Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Jacob van Lennep · Ferdinand Huyck · 1840

Drie-en-dertigste hoofdstuk (2 van 2)

Een vader omhelst zijn ernstig zieke dochter in een herbergbed. Haar verzorger Sander en de bezoekers Ferdinand en kapitein Pulver staan bij de ontroerende hereniging.
Illustratie: Helding sluit zijn verloren dochter weer in de armen

"Ongelukkige! gij hier?" zeide ik, het hoofd schuddende; "maar kom even ter zijde, en laat den Dokter bij de patiënt."

De Dokter nam de plaats in, welke Sander ledig liet, en voelde den pols van Klaartje, die nog geen bewijs had gegeven dat zij onze komst bespeurd had en met het gelaat naar het schot gekeerd lag. Ik nam onderwijl Sander in een hoek van het vertrek en fluisterde hem in 't oor:

"Haar vader is gekomen."

"God! ook dit nog!" zeide hij, en bedekte zich het gelaat met beide handen.

"Zou zij in staat zijn, hem te zien?"

"Ach! wat zou het baten? zij kent niemand—zelfs mij niet."

"Koorts af!" zeide de Dokter, opstaande: "bedaarder ... meliora symptomata ... gerstewater drinken ... citroensap ... likkepot zenden ... morgen weerkomen...."

"Zou 't mogelijk zijn!" riep Sander uit, verheugd toetredende: "bevindt zij zich inderdaad beter?"

"Nog zwak," zeide de Dokter: "versterking ingeven.—Recept schrijven!"—Dit gezegd hebbende, haalde hij een papier uit den zak en ging zijn voorschrift opschrijven.

"Klaartje!" hernam Sander, zich over het bed heenbuigende: "herkent gij mij niet?"

Klaartje lichtte bij deze toespraak even het hoofd op en keek om, zoodat ik haar vlak in het aangezicht zag. Zij had nog schoone en regelmatige trekken; maar de fletsheid der wangen en de lichtroode strepen en vlekken onder de oogen en langs den neus getuigden dat een ongebonden leefwijze, nog meer dan de ziekte, haar vroegere bekoorlijkheden vóór den tijd had doen vervallen.

"Waar ben ik?" vroeg zij met een flauwe stem, zich met de vlakke hand over het voorhoofd wrijvende: "hoe kom ik hier? Ik ben hard ziek geweest, geloof ik:—maar nu is het beter: ik wilde wel wat drinken."

"Hier hebt gij drinken," zeide Sander, haar een kommetje aan den mond brengende: "bevindt gij u waarlijk beter, mijn liefste?"

"Zoo! zijt gij daar nog, Sander?" hernam zij: "dat is goed:—maar hoe kom ik toch hier?—Ik ben wat in de war geweest en heb veel geleden ... maar 't is zonderling: ik voel nergens pijn meer."

Niettegenstaande de verklaring van den geneesheer, kon ik niet deelen in de betere hoop, die hij Sander had ingeboezemd. Dat ophouden van alle pijn, gevoegd bij den strakken blik der half gebroken oogen, scheen mij een onrustbarend kenteeken te zijn, en ik begon te duchten, dat Helding zijn dochter slechts zou terugvinden om haar terstond weder te verliezen.

"Wie is die Heer?" vroeg zij, op mij wijzende.

Ik beschouwde deze vraag als geschikt om er aanleiding uit te ontleenen, ten einde haar op het bezoek haars vaders voor te bereiden, en voorkwam dus het antwoord, dat Sander geven wilde.

"Ik kom uit Amsterdam," zeide ik, "en heb een boodschap voor u, van iemand, die u van harte liefheeft."

"Iemand in Amsterdam ... die mij liefheeft!" herhaalde zij met een uitdrukking van twijfel en smart: "wie is er, die mij liefheeft in Amsterdam?—O God! er is wel een geweest, die het mij gezegd heeft ... maar hij was een verleider ... hij was de oorzaak van mijn verderf en ellende."

"Hij, van wien ik spreek," vervolgde ik, "is iemand, die nooit als uw welzijn beoogd heeft. Bedenk eens wel: is er niemand in Amsterdam, wien natuur en plicht beide u voorschrijven lief te hebben en het verdriet te vergoeden, dat gij hem veroorzaakt hebt?"

