Jacob van Lennep · Ferdinand Huyck · 1840
Vijf-en-twintigste hoofdstuk (2 van 2)
"Rechtuit gezegd," zeide mijn vader: "is het misschien beter zoo:—gij zult nu gelegenheid hebben om uw hart te beproeven en te ontdekken of het alleen een voorbijgaande neiging dan wel een duurzame, oprechte liefde is, die u bezielt. Het is voor u, ik beken het, een teleurstelling; maar het is nuttig en heilzaam voor ons, zwakke stervelingen, beproevingen te ondervinden en die standvastig te leeren dragen."
Ik zweeg en zag voor mij; want hoe waar en verstandig ook de woorden mijns vaders waren, het was van mij toch op het oogenblik niet te vergen, dat ik er mede instemde. Ik zette mij mistroostig neder: ook de overigen waren weinig tot vroolijkheid gestemd: en de avond zou vrij treurig zijn afgeloopen, had niet een onvoorzien bezoek ons eenige afleiding geschonken.
Het was namelijk Reynhove, die zich liet aandienen: wij konden niet nalaten, hem te ontvangen, daar men hem reeds gezegd had, dat wij te huis waren; ofschoon wij, althans in de eerste oogenblikken van gedachten waren, dat hij zijn tijd al zeer verkeerd uitkoos. Hij werd dan binnengelaten, en zijn ongedwongen, vroolijke zwier leverde een zoo sterk contrast op met de donkere, betrokkene gezichten der aanwezigen, dat hij in het eerst geen aangenaam denkbeeld van onzen huiselijken kring kan hebben opgevat.
"Ik kan niet mankeeren," zeide hij, na eenige strijkages, mij te komen informeeren naar de gezondheid van Mejuffrouw Huyck. Ik hoop, dat UEd. geene suites van die fatale historie hebt ondervonden.
"Volstrekt geene," antwoordde Suzanna: "en het eenige, wat er mij van bijblijft, is een vast voornemen om niet weder met zulke wilde zeilers scheep te gaan."
"En tevens kwam ik mij de eer procureeren," vervolgde Reynhove, "van kennis te formeeren met den Heer en Mevrouw Huyck: een satisfactie, welke ik mij tot nog toe had moeten refuseeren, en welke het gunstigste resultaat is van dat facheus geval."
"Wij zijn zeer verplicht voor uwe goedheid," zeide mijn vader, glimlachende: "het doet ons echter leed, dat er een zoo gewichtig voorval noodig was, om ons de eer van uw bezoek te verschaften."
"De Heer Reynhove," merkte Suzanna aan, "kan met recht zeggen, dat hij hier is komen aanwaaien; vermits hij zonder den storm niet hier zou geweest zijn."
"Mejuffrouw drijft er den spot mede," zeide Reynhove, een weinig verlegen: "en ik beken, dat ik mij verkeerd exprimeerde. Ik heb tegen mijn eigen belang gehandeld, dat ik hier niet vroeger een visite ben komen brengen; maar, ik declareer oprecht, dat zoodra ik aan Mejuffrouw Huyck gepresenteerd was, ik het project geformeerd had, dat ik thans effectueer." Dit zeggende, keek hij Suzanna zoo veelbeteekenend aan, dat zij een kleur kreeg en dat mijn moeder enigszins bezorgd opzag.
"Men kan wel zien, dat Mijnheer uit Den Haag komt," zeide Suzanna, en zag te gelijk haar moeder aan, als wilde zij zeggen: "heb geen zorg."—"Wat mij betreft," vervolgde zij tot Reynhove: "ik blijf nooit achterlijk, wanneer ik complimenten ontvang, en ik zal op mijne beurt avoueeren, dat ik, hoewel eerst na den storm, het plan geformeerd had, Mijnheer te bedanken voor de attenties, ons bij gelegenheid van het ongeval getemoigneerd."
"Foei Santje!" zeide mijn moeder: "gij moet dit niet als een compliment doen voorkomen. Het is niet meer dan plichtmatig dat gij Mijnheer bedankt, en wij, als ouders, doen hetzelfde."
