Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Jacob van Lennep · Ferdinand Huyck · 1840

Negen-en-dertigste hoofdstuk (1 van 2)

HETWELK BEKENTENISSEN EN STERFBEDDEN AFSCHETST: ZEER MELANCHOLIEK OM TE LEZEN.

"De Heer Blaek verlangt u te spreken," riep Reynszen mij toe.

"Hij zal bakzeil inhalen!" schreeuwde Pulver.

"Hij wil met geen leugen de eeuwigheid ingaan," zeide Helding.

"De Heer Van Lintz is al gewaarschuwd," riep Heynsz.

"Mijne Heeren!" zeide ik, opstaande: "wij kunnen wel allen te gelijk zingen, maar niet te gelijk spreken; mag ik vragen, wat er is voorgevallen, of welke tijding gij brengt?"

"Stil! stil!" zeide Reynszen, tegen de overigen, die opnieuw vooraan drongen: "ziehier het geval. De Heer Blaek heeft een brief van zijn vader ontvangen, die, God vergeve het hem, zichzelven verdaan heeft. Wat het geval recht is, weet ik niet; maar hij heeft verlangd, den geïnculpeerde, benevens den Heer Van Lintz en dien Heer" (op Reynhove wijzende) "te spreken. Ik wensch van harte, Mijnheer Huyck! dat het tot uw voordeel zij: doch ik mag u nog met niets vleien. Wees zoo goed mij te volgen."

Er was geen bevel, waaraan ik met meer bereidwilligheid voldoen kon: ik kleedde mij, en eenige oogenblikken later waren wij allen aan het huis van Doedes, die ons aan de voordeur ontving.

"Hoe is het met den lijder?" vroeg hem Reynszen.

"Hm!" antwoordde hij: "slechte symptomata—brief gelezen—flauwten gehad—gisteren nog druk en woelig—met alles ontevreden—harde bedden—slechte bediening—rijkeluisklachten,—en nu—stil—gedwee—mak als een lam—geen koorts—erger—zwakte—vriendelijkheid—mis—slecht afloopen."

Wij volgden den Drost naar het vertrek van den zieke, alwaar zich de Heer Van Lintz en zijn dochter reeds bevonden, die bij onze komst oprezen en mij zwijgend de hand kwamen drukken. Na een stillen wedergroet, wendde ik de oogen naar de bedstede des gewonden, en ik kon niet nalaten, ondanks de redenen van wrevel, die ik tegen hem voedde, een diep medelijden te gevoelen met den toestand, waarin ik hem terugvond. Dat kort te voren nog zoo forsch en moedig gelaat was geheel ingevallen. Door het strakke vel schenen de beenderen heen, een akelige bleekheid was over het geheele wezen verspreid en de in hun kassen weggezonken oogen van allen glans beroofd. Hij lag achterover, en zoo onbeweeglijk, dat ik hem in het eerste oogenblik voor dood hield: hij scheen echter mijn nadering te bespeuren, draaide het hoofd even naar mij toe en herkende mij: een licht rood bedekte even zijn gelaat: hij wendde het hoofd nog verder om, totdat hij Doedes in 't oog kreeg, en vroeg, met een flauwe stem, of de Notaris nog niet gekomen was.

"Notaris naar Midland"—antwoordde Doedes: "boodschap gestuurd—komen als hij terug is."

Dit verwijl scheen den lijder te hinderen: hij deed eenige moeite om zich in 't bed op te richten: zijn bedoeling bemerkende, trad de oppasster, die hem verzorgde, toe, en met behulp van deze gelukte het hem een zittende houding aan te nemen. Wij stonden intusschen allen met pijnlijk ongeduld te verbeiden, wat de uitslag zijner mededeeling zoude wezen.

"Mijne Heeren!" zeide hij, met een flauwe en bevende stem, die langzamerhand in kracht en vastheid toenam: "ik heb u verzocht, hier te komen. Ik voel, dat het spoedig ... met mij gedaan zal wezen ... en ik wil ... zooveel in mij is, herstellen, wat ik bedorven heb."

Hier hield hij een oogenblik stil, als om nieuwe kracht tot spreken te vergaderen. Allen bleven wij hem zwijgend aanstaren, in gespannen verwachting.

"Het eerste wat ik doen moet," vervolgde hij, "is, hier in tegenwoordigheid van den Voorzitter van Schepenen en van den Drost, te verklaren, dat ik den Heer Huyck valschelijk heb beticht ... en dat hij geheel onschuldig is aan de wond, die mij het leven kost."