"Wat!" zeide zij, met verheffing van stem: "van mijn vader komt gij! van mijn vader!... hoort gij Sander?... die Heer komt van mijn ongelukkigen vader!—en denkt hij nog aan zijn slechte, nietswaardige dochter, die hem zooveel verdriets heeft gekost?—En weet hij, dat ik nog leef?—O! het ware immers veel beter, dat ik dood ware,—dan behoefde hij geen leed meer te gevoelen over een schepsel, dat niets dan schande over zijn eerlijken naam heeft gebracht."

"Meisje!" zeide ik: "onze Vader in de Hemelen is lankmoedig jegens hen, die berouw toonen: en moet uw aardsche vader dat voorbeeld niet volgen? Gij zijt nooit uit zijn gedachten geweest en hij verlangt niets vuriger, dan u aan zijn hart te drukken en alles te vergeven." Zij weende:—Sander weende: ik was mede diep ontroerd, de Dokter borg zijn recept in een groot lederen zakboek en zeide, terwijl hij opstond: "geen gevaar ... ouden Heer roepen ... gerust hier komen."

"Wie? welke oude Heer?" vroeg Klaartje met levendigheid.

"Zoo uw vader zich hier bevond," zeide ik: "zoudt gij dan kracht genoeg bezitten om hem terug te zien?"

"Mijn vader!—Hier? O God! laat ik hem nog eenmaal vergeving bidden en dan sterven.—Maar neen: dat is niet mogelijk."

"Zie of het mogelijk is," zeide ik, terwijl op hetzelfde oogenblik de Arts terugkwam, gevolgd door Pulver, die Helding geleidde, daar deze werk had om zich staande te houden, zoo beefde hij.

"Waar is zij? Waar is mijn kind?" riep de oude man, terwijl hij met uitgestrekte armen en wankelende knieën het vertrek binnentrad. Zij was half opgerezen in haar bed, en het was slechts met moeite, dat Sander haar kon terughouden er uit te springen, om zich aan de voeten haars vaders te werpen. Helding viel haar om den hals en snikte luid.

"Vergeving, mijn vader!" was alles wat zij uit kon brengen, terwijl Sander, van aandoening overstelpt, zijn gelaat in de handen verborg.

"Verduiveld!" zeide Pulver, zich een traan uit het oog wisschende, "ik zit liever een heelen nacht bij slecht weer in de bramzaling, dan dat ik zoo iets bijwoon."

"Hou u maar bedaard, kindlief!" zeide Helding, terwijl zijn eigen stem beefde: "God zij geloofd, dat ik u weerom heb: wij zullen over het verledene niet meer spreken en alleen over de toekomst denken: maak maar spoedig weer beter te worden, dan gaat gij met mij weer naar Amsterdam en wij zullen een stil en genoeglijk huishouwentje hebben, als vanouds."

"Neen Vader!" zeide zij, treurig het hoofd schuddende: "naar Amsterdam terugkeeren, dat zal niet gaan—ik voel hier iets" (op haar hart wijzende) "dat mij zegt, dat het met mij niet lang meer zal duren. O! wie had mij ooit dien onverdienden zegen durven voorspellen, dat ik nog voor mijn dood mijn vader zou terugzien en dat hij zich mijner ontfermen zou? Helaas!" vervolgde zij, hem beschouwende: "uw haren waren niet grijs toen ik u verliet.—Wee mij! ik heb dat verdriet u veroorzaakt!—Maar vaderlief! Gij moet ook een vriendelijk woord tot Sander spreken: hij heeft mij te Harlingen teruggevonden en, ondanks al mijn slechtheid, had hij mij nog lief en wilde mij met zich nemen, hoewel ik hem zeide, dat ik zijn liefde door mijn wangedrag verbeurd had: en hij heeft mij in mijn ziekte niet verlaten, maar zoo trouwhartig opgepast, als geen baker beter had kunnen doen."

"Sander Gerritsz!" riep Helding verbaasd uit, toen de jongeling hem met een treurigen blik aanzag.

"Sander Gerritsz!" herhaalde Pulver, niet minder verwonderd.

"Sandertje! wat drommel!..." Hier zweeg hij, daar ik hem toewenkte, dat hij zich niet met de zaak bemoeien zoude.

