A.L.G. Bosboom-Toussaint · Majoor Frans · 1874
Deel 2 (1 van 2)
Jonker Leopold van Zonshoven aan Mr. Willem Verheyst
Al had ik niet beloofd u een getrouw verslag te doen, beste Willem! van mijn wedervaren en bevindingen op mijn avontuurlijken tocht ter verovering eener bruid, toch zou ik er behoefte aan hebben, dat alles mede te deelen aan iemand, die luisteren wilde zonder repliek. En daar ik er vooralsnog geen sterveling, behalve den eenigen, die er niet buiten kon blijven (de notaris), inhalen wil, is het waarlijk een kansje voor mij, dat gij nu mogelijk al door de Roode Zee glijdt, en ik dus alles aan ’t papier kan toevertrouwen, met de zekerheid, eenmaal door een vriend gelezen te worden, zonder dat ik mijn geheim verklap.
Ons afscheid was zoo brusk en gejaagd tusschen al die heele en halve kennissen in, waar we bij Paulez mee dineerden en waarvan enkelen u meenamen naar de sociëteit, dat ik niet meer in de gelegenheid was, om u kennis te geven van mijn besluit om reeds des anderen daags met den eersten trein naar Utrecht te vertrekken, om mijn verkenningstocht aan te vangen. Uwe mededeelingen hadden mijne nieuwsgierigheid geprikkeld, meer nog dan mijne hebzucht het was door het blinkend millioen, en ik kon mijn ongeduld niet bedwingen tot uwe terugkomst van die particuliere audiëntie die u op zulk eene geheimzinnige wijze, op zulk een ongewoon vroeg uur, was toegezegd. Ik hoopte altijd, dat ik u vóór uw definitief vertrek nog eens zou kunnen zien, om u vaarwel te zeggen; maar gij waart altijd par voies et par chemins in de laatste dagen en ik .... neen, ik was niet op reis, maar zoo wat in een betooverd slot geraakt, waar ik wel niet door draken en reuzen, maar door mijn eigen wil en zucht tot volharding werd vastgehouden. Mogelijk nog wel door iets anders .... maar daar ben ik nog niet zoo zeker van.
Om nog even op uwe zaken te komen. Gij zult nu zeker beter weten, dan ik het vatten kan, hoe uw patroon staat met zijne zenders, en hoe dezen het op hunne beurt zullen maken met hunne dwarskijkers. Als ik aan dat alles denk, komt de wensch bij mij op, dat gij liever aan mijn voorstel haddet gehoor gegeven, om mijn wel en wee te deelen, dan u mee te laten vangen in dat striknet der intrigue, waaruit geen van de partijen, die er in betrokken zijn ongeschonden te voorschijn kan komen. Maar gij zult mij antwoorden, dat gij volkomen onkundig waart van deze valsche verhouding, toen gij uw woord gaaft, en dat het overige uwe zaak niet is, en daarin hebt gij gelijk. Uw patroon kan de stormen aan deze zijde van den Oceaan onbekommerd zien opsteken; zijn hoofd zullen ze toch niet treffen: zijne positie is voor het bepaalde getal jaren verzekerd, en—de uwe evenzeer. Gij hebt intusschen van de gelegenheid geprofiteerd, om Indië te leeren kennen, en kunt met die kennis veel goeds doen en veel kwaads voorkomen, als men naar u zal willen luisteren, voilà la question. Iemand die dat zeker zou gedaan hebben, en die hoog noodig zou gehad hebben dat gij hem uwe voorlichting bleeft geven, is schrijver dezes, die waarlijk onder zeer bezwaarlijke en gecompliceerde omstandigheden tot handelen zal worden gedwongen. Naar mijn eigen gevoelen is de zaak mijner fortuin nogal vlottende. Wel is door de waardige erflaatster alles gedaan, wat noodig was