"God zij gedankt!" hoorde ik Amelia, met een flauwe stem achter mij uitroepen, en mijn hart zeide haar dien uitroep na.

"Hm!" zeide Doedes: "confessio in articulo mortis: eerst zóó spreken—nu weer anders—moord toch gepleegd—dader op 't kerkhof?"

"Dat zou je wel kunnen raden," mompelde Heynsz, "want Zwarte Piet is begraven, en zoo die het niet gedaan heeft, weet ik niet wie er aan zoude zijn coupabel."

"Och ja!" zuchtte Helding: "op het kerkhof ligt hij naast mijn arm kind!—verleden Maandag heb ik hen beiden ter aarde besteld. Zij zijn in den dood vereenigd, die levend van elkaar gescheiden waren."

"Indien het den zieke niet te veel vermoeide," zeide Reynszen: "zou hij wel eenige nadere inlichtingen aan de Justitie dienen op te geven, dan konnen wij daar acte van opmaken."

Lodewijk knikte met het hoofd ten teeken van goedkeuring, en Reynszen, zich aan een tafel zettende, maakte zich gereed zijn verklaring op te teekenen.

"De Heer Van Lintz," zeide Lodewijk, "zal zich herinneren, mij eenige woorden te hebben toegevoegd, nopens papieren, onder hem berustende, en welke invloed op mijn fortuin konden maken. Ik weet thans, dat die bedreiging niet ijdel was:—maar hierover nader. Genoeg, zij verontrustte mij—en dit was de oorzaak, dat ik hier bleef, ten einde te zien, wat het gevolg daarvan zoude kunnen zijn.—Ik was ongerust, ongedurig, als gejaagd—ik begreep, dat ik in de bewuste zaak een weinig voordeelige rol gespeeld had:—ik had uit blinde wraakzucht tegen den Heer Van Lintz, uit haat en liefde (want ik weet niet hoe het gevoel te bestempelen, dat zijn dochter mij inboezemde) mij verlaagd om een handlanger der Justitie te worden—en zag te laat in, hoe verachtelijk mij zulks in aller oogen maken zoude: kortom! ik was wrevelig en vol spijt; maar, gelijk het gaat, ik beschuldigde iedereen behalve mijzelven, en vloekte op den Heer Van Lintz, op mijn dwazen hartstocht, op Heynsz—maar bovenal op den Heer Huyck, wien ik als mijn doodvijand beschouwde. Ik was naar mijn jacht gekeerd! maar bracht den nacht slapeloos door, en keerde, zoodra het dag werd, naar wal, met een koppel pistolen voorzien, en van zins den Heer Huyck tot een tweegevecht uit te dagen. Hem niet aan de herberg vindende, liep ik het duin in, met het oogmerk van hem op te zoeken, toen ik den persoon van Sander Gerritsz op zijde kwam. Nauwelijks had deze mij aangeblikt, of hij kwam in drift op mij af, en schold mij in hevige bewoordingen voor den moordenaar zijner liefste uit. Weinig lijdzaam van natuur, en wrevelig bovendien wegens al wat er gebeurd was, gaf ik hem een slag in 't aangezicht; waarop hij mij in de borst greep en er een worsteling tusschen ons beiden ontstond, aan welke ik een einde maakte door een pistool uit mijn zak te halen en hem door 't hoofd te schieten. Hij wankelde, maar zijn laatste krachten bijeenzamelende, trok hij zijn mes, stootte het, eer ik het verhinderen kon, mij in den strot, en viel toen stijf achterover, terwijl ik te gelijker tijd bedwelmd nederstortte en niet weer bijkwam, dan toen ik, in 't leven teruggeroepen, den Heer Huyck nevens mij herkende. Toen was het, of mij een helsche geest influisterde, dat ik hem van den moord betichten moest. Ik voldeed aan die inblazing; later deden wraakzucht, haat, valsche schaamte, mij bij mijn verklaring volharden. Maar de ontzettende tijding, die ik heden bekomen heb, en de mededeelingen, mij door mijn ongelukkigen vader gezonden, hebben mij de oogen geopend. Ik heb de hand van God herkend, die het kwaad niet ongewroken laat.—Ik heb van mijzelven geijsd:—en van al de ongerechtigheden, die ik bedreven heb. Gave de Heer, dat ik die alle kon herstellen, gelijk ik deze doe ... en gij, Mijnheer Huyck!... Mejuffrouw!... mijn goede Helding!... vergeeft mij ... opdat God mij vergeve."