"Sander Gerritsz!" herhaalde ook de Dokter, als scheen hij zich dien naam insgelijks te herinneren: en te gelijk een andere portefeuille, dan die, waarin hij zijn recepten borg, voor den dag halende, begon hij in de daarin vervatte papieren te snuffelen.

"Ach! mijn goede Monsieur Helding!" zeide Sander: "UEd. weet, ik heb haar altijd lief gehad. Ik zou haar ook gaarne tot vrouw genomen hebben, niettegenstaande al wat er gebeurd is;—maar de Heer Huyck weet, dat ik hier niet kan blijven, dat ... in 't kort, dat het beter voor haar is, dat zij met haar vader naar Amsterdam terugkeert."

"Ja mijn hartje!" zeide Helding: "keer met mij naar huis: wij zullen wel wat voor u vinden: ik heb nog veelvermogende beschermers, die ons niet in den brand zullen laten: daar is de waardige Heer Huyck ... daar zijn de Heeren Blaek...."

"Blaek!... Blaek!..." herhaalde Klaartje, met een uitdrukking van afgrijzen: "liever leed ik het ergste, wat een mensch kan overkomen, dan dat ik aan iemand, die Blaek heette, iets te danken had."

"Hoe!" riep Helding: "wat hebben die Heeren u toch gedaan?"

"O! spreek er mij niet van," hernam Klaartje: "is niet Lodewijk Blaek de bewerker van mijn ongeluk? Heeft hij niet, toen de goede Sander het zeegat uit was, mij met een zoet praatje verleid, en mij overreed om mijn braven, besten vader te verlaten? Heeft hij mij niet, arm en naakt, in schande verlaten en gedwongen, daar ik niet te huis durfde keeren, om ... O God!"

"En waarom durfdet gij niet tot mij terugkeeren?" vroeg Helding: "wist gij dan niet, dat het hart van den ouden man altijd voor u openstond?"

"Lodewijk Blaek!" mompelde Sander: "was hij de schurk die u bedierf?—O! dat ik hem hier had, om hem zijn laagheid betaald te zetten!"

"Ach! ik schaamde mij zoo, terug te keeren," zeide Klaartje: "en daardoor ben ik van kwaad tot erger gevallen ... en zoo is het dat ik sterven moet, zoo jong nog en door mijn eigen schuld!—Maar ik heb vergiffenis ontvangen van die twee, die ik het meest beleedigd heb, van mijn vader en van mijn goeden Sander—en dit vertroost mij.—Ween niet, Sander! het is zoo beter:—toen ik, op uw verzoek, Harlingen verliet, was ik nog loszinnig en dacht alleen om het geluk van weer met u te zijn; maar thans heb ik een beter inzicht verkregen ... ik was niet waardig, uw vrouw te zijn—en ik moest geen schande brengen in het huis mijns vaders:—het is voor mij, voor u beiden beter, dat ik sterve."

"Foei! zoo moet gij niet spreken," zeide Helding: "nietwaar Dokter?"

"Wel neen!" antwoordde deze, zijn papieren weder bergende: "niet sterven—weder gezond worden—niet zooveel praten!—femina animal loquax—te veel vermoeien.—Hm! Zonderling—Sander Gerritsz—dien naam meer gehoord—hm!—brief van den Drost—zeeroof—inbreken—Jaco—niet vinden—thuis liggen—hm!" Deze laatste woorden sprak hij slechts halfluid en mompelend uit, zoodat zij door de meesten, die te veel met Klaartje bezig waren om op hem te letten, niet of slechts half verstaan werden.

"Kom!" zeide ik tegen de zieke: "gij moet u zoo ongerust niet maken, noch u het ergste voorstellen: tracht wat te slapen; want gij hebt rust nodig. Wat dunkt U, kapitein! zoo wij die goede lieden eens alleenlieten. Ons bijzijn is hier toch overbodig."

"Ja, zeide de Dokter: "hier te vol—rust noodig—ik ook weg—veel drukten—likkepot bereiden—archief nazien—zieken bezoeken—twee klisteeren—aderlating—twee boeren overhoop liggen—brief aan den Drost schrijven—Maaike Jansz linkerarm gebroken—heengaan."