"Het weinige, dat ik verrichtte, meriteert geen eloges," zeide Reynhove: "ik ben te gelukkig van in de occasie te zijn geweest, om de dames eenige geringe diensten te kunnen bewijzen, en heb niets gedaan als hetgeen ieder, die eenig gevoel van compassie en betamelijkheid bezit, in mijne plaats zoude verricht hebben."
"Dat is een mooi compliment voor Weinstübe," zeide Suzanna.
"Ik kan het niet helpen," zeide Reynhove, "zoo hij geen beter meriteert."
"Nu!" zeide mijn moeder, altijd geneigd om alles van de beste zijde te zien: "hij is verschoonbaar: ik kan nog al vergeven, dat men bij een storm anderen vergeet en alleen om zich zelven denkt. Aan wal zou hij waarschijnlijk beleefder geweest zijn."
"Ik twijfel er aan," zeide Suzanna, het hoofd schuddende.
"En dan," voegde Tante Letje er bij: "ik ken den mensche niet; maar, een zondaar zijnde, gelijk wij allen, zal hij misschien, toen hij de stemme Gods hoorde spreken op de wateren, gedacht hebben, dat de ure des oordeels over hem gekomen was, en zijn ziele hebben gewend tot boete en bekeering."
"Dat is wel mogelijk," zeide Reynhove: "want hij heeft dien avond meer gebeden gereciteerd, dan hij anders, geloof ik, in een jaar doet."
"Welnu," hernam Tante: "UEd. ziet, dat ik gelijk heb:"—en alzoo acht ik het vergeeflijk niet alleen, maar zelfs betamelijk en lofwaardig in dien Weinstübe, dat hij, vervuld zijnde van die dingen, welke dienstig zijn tot de zaligheid, zich alleen bezighield met het noodige, en die kleinigheden verwaarloosde, welke de wereld voorschrijft, maar die in een zoo plechtig oogenblik niet meer zijn dan asch en drek."
Reynhove keek eenigszins zuinig bij het aanhooren van deze taal; maar hij was te wellevend om er iets op te antwoorden; Suzanna beet zich op de lippen, als wilde zij het stekelige antwoord bedwingen, dat haar op de tong zweefde. Wat mij betreft, ofschoon hulde doende aan de gevoelens, welke de woorden mijner Tante hadden ingegeven, ik kon niet verdragen, dat Weinstübes gedrag op het jacht als lofwaardig voorgesteld of ten koste van dat van Reynhove geprezen zoude worden, en vatte daarom het woord op.
"Tante!" zeide ik: "neem mij niet kwalijk; maar ik moet een opmerking maken. UEd. hebt menigmalen, in mijn bijzijn, die kluizenaars veroordeeld, die wanen den hemel te zullen winnen, door zich af te zonderen en hun leven met bidden te slijten, zonder van eenig nut voor hun medemenschen te zijn."
"Dat heb ik," zeide Tante: "want er staat geschreven: Niet zij, die roepen: "Heere: Heere!" maar zij die den wille des Vaders doen, zullen het koninkrijk Gods beerven.
"Welnu," vervolgde ik: "op de groote levensreis zijn wij verplicht ons leven zoodanig in te richten, dat het niet slechts tot onze heiligmaking strekke, maar ook aan den naaste nut en voordeel aanbrenge. Is dit in het algemeen waar, zoo is het zulks ook in bijzondere gevallen als op onzen tocht met het jacht, dien ik een afschaduwing der levensreis durf noemen, in zooverre als wij, reisgenooten zijnde, met moeilijkheden en wederwaardigheden te kampen hadden. Nu, op dien kleinen tocht handelde Weinstübe juist zoo, als de kluizenaars, die UEd. veroordeelt. Hij vergat, dat er anderen met hem waren, zwakker en meer hulpbehoevend dan hij, en in de plaats van hun nood te verlichten, bemoeide hij zich niet met hen, maar strekte hun tot last en maakte hun toestand nog moeilijker en onaangenamer. De Heer Reynhove daarentegen, die voorzeker, zoowel als ik, met ernstige gedachten bezig was, bleef echter in het oog houden, dat zijn welbegrepen plicht niet medebracht om op een bank te liggen zuchten, maar wel om zijn reisgenooten te ondersteunen en op te beuren: en zoo wij in die ure vergaan waren, zou hij met de zelfvoldoening gestorven wezen, dat hij bij het opontbod werkzaam gevonden was."
"Zoo gij het op die wijze beschouwt, Neef!" zeide Tante, "dan hebt gij gelijk: en dan had zeker die Duitsche Heer beter gedaan, zoo hij niet alleen zelf gebeden had, maar ook de overigen in een lofwaardige stemming had pogen te brengen."
"Mijnheer!" zeide Reynhove, mij met warmte de hand drukkende: "ik declareer u op mijn eer, dat UEd. een perfect Advocaat zoudt zijn! maar waarlijk! ik meriteer niet, dat UEd. met zulken lof spreekt van de stemming, welke mij toen bezielde. Ik had een pressentiment, dat wij er wel zouden afkomen; en dacht daardoor zeer weinig aan die zaken, waarover ik had moeten denken, gelijk Mejuffrouw mij zeer juist doet inzien. Ik schaam mij wel een weinig, dat te avoueeren; maar ik begeer geene louanges, die mij niet toekomen."
"Dat is braaf van u gedacht, Mijnheer Reynhove!" zeide mijn vader, "en doet u in mijne opinie rijzen. UEd. zal het misschien onbeleefd vinden, dat ik u de eerste reis, dat UEd. ons met een bezoek vereert, zoo onbewimpeld de waarheid zeg; maar ik moet u ronduit verklaren, naar het weinigje, dat ik van u gezien heb, oordeelende, dat het van u afhangt, een voortreffelijk mensch, en wat meer zegt, een godvreezend Christen te worden."
"En ik, Mijnheer!" zeide Reynhove, "kan u van mijne zijde declareeren, dat ik niets meer ambitionneer dan uwe goede opinie te meriteeren."
"Is UEd. niet een zoon van den Heer Ambrosius Reynhove, die lid is van HH. Hoogmogenden?" vroeg mijn vader.—Reynhove boog.
"Wel! dat verheugt mij. Wij zijn nog te zamen aan de academie geweest. Hij was een mijner beste vrienden."
"Hij heeft mij ook met hooge achting over UEd. gesproken," zeide Reynhove, "en mij gechargeerd, UEd. zijne complimenten te brengen."
"Wij zeiden dikwijls onder ons," vervolgde mijn vader: "Reynhove zal nog eens een aanzienlijk persoon worden; want toen reeds was hij de primus inter pares en de geboren Voorzitter van alle mogelijke Studenten-commissiën.—En UEd., Mijnheer Reynhove! bekleedt zeker ook reeds deze of gene betrekking?"
"Tot nog toe niet. Ik kan niet zeggen, dat ik die ooit zeer geambitionneerd heb."
"Des te erger, Mijnheer!—Iemand van uwe jaren, die niet geheel van bekwaamheden ontbloot is, behoort werkzaam te zijn, en niet te vergeten, dat de Staat recht heeft op zijn arbeid en talenten:
Hos ante effigies maiorum pone tuorum,
Bovendien, de ledigheid is een duivelsoorkussen."
"Spreek toch niet zoo, Papa!" zeide Suzanna, die ik alreeds wegens haar langdurig stilzwijgen bewonderd had: "'t Is uit klinkklare edelmoedigheid, dat Mijnheer niets uitvoert."
"Uit edelmoedigheid, Mejuffrouw!" herhaalde Reynhove verbaasd.
"Wel ja," hernam zij: "er zijn zoovele arme slokkers, die niets bezitten en naar een postje hunkeren, om er van te bestaan, dat de Heer Reynhove, die rijk genoeg is, geen hunner daarvan berooven wil."
"UEd. is te goed, Mejuffrouw!" zeide Reynhove: "maar ook dezen lof moet ik refuseeren; want ik beken, dat mij dit excuus nimmer voor den geest is gekomen."
"Het zou bovendien geene verschooning zijn," zeide mijn vader: "zoolang er eereposten genoeg zijn, die werk verschaffen en die men zonder bezoldiging waarneemt. Ik ben overtuigd, Mijnheer Reynhove! dat uw vader er over denkt gelijk ik."
Reynhove boog, niet wel wetende wat hij zeggen zoude.
"Maar ik vergeet," vervolgde mijn vader, "dat UEd. mij niet zonder reden zoudt kunnen betichten mij te bemoeien met hetgeen mij niet aangaat. Schrijf dit toe aan mijn post van Hoofdschout, die mij in de noodzakelijkheid brengt van mij met eens andermans zaken te bemoeien."
"Ik schrijf," zeide Reynhove, "dit liever toe aan UEd. belangstellende vriendschap en neem in die suppositie uwe raadgevingen met dankbaarheid aan, gepersuadeerd, dat UEd. mij niets kunt zeggen dan hetgeen door mij verdient gemoditeerd en betracht te worden."
"UEd. neemt het recht heuschelijk op," zeide mijn moeder: "mag ik vragen, waar UEd. gelogeerd is?"
"Bij den Heer Blaek," antwoordde Reynhove: "ik heb zijn zoon op de paardenmarkt leeren kennen en heb niet kunnen weerstaan aan zijn pressante invitatie, om eenigen tijd bij hem te komen passeeren."
Mijn vader keek eenigszins strak; maar hervatte spoedig met minzaamheid: "ik twijfel niet, Mijnheer! of uw verblijf bij den Heer Blaek is genoeg berekend om u allerlei genoegens te doen smaken: ook wil ik hem zijn gasten niet aftroggelen. Intusschen, zoo UEd. eens een dag vrij zijt en den gewonen pot bij ons voor lief wilt nemen, wees dan zoo goed daarvan gebruik te maken. UEd. zult ons altijd welkom zijn."
"O ja, Mijnheer!" zeide mijn moeder: "maar vergeet niet, dat het geen Haagsche festijnen zijn, welke wij u kunnen verschaffen."
"UEd. heeft te veel goedheid," zeide Reynhove: "zijt geassureerd dat ik er met het grootste plaisir van profiteeren zal, en mij feliciteer, van zoo wèl in eene estimabele familie als deze geaccueilleerd te zijn."
Na eenig verder onderhoud stond Reynhove op en nam afscheid. Toen hij vertrok, deed ik hem uitgeleide. Zoodra wij in de gang waren, nam hij mij bij de hand: "Ik had nog een verzoek aan u," zeide hij: "maar ik dorst er daarbinnen niet mede voor den dag komen: uw ouders zijn zulke deftige lieden: ik was bang, dat zij mij railleeren zouden. Ik zal u zeggen, wat het geval is. Ik beweerde gisteren tegen Blaek, dat ik met mijn Engelschman naar Haarlem en terug zoude rijden in zeven kwartier; hij pretendeert hetzelfde te kunnen doen met de harddravers, die hij van den Heer Van Baalen gekocht heeft: en daaruit is een pari ontstaan, wie onzer het eerst den weg heen en weder zoude afgelegd hebben. Wij moeten dit morgennamiddag beslissen: te vijf uren rijden wij af aan de Tweehonderd Roe. Hebt gij lust om het te komen zien en naderhand een glas wijn te blijven drinken?"
"Ik dank u," antwoordde ik, "ik moet aan 't kantoor zijn. Er is een schip van ons, dat op zijn vertrek staat, en dat geeft mij veel drukten."
"Het spijt mij," zeide hij: "nu, au revoir dan."
Hij vertrok en ik keerde in de huiskamer terug, bij mijzelven denkende dat Reynhove wel gedaan had, zijn voorstel niet te doen in tegenwoordigheid mijner ouders, bij wie een harddraverij contrabande was. Toen ik binnentrad was mijn moeder bezig, mijn vader in 't vriendelijke te beknorren, dat hij dien vreemden Heer, bij zijn eerste bezoek, zoo de les gelezen had.