Bij het uiten dezer laatste woorden verzwakte zijn stem merkbaar en hij zakte in elkander, als iemand die een poging boven zijn krachten gedaan heeft. Wij traden dichter aan zijn legerstede om hem die geruststelling te schenken welke hij verlangde.—"Ik vergeef u," zeide Van Lintz: "want ik weet bij eigen ondervinding te wel, tot welke uitersten gekrenkte eigenliefde en toomelooze zucht ter inwilliging onzer neigingen ons kunnen voeren. Gij hebt u willen wreken ... ik ken dat gevoel ... ik heb het ook eenmaal ... en te vreeselijk ... ingewilligd." Dit gezegd hebbende, trad hij terug en bleef in sombere gepeinzen staan.

Helding drukte den lijder zwijgend de hand; maar was buiten staat zijn vol gemoed uit te storten. "Ik betuig oprecht Mijnheer Blaek!" zeide ik, op mijne beurt naderende, dat bij mij geen greintje wrok tegen u overblijft; en moge de Algoede u niet alleen zoo volkomen vergeven als ik u vergeef;—maar u behouden om door een oprechten wandel zijn naam te verheerlijken."

"Hm!" zeide Doedes, naderende, en zijn patiënt den pols voelende: "zwak—lassitudo—niet allen hier blijven—heengaan—hm!"

"Wel ja!" zeide Reynszen: "mij dunkt, het is nu alles beklonken: ik heb de verklaring opgemaakt, die de gewonde heeft afgelegd, zoo hij die nog verkiest te hooren en in staat is, die te teekenen, dan zie ik geen zwarigheid, den Heer Huyck onder handtasting te ontslaan; want de depositie van Andries Matthijssen is bij mij ook geen oortje waard en naar hetgeen onze vriend Heynsz vertelt, loopt hij meer kans zelf de galg te kussen, dan er anderen aan te helpen."

Lodewijk, eenigszins bijgekomen zijnde, toonde zich bereid, de verklaring te hooren lezen, en te teekenen, een daad, welke hij, schoon met moeite, ten einde bracht. Toen wilden wij afscheid van hem nemen en ons verwijderen, maar hij gaf te kennen, dat zijn gemoed nog niet geheel ontlucht was en dat hij nog iets met den Heer Van Lintz had af te handelen, waarbij echter alleen Reynhove en ik getuigen mochten zijn, weshalve hij verzocht, dat al de overigen het vertrek zouden verlaten.

Toen men aan zijn verlangen voldaan had, bleef hij nog een wijl op de deur staren, als vreezende, dat iemand het in zijn hoofd mocht krijgen, terug te keeren, en zich tot Reynhove wendende: "schuif den grendel dicht!" zeide hij met een ongeduldige beweging: "en gij, Huyck! schenk mij dat glas nog eens vol ... mijn lippen branden."

Ik bood hem het gevulde glas aan: hij dronk het met langzame teugen ledig, terwijl wij elkander aanzagen, niet zonder nieuwsgierigheid, waar dit alles op zoude uitdraaien. Eindelijk zette hij het glas neder, haalde van onder zijn dek een papier voor den dag, hetwelk hij tusschen de vingers frommelde en, Van Lintz aanziende, begon hij in dezer voege:

"Gij hebt mijn vader vroeger gekend, Mijnheer?"

Van Lintz beantwoordde deze vraag met een koele buiging.

"Gij hebt waarschijnlijk vernomen, hoe zijn uiteinde is geweest," vervolgde Lodewijk: "maar wat gij noch iemand weet, hetgeen ik zelf eerst op dit oogenblik vernomen heb, is het zielelijden, waarmede hij zoovele jaren geworsteld heeft, en dat hem thans het leven gekost heeft. Het is echter nuttig, dat gij drieën hiermede bekend zijt, opdat gij ten minste bij anderen, die geneigd mochten zijn, over hem een onbarmhartig vonnis te vellen, de getuigenis zoudt kunnen afleggen, dat hij meer te beklagen dan te veroordeelen was. Lees dezen brief overluid, Huyck!—en gij zult beseffen, welke uitwerking hij op mij maken moest."

Ik nam het papier van hem aan en las. Het was de brief, dien Reynhove had medegebracht, en de inhoud luidde als volgt:

"Wanneer gij dezen brief ontvangt, mijn zoon! zal uw vader voor den rechterstoel des Allerhoogsten verschenen zijn:—en, zoo de wroeging van een sedert vijftien jaren gefolterd geweten mij dringt, dit leren te verlaten, gij, ongelukkige! gij, die alleen in staat zoudt geweest zijn, mij de rust terug te geven, en mij met het leven te verzoenen, gij verhaast den stap, die mij de eeuwigheid invoert.