Met deze woorden vertrok hij: ik volgde hem met Pulver, en weldra vervoegde zich ook Sander bij ons, die waarschijnlijk gevoelde, dat de bescheidenheid hem gebood vader en dochter een wijl alleen te laten. Op de opene plaats echter, die de twee woningen vaneenscheidde, hield Pulver hem staande.

"Nu zel je mij toch niet ontkennen," zeide hij: "dat je Sander Gerritsz bent en dat ik je op het buiten van Mevrouw Van Bempden heb gepraaid."

"Stil wat!" fluisterde ik, bevreesd, dat de Dokter, die juist de herberg intrad, hem hooren zoude.

"Neen voorwaar niet, mijn goede Schipper!" antwoordde Sander, hem de hand toestekende: "maar laat het tusschen ons blijven. Ik heb dien naam sedert lang, en om billijke redenen, laten varen."

"Daar heb je verkeerd aangedaan," hernam Pulver: "men moet zich de vlag nooit schamen, daar men jaren onder gevaren heeft. Wel man! dat verhoopte ik niet, toen ik je daar onder die zeeroovers aan twee ankers vastliet, dat ik je ooit weer in ons land aan boord zou komen: nu! bergen en dalen ontmoeten mekaar niet; maar menschen wel. En waar heb je al gezworven, zooals de ouwe vloo tegen de jonge zei?"

"Ja Schipper! dat zal ik u naderhand wel reis vertellen," antwoordde Sander; "waar ik geweest ben, komt er minder op aan," vervolgde hij met een zucht: "het zal eerder te bezien staan, waar ik heen moet: hoewel ik verklaar, dat het mij in deze treurige oogenblikken vrij onverschillig is."

"Ja!" zeide ik, hem terzijde trekkende: "gij moet op uwe hoede zijn. Die Dokter is tevens Substituut van den Drost, en, voor zooveel uit 's mans woorden te verstaan is, maak ik op, dat hij reeds berichten omtrent u heeft, en dat dit eiland u geen veilige schuilplaats biedt."

"Ik wijk niet van hier, zoolang Klaartje in dezen toestand blijft," zeide Sander; "en wat dien meester Doedes aanbelangt, ik ben juist niet erg voor hem beschroomd: ik weet nog wel een huismiddeltje, om hem de oogen te doen dichtknijpen."

Dit zeggende opende hij de deur der herberg, waar wij binnentraden en den Dokter reeds vertrokken vonden.—Ik verzocht Reynszen, zorg te dragen voor een goede waakster om de zieke op te passen; waarop hij mij verzekerde, dat zijn vrouw en dochter zich reeds bereid hadden verklaard, die taak op zich te nemen, en dat overigens niets ontbreken zou om haar toestand zooveel mogelijk te verzachten.

Niet ongenegen een weinig lucht te scheppen, sloeg ik aan Pulver een wandeling voor, waarop wij onze zaken zouden kunnen bepraten. Wij begaven ons, na van Sander afscheid genomen te hebben, het strand langs, en ik vroeg hem, wat er al zoo geëischt werd en hoe wij best ons goed terug zouden krijgen en geschillen of processen vermijden.

"Ja!" antwoordde hij: "wat zal ik veel zeggen? Wie in de schuit is, moet meevaren: en het helpt niet of men tegen dat volkje hier met grof geschut aan boord komt en hen bedreigt met de Commissarissen tot de Pilotage of met Gecommitteerde Raden; want daar geven zij al zooveel om als een walvischhaalder om een dooie schelvisch. Ze liggen hier buiten schoots, weet je! en storen er zich niet aan, of zij brieven en bevelen krijgen: hebben is hebben, denken zij: en wil je niet naar hun pijpen dansen, dan leeren zij het je tot je schade: ik heb nog liever met royale zeeroovers te doen dan met zulk slag van volk. Daar ligt nu de Hyson en Souchong in het pakhuis: en ik heb niet later dan van morgen een kattebelletje ontvangen van Schipper Holmfeld, die op de ree van 't Vlie ligt; dat hij die met alle gemak bergen kon en ze meenemen naar Kopenhagen: een gelegenheid, zoo schoon als men wenschen kon; maar nu wil die verbruide Strandvonder de waren niet laten volgen dan tegen een derde van de waarde voor bergloon; terwijl hem volgens alle ordonnantiën en costuymen niet meer dan zes twintigsten kunnen toekomen."

"Zoo hij al eens recht heeft op zooveel," zeide ik: "want er is hier minder quaestie van geredde, dan wel van geborgen goederen; daar gij met de equipage bijna alles gedaan hebt.—Intusschen, indien het daarmede gedaan ware ... het is ons veel waard, ons goed terug te bekomen."

"Dan is er," vervolgde Pulver: "nog een klein bagatelletje bij van anderhalf percent voor den Strandvonder, en nog een rekening van onkosten, voor gebruikte schuiten en wagens en gegeven fooien, daar een mensch de oogen van overloopen."

"Dat is toch wat grof," zeide ik: "want waar vraagt men het eenderde bergloon voor, indien men nog een extra-rekening maakt voor onkosten?—Maar kunnen wij, de quaestie over het bedrag daarlatende, de goederen niet loskrijgen onder borgstelling?"

"Wel ja! zeide Pulver: "reken daarop (zooals de schoolmeester zei, toen hij den jongen een schellingskoek in plaats van een lei in de hand stopte). Zij zullen geen goed laten volgen, voor en aleer er een volkomen afrekening heeft plaats gehad."

"Dat zullen wij dan zien," hernam ik. "Wanneer vertrekt die Deensche schipper?"

"Zoo ras er goede gelegenheid is: en, gelijk ik het weer aanzie, schiet de wind al meer en meer uit en zal hij niet lang meer op zijn ligplaats blijven. Hij heeft mij zelfs bericht, dat, zoo hij eenigszins kon, hij naar Maklijk-Oud zou opzeilen en dan onze thee in 't voorbijgaan innemen."

"Voortreffelijk! zorg dan, dat gij in allen gevalle morgenochtend een vaartuig bespreekt, om de lading in te schepen en over te brengen: ik zal ondertusschen met den Strandvonder spreken, en zien, wat ik van den vent gedaan kan krijgen."

Aldus ons plan gemaakt hebbende, zetteden wij onze wandeling nog een eindweegs voort, over onverschillige zaken pratende, tot wij het dienstig vonden terug te keeren. Nauwelijks waren wij het dorp weder binnengetreden of ik zag den gewichtigen man, die de betrekkingen van Substituut-Drossaard en Geneesheer vereenigde, uit een der huizen voor den dag komen, en, zoodra hij ons gewaarwerd, zijn koers tot ons richten.

"Als UEd. dien man tot vriend kunt maken, zal alles goed gaan," zeide Pulver: "hij is hier zooveel als de admiraalswimpel, waar alles naar kijkt, die meester Doedes: en zij moeten wel ontzag voor hem hebben: want zetten zij hem den voet dwars, en knijpt hij ze niet als Drost, dan pepert hij het hun in als Dokter."

"Gevonden!" zeide Doedes (gelijk ik nu vernomen had dat 's mans naam was), zoodra hij ons zag: en meteen klopte hij op zijn zak: "goed geheugen—Monsieur Weerglas—Sander Gerritsz—struikroover —zeeschuimer—brief van den Drost—knevelen—naar den vasten wal zenden—hm!"

"Wat zegt UEd.?" vroeg Pulver, eenigszins verschrikt: "Is Sandertje een roover?—Och! dan heeft die verbruide Don Manoël het op zijn rekening; want beter kalf van een jongen heb ik nooit aan boord gehad: maar zoo gaat het: wie met pek omgaat, wordt er mee besmet."

"En zijn uw orders zoo gestreng?" vroeg ik, niet zonder eenig leedwezen te gevoelen over het lot, dat Sander boven 't hoofd hing.

"Orders, hm! hm!—Terschelling een vrijplaats—refugium—Staten niet achten—vervallen privilegium—orders gestreng."

Ik zweeg en begreep dat het beter voor mij was, dit punt niet verder aan te roeren. Vooreerst had ik er overvloedig mijn bekomst van, om mij met eens andersmans zaken te bemoeien: en, ten tweede kwam het mij voor, dat meester Doedes, ondanks zijn beslissenden toon, het nog maar half met zichzelven eens was, of hij het oude recht van vrijplaats, waar Terschelling aanspraak op maakte, al dan niet zou eerbiedigen, en achtte ik het, als Zoon van den Hoofdschout, ongepast, mij in een geschil van zoo teederen aard te mengen, 't welk mij later waarschijnlijk kwalijk zoude genomen worden. Ik vond het dus verkieslijker, den man over mijn eigen zaken te onderhouden, en deelde hem in korte woorden de redenen mijner komst en den onhebbelijken eisch des Strandvonders mede.

"Hm!" zeide hij, het hoofd schuddende: "gaat den Strandvonder aan—mij niet—u voor Schepens beklagen—goed recht uitspreken!"

"Ja," zeide ik, "maar ik zou liever de zaak zonder vonnis in den minne zien te vinden, en daarom wenschte ik uwe tusschenkomst in deze in te roepen."

"Hm!—mij niet in moeien—mijne zaken niet—maar—als de zaak in orde is niet vergeten:—tiende penning mij betalen—ten profijte der gemeente—oud recht van Terschelling—hm!"

"Hoe," riep ik: "nog meer exacties! dat recht is immers afgeschaft bij een besluit van HH. Staten?"

"Hm! edict van 12 December 1663—gekheid—Staten hun macht te buiten gegaan—hm!—volhouden."

"Hoe!" riep ik: "gij, die hier den Drossaard vertegenwoordigt, zoudt u kanten tegen een edict der Staten, waarbij een middeleeuwsche vexatio paal en perk gesteld is?"

"Hm!—Drost—Enkhuizen—nooit hier komen—geld trekken—niets uitvoeren—Doedes al het werk doen—Staten oude wijven—het eiland niet kennen—makkelijk besluiten nemen in Den Haag—Terschelling zware lasten—vele rampen—schrale verdiensten—leven wagen bij schipbreuken—qui onera—etiam fructus."

"Ik wil gaarne toegeven," hernam ik, "dat de brave lieden, die het hunne hebben gedaan om bijstand te bieden aan de manschap van de Fortuin, of die tot het bergen der lading hebben medegewerkt, aanspraak hebben op belooning: en die zal hun ook geworden, maar ik zal nooit toestemmen in de verplichting om zulke hooge bergloonen te betalen als van ons gevorderd worden, noch recognitiegelden, die afgeschaft zijn; en zoo de Strandvonder geen rede verstaat, dunkt mij, dat gij, Mijnheer! mij recht moet verschaffen, en althans niet, bij reeds bestaande, een nieuwe exactie voegen."

"Hm!—Zaak van den Strandvonder—geen belang er bij—negotium a me alienum—voor de Rechtbank—zeven Schepenen—goed recht—naar huis gaan."—Met dit bescheid verliet hij ons en begaf zich binnen zijn woning waar wij op dit oogenblik voorstonden.

"Goed recht!—Ja, dat kan UEd. denken," zeide Pulver: "wij komen bij den duivel te biecht. Met dat al, ik geloof, dat zoo UEd. den man een kleine fooi voor zijn beleefdheid beloofd hadt...."

"Dat in eeuwigheid niet," zeide ik: "denkt gij, dat ik de Justitie om wil koopen?"

"Nu!" hernam Pulver: "wij zullen zien wat er van wordt, zei de blinde, en hoe UEd. met Reynszen varen zult...; maar, dat Sandertje een roover geworden is, dat spijt mij tot in mijn ziel."

Hier waren wij aan de herberg terug, en ik trad nu met den Strandvonder in onderhandeling; doch ook hier vond ik het onmogelijk om den man af te brengen van zijn eisch, die, volgens hem, op goed recht en oude herkomsten steunde: zoodat ik, daar ik toch verlangde de thee te verzenden, per slot nog blijde was, hem in mijn voorstel te zien treden, om het gevorderde, gelijk ook de 10 pct. recognitie, onder protest te betalen, terwijl Pulver, die inmiddels volgens afspraak een schuit was gaan bestellen, terugkwam met de tijding, dat de hoeker Kjöbenhavn, Schipper Holmfeld, zich reeds in het Maklijk-Oud bevond.

· · ·

Herkomst van de tekst: een negentiende-eeuwse uitgave van het werk van Jacob van Lennep. Spelling ongewijzigd.