Jacob van Lennep · Ferdinand Huyck · 1840
Dertigste hoofdstuk (1 van 2)
HETGEEN LANGER DAN HET VOORGAANDE, EN NIET MEER OF MINDER BELANGRIJK WEZEN ZAL.
Ik was met een eenigszins luchtiger gemoed van den Notaris teruggekeerd dan ik bij het heengaan bezat; want de aanwezigheid van Van Lintz daar ter plaatse had mij doen vermoeden, dat hij de papieren, in welke hij zooveel belang scheen te stellen, en waarom hij eerst zijn dochter naar Amsterdam gezonden had en vervolgens zelf gekomen was, eindelijk had ontvangen en dus geene reden meer bezat om langer in een stad te vertoeven, waar zijn verblijf hem aan gevaar blootstelde; terwijl aan een anderen kant de weinige woorden, tusschen hem en den Heer Blaek gewisseld, mij alle hoop gaven, dat deze zich het lot zijns voormaligen bekenden zou aantrekken en de noodige middelen in het werk stellen, om hem over de grenzen te helpen: en, hetzij dit gelukte, hetzij Van Lintz betrapt werd, ik voorzag, dat in beide gevallen het oogenblik niet verre meer af was, waarop het mij vergund zou zijn te spreken. Hierbij nog kwam, dat, even gelijk een minnaar in de kleinste zwarigheid reden vindt tot bittere ongerustheid en angst, zoo ook de geringste straal van hoop door hem als de morgenstond eener blijde toekomst verwelkomd wordt: en de omstandigheid alleen, dat de Heer Blaek mij om geheimhouding verzocht had van hetgeen er tusschen hem en Van Lintz was voorgevallen, een omstandigheid, welke hem alzoo in zekere opzichten aan mij verplichtte, was genoegzaam om mij met de hoop te streelen, dat hij goede gedachten van mij opvatten zoude, en zich, ingevalle Lodewijk en Henriëtte afkeerig bleven van het door hem gewenschte huwelijk, niet langer ongenegen zoude toonen, mijn zielswensch te vervullen. De ondervinding had mij toen nog niet geleerd, dat verplichtingen van dien aard bij hem, die ze aangaat, geene genegenheid, maar enkel vrees en zelfs een zekere afkeerigheid ten opzichte van den verplichter doen ontstaan.
Den achtermiddag van den volgenden dag zat ik op mijn kamer te werken, toen Helding bij mij werd aangediend. Wrevelig, dat opnieuw iemand uit dat noodlottige huis van Heynsz zich bij mij vervoegde en door zijn komst versche aanleiding tot vermoedens wekken kon, beknorde ik de meid, die hem gezegd had, dat ik thuis was, en stond een oogenblik in beraad, haar met de boodschap weg te sturen, dat ik bezigheden had en niemand kon afwachten. Bij eenig verder nadenken echter en gedreven door de hoop, dat Helding wellicht een welkome tijding zoude brengen, veranderde ik van besluit en gaf last, hem bij mij te laten.
Hij verscheen dan ook weldra, nam, na eenige buigingen, plaats, en verhaalde mij, dat hij, vernomen hebbende op welke wijze ik hem thuis had gebracht, mij daarvoor zijn dank kwam betuigen.
"Wat zal ik u zeggen, Mijnheer Huyck!" zeide hij, eenigszins verlegen en zijn hoed tusschen de handen draaiende: "ik had wat diep in 't glaasje gekeken; maar insanivimus omnes, gelijk wij op de Latijnsche school zeiden. Intusschen, ik kan het haast niet verklaren, hoe ik zoo weinig compos mentis was. 't Is waar, ik had wat hard geloopen: en dan wil men wel zeggen, dat men daardoor vatbaarder is voor den invloed van Bacchus.—En dus: van den wijn alleen kan het niet gekomen zijn."
Ik kon niet nalaten, te glimlachen, want ik kende de waardij van dergelijke verschooningen. Aan welke reden men ook de dronkenschap, waarin men verkeert, toeschrijve, de wijn heeft er nooit geen schuld aan.
"Troost u, Monsieur Helding!" zeide ik: "wij waren allen min of meer onder den invloed van Bacchus."
"Ja," hernam hij: "dat is wel mogelijk: 't was anders goede wijn: misschien wel wat sterker dan ik gewoon ben. Het spijt mij intusschen recht; want ik heb daardoor wellicht aanleiding gegeven, dat het gezelschap spoediger opgebroken is, dan anders het geval zou geweest zijn. Het was jammer! wij zaten zoo genoeglijk bij elkaar, en die Officieren waren aardige Heeren en schenen vrij wat kennis en smaak te hebben in de poëzie.—Zij wisten wat iemand toekwam."
"Dat hebben zij ten uwen opzichte getoond," zeide ik.
Hij zag dit als een compliment aan en lachte witjes—"O verblinding der vleierij!" dacht ik bij mijzelven.
"Maar," vervolgde hij: "ik heb tot mijn leedwezen gehoord, dat de Heer Lodewijk bij ons aan huis zoo leelijk is te pas gekomen!"
"Dat is hij," antwoordde ik: "maar het zal beter zijn, dat onderwerp maar niet aan te roeren."
"UEd. heeft gelijk," zeide hij: "ja, het is wat onbegrijpelijk: er gebeuren buitendien meer rare dingen bij ons aan huis. Wie had het ooit kunnen denken? Die Heer Van Beveren...."
"Welnu?" vroeg ik, nieuwsgierig om te vernemen, wat er nu weer gebeurd was.
"Wel," vervolgde hij: "om met Vader Vondel te spreken:
Hy trock al heimlijck af en zonder eenigh teecken
Van wapen of trompet."—
"Hij trok weg!" riep ik: "Goddank!"
"Met de noorderzon verhuisd," hernam hij, eenigszins verwonderd over den uitroep van blijdschap.
"En zijn dochter?"
"Neen die is er nog," antwoordde hij: "maar zij zal niet lang meer blijven: althans Heynsz wil haar niet in huis houden."
"Niet? En wat is er dan voorgevallen?" vroeg ik, eenigszins minder in mijn schik met dit tweede bericht.
"Dat zal ik UEd. verhalen. Ik was gisteravond bij mijn buurjuffer op een kommetje koffie genoodigd; want UEd. moet weten, zij verzoekt mij nog wel eens 's avonds ... en ik heb er altijd vrij entrée ... een eer, die aan alle Heeren niet gegund wordt. He! he! he!"
"Ja!" zeide ik: "ik begrijp, dat zij zwak voor u heeft."
"Nu! dat is tot daar aan toe," hernam hij: "maar het is in allegevalle niet in haar te misprijzen, dat zij niet te ijdel is om met een oud man, als ik ben, wat te keuvelen en zij vindt er smaak in, als ik haar nu en dan eens een versje voorlees."
Ik was eenigszins verwonderd over dezen smaak van Amelia: maar bij verder nadenken begreep ik, dat zij, in de afwezigheid haars vaders, na het voorgevallene liever niet alleen was, en dat het gezelschap van Helding, al was het niet onder de belangrijkste te stellen, haar toch altijd eenige gerustheid moest inboezemen.
"En was haar vader niet te huis?" vroeg ik.
"Dat is het mooie," antwoordde hij, glimlachende: "ik zat moerziel alleen met haar, in viezevie, zooals de Franschen zeggen, en ik had een pijp opgestoken:—ik zou haar juist mijn gedichtje op het Kuiltje gaan voorlezen, dat aan de Messieurs zoo beviel, weet UEd.?"
"Ik weet al?—En toen?"
"Daar kwam net haar Papa thuis. "Wel Papa!" vroeg zij zoo: "is UEd. geslaagd in uw bezoek?"—"Ja!" zeide hij: en toen haalde hij een dik pak pampieren uit zijn rokzak en lei het op tafel. "Ik begon al ongerust te worden over uw lang wegblijven," zei zij. "Ja!" zei hij, "ik heb nog een ontmoeting gehad."—En toen keek hij mij zoo schuins aan van onder zijn bril, alsof hij wilde zeggen: "pak je biezen."—"Ik was juist voornemens," zeide ik, "aan de Juffer een gedichtje te gaan voorlezen."—"Ga uw gang," zeide hij. "Monsieur Helding! en laat ik u niet storen." Ik dacht, de man wil het toch eens hooren; maar daar kwam niet van: hij haalde een cassette voor den dag, opende het pak, dat hij medegebracht had, nam eenige pampieren daaruit, die hij weder bij zich stak, en verborg de rest in de cassette, zonder bij dat alles de minste acht te geven op hetgeen ik voorlas."
"Dat was niet beleefd," zeide ik: "maar inderdaad, het scheen mij dien avond op uw kransje reeds toe, dat die Heer geen rechten smaak vond in de poëzie."
"Allesbehalve!—En toen ik gedaan had, in de plaats van toen het een of ander te zeggen over mijn werk, of mij ten minste voor de genomene moeite te bedanken, daar draait hij zich op eenmaal naar mij toe, en zegt: "Monsieur Helding! als UEd. nog van een kommetje koffie gediend blieft, zoo is het u gegund; maar drink het dan spoedig op: want ik heb het een en ander met mijn dochter te onderhandelen."—"Och!" zeide ik: "ik ben niet gaarne tot overlast; dan ga ik liever direct heen.—Want ik was knorrig. Zie, ik ben doodgoed, maar ik heb niet graag, dat iemand mij affronteert."
"En ging UEd. toen heen?"
"Nog niet: als UEd. hooren zal. Het mooiste moet nog komen. Terwijl ik mij gereed maakte om te vertrekken en nog een kommetje aannam, dat Mejuffrouw Amelia, die het, geloof ik, weer goed wou maken, mij toereikte, daar komt Heynsz binnen en begint een praatje. "Zoo, Sinjeur Heynsz!" zei de Heer Van Beveren: "UEd. komt juist van pas: ik moet hedenavond nog de stad uit," ("ei! ei!" dacht ik) "en wilde u betalen, hetgeen ik u tot heden schuldig ben, en u meteen verzoeken, zorg te dragen, dat mijn dochter geene bezoeken meer tegen haar zin ontvangt."—"Wel! wel!" zei Heynsz: "gaat UEd. heden nog op reis? Zeker naar Deventer?" voegde hij er bij, met een spotachtig gezicht. De Heer Van Beveren keek hem aan, als wilde hij zeggen: "dat zijn uwe zaken niet."—"Wees maar zoo goed," zei hij: "mij uw briefje van verschotten te geven: dan zal ik u betalen en de maand uit meteen."—"Hm! hm!"zeide Heynsz: "mag ik u vragen of er nog meer Heeren van uw naam te Deventer zijn?"—"Gij zijt nieuwsgierig van avond, Sinjeur Heynsz!" zeide de Heer Van Beveren, met een gezicht alsof hij hem van de trappen wilde gooien, "'t Is maar," vervolgde Heynsz: "omdat er lieden zijn, die beweren, dat er nooit iemand van dien naam binnen Deventer bestaan heeft."—"Dat zou al toevallig zijn," zei de andere: "men vindt die anders overal. Maar Sinjeur Heynsz! wacht tot gij ten minste Onderschout geworden zijt, alvorens mij met dergelijke onbescheidene vragen lastig te vallen."—Daar had UEd. het gezicht van Mejuffer Amelia moeten zien: het arme schaap werd zoo bleek als een doek. En Heynsz keek ook zuur, dat beloof ik u; "Mijnheer!" zei hij: "gij moogt dan Van Beveren heeten of niet, maar al ben ik geen Onderschout, zoo zou er toch een Onderschout kunnen komen en u vragen doen, die u niet aangenaam waren."—"Sinjeur!" zei de ander: "als er een Onderschout komt, zal ik hem antwoorden. Aan u ben ik geen rekenschap verschuldigd. Indien gij werkelijk een zoo knap verklikker waart als gij voorgeeft te zijn, zoudt gij mij terugbezorgd hebben hetgeen Zwarte Piet mij ontstolen heeft, of mij althans aanwijzing daarvan gedaan hebben." Ik sloeg de handen in elkander. "Heynsz een verklikker!" dacht ik. "Hadt UEd. daar ooit gedachten op gehad, Mijnheer Huyck?"
"Zoo eenigszins," antwoordde ik glimlachende: "en hoe liep dit af?"
"Wel! Heynsz werd zoo rood als een kalkoensche haan en antwoordde vrij vinnig, en ik voorzag nog het oogenblik, dat Van Beveren, of zooals de man dan heeten mag, hem bij de kladden zou krijgen. Maar hij scheen opeens te bedaren, ging zitten, haalde een schuiertje uit den zak en begon zich het poeier van den rok te borstelen of er niets gebeurd ware, zonder verder eenig antwoord te geven. Toen zag Heynsz in, dat hij met zijn drift niets won en begon een toontje lager: "hoor Mijnheer!" zeide hij: "ik moet u waarschuwen dat gij een verdacht persoon zijt: en daarom, zeg mij oprecht, wat gij hier verrichten komt. Als eigenaar van dit huis, heb ik toch wel eenig recht, dit te vragen."—"Hoor, Monsieur Heynsz!" zeide de andere: "ik betaal u als een eerlijk man de huur uwer kamers, en ik weet niet, dat er iets tot mijn last is: en aangezien wij in een vrij land leven, zoo zie ik niet, dat gij recht hebt, mij te beletten te gaan, waar ik wil. Bovendien, mijn dochter blijft hier, althans zoolang zij niet beter vinden kan. Ik ga dus hedenavond heen, en gij kunt gerust uw spionnen uitzetten en mijn gangen laten nagaan; maar thans, verzoek ik, van uw verder bijzijn ontslagen te worden. Gij zult dan wel met mijn dochter afrekenen."—Heynsz scheen nu te begrijpen, dat hij niet verder komen zou, mompelde wat binnensmonds en ging heen, zoowel als ik:—en, zooveel als ik hedenmorgen vernomen heb, is die Van Beveren met de nachtschuit naar Utrecht vertrokken."
"Ik wensch hem goede reis," zeide ik, eenigszins verbaasd over de stoutheid en ondoorzichtigheid van Van Lintz, dat hij aldus vertrokken was, met een gelegenheid, waarbij hij niet kon missen bespied en achtervolgd te worden.
Het overige van ons gesprek was onbeduidend; althans het verdient hier niet opgeteekend te worden. Voor Helding vertrok, bad hij mij, mijn vader nog eens te willen herinneren aan de hem beloofde nasporingen omtrent het lot zijner ongelukkige dochter.
"Dat wil ik gaarne doen," zeide ik: "maar het behoeft niet. Wat mijn vader eens voorneemt en belooft, dat vergeet hij niet: heb dus maar geduld, vriend Helding! gij zult de verlangde narichten bekomen. God geve, dat zij tot een gelukkig einde mogen strekken."
Nauwelijks had Helding mij verlaten, en nog zat ik te peinzen over het medegedeelde nieuws, toen de deur mijner kamer zachtjes openging en ik in den tegenover mij geplaatsten spiegel mijn moeder herkende, die bleek en bezorgd van uitzien, met langzame schreden naar mij toekwam.
"Was het Monsieur Helding niet, die daar uitging?" vroeg zij, terwijl zij met de eene hand, waarin zij een open brief hield, op den rug van mijn stoel leunde, en met de andere zich een traan uit het oog wischte.
"Dezelfde, Moederlief!" zeide ik, rood wordende.
"Wat had die nu weer te vertellen?" vroeg zij, met een ontevreden blik.
"Hij kwam mij bedanken, omdat ik hem laatst te huis gebracht heb, toen hij te veel gedronken had."
"En was deze de eenige reden zijner komst?" vroeg zij, het hoofd langzaam buigende: "Ferdinand! Ferdinand! wat hebben uw ouders u gedaan, om hen zoo te misleiden? wat beteekenen die gestadige gangen en boodschappen naar en van dat huis van Heynsz? O! zoo gij wist, hoeveel tranen gij mij kost, en hoe ik om uwentwille reeds twee nachten slapeloos heb doorgebracht! zoo gij wist, hoe uw brave vader zijn leed verkropt, en, wanneer ik vraag, wat hem deert, het hoofd schudt, en alleen met een zucht antwoordt. Hoe zijt gij veranderd, Ferdinand! gij, wien wij eens oprecht en vroom gekend hebben! Ach! het was niet zonder reden dat ik opzag tegen die verre reize, die gij nog zoo jong en zonder opzicht ondernomen hebt. Wij steunden op de vastheid van karakter en de brave grondbeginselen, die wij, in onzen ouderlijken hoogmoed, ons verbeeldden dat gij bezat. Maar bitter zijn wij voor onzen eigenwaan gestraft. Helaas! gij waart nog te jong en onervaren! en gij zijt tegen de verleiding niet bestand geweest. Het gebed, dat ik dagelijks tot God voor u opzond, is niet verhoord geworden. Zeg mij, Ferdinand! zeg mij toch, heb ik mijn zoon verloren?—Ach! ik was zoo innig verblijd over uwe terugkomst: ik had mij zooveel genoegen van u voorgesteld:—en thans zie ik, dat mijn blijdschap droefheid had moeten zijn."—Onder het uiten dezer laatste woorden boog zij haar hoofd op mijn schouder neder en weende bitterlijk.
Haar innige smart verscheurde mij de ziel, en ik was zelfs zoo onthutst en ontroerd, dat ik in de eerste oogenblikken vruchteloos naar woorden zocht, en niet anders doen kon, dan haar koude hand in de mijne te klemmen, den arm om haren hals te slaan, haar bleek gelaat te kussen en tranen van weemoed aan haar boezem te schreien. "Moeder!" zeide ik eindelijk: "lieve moeder! matig uw verdriet."
"Ik zie ten minste," zeide zij, terwijl zij zich langzaam uit mijn omhelzing losmaakte en zich naast mij nederzette: "ik zie, dat gij nog niet geheel verdorven zijt, dat er nog hoop is op uw behoud; want uw hart is nog vatbaar om getroffen te worden. O! beloof mij, dat gij den verkeerden weg zult verlaten, dien gij zijt ingeslagen, dat gij alle banden, die u aan dat slechte voorwerp verbinden, zult losscheuren: en alles, alles zal vergeven en vergeten zijn: ik zal juichen en zeggen met den vader uit de gelijkenis: "ziet! mijn zoon was verloren en hij is wedergevonden."
"Maar," zeide ik: "ik betuig u, dat er geene banden te verbreken vallen: dat ik door u, door mijn vader verkeerd word beoordeeld: dat...."
"En waarom dan uw gedrag niet opgehelderd? Wie heeft recht op uw vertrouwen, op uw openhartigheid, zoo uw vader dit niet heeft? Hoe kunt gij vergen, dat hij of ik geloof zouden slaan aan de ongerijmde en nietige uitvluchten, waarmede gij uwe verkeerdheden poogt te bemantelen. Ferdinand! wees niet verstokt in het kwade. Een gulle bekentenis, een oprecht berouw zouden uws vaders rechtmatigen toorn ontwapenen; maar een hardnekkigheid als de uwe moet hem verbitteren."
"Maar vader," zeide ik, "had mij beloofd zijn oordeel te zullen opschorten, tot zich het oogenblik zoude opdoen, waarin ik hem een volkomene, geheel voldoende opheldering zoude kunnen geven. Dat oogenblik nadert met rassche schreden. En dan, geloof mij, dan zal mijn gedrag u in een ander licht voorkomen, dan het thans doet. Waarom dan ook niet een weinig op mij vertrouwd, wanneer ik u mijn onschuld betuig en u verzeker, dat gij zonder billijke oorzaak tranen stort?"
"Is dat geheim dan zoo diep, zoo vreeselijk," vroeg mijn moeder, "dat gij het ook aan mijnen boezem niet kunt uitstorten? Ach! het zou u goeddoen, en mij ook, Ferdinand! want, hoe fraai uw woorden ook zijn, ik ben nog niet gerust. Misschien misleidt gij uzelf: er moet stellig eenig kwaad, iets verkeerds zijn bij een geheimenis, die men aan eene moeder niet kan openbaren."
"Lieve moeder!" zeide ik, de hand drukkende, die zij mij vleiende toestak: "geloof mij, mijn vurigste wensch op dit oogenblik zoude wezen, om mij aan uw hart te storten en u alles te ontdekken.—Ja, ik gevoel, dat zoo gij langer bleeft aandringen, ik de kracht niet zoude hebben, u weerstand te bieden: dat ik, tot welken prijs dan ook, de bron uwer tranen zoude willen drogen. Maar zoo ik nu sprak, zou ik een woordbreker, en bijgevolg een schurk zijn;—en dat toch wilt gij van uw zoon niet maken?"
"Het kan dan niet anders," zuchtte mijn moeder: "neen, een woordbreker moet gij niet worden:—alleen maar begrijp ik niet, waartoe dergelijke dwaze geheimen dienen. Ik zie niet, dat iets, dat goed en ordentelijk is, behoeft verborgen te blijven. Misschien dwaal ik, en heb ik geen ondervinding genoeg, maar ik kan het mij maar niet voorstellen."
Zij sprak wel waarheid, die goede moeder, want nooit had haar geest of haar verbeelding eene gedachte gekoesterd, welke zij niet zou hebben durven openbaren; en haar reine ziel was een spiegel, waarin zij ieder vergunde te lezen.
"In allen gevalle," vervolgde zij, "hoop ik, dat die oplossing spoedig moge plaats hebben; want ik zou ziek worden van die onzekerheid; en dan," terwijl zij mij den brief toereikte, "hier is een uitnoodiging van uw Tante Van Bempden tegen Zaterdag over acht dagen, om mijn verjaardag op Heizicht te komen vieren: ik had mij veel genoegen van die partij voorgesteld;—maar nu weet ik waarachtig niet of ik het wel aanneem; ik kan met geen opgeruimd hart aan tafel zitten en de gelukwenschingen der gasten ontvangen, zoolang dit geval niet is opgehelderd."
"Gij zijt onbillijk, lieve moeder!" zeide ik: "waarlijk, gij zijt onbillijk tegen mij. Ik kan beseffen, dat deze zaak u hindert; maar dewijl ik u mijn woord heb gegeven, dat uw bezorgdheid ijdel is, mocht ik toch hopen, dat gij nog vertrouwen genoeg in mij zoudt bezeten hebben, om met eenige kalmte den loop der gebeurtenissen af te wachten.—Voorheen, lieve Moeder! was het genoeg, dat ik u eenmaal iets verzekerde, om er u de vaste overtuiging van te geven. Heugt het u nog, toen eens de girandolle in de zaal aan gruis was gevallen, en iedereen beweerde, ik moest het gedaan hebben; want ik had den ganschen morgen in de kamer gezeten en niemand buiten mij was er geweest, dat gij toen zeidet: "neen! Ferdinand heeft het niet gedaan; hij zegt het zelf"—En zou ik sedert dien tijd zoo veranderd zijn, dat er op mijn woord geheel niet meer te bouwen ware?"
"Ja Ferdinand!" zeide, zij, mij met aandoening omhelzende: "ik geloof u; want het zou al te afschuwelijk zijn, indien ook deze betuigingen valsch waren: en echter," vervolgde zij, mij met een weemoedigen blik aanziende: "gij hebt onlangs een weinig ... gedraaid." Het goede mensch wilde niet zeggen: gelogen. "Maar spreken wij daar niet over," voegde zij er bij, ziende, dat ik rood werd en haar smeekend aanzag: "dat was voor het eerst en voor het laatst, nietwaar? O! zeg mij, dat het voor 't eerst en voor 't laatst was: ik heb er behoefte aan, dit te gelooven.—Ach! zonder die noodlottige misleiding had ik u nooit verdacht."
"Moeder!" zeide ik: "gij beschaamt mij te recht: ja! dat was voor 't eerst, en, God is mijn getuige, het zal ook voor 't laatst zijn. Daar! deze kus moge u tot bevestiging strekken dat ik deze belofte heilig houden zal."
"Dat wensen ik," zeide zij: "nu, wij zullen dan het geval laten zooals het is, en ik zal trachten, mijne bekommernissen te overwinnen. Zoo ik u verkeerd beoordeeld heb, gij zult het mij niet kwalijk nemen, nietwaar? Ach! gij weet niet, hoe teeder een moeder aan haar kind gehecht is, en hoe vele angsten haar hart benauwen, wanneer zij slechts veronderstelt, dat het van den rechten weg zoude kunnen afwijken."
Hier droogde de beste vrouw haar tranen af, en verliet mij, meer gerust te mijnen opzichte, dan toen zij gekomen was.
Dienzelfden avond ontvingen wij een afscheidsbezoek van Reynhove, die aan mijn vader meer omstandig kwam mededeelen hetgeen hij mij reeds met een paar woorden gezegd had, dat hij naar Den Haag ging en moeite zoude doen om geëmployeerd te worden.
Er was, had hij gehoord, een bediening opengekomen, waaraan geen onbelangrijke werkzaamheden verbonden waren, en hij hield zich overtuigd, dat zijn vader, zijn besluit vernemende, zich daarover verheugen zou en alle pogingen in het werk stellen, om hem zijn doel te doen bereiken. "Ik heb," zoo eindigde Reynhoves verhaal, "lang genoeg als een oiseux meubel rondgeslenterd en UEd. heeft mij doen zien dat het tijd wordt, iets degelijks bij de hand te nemen."
Het behoeft niet vermeld te worden, dat het voornemen van Reynhove door mijn vader hoogelijk goedgekeurd werd: mijn moeder wenschte hem insgelijks allen voorspoed op zijne voornemens: Suzanna zeide lachende:
"Ik weet niet, Mijnheer Reynhove! maar mij dunkt, het zal u vreemd voorkomen, den dag op een bureau door te brengen met over allerlei vervelende schrifturen te gapen, en
Omschanst te zitten met papieren,
Die door de slaafsche zinnen zwieren.
Mij dunkt ik zie u daar zitten met een groote pen achter 't oor, een morslap vol inktvlakken op de rechtermouw, en een aschgrauwen overrok aan, waar de kantoorlucht niet meer uit te kloppen is."
"Ik zie wel, dat gij nooit naar Den Haag geweest zijt, Santje!" zeide ik: "gij stelt u de kantoren aldaar voor, gelijk dat van een Amsterdamsen koopman, waar het licht door de lantaren van de binnenplaats invalt en men te drie uren al bij de kaars moet zitten. Neen! ginds gaat het vroolijker toe: men zit in ruime, luchtige kamers, en de groote bezigheid bestaat er, in de courant te lezen, en te praten over de nieuwtjes van den dag en om het uur eens een pen te versnijden."
"Wel! hoor mij dat jongmensch eens aan," zeide Suzanna: "die praat over kantoren en maakt vergelijkingen, en denkt, dat hij het recht heeft om aardigheden te zeggen, omdat hij een blauwen Maandag in den handel is. Denk je dan, Ferdinand! dat men in Den Haag niets uitvoert, omdat men er juist niet den geheelen dag lettertjes zit te kladden en sommetjes zit te maken, trots den besten schooljongen?"
"Mejuffrouw neemt het zoo goed voor Den Haag op," zeide Reynhove, "dat ik er niets weet bij te voegen. Maar is het mogelijk, dat UEd. daar nooit geweest is?—Mij dunkt, de familie moest daar eens eenige dagen komen passeeren: het zoude mij een innige volupteit zijn, u rond te leiden en het interessantste te laten zien."
"Ja, indien UEd. dat van papa gedaan kon krijgen," zeide Suzanna, "dan zou ik u voor den welsprekendsten man uit de Zeven Provinciën houden: maar daar is geen kijk naar."
"Wacht maar," zeide mijn vader: "als ik eens oud word, en op mijn muiltjes ga leven, dan zullen wij eens zien wat wij doen."
"Ja!" hernam Suzanna: "als ik zoo lang moet wachten, dan zal ik zelve al wel te hokvast geworden zijn, om nog uit te vliegen. Wat zijn de mans toch gelukkig! daar heb je Ferdinand, die is half Europa al rond geweest, en ik, die evenzoo goed recht had iets anders te zien, ik zal misschien mijn leven ten einde zien loopen, zonder ooit in Den Haag te zijn geweest."
"Den Haag zou er het meeste bij verliezen," zeide Reynhove, "maar, als ik vragen mag: waarom zoude uw broeder u daar niet heenbrengen? dan had UEd. een Mentor van ondervinding bij u."
"Een mooie Mentor!" riep Suzanna uit: "ik bedank u hartelijk. Wel ja! met een Broeder te reizen is ook wel een laatste toevlucht! Weet UEd. dan niet, Mijnheer Reynhove! dat van al de meisjes op den aardbodem er geene is, waarover men zich minder bekommert, dan over eene zuster?"
"Daar laat gij u onvoorzichtig uit, Santje!" zeide ik; "ik wilde u juist voorstellen, u in het volgende voorjaar eens derwaarts te brengen; maar, nu ik dat hoor, zal ik er wel deugdelijk op passen."
"O! Mejuffrouw meent het niet," zeide Reynhove: "ik recommandeer u ernstig aan, bij die goede intentie te volharden. Het zal u wel bevallen, en wij zullen alles in 't werk stellen om u een goed accueil te procureeren."
"Gij ziet, Mijnheer wil ons volstrekt in Den Haag hebben," zeide ik.
"Dat wil ik," zeide Reynhove: "of liever, want het zoude inconvenant zijn, van mijn wil te praten, ik wensch het vurig."
"Ja," zeide Suzanna: "om als een berenleider met ons rond te loopen en ons aan de menschen te toonen als iets nieuws, al roepende: "kijkt! menschen! kijkt! Hier heb je den nieuwbakken Amsterdamschen koopman van het mannelijk geslacht, met zijn zusje, een onnoozel ding, dat nog van geen toeten of blazen weet. Ja! denk je, dat ik niet weet, hoe men ginds met onze kleeding en manieren den spot drijft?"
"UEd. is het toch niet, die voor spotternij beducht kan zijn?" vroeg Reynhove.
"Die kan je in uw zak steken, Santje!" zeide ik.
"Volstrekt niet," zeide Reynhove, eenigszins verlegen over de uitlegging, die ik aan zijn woorden gaf, "ik bedoelde alleen te zeggen, dat Mejuffrouw boven alle bespotting verheven is."
"Wat zeggen de Heeren Blaek toch wel over uw spoedig vertrek?" vroeg mijn moeder, een andere wending aan het gesprek willende geven.
"O!" antwoordde Reynhove: "den ouden Heer heb ik weinig gezien, en die zal over mijne absentie niet treuren:—en wat Lodewijk betreft...." hier zweeg hij opeens, en zag mij zijdelings aan.
"Wel!" zeide mijn vader: "ik hoop toch niet, dat gij kwade vrienden scheidt?—ofschoon ik erken, dat gij beter gezelschap kunt kiezen."
"Neen," antwoordde Reynhove: "'t is maar: ik dacht, dat ik hem goed kende, en ik zie alweder, dat ik mij in hem bedrogen heb.... ofschoon deze reis strekt het niet tot zijn schande:—maar ik wil daar liever hier over zwijgen.—Heeft UEd. al gehoord, dat zijn jacht weer in 't water is gewerkt, ik zoude het voor een mirakel gehouden hebben; er zijn toch knappe werklieden hier ter stede:—er is bijna niets aan het vaartuig beschadigd en het zal met een kleine reparatie weer zoo goed wezen, als ware er niets gebeurd".
"Er zijn lieden, wien alles medeloopt, tot zij eindelijk het lid op den neus krijgen," zeide mijn vader.
Na nog een wijl gezeten te hebben, vertrok Reynhove. "Ik weet niet," zeide hij, toen ik hem uitliet, "wat ik van Lodewijk denken moet. Hij was dezen middag louter attentie en beleefdheid jegens zijn cousine, die heden voor een paar dagen in de stad is, en zeide haar meer douceurs, dan zij anders in een jaar van hem hoort. Zij scheen er zelve verbaasd over: wat dit voorspelt, weet ik niet; maar het zou mij niet verwonderen, indien hij eens begon te beseffen, dat het tijd werd, wijs te worden.—Men bemerkt de waarde van een schat ook nooit beter, dan wanneer men gevaar geloopen heeft, dien te verliezen."
"In waarheid!" zeide ik: "wat gij mij daar vertelt bevreemdt mij. Ik kan toch niet denken, dat hij inderdaad oogmerken op haar heeft."
"Noch ik," hernam Reynhove: "maar de zaak is waar en gij kunt er uw profijt mede doen. Adieu."
Den volgenden dag had ik toevallig, door het afspringen eener comparitie, welke ik had moeten bijwonen, een uurtje voor den eten vrij, en Suzanna, die zich reeds menigmalen beklaagd had, dat zij niets aan mij had, nam die gelegenheid waar om mij met haar naar Tante Letje te tronen.
"Wel!" zeide deze, toen ze mij zag: "het is goed, dat gij komt, Neef! Ik had u anders al een boodschap willen sturen. Ik wenschte u eens onder vier oogen te spreken, wanneer het u gelegen komt."
"Ei! ei!" zeide Suzanna: "mag ik er niet bij wezen? "Nu! dan zal ik zoo aanstonds maar optrekken: 't is toch hard, dat ik mijn cavalier zoo spoedig weder verliezen moet: men heeft al moeite genoeg om hem te krijgen."
"Neen! dat is juist de bedoeling niet," zeide Tante: "maar van avond of morgen, als 't u belieft."—En zij zette daarbij zulk een statig gezicht tegen mij, dat ik alweder ook van dien kant een donderbui voorzag.—Ik was echter gedwongen mijn nieuwsgierigheid op te schorten, en wij zaten, na eenig onderhoud over verschillende zaken, te luisteren naar het verslag dat Tante ons gaf van een dierbare predikatie, welke zij in de weekbeurt een paar dagen te voren gehoord had, toen wij een koets hoorden stilhouden. Er werd aan de huisdeur gescheld: er kwam iemand de trappen op: de deur ging open:—en Henriëtte Blaek stond voor onze oogen. Zij was bevallig gelijk altijd: maar zag toch eenigszins betrokken van uitzicht, en bleef, toen zij ons bemerkte, onthutst en verlegen aan de deur staan.
"Kom binnen, Jetje-lief!" zeide Tante Letje: "daar doet gij wel aan, kind! van mij eens te komen opzoeken."
"Uw dienaresse, Juffrouw Huyck!" zeide Henriëtte, terwijl zij nader trad met het voorkomen van iemand, die een kloekhartig besluit neemt: "verschoon mijn vrijpostigheid: de meid zeide, ik zou maar boven gaan: ik wist niet, dat UEd. bezoek had. Ik kwam u het boek terugbrengen, dat UEd. mij geleend heeft. Goeden morgen, lieve Santje! hoe gaat het u?" En zij drukte met minzaamheid de hand van Suzanna. Wat mij betrof, ik bekwam geen enkel woord: een nijging, zoo stijf en afgepast alsof zij een onbekende gold, was alles, waarmede zij te kennen gaf, mijne tegenwoordigheid te hebben opgemerkt: en hoewel een lichte blos haar wangen kleurde, haar oogen teekenden koele onverschilligheid en geen trek in haar gelaat veranderde. Suzanna en ik keken elkander aan: wij wisten niet, waaraan die stijfheid toe te schrijven.
Herkomst van de tekst: een negentiende-eeuwse uitgave van het werk van Jacob van Lennep. Spelling ongewijzigd.