"O! dat ik vroeger gesproken had! Wellicht zoudt gij aan mijn raad, aan mijn wensch hebben gehoor gegeven en het hart pogen te winnen van haar, die ik voor u bestemde. Een huwelijk tusschen u en uwe nicht had alles vereffend!—maar wat zeg ik?—Het heeft zoo moeten zijn. Gij waart een zoo beminnelijke, zoo deugdzame gade niet waardig; en ik was bestemd, de straf voor mijn misdrijf te ontvangen en de schande, die mij wacht, in het graf te ontvlieden.

"Dan, de tijd is te kort:—en ik moet mij haasten, de laatste levenskrachten, die mij nog overblijven, te besteden. Luister dan:—beklaag mij: vloek mij niet: en laat mijn voorbeeld u tot leering strekken.

"Gij zult wel gehoord hebben, dat mijn broeder en ik, in vroegere jaren, veel moeite hadden om behoorlijk rond te komen, en dienvolgens onze fortuin buitenslands gingen beproeven. Men heeft er u bij verteld, dat ik gelukkig slaagde, terwijl het hem tegenliep. Hoor thans voor 't eerst de zuivere waarheid:

"Van mijn jeugd af had een onverzadelijke dorst naar schatten mij de ziel beheerscht. Ik zag zooveel rijkdom en weelde om mij heen, dat ik het denkbeeld niet verdragen kon, voor anderen, die mij in stand en geboorte gelijk waren, te moeten onderdoen. En echter scheen ik daartoe bestemd; want mijn vader bezat weinig buiten hetgeen zijn ambt hem schonk, en zijn levenswijze was niet van dien aard, dat hij veel kon sparen. Ik besloot dus, toen ik tot jongelingsjaren gekomen was, dat een goed huwelijk het eerste middel zoude zijn, om mijn doel te bereiken. Ik slaagde naar wensch;—immers ik dacht zoo:—ik zag niet naar schoonheid of zielsgaven: ik zocht slechts een rijke vrouw en trouwde haar schatten. Mijn eerste straf was het noodlottige leven, dat ik met uw moeder leidde;—ik wil daarover niet uitweiden. Zij stierf en toonde mij den haat, dien zij mij toedroeg, door bij uitersten wil te bepalen, dat haar vermogen op u zou komen, zonder dat ik daarvan eenige vruchten zou mogen trekken. Ik was nu even ver als ik te voren was: ik besloot naar de West te gaan en daar mijn fortuin te beproeven, terwijl ik u bij de meervermogende familie uwer moeder achterliet.

"De uitkomst beantwoordde wederom niet aan mijn verwachtingen. Na jaren vol tegenspoeds keerde ik terug en kwam te Lissabon aan. Daar ontmoette ik den Graaf van Talavera, die er voor de belangen van het Spaansche hof aanwezig was; en ik hernieuwde met hem de kennis, die ik vroeger met hem als Baron Van Lintz had gemaakt. Van hem bekwam ik tijding van mijn Broeder, die tevens zijn zwager was (zij hadden elk eene Juffrouw Reefzeil getrouwd) en vernam, hoe deze, die insgelijks zijn fortuin buitenslands was gaan beproeven, en zaken in de Levant had verricht, te Lissabon werd verwacht. Ik nam voor, zijn komst te verbeiden: en werkelijk, hij kwam weldra opdagen; maar zijn uiterlijk verried geen rijkdom. Nauwelijks was hij een paar dagen met ons geweest, of hij werd door een hevige ziekte overvallen, die hem, na een korte ongesteldheid, aan den rand des grafs bracht. De Graaf van Talavera deelde met mij de zorgen zijner verpleging en was de eerste, die hem waarschuwde, dat hij, naar het oordeel des geneesheers, weinige dagen levens meer overig had, en orde op zijn zaken stellen moest. Mijn broeder glimlachte op een droevige wijze. "Dit laatste zal mij weinig moeite kosten," zeide hij: "Ik had gehoopt mijn dochter, mijn eenigst pand, te zullen terugzien en haar de welvaart, die ik voor haar vergaarde, zelf te brengen: nu zal mijn broeder zich met die taak dienen te belasten."—Wij zagen elkander verwonderd aan, de Graaf en ik; want wij begrepen niet, waar die welvaart schuilen kon. Toen haalde mijn broeder een dikken rotting voor den dag, die aan zijn voeteneinde lag, en waarmede wij, wegens haar lomp fatsoen, meermalen den spot hadden gedreven. Hij verzocht mij den knop er af te draaien en hetgeen zich daarin bevond op de tafel uit te schudden. Ik deed zulks, en nu ontdekten wij met verbazing, dat de stok hol en geheel gevuld was met edelgesteenten van een onschatbaren prijs. Mijn broeder nam er eenige van af, en mij die ter hand stellende, zeide hij: "deze zijn voor u, en zullen u, zoo gij die met overleg verkoopt, in staat stellen uw fortuin weder op te bouwen. De overige zult gij aan mijn dochter brengen, als haars vaders erfdeel...."—Toen gelastte hij, dat men een juwelier zou roepen: er werd een inventaris opgemaakt, waarop de prijzen volgens taxatie genoteerd werden: en daarvan een afschrift aan mij en een aan den Graaf ter hand gesteld; terwijl wij beide stukken teekenden en de bestemming der juweelen daarop vermeldden. Weinige dagen later stierf mijn broeder in mijn armen, en terwijl zijn stervende mond mij zijn dochter aanbeval. Ik bleef niet langer te Lissabon dan voor de begrafenis noodig was, en zeilde af naar Amsterdam.