"Kom! kom!" zeide mijn vader: "ik zou het niet gedaan hebben, indien ik niet de overtuiging bezat, dat bij dien knaap een goede grond ligt en dat de kern beter is dan de schil. 't Is maar jammer, dat hij met dien Lodewijk Blaek omgaat."
"En dat hij zooveel Fransche woorden bezigt," zeide mijn moeder.
"Dat is Haagsche stijl," zeide ik: "en hij doet het niet erger dan anderen."
"Hij zal nog veel te leeren hebben, eer hij de tale Kanaäns spreekt," zeide Tante Letje.
"En gij Santje! Hoe denkt gij over onzen nieuwen kennis?" vroeg ik, bemerkende dat Suzanna, tegen haar gewoonte, stil was: "hoe bevalt hij u?"
"O! ik vind hem zeer naar mijn zin," antwoordde zij: "gij weet, ik hou veel van kapellen, en duizendschoonen, en gouden torren, en palmpaschen- en pinksterbloemen en al wat blinkt en sierlijk is."
"Dat is geen bepaald antwoord op mijn vraag," zeide ik: "hij verdient volgens de getuigenis van vader, niet verward te worden met die pronkers, wier eenige verdiensten in hun mooien rok bestaat."
"Volstrekt niet," hernam zij: "want hij draagt bovendien een bijzonder nette pruik en keurige lubben en een schitterenden diamant aan zijn das.—Het portret van den saletjonker uit den Verliefden Poëet van Buysero is volkomen op hem toepasselijk:
'k Zag nooit netter van mijn leven:
Wel driemaal op een dag werd hem schoon goed gegeven.
Geen kreukje zag men in zijn kleeren, en, om recht
Te gaan, 't was in dien tijd een keuning van een knecht.
Hij wou zijn handen maar in rozewater wasschen.
Men heeft zijn leven zoo geen man een pruik zien passen.
En zijn handschoenen, ho! die waren klaar Jasmijn."
"Santje! Santje!" zeide ik: "biecht zuiver op; want ik bedrieg mij zeer, of die Hagenaar heeft een goed oog op u; en zoo gij iets tegen hem hebt, is het beter, dat hij maar spoedig daarvan kennis bekome; anders zal hij het u nog lastig genoeg maken."
"Santje heeft volkomen gelijk, dat zij het met een Jantje van Leiden afmaakt," zeide mijn moeder: "een jong meisje moet zich nooit uitlaten over een Heer: het mocht haar naderhand berouwen."
"Juist zoo!" voegde mijn vader er bij: "want de oude spreuk zegt terecht, dat men met zijn spot naar bed gaat."
Met deze grap was het onderhoud over Reynhove besloten en wij vervielen langzamerhand weder tot de zwaarmoedige stemming en de stilte, waaruit zijn bezoek ons voor een poos gered had.—Mijn zuster zelfs, anders zoo levendig en opgeruimd, deed geen moeite om het gesprek gaande te houden, en zat in gepeinzen verdiept: 't zij dat haar genegenheid voor mij haar de slechte uitkomst van mijns vaders pogingen evendiep had doen gevoelen alsof het haar eigene zaak geweest ware: 't zij dat werkelijk het bezoek van Reynhove een bijkomende aanleiding tot overdenking had opgeleverd. Eindelijk vroeg mijn moeder, onder andere onverschillige zaken, aan Tante Letje, of zij de Juffer nog gezien had, die bij Heynsz aan huis woonde?
"Wel ja!" antwoordde Tante: "heeft Neef u niet verhaald, dat hij haar tot mijnent ontmoet heeft?"
Allen zagen mij aan en mijn vader zelfs met een ernstigen blik. Ik gevoelde terstond, hoe verkeerd ik gedaan had, van deze toevallige ontmoeting niet te reppen; daar ik nu van achteren den schijn op mij laadde, als had ik die opzettelijk verzwegen.
"'t Is waar!" zeide ik: "ik had het vergeten ... ik had het hoofd zoo vol. Ook heb ik niet gedacht, dat er iemand belang in stelde."
"Nu! die jonge Juffer stelt dan wel belang in u," zeide Tante in haren eenvoud des harten: "zij is nog tweemalen sedert dien tijd bij mij geweest, en heeft mij telkens naar u gevraagd, Neef!—Een zoet meisje, dat moet ik zeggen: jammer maar, dat zij Roomsch is. Haar vader had mij heden ook bezocht, om mij te bedanken voor de vriendelijkheid, die ik, zoo hij zeide, voor zijn dochter gehad had. Een beleefd mensch die Heer Van Beveren, dat moet ik zeggen."
"Van Beveren!" herhaalde mijn vader, die met aandacht naar de woorden zijner zuster geluisterd had: "waar hoort die man te huis?"
"Te Deventer!" antwoordde Tante: "doch hij schijnt hier welbekend; althans hij heeft mij over vele lieden gesproken en wist bijna aller betrekkingen."
"Te Deventer! zoo!" herhaalde mijn vader, nadenkend: "en heeft u die Heer Van Beveren geen geld ter leen gevraagd?"
"Neen Broeder! En hij zag er ook niet uit als iemand, die geld behoefde. Hij was goed gekleed en had het geheele voorkomen van een man, die in de groote wereld leeft."
"Ik behoef u niet te vertellen, Zuster?" zeide mijn vader, "dat de duivel zich somtijds in een engel des lichts verkleedt, om zijn oogmerken te bereiken. Ik zou u aanraden, wat voorzichtig met die lieden te zijn."
"Hoe dan: weet gij eenig kwaad van hen, Broeder?" vroeg Tante, met eenige bezorgdheid.
"Niet het minste; maar ik wil dat toch eens onderzoeken ... er is toch iets, dat mij vreemd voorkomt."
"Gij zult toch niet denken, Willem!" zeide mijn moeder: "dat Heynsz verdachte lieden zal herbergen?"
"'t Is zeker, dat zulks nogal grappig zoude wezen," hernam mijn vader: "maar gij hebt gelijk en uw aanmerking is juist.—En Zuster! sprak de dochter van dien Heer zoo belangstellend over Ferdinand?"
"Och Vader!" zeide ik, alle vermoedens wenschende af te wenden: "Tante zal de zaak waarschijnlijk een weinig vergrooten. Zij en ik zijn misschien de eenigen, die Amelia behalve haar huisgenooten kent."
"Ei! heet zij Amelia?" vroeg mijn vader: "gij schijnt reeds vrij familiaar met haar te zijn, om haar zoo bij haar doopnaam te noemen!"
Ik zag, dat Suzanna bleek werd en ik merkte dat ikzelf een kleur over mijn onvoorzichtige uitdrukking kreeg. Mijn Zuster, waarschijnlijk om mij uit de verlegenheid te redden, zei met een gemaakten lach:
"'t Zal een prinses zijn, die incognito reist; en prinsessen worden nooit anders als bij haar voornamen genoemd."
"Dat is zeker," zeide ik, moed vattende, "dat ik haar doopnaam beter weet, dan haar familienaam; maar overigens is onze kennis al zeer gering en ik verlang die niet nader aan te knoopen, hoe lief zij ook wezen moge."
"Niet?" zeide Tante: "en gijzelf, Neef! hebt haar zoozeer tot voorspraak gestrekt, toen ik haar wilde verstooten."
"Wel Tante! Wat zal ik u zeggen? Uw goedheid spoorde u aan, haar, die u onbekend was, bij u te ontvangen: en mijn hart zeide mij dat de leer, die zij beleed, haar aanspraak op uwe bescherming niet verminderde. Dat is alles."
Mijn vader zag mij aan, schudde bedenkelijk het hoofd, nam een snuifje en verwijderde zich om in zijn vertrek te gaan arbeiden: zoodat, zeer tot mijn genoegen, het gesprek over Amelia en haren vader hierbij rusten bleef.
· · ·
Herkomst van de tekst: een negentiende-eeuwse uitgave van het werk van Jacob van Lennep. Spelling ongewijzigd.
