Jacob van Lennep · Ferdinand Huyck · 1840
Vier-en-dertigste hoofdstuk (1 van 2)
WAARIN VERHAALD WORDT, HOE DE THEE AAN BOORD VAN DE KJÖBENHAVN WERD GEBRACHT, EN DEN LEZER VELE VERRASSINGEN WORDEN VOORBEREID.
De toestand der zieke, waarvan Helding mij van tijd tot tijd bericht kwam geven, was intusschen niet verbeterd: zij scheen van uur tot uur zwakker geworden en de kenteekenen eener spoedige ontbinding begonnen zich te vertoonen. Haar geest bleef echter helder en opgeklaard, en zij had zich met meer kalmte dan zich verwachten liet, met den Predikant onderhouden, die op haar verlangen haar was komen bezoeken. Sander, die bij den Drost was ontboden geweest, was van daar teruggekeerd en week niet van haar sponde; terwijl de vrouw en dochter van Reynszen bij afwisseling bij haar waren en met alle hartelijkheid die diensten bewezen, welke een vrouw meer dan een man in staat is waar te nemen: ja zelfs aangeboden hadden den nacht bij haar op te zitten.
Hoewel voor Helding een bed in een afzonderlijk vertrek gereedgemaakt was, verkoos hij, gelijk niet te verwonderen was, den nacht in de ziekekamer door te brengen. Wat mij betreft, ik begaf mij met Pulver, nadat wij het avondeten gebruikt hadden, in de ons aangewezen slaapkamer, waar wij ons in twee tegenover elkander geplaatste bedsteden ter ruste schikten. Ik was echter ook thans niet bestemd, die ongestoord te genieten: althans, nauwelijks was ik onder de dekens gekropen, of een luid gepraat, gevloek, gezang en geloop, dat mij zoo duidelijk in de ooren klonk alsof het in mijn slaapvertrek plaats had, schonk mij de onaangename overtuiging, dat mijn bedstede allernaast den zoogenaamden gemeenen haard gelegen en daarvan slechts door een dun beschot was afgescheiden. Voorts bleek het mij, dat de herberg bezocht was door een aantal varensgezellen en visschers, die zich vrij luidruchtig aanstelden en wier gemeene taal verward dooreen klonk. Onder die stemmen was er een, welke het mij voorkwam meer te hebben gehoord; doch ik kon mij niet te binnen brengen, waar en wanneer zulks had plaats gehad. Dit alles hield mij uit den slaap, en ik kon niet nalaten, het lot van Pulver te benijden, die, meer verwijderd van het gedruisch, of beter daaraan gewoon, was ingeslapen zoodra hij de veeren geroken had, en met een luide basstem lag te snorken. Ik troostte mij echter met de gedachte, dat die drukke gasten niet den geheelen nacht in mijn nabijheid blijven maar ook weldra hun kwartier zouden zoeken, en besloot inmiddels geduld te nemen.
En inderdaad, langzamerhand dropen de gezellen één voor één af, en hoorde ik Reynszen elk op zijn beurt een goeden avond wenschen: zij waren allen op één na weg, toen de laatst overgeblevene, dezelfde, wiens stem mij bekend voorkwam, tot den waard begon te spreken:
"Wel! hoe is 't? Is die vent met zijn duffelsch buis hier niet meer, die met die bleeke meid is komen andwalen?"
"Jawel!" antwoordde Reynszen: "maar ik weet niet, of hij jou nu wel te woord zal staan; want zen liefste is dan maar erg ziek. 't Zal krap an zijn, as ze den morgen haalt."
"Dat d.... niet. Zeg hem, dat hij hier komt, dat Andries er is, en hem spreken moet."
"Andries!" herhaalde ik bij mijzelven, terwijl het koude zweet mij over het lijf liep, en ik verwonderde mij niet langer, dat mij de stem bekend was voorgekomen. Ik ging recht overeind zitten en spande mij nu zoozeer in om te luisteren en geen woord te verliezen, als ik vroeger mijn best gedaan had om niet naar het gepraat te hooren.
"Nu, ik wil hem wel roepen," zeide de waard: "maar toch ik twijfel, of hij hier zal komen. Met deze woorden verliet Reynszen het voorvertrek. Andries bleef met de vingers op tafel trommelen en een liedje neuriën, terwijl ik geheel ontroerd over het zonderlinge toeval, dat mij opnieuw in de nabuurschap bracht van een zoo gevaarlijken fielt, bij mijzelven overdacht, of het ook raadzaam zou wezen, hem aan te geven. Spoedig echter hoorde ik de deur, welke naar het achterhuis leidde, weder opengaan.