"Ondertusschen was ik weinig tevreden, wanneer ik de fortuin, die mijn broeder gemaakt had, met de mijne vergeleek; en zonder te bedenken, dat hij geen genot van zijn moeizaam verkregen schatten had gehad, terwijl ik de toekomst nog voor mij had, dacht ik er slechts aan, om mijn nicht te benijden, die zoo gemakkelijk aan een erfenis kwam, waarop ik, zonder haar, alleen aanspraak zoude gehad hebben. Nu fluisterde mij de duivel in: waarom zoudt gij dien schat aan uw nicht brengen? behoud hem voor u-zelf, drijf er handel mede, en maak het op een andere wijze goed met de dochter uws broeders. Geen haan zal er naar kraaien, en de Graaf van Talavera zal er zich in Spanje niet over bekommeren, of gij aan het vertrouwen uws stervenden broeders beantwoord hebt. Ik was te Amsterdam, zonder tot een besluit gekomen te zijn: men was aldaar reeds van den dood mijns broeders onderricht, en te gelijk overtuigd (zoozeer had hij zijn winsten bedekt gehouden), dat hij arm gestorven was. Nu had ik de zwakheid, of noem het de laagheid, de lieden niet uit den droom te helpen: ik verkocht mijn juweelen, of liever die mijner nicht niet op eens, maar langzamerhand, en begon een handel, dien ik meer en meer uitbreidde. Ik was voorspoedig. Het scheen alsof het onrechtvaardig verkregen geld in mijne handen moest gezegend worden; dan innerlijk was ik verre van mijn voorspoed te genieten.

"Eenige jaren waren verloopen, toen ik (nog sidder ik bij de herinnering) een brief van den Graaf van Talavera ontving. Hij had, schreef hij, vernomen, dat ik zeer vermogend was geworden, terwijl men van mijn nicht niets af wist: kortom de brief gaf niet onduidelijk te kennen, dat hij iets van de zaak vermoedde. Hij eindigde met mij te melden, dat hij het duplicaat van den inventaris naar Amsterdam zou overzenden en bij den Notaris Bouvelt doen deponeeren. Dit bericht ontzette mij: om tegen den dreigenden slag gewapend te zijn, liet ik terstond mijn nicht van de school komen, waar zij zich bevond, nam haar bij mij en behandelde haar als mijn eigen kind, voornemens zijnde om, zoo ik aangeklaagd werd, dadelijk rekening en verantwoording te doen. Maar nu bekwam ik de tijding, dat de Graaf in ongenade en naar Amerika was—en een jaar daarna verspreidde zich het gerucht van zijn dood. Ik was thans van mijn grootste zorg ontslagen; want ik hoopte altijd, dat hij zijn bedreiging om dat papier over te zenden, niet had ten uitvoer gelegd. Intusschen had ik Henriëtte als een dochter liefgekregen, en hoe meer ik haar leerde kennen en waardeeren, hoe feller verwijtingen ik mij deed van haar een vermogen te hebben onthouden, dat haar rechtmatig toebehoorde. Toen kwam het denkbeeld bij mij op, dat een huwelijk tusschen u beiden alles in 't gelijk, zoude brengen: en ik behoef u mijn streven naar dat doel niet voor den geest terug te brengen; het is u genoeg bekend.

Herkomst van de tekst: een negentiende-eeuwse uitgave van het werk van Jacob van Lennep. Spelling ongewijzigd.