Jacob van Lennep · Ferdinand Huyck · 1840
Een-en-dertigste hoofdstuk (2 van 2)
"O Tante-lief!" antwoordde ik: "dat is een geschiedenis, veel te lang om u thans te verhalen: vraag mij daar eens over, als wij geheel op ons gemak zijn."
"Ook al goed! dan zal ik geduld hebben.—Maar Ferdinand-lief! wat hebt gij u gehaast met die vrijerij met Jetje Blaek. Ik had u immers ook gezegd, dat daar nooit iets van zou komen.—Hadt gij mijn raad maar gevolgd en haar intijds uit uw zinnen gezet, dan hadt gij u die onaangename teleurstelling bespaard. Het spijt mij wel van achteren, dat ik u te zamen in kennis gebracht heb.
"Ik herinner mij niets van uwe waarschuwingen, Tante-lief!"
"Niet! weet gij ons gesprek niet meer op het strand, eer wij Lodewijk Blaek ontmoetten? Toen zeide ik immers reeds: zet dat uit uwe gedachten. Maar goeden raad vergeet men gauw."
Nu herinnerde ik mij dit gesprek zeer wel; ofschoon ik die enkele woorden, bij die gelegenheid aan Tante ontvallen, niet zwaar geteld had; dewijl zij geene redenen ter wereld had aangevoerd, om aan haar advies eenige klem bij te zetten. Ik vond echter beter, ook dit punt te laten rusten, en na een haastig ontbijt gebruikt te hebben, spoedde ik mij naar stal, zadelde den bruin en draafde de heide over en den weg op naar de mij te welbekende boerderij.
Ik vond ook daar geene geringe drukte. Overeenkomstig de bevelen van Tante was men er bezig met latten te slaan, die van boom tot boom liepen en waarover zeildoek gespannen moest worden om een tent te vormen, in welke het gezelschap den volgenden dag zou onthaald worden en tegen de ongestadige luimen van het najaarsweer beveiligd zijn. Na aan den opzichter over dit werk den wil van Tante, gelijk ik dien op de medegebrachte lijst vond uitgedrukt, nogmaals herhaald, en mij overtuigd te hebben, dat de man haar bedoelingen volkomen begrepen had en geheel niet van plan was om, gelijk zij vreesde, alleen zijn eigen hoofd te volgen, zag ik het tweede artikel na, dat ik te volbrengen had. Het luidde, dat ik aan de oude Martha moest vragen, of de stal genoeg opgeruimd was om al de paarden in te bergen, die er den volgenden dag zouden komen. Ik riep de oude vrouw dus, die al dadelijk met een bedremmeld gelaat naar mij toe kwam geloopen, en mij blijkbaar onthutst vroeg wat er van mijn dienst was.
"O!" zeide zij, zoo ras zij verstaan had, wat ik van haar verlangde: "daar kan Mevrouw gerust op wezen: de stal is kant en klaar: en ik heb schelen Thijs en Peer Govertz al besproken om een handje te kommen helpen, want nou men zeun weg is en weg blijft, zit ik, och arm! allienig voor het werk.—Heit Meneer nog wat te belasten?"
"Wacht!" zeide ik, mijn lijst bij de hand nemende: "nummer drie: zien of de tafels en de banken gekomen zijn.—Ja! die staan ginder reeds:—nummer vier: vragen aan Martha, wie haar helpen zal, koeken te bakken?—Ja wie zal dat doen?"
"O! heere men tijd! maakt Mevrouw zich daar ook al verlegen om? Wel! dat zou ik allienig wel of kennen, al kwam jelui met je vijftigen. Maar daar is rooie Els van Crailo en 'er zuster, die hebben men al beloofd, als dat ze kommen zellen. O! an hulp zel het niet ontbreken, er zel volks 'enoeg wezen. Als er zoo wat rijkdom bij mekaar is, hoeft men nooit om menschen verlegen te zijn.—En kostelijke koeken zel ik bakken, dat beloof ik je."
"Dat behoeft gij mij niet te verzekeren," zeide ik, lachende: "ik heb die immers al eens bij u geproefd en weet hoe ze smaken."
"'t Is waar ook," zeide zij met een bezorgd gelaat: "Meneer heit men toch niet verklapt, hoop ik?"