.Wel!" klonk de stem van Andries den binnenkomende te gemoet: "lag je vertuid, dat je zoolang noodig hadt het anker te winden?"
"Wat wilt gij?" vroeg Sander met een sombere stem.
"Wat ik wil?—Wel nu nog fraaier! Hebben wij geen afspraak gemaakt om mekaar hier te praaien! En waarvoor ben je anders hier angeland?"
"'t Is waar!" antwoordde Sander met een diepen zucht: "maar het is al verklikt, dat ik hier zou komen. Ik ben bij den Drost ontboden geweest...."
"Welnu! En hij heeft u weer laten afzeilen; anders zou je nu niet hier met mij spreken:—wat wou hu?"
"Hij heeft mij te kennen gegeven, dat hij in last ontvangen had, mij in verzekering te nemen: maar tevens dat dit eiland vanouds een vrijplaats was voor zoodanigen, die hier stil verkozen te leven en borg stellen voor hun goed gedrag."
"Bij ()," zeide Andries: "wij zouden borg voor elkaar kunnen wezen."
"Ik heb hem een goeden borg op tafel gelegd," hernam Sander: "en die heeft hij ter griffie gedeponeerd: zoodat wij als beste vrienden gescheiden zijn."
"Bij mijn zolen," zeide Andries: "ik zou hem ook zulk een borg willen geven; maar, dan is het eerst noodig, dat ik die zelf ga koopen:—en daarover moeten wij nu samen scheepsraad beleggen."
"Ik dank u," zeide Sander: "ik heb reeds genoeg op mijn rekening, en begeer mijn zondenregister niet te vergrooten.
"Hoe! wat!" riep Andries uit; "is de man een kind geworden? Zet () die grillen uit den kop: neem een glas brandewijn en verzuip daar alle viezevazen in. Ga zitten vent! Denk je, dat ik hier ben ten anker 'ekomen om bot te vangen?"
Er was een oogenblik stilte: ik hoorde stoelen verschuiven, en bemerkte, dat beiden zich aan de andere zijde van het beschot, dat ons scheidde, hadden geplaatst.
"Jongen!" zeide Andries: "er is zulk een schoone zaak voor ons te doen. Dat pakhuis ... ik ben er heen gelaveerd ... met eenen trap ligt de deur in ... kostelijke thee man, en geen averij: en Joosje ligt met zijn aak in de haven. In een ommezien is het voort, zonder dat iemand lont ruikt of vermoedens op ons heeft."
"Dat zal nooit gebeuren!" zeide Sander: "die Huyck is een braaf slag van een kerel, en ik zal niet dulden, dat iemand de hand slaat aan 't geen hem toekomt."
"Huyck zeg je? Welke Huyck?" vroeg Andries, blijkbaar verwonderd.
"De zoon van den Hoofdofficier," antwoordde Sander: "hij is gisteren gekomen en logeert hier in de herberg."
"Te droes! doet hij?—Wel dan zou ik een dubbelen trek in de zaak hebben; want ik heb met dien verbrusten zandhaas nog een ouwe afrekening te houen—en zoo ik hem op de eene of andere wijze averij bezorgen kan, ik zal het, de d.... haal mij, niet laten."
"Gij zult wel," zeide Sander: "of wij worden kwade vrienden."
"Nu! dan wat anders," hernam Andries: "ik bedank om mij hier te vertuien: en dien meester Doedes vertrouw ik zooveel als een verrotte plank en heb ook geen plan hem anders als het voormarszeil te betalen. Hij zal, als hij onze borgtochten beetheeft, er net zooveel consciëntiewerk van maken om ons uit te leveren, als ik om dit glas brandewijn te drinken. Hoor! ik weet iets dat ons er uit helpt. De pleit is hier toch van het schip en wij moeten zien hoe wij verder komen. Nou is er van avond een hoeker op Maklijk-Oud voor anker gekomen, die wel niet voor overmorgen het zeegat uitgaat. Wat dunkt je, zoo wij die eens een bezoek brachten en de reis op eigen gelegenheid deden?"
"Hoor Andries!" zeide Sander: "Ik ben hier gekomen, 't is waar, om met u en de overige makkers te overleggen, wat ons te doen stond; maar ik ben van gedachten veranderd: wat gij voorhebt is mij om 't even: ik zal u geen stroobreed in den weg leggen; maar reken niet op mij om u te helpen."
"Wel die en dat, hoe heb ik het met je? Ben je bekeerd of heb je een schat opgevischt?—En zou je ons nou verraaien, nou we je hulp het meest noodig hebben?"
"Ik herhaal, dat ik u niet verraden zal, maar stil uw gang laten gaan: dit moet u genoeg zijn. De reden, waarom ik mij niet, ais vanouds, aan uw hoofd stel, is u, dunkt mij, tamelijk onverschillig. Ik wil niet, en daarmee uit."
"Brui naar de pomp," zeide Andries, wrevelig: "heeft die sloerie je omgepraat: 't is er ook een lievertje naar!—En hoe wil je, dat ik zulk een boodschap an de maats overbreng? Zij zullen het immers niet 'elooven. En wat koers zel je dan verder houen? Of ben je een stille verklikker 'eworden."
"Wat ik doen wil, of doen zal, is mijne zaak," zeide Sander: "ik heb gehoord, wat gij te zeggen hadt, en wensch u goeden nacht:—ik kan mij thans niet langer met u ophouden: vaarwel."—Dit zeggende stond hij op.
"Maar wat deksel! Is het Zwarte Piet, dien ik spreken hoor? of is hij 't niet?" vroeg Andries, oprijzende en hem volgende: "bedenk toch: een spiksplinternieuw vaartuig,—en een rijke vracht—je bent nou zeker wat dingsig onder je baaitje om de ziekte van die seldrementsche meid: maar denk er reis over na, en zoo je er nog toe besluit, geef er mij dan morgen met den dag maar sein van. Wij ankeren zoolang bij...." Hier veranderde zijn stem in een zacht gefluister, hetwelk ik niet verstaan kon. Sander scheen echter geen voldoend antwoord te geven; want ik hoorde ten slotte Andries met een zwaren vloek van hem gaan onder den uitroep van: "je verdijt het? wel ga dan en laat je opknoopen!"—Een oogenblik later hoorde ik hem de voordeur uitgaan, die hij met geweld achter zich toetrok, terwijl ook Sander zich van zijnen kant verwijderde.
Ik bleef de zaak overpeinzen. Naar het weinige, dat ik begrepen had, te oordeelen, kwam het mij niet onwaarschijnlijk voor, dat Andries en zijn makkers het oogmerk hadden, om het Deensche vaartuig te verrassen en prijs te maken: doch het denkbeeld boezemde mij eenige gerustheid in, dat zij die onderneming te gewaagd aanzagen om die zonder de leiding of medehulp van Sander te doen. Ik achtte het ondertusschen mijn plicht, zoowel den Kapitein van het schip als de Overheden op Terschelling te waarschuwen van het gesmeede ontwerp, en het deed mij leed, dat ik het adres van de plaats, waar de booswichten bijeenkwamen, niet had kunnen verstaan. Ook was ik niet geheel zonder bezorgdheid over de koopwaren, die in het pakhuis lagen; doch ik vleide mij, dat daar vooreerst geen aanslag op gedaan zou worden en dat ik in allen gevalle aan Sander een steun zoude hebben om die goederen, al werden zij gestolen, weder terug te bekomen. Lang nog hielden de ontroering over het gebeurde en de overpeinzingen, die daarvan het gevolg waren, mij uit den slaap, totdat eindelijk de vermoeidheid zegevierde en ik het geluk had in te sluimeren. Toen ook was mijn slaap zoo vast, dat de zon reeds hoog aan den hemel stond eer ik ontwaakte. Ik bemerkte dat Pulver reeds was opgestaan, en waarschijnlijk uit bescheidenheid, het vertrek verlaten had zonder mij te wekken. Ik kleedde mij spoedig aan en haastte mij naar het voorhuis, ten einde hem op te zoeken. Ik vond echter noch hem, noch Reynszen; maar op mijn geroep kwam de vrouw van laatstgemelde aangeloopen.
"Zoekt Mijnheer mijn man en den Schipper?" antwoordde zij op mijn vragen: "o heden! die zijn al sedert drie uren aan het pakhuis. Zij wilden Mijnheer niet wakker maken: Mijnheer sliep zoo gerust."
"Een fraaie reden!" zeide ik, eenigszins ontevreden: "denken zij, dat ik hier op Terschelling gekomen ben om te slapen?—En hoe staat het met de zieke?"
"Slapjes!" antwoordde vrouw Reynszen: "het arme schaap zal het niet lang meer maken: och! 't is stichtelijk om te hooren, zoo onderworpen en gelaten als zij is; en de ouwe man is dan danig en danig bedroefd, en de andere ook, zoodat het met geen droge oogen is bij te weunen. Gisteren gaf de meester nogal hoop, dat het schikken zou; maar hedenmorgen had hij er ook al geen zinnigheid in."
"Hoe!—is de Dokter ook al reeds hier geweest?" vroeg ik, hoe langer hoe meer ontevreden op mijzelven, dat ik mij verslapen en op Pulver, dat hij mij niet gewekt had en de noodzakelijkheid gevoelende, van mij terstond naar het pakhuis te begeven: ik legde echter vooraf een kort bezoek af bij de zieke, verzocht aan Helding alles te bestellen, wat hij tot gemak of lafenis mocht noodig oordeelen: en, Sander ter zijde nemende, gaf ik dezen te kennen, dat ik hem een oogenblikje afzonderlijk wenschte te spreken.
"Ik heb gisternacht uw gesprek met Andries gehoord," zeide ik, zoodra wij ons alleen bevonden.
Hij bloosde en zag een wijl voor zich neder: "welnu!" zeide toen, het hoofd met eenige fierheid opheffende, "dan zal UEd. ook gehoord hebben, dat ik genoten weldaden weet te erkennen."
"Dat heb ik," zeide ik "en ik dank u voor de ridderlijke wijze, waarop gij voor mijn thee in de bres zijt gesprongen. Ik beklaag u, arme man, want gij wilt den goeden weg op, en gij weet slechts niet hoe zulks aan te vangen: is het zoo niet?"
"Ach Mijnheer! moet ik het u bekennen?" zeide Sander, terwijl hij weder voor zich zag en het hoofd met weemoed schudde: "UEd. hebt betere gedachten van mij dan ik verdien. Toen ik op dit eiland aanlandde, was het niet met het voornemen om mij te beteren. Het is waar, dat het leven, hetwelk ik in Gooiland leidde, mij tegen de borst stuitte; want ik was niet in de wieg gelegd om een gemeene straatroover te zijn. Neen! het leven en bedrijf in de West-Indien, dat was meer voor mij geschikt: en echter: zelfs daartoe ware ik nooit gekomen, had mij het voorbeeld van Don Manoël niet aangevuurd. Maar hij had aan mijn tot dien tijd toe sluimerende verbeeldingskracht een nieuwen weg aangewezen; hij had mij geleerd, datgene als iets grootsch en verheven te beschouwen, hetgeen ik voorheen zondig en schandelijk gerekend had. Hem te volgen, met hem op den Oceaan te strijden, dood en vernieling aan te brengen, was mij een wellust, een verdienste geworden. Zijn vijanden waren ook de mijnen: en zoo het mij reeds een onvolprezen voorrecht toescheen, als zijn Luitenant zijn manschap aan te voeren, hoe moest mijn hoogmoed dan niet stijgen, toen ik, na zijn vertrek, mij zelf tot opperhoofd verheven zag!—Ik weet, dat het handwerk, dat ik dreef, onwettig en ongeoorloofd was; dat de dood mijn loon was, indien ik gevangen werd:—maar aan een anderen kant: ik was machtig, onafhankelijk, zonder iemand, die mij te bevelen had: ik schatte mij hooger dan een Admiraal; want deze moge de eerste op de vloot zijn, hij mag die vloot toch niet voeren, dan waar Heeren Staten het hem gelasten. Welnu!—het was dat leven, het was die hooge rang, waar ik naar reikhalsde, dien ik weder herwinnen wilde: en ik wilde er Klaartje in doen deelen: want ondanks haar ontrouw, en ondanks al wat er gebeurd is, heb ik haar altijd blijven liefhebben, en de gedachte aan haar was de eenige, die mij soms kwelde, toen ik in de West-Indien was. Het was daarom, dat ik Andries en zijne makkers hier had ontboden: mijn voornemen was—en hij weet het goed die schoelje—om zoo mogelijk een goed zeebouwend vaartuig weg te kapen:—en eenmaal in het ruime sop gekomen, zou ik den weg naar het meer van Maracaibo en mijn oude makkers wel weder hebben teruggevonden."
"En," zeide ik, "om aan uw dwazen, doemwaardigen wensch te voldoen, zoudt gij in koelen bloede de manschap vermoord hebben van het schip, dat gij behoefdet?"
"Dat alles is voorbij," vervolgde Sander, zonder mijn vraag te beantwoorden. "Ik heb Klaartje teruggezien: ik ben getuige van haar lijden, van haar berouw geweest: ik heb gevoeld, dat ik nog te weekhartig was om ... vergeef mij ... een rol vol te houden, die een hart van staal vereischt. Ik heb van mijn voornemen afgezien:—en ik ken mijn makkers genoeg: zij zullen het zonder mij niet durven ondernemen, veelmin ten uitvoer brengen:—zij zullen zich verstrooien:—en de hemel geve, dat ik nooit weer van hen hoore."
"En gij," vroeg ik: "welke zijn uw verdere plannen?"
"Kan ik aan de toekomst denken, zoo lang zij ginds ligt te sterven?" vroeg hij op een eenigszins verwijtenden toon,
"Ja, dat kunt en moet gij," antwoordde ik, na een oogenblik geweifeld te hebben: "gij moet uw leven beteren en dat moogt gij geen oogenblik uitstellen. Gij moet dit land verlaten, waar gij niet langer als een eerlijk man kunt leven, maar de wereld staat voor u open. Ga naar Rusland: daar worden wakkere gezellen als gij, die het zeemanswerk verstaan, met open armen ontvangen: bied daar uw diensten aan en gij zult door de wereld komen: is het al niet in een hooge betrekking, dan althans in zulk eene, welke gij u nimmer behoeft te schamen."
"Gij meent het wel met mij, Mijnheer Huyck!" zeide Sander, met aandoening: "en ik zal uw woorden overdenken; maar verg mij niet, thans reeds eenig besluit te nemen. Ik moet eerst aan Klaartje de oogen sluiten: dan misschien.... God zegene u, Mijnheer Huyck!"
Met deze woorden wendde hij zich af en keerde naar het ziekvertrek terug. Zijn verhaal had een diepen indruk op mij gemaakt.
"Al weder een slachtoffer van kwalijk geplaatste eerzucht," dacht ik bij mijzelven, terwijl ik de herberg verliet: "die Sander had een braaf en nuttig mensch kunnen worden, indien zijn ongelukkig gesternte hem niet het al te verleidelijke voorbeeld van Don Manoël had voor oogen gesteld: en deze zal eens, op den dag des oordeels, behalve zijn eigen schuld, ook de wandaden te verantwoorden hebben, waaraan zich deze ongelukkige heeft schuldig gemaakt."
Aldus peinzende, was ik weldra de bergplaats der gestrande goederen genaderd, en zag van verre den braven schipper, die zweetende en zwoegende zijn matrozen bevelen gaf, terwijl zij onder zijn opzicht de kisten thee op een paar wagens laadden, en Reynszen hen voor de open deur van het pakhuis stond aan te zien. Zoodra Pulver mij in 't oog kreeg, liep hij naar mij toe, roepende:
"'t Is al afgewasschen Patroon! zooals de kajuitsjongen zei, toen hij de hemden van den kapitein overboord had laten vallen: ik heb den deurwaarder van morgen al uit zijn bed getrommeld, en hij heeft een exploit aan Reynszen gedaan, je leven zoo niet ... en het geld betaald ook: en nou gaan wij den boel naar de Kjöbenhavn brengen. Kijk eens, Patroon! 't is een lust om te zien, zoo kurkdroog als de kisten gebleven zijn; er is geen druppel water bij de thee gekomen:—nu in allen gevalle, dat zou aan hem, die ze drinken moet, de moeite van 't zetten bespaard hebben."
"En drink jelui waarachtig dat goed nou te Amsterdam?" vroeg Reynszen, nader tredende: "'t is bylo een rare kost: ik heb 't eens gezien: maar ik zou 't niet lusten."
"Kom! kom!" zeide ik: "mettertijd zult gijlieden er ook wel smaak in krijgen, als 't wat algemeener wordt. Maar wat ik zeggen wilde, Kapitein! gij hebt mij een leelijke poets gebakken, met mij zoo te laten slapen. Ik weet, gij deedt het om bestwil; maar anders: ik ben daar niet op gesteld."
"Och Patroon! je sliep zoo gerust: ik wou je niet wakker maken, zooals de dief zei, toen hij het horloge van den huzarenofficier van het beddetafeltje nam en de officier hem bij de lurven pakte:—en wij konden dat alles immers best afdoen, Reynszen en ik?"
"Met verlof!" zeide ik tegen dezen: "kendet gij de lieden, die gisteravond laat ten uwent waren?"
Herkomst van de tekst: een negentiende-eeuwse uitgave van het werk van Jacob van Lennep. Spelling ongewijzigd.
