennis met u te maken. Sta mij toe, u aan elkanderen voor te stellen. Lodewijk was niet in zijn schik," vervolgde hij, zich tot Henriëtte wendende, "dat gij, zoo zonder hem daar iets van te zeggen, herwaarts getrokken waart. Gij weet, dat in uwe afwezigheid Gildenhof weinig bekoorlijks voor hem oplevert."

"Dat wist ik niet, Oom!" zeide Henriëtte: "en zoo ik hem niet gezegd heb, dat ik hierheen ging, het is, omdat hij zich in de laatste twee dagen niet te huis heeft laten zien."

Ondertusschen was Lodewijk op den wenk zijns vaders ons genaderd, echter niet met die haast, welke de Heer Blaek wilde doen gelooven, dat hem naar zijn nicht dreef.

"Komaan Lodewijk!" zeide zijn vader: "ik weet, gij zult verlangen om Jetje wat te beknorren; maar eerst moet ik u aan den Heer Huyck voorstellen, en u gelegenheid geven, om, evenals ik reeds deed, hem voor onze misvatting en onbeleefdheid verschooning te vragen."

Lodewijk en ik groetten elkanderen met die uiterlijke beleefdheid, welke de samenleving voorschrijft ook aan hen, die elkanderen niet lijden mogen.

"Wij hebben de kennis reeds hernieuwd," zeide ik.

Lodewijk zag mij schuins aan, en vervolgens, zich tot de dames wendende, begon hij, waarschijnlijk om mij te vermijden, een druk gesprek met Henriëtte, zoodat zijns vaders gelaat van tevredenheid blonk, en deze nauwelijks de buigingen opmerkte, waarmede Kapitein Pulver hem begroette.

Niet lang daarna kwam de boodschap, dat het middagmaal was opgedischt, en begaven wij ons naar de eetzaal. Tante plaatste zich tusschen de beide oude Heeren: naast Van Baalen kwam Kapitein Pulver te zitten, vervolgens mijn onwaardig ik, dan Henriëtte, en Lodewijk werd tusschen haar en Suzanna geschikt. Ik maakte, gelijk men denken kan, van de gelegenheid gebruik, om aan mijn buurjuffer alle mogelijke kleine oplettendheden te bewijzen, zonder juist op te merken, of liever zonder er mij aan te storen, dat haar oom dit vrij zuur aanzag, en zich waarschijnlijk reeds beklaagde, dat hij mij den toegang tot zijn huis had opengezet. De afgetrokkenheid van den Heer Blaek ontsnapte echter niet aan Suzanna, noch zelfs aan Tante, die hem er over begon te plagen.

"Ach Mevrouw!" fluisterde hij eindelijk, glimlachende: "er was een tijd, waarin ik niet afgetrokken was in uw bijzijn, en het zoude van u afhangen, dien tijd te doen herleven."

"Ei kom! Het is een hoofdstuk uit de oude geschiedenis, dat gij voordreunt," zeide Tante, lachende.

"Hoe maakt UEd. het toch, om zulke heerlijke doperwtjes te bekomen?" vroeg Van Baalen haar: "uit mijn tuin in den Diemermeer kan ik die maar zoo smakelijk niet krijgen."

"Zeg dat niet," zeide Tante: "ik herinner mij zeer goed, er bij u tot laat in September te hebben gegeten, als de mijne reeds lang gedaan hadden."

"Ja! bij mijn vorigen baas; maar mijn tegenwoordige tuinman heeft er geen verstand van. 't Is of ik het altijd moet treffen, dat ik mij met lieden behelpen moet, die geen kennis bezitten van hun vak."

"Hoe bevallen UEd. de bruine langstaarten, die UEd. op de Palmmarkt van Govert Sperwer gekocht hebt?" vroeg Lodewijk aan Van Baalen.

"Hm!" antwoordde deze, het hoofd schuddende: "wat zal ik UEd. zeggen? De beesten loopen hard genoeg: maar 't is mij wat moeilijk in 't haar te blijven. Ik zal er moeten uitscheiden. Op de Palmmarkt waren er nog meer te krijgen geweest; maar juist toen ik er op afkwam waren zij verkocht. 't Is of ik altijd te laat moet komen. Maar daar bedenk ik iets: het spannetje dat ik heden hier heb, heeft UEd. dat reeds gezien? Dat was juist een kolfje naar uw hand."

"Ik dank u," zeide Lodewijk: "ik heb nog paarden genoeg, en dan een boeier bovendien; maar ik recommandeer mij, om ze straks eens te zien," enz.

Het gesprek werd na langzamerhand meer algemeen. Pulver, die niet naliet den goeden wijn van Tante te prijzen en te betuigen, dat hij zulke waar niet geproefd had, sedert hij bij de roovers had gevangen gezeten, vermaakte ons nu en dan met zijn kluchtige uitvallen, en Van Baalen perste ons menigen glimlach af, door zijn manie van zich over al wat hij had te beklagen. Hetgeen de oude Heer Blaek zeide, was meestal gepast en verstandig; en hij beviel mij in alle opzichten beter dan toen ik hem voor 't eerst zag. Echter was het mij toch, als drukte dien man iets bezwarends op het hart, dat hem midden onder het vroolijk gesprek zijn goede stemming ontnemen kwam, en zich tusschen hem en zijn blijgeestigheid plaatste als een wolk voor een heldere zomerzon. Hij zag er niet uit als iemand, die iets kwaads in 't zin had of een misdrijf zou begaan; maar wel als iemand die iets bedreven had, dat hem tot naberouw verstrekte. Tante praatte wakker door, en maakte allerlei plannen van vroolijke partijen voor de toekomst. Suzanna wierp er bijwijlen een grap tusschen in: en Lodewijk scheen meer werk van zijn nicht te maken dan gewoonlijk.

Wij waren aan 't nagerecht, en de Heer Blaek was juist bezig over de onbeschaamde diefstallen te spreken, die onlangs in de buurt hadden plaats gehad, toen de knecht mij in het oor kwam fluisteren, dat er een Heer buiten stond, die mij wenschte te spreken.

"Een Heer om mij te spreken!" herhaalde ik, met eenige verwondering: "dat hebt gij zeker verkeerd. Wie kan mij hier iets te zeggen hebben?"

"Er is toch geen zwarigheid?" vroegen de dames, als uit éénen mond.

"Waar komt hij vandaan? Is het iemand uit Amsterdam?" vroeg Tante.

"Ik weet niet," zeide de knecht: "'t Is een Monsieur in 't zwart, en, zoo ik mij niet bedrieg, dezelfde, die in het huisje van Baas Roggeveld woont."

"En komt die om mij te spreken?" vroeg ik: "ik kan niet begrijpen...."

"Gij moest toch eens gaan zien," zeide Tante: "en kom ons dan daarna verslag doen. Joris! laat dien Monsieur in de zijkamer."

"Met het verlof van het gezelschap," zeide ik: en oprijzende begaf ik mij naar de zijkamer; maar wie schetst mijn verbazing, toen ik zag, dat de man, die op mij wachtte, niemand anders was dan Zwarte Piet, in propria persona.

· · ·

Herkomst van de tekst: een negentiende-eeuwse uitgave van het werk van Jacob van Lennep. Spelling ongewijzigd.