"Wees niet bang,"—zeide ik: "mits het maar niet weder gebeure. —Nummer vijf: nazien hoeveel stoelen er op de boerderij zijn, en of die nog bruikbaar zijn.—Dat zullen wij eens gauw gaan kijken," zeide ik, naar de woning snellende, terwijl ik in mijzelf lachte om de tot in alle kleinigheden afdalende voorzorgen van Tante. Nauwelijks was ik echter in de keuken, of Martha kwam mij, met zooveel snelheid als haar oude beenen het haar vergunden, achterop geloopen:
"Wat wil Meneer?" vroeg zij: en zij sloeg onwillekeurig een angstigen blik naar het trapje, dat naar het opkamertje leidde.
"Juist!" zeide ik, haar blik volgende: "daar boven moet ik wezen. Ik meen, dat daar stoelen staan."
"Om Gods wille: Meneer! maak mij niet ongelukkig!" zeide zij, met een gesmoorde stem en de handen wringende: "hij is weer hier."
"Wat!" mompelde ik: "is hij dan dwaas?"—En, schier onwillekeurig, maar toch met behoedzaamheid, besteeg ik het trapje en zag door het sleutelgat naar binnen, waar ik niet slechts Van Lintz, maar nevens hem den ouden Heer Blaek herkende.
"Ik weet er waarachtig geen ander middel op om u hier ongemerkt vandaan te krijgen," zeide de laatstgenoemde.
"Wij zullen er dan toe moeten besluiten," zeide Van Lintz: "in de hoop, dat men mij voor dien tijd niet gevangenneemt."
"En gij belooft mij," hernam de Heer Blaek, "dat, ook al mocht dit gebeuren, gij ...die ... de zaak ... niet zult uitbrengen."
"En waarom zou ik dat? Gij zegt immers, dat uw zoon en uw nicht elkaar beminnen."
Ik had mijn hoofd reeds terug willen trekken; want ik schaamde mij den luistervink te spelen; maar deze laatste vraag prikkelde mijn nieuwsgierigheid te zeer, dan dat ik den trek kou weerstaan om het antwoord af te wachten.
"Zij beminnen elkaar ... zij zullen een paar worden," zeide de Heer Blaek: "gij zijt aan niets verbonden, zoo ik u bedrieg. Ik verzeker het u. Vernietig toch dat ... dat noodlottige stuk.—Het kon in vreemde handen komen ... geef het mij liever ... ik zal...."
"Neen! dat niet, Jacobus Blaek!" zeide Van Lintz, met een spotachtigen lach: "als ik in veiligheid ben—en niet eer—zult gij het bekomen—en het zelf kunnen verbranden. Ik weet, waaraan ik de hulp, die gij mij bewijzen zult, dank moet weten—en ken mijn voordeel te goed om er afstand van te doen, nu het mij dienen kan."
"Ach!" hernam Blaek: "gij zult er geen misbruik van maken: gij zult mij niet met schande ten grave doen dalen. Ik help u immers zooveel in mijn vermogen is ... ik heb zelfs meer gedaan dan ik u beloofd had: ik heb naar Den Haag geschreven ... al mijn invloed zal ik aanwenden om de vervolgingen te doen staken ... om onzer oude vriendschaps wille, maak mij niet ongelukkig."
"Gij hebt mijn woord," zeide Van Lintz: "en dat moet u genoeg wezen: morgen zal ik u verwachten. Tracht nu ongemerkt van hier te komen en de plaats te bereiken, waar uw rijtuig u wacht. Ik zal Martha bellen om te hooren of de uittocht veilig is."
Na het uiten dezer woorden verhief hij zijne stem om Martha te roepen: ik aarzelde een oogenblik; doch bedenkende, dat Van Lintz toch van haar zoude vernemen, dat ik er geweest was, besloot ik, zelf binnen te gaan, wenkte der oude vrouw, die bevende achter mij stond, toe, dat zij wel terug kon blijven, en opende de deur.
"De Heer Huyck!" riepen beiden, de een op een toon van verwondering, de andere met een uitdrukking van schrik.
"Vergeeft mij, Mijne Heeren!" zeide ik, glimlachende: "zoo ik uw bijeenkomst stoor. Maar ik ben hier door Mevrouw Van Bempden gezonden om eenige toebereidselen te maken voor het feest van morgen, en ik had ook in dit vertrekje iets te doen:—weinig dacht ik, dat het bewoond was."
"Ik beken," zeide Van Lintz, "dat ik mijn tijd slecht gekozen heb."
"Zoo de Heer Blaek," vervolgde ik, dezen aanziende, die vast beefde, "zich wenscht te verwijderen, zonder dat het opzien bare, zal ik hem gaarne een eindweegs vergezellen."
"UEd. is al te goed. Mijnheer Huyck," zeide Blaek, stotterende: "ik neem uw vriendelijk aanbod dankbaar aan."
"Ik hoop u nog te zien als gij terugkomt," zeide Van Lintz, mij met zijn doordringende oogen aanstarende.
Ik boog en verliet het vertrek. De Heer Blaek volgde mij, en beiden traden wij de achterdeur uit, den tuin door, waar zich niemand bevond, en het boschpad op. Ik bemerkte, dat mijn tochtgenoot moeite had om voort te wandelen, zoozeer was hij van zijn stuk, en bood hem dienvolgens mijn arm aan, in mijzelven lachende om het zonderlinge spel des noodlots, dat mij tot den geleider maakte van iemand, die aan mijn vurigste wenschen den bodem had willen inslaan.
Gaarne had ik hem nadere uitlegging gevraagd van de woorden, die mij het toeval had doen hooren; maar de zaak was van een te teederen aard, dan dat ik die snaar dorst aanroeren, zonder daartoe een voegzame aanleiding te hebben. Ik bemerkte, dat hij van zijn kant iets op het hart had, maar niet wist, hoe het gesprek aan te vangen. Ettelijke reizen opende hij den mond als om mij een vraag te doen: maar de woorden bleven hem in de keel steken. Eindelijk scheen hij moed te vatten: en na een zwaren zucht, bracht hij met een flauwe stem en nedergeslagen oogen het navolgende uit:
"Ik kan niet van mijn verwondering terugkomen, dat ik den Heer Huyck, den zoon van den Heer Hoofdofficier ... in betrekking zie met iemand, die ... die...." hier scheen hij naar zijn woorden te zoeken.
"Onze verwondering is wederkeerig, Mijnheer!" zeide ik met een glimlach.
"O!" zeide hij, mij zijdelings aanziende, alsof hij op mijn gelaat wilde uitvorschen of ik geloof hechtte aan zijne woorden: "met mij is het een geheel ander geval. Ik heb ... hem vroeger gekend ... en zaken met hem uitstaande gehad."
"Mijne kennis aan hem is niet van een oude dagteekening," zeide ik: "hij kan echter gerust zijn wat mij betreft: ik zal hem niet verraden ... en ook niet ongevraagd van uw bezoek spreken, indien UEd. dit eenige gerustheid kan verschaffen."
"Neen! dat is ook beter," zeide hij, blijkbaar opgeruimd door mijne betuiging: "ik heb deze démarche om bestwil moeten doen.—Ik blijf UEd. intusschen zeer verplicht:—het doet mij recht leed, dat ik mij in de noodzakelijkheid gezien heb ... het vereerend aanzoek van Mijnheer ... af te slaan ... maar ... het geluk mijner nicht ... UEd. gevoelt...."
"UEd. zal niet vergen," onderbrak ik hem, "dat ik juist de man zal zijn, die gevoelen moet, dat uw nicht met een ander gelukkiger zal zijn dan met mij."
"Geenszins," hervatte hij: "ik bedoelde maar ... ziet UEd ... ik kan mij vooralsnog moeielijk over dit onderwerp uitlaten.—Over een paar jaren, als zij mondig zijn zal, en dan nog vrij is, zal ik zeer gaarne uw voorspraak bij haar zijn; maar vooralsnog...."
"Ik wil u niet verbergen," zeide ik, "dat ik zooeven in het opkamertje hoorende spreken, een oogenblik aan de deur heb geluisterd en UEd. bij die gelegenheid heb hooren zinspelen op een huwelijk tusschen uw zoon en uw nicht."
"Gij hebt ons beluisterd!" zeide hij, sidderende en bleek van toorn zoowel als van angst: "dat was zeer verkeerd van u, Mijnheer! ofschoon," voegde hij er bij, waarschijnlijk bedenkende dat ik meer kon gehoord hebben dan hem lief was, en dat hij mij dus te vriend moest houden: "ik kan het u niet kwalijk nemen; want UEd. hadt recht een weinig verwonderd te zijn van ons daar te vinden. Nu ja! 't Is waar! Ik wilde u zulks zooeven niet zeggen, om u niet te bedroeven. Dat huwelijk is altijd mijn vurigste wensch geweest: en het zal, vleie ik mij, weldra voortgaan."
"Onmogelijk!" riep ik uit, geheel ternedergeslagen door deze mededeeling.
"'t Is stellig waar: de jonge lieden beminnen elkander: en ik verlang niets zoozeer als hun beider geluk. Geloof mij, mijn waarde Heer Huyck! stel die neiging uit uw hoofd. Er zijn genoeg schoone meisjes in onze Nederlanden, en die beter door de fortuin bedeeld zijn dan mijn nicht.—Maar ik bid u, doe geen verdere moeite: ik zal nu zelf mijn weg wel vinden."
Wij waren op dit oogenblik het hakhout uit en aan een binnenweg gekomen, waar ik op eenigen afstand het rijtuig van den Heer Blaek zag staan: en, zelf oordeelende dat hij mijn geleide niet verder noodig had, keerde ik, na wederzijdsche groete, langs den weg terug dien ik gekomen was.
"Gij ziet," zeide Van Lintz, toen ik bij hem in het opkamertje was teruggekeerd, "dat ik, bij gebrek aan een betere, mijn oude schuilplaats weder heb moeten opzoeken."
"Ik zie het," antwoordde ik, het hoofd schuddende: "maar ik vrees, dat zij niet lang meer veilig zijn zal. Gij behoeft het hoofd aan de andere zijde slechts buiten te steken, om u te overtuigen dat het hier geen eenzame plaats meer is: en morgen komen hier nog meer gasten."
"Ik zal hunne komst niet afwachten," zeide Van Lintz.
"En hoopt gij waarlijk ongemerkt te ontkomen?" vroeg ik: "Heynsz heeft ongetwijfeld uw gangen laten nagaan: en zoo hij u niet eerder heeft doen vasthouden, is het, omdat hem nog onbekend was, dat de Heer Van Beveren en de Graaf Van Talavera één persoon waren; maar thans weet hij dit: en ik twijfel er niet aan, of hij zal zijn onbedachtzaamheid hersteld hebben en geene middelen verwaarloozen om u niet weder te laten ontsnappen."
"Ik weet het," hernam hij somber: "ik speel een schaakpartij met tien kansen tegen ééne, dat ik mat gezet worde; en toch, zoolang mijn Koning nog één vak open vindt, zal ik het spel niet gewonnen geven. Zoo echter mijn vervolgers niet voor morgen hier zijn, loopen zij groote kans van het nest ledig te vinden:—en dan tart ik hunne nasporingen."
"Gij verlaat dus dit land?"
"Voor altijd, zoo ik hoop. Ik heb er waarlijk geen genoegzame verplichtingen aan om het te betreuren."
"En uw dochter?"
"Zij zal ... mij volgen, hoop ik," antwoordde hij zuchtende.
"Weet gij, waar zij zich tegenwoordig ophoudt?"
"Ik weet dit; en, wanneer gij het eenmaal oorbaar vinden zult, dank dan uw waardige tante uit mijnen naam voor hetgeen zij aan een ongelukkige, verlatene wees heeft gedaan.—Wat u betreft, Mijnheer Huyck! ik ben u ook grooten dank verschuldigd, want ik weet het, mijn verblijf, en dat mijner dochter vooral is u de bron geweest van vele onaangenaamheden. Ik wenschte ook eenmaal iets voor u te kunnen doen."
Ik zweeg eenige oogenblikken. Ik had hem willen vragen, welk groot belang hij toch stelde in het huwelijk van Henriëtte met haar neef, welke laatste hem toch geene redenen had gegeven om zijne partij te nemen; maar een gevoel van bescheidenheid weerhield mij. Ik begreep dat er onder dit alles een geheimenis school, waar Henriëtte in gemoeid was, maar tevens dat ik daarmede niets te maken had. Terwijl ik aldus stond te peinzen, hielp Van Lintz zelf mij op den weg:
"Gij hebt ongetwijfeld zooeven het een en ander van ons gesprek gehoord?"
"Dat heb ik," antwoordde ik: "ik beken het tot mijn schande; maar ik was zoo verbaasd van u te zien; dat...."
"Gij behoeft u niet te verschoonen: vromer lieden dan gij zijt zouden de verzoeking niet weerstaan hebben. En wat hebt gij vernomen?"
"Niet veel," antwoordde ik: "het was mij omtrent, of gij Chaldeeuwsch spraakt, zoo geheimzinnig waren uw woorden."
"Niet veel, maar toch wat, nietwaar?"
Ik was op het punt van hem mijn verwondering te kennen te geven over hetgene Blaek hem verteld had nopens de wederzijdsche liefde van Lodewijk en Henriëtte: maar eene bedenking wederhield mij. Zooveel had ik uit het gesprek opgemaakt, dat daarvan het stilzwijgen scheen te zullen afhangen van Van Lintz omtrent iets, hetwelk Blaek bedreven had en dat het licht niet zien mocht: en met dat stilzwijgen moest weder de hulp gekocht worden, die Blaek hem bewees. Ik achtte dus mij zelven ongeroepen, mijne meening omtrent die voorgewende inclinatie der jongelieden te uiten en daardoor de bedoelingen van Blaek bij Van Lintz verdacht te maken, en misschien aanleiding te geven tot een twist, die voor beiden noodlottig zijn konde. Dit stilzwijgen van mijne zijde, hoewel het uit een edelmoedige oorzaak voortsproot (want ik behoefde noch Blaek noch zijn zoon te ontzien), was echter in het vervolg de middellijke oorzaak van het verlies van twee menschenlevens.
"Ik herhaal u," zeide ik, "dat ik niets van ulieder gesprek heb begrepen. Alleen heeft het mij verwonderd, den anders vrij hooghartigen Heer Blaek zoo beangst te zien."
"Nietwaar?" vroeg Van Lintz: "Ja voorwaar! het moet al een vreemd schouwspel zijn geweest voor een derde, den rijken Heer van Guldenhof, den trotschen Amsterdamschen koopman, wiens woord meer gewicht heeft dan de manifesten van een half dozijn Duitsche Mogendheden, te zien blozen en sidderen voor den blik van een armen zwerver, die reeds in zes of zeven Staten ter dood veroordeeld is, wien de speurhonden der Justitie nazitten, of hij een huisbreker ware, en die nauwelijks een plek kan vinden, waar hij het hoofd ter ruste kan leggen. Maar hij weet het, de rijke man, dat ik slechts één woord heb te spreken om hem ellendiger te maken dan de arme zwerver ooit worden kan.—Genoeg hiervan: het is niet mijne hand, die zonder noodzaak het gordijn zal opentrekken wanneer alles tot nog toe samengeloopen heeft om het dichtgeschoven te houden. Daarom, mijn jonge vriend! vergeet wat gij gezien—en ook wat gij mocht gehoord hebben."
"Ik wilde, dat ik alles kon vergeten, wat mij in de laatste weken gebeurd is," zeide ik zuchtende: "maar het wordt laat: ik moet vertrekken, mijne tegenwoordigheid alhier zoude tot vermoedens kunnen aanleiding geven:... vertoon u toch niet buiten—en hou zelfs, zoo ik u raad schuldig ben, u ver van het raam: er kon zoo licht een oog van uit dien tuin naar binnen dringen.—Wat zeide ik u?"
Beiden hadden wij gelijktijdig in den tuin gekeken: en beiden hadden wij de gluipende oogjes van Simon den marskramer op ons gevestigd gezien van achter de heining, waar hij tegen leunde. Wij traden terug en zagen elkanderen aan. Toen ik nogmaals aan 't raam kwam, was hij verdwenen.
"Gij behoeft er niet meer aan te twijfelen," zeide ik: "morgen, wellicht dezen avond nog is het huis omringd."
"Ik heb hem herkend," zeide Van Lintz: "het is dezelfde Jood, die mij vroeger te Utrecht achtervolgd heeft en wien ik toen verschalkt heb. Welnu! waarom zoude het wij thans niet weer gelukken?—Dan ik ben wars van nieuwe listen in 't werk te stellen. Ware het niet om mijn dochter, ik had mij reeds overgeleverd aan hen, die mij zoeken."
"Ik kan u," zeide ik, "bij ons afscheid dan niets beters toewenschen, dan dat ik u morgen hier niet meer vinden moge."
"Het zal zijn, gelijk het noodlot over mij beschikt heeft," antwoordde hij, de schouders ophalende, en mij hartelijk de hand schuddende, knikte hij mij een vriendelijk vaarwel toe, zonder er een woord meer bij te voegen. Waarschijnlijk begreep of voorzag hij, dat wij ook thans niet voor het laatst zouden afscheid nemen. Ik beantwoordde zijn handdruk, en, de woning daarop verlatende, zette ik mij weder te paard en draafde met dubbelen spoed naar Heizicht terug.
· · ·
Herkomst van de tekst: een negentiende-eeuwse uitgave van het werk van Jacob van Lennep. Spelling ongewijzigd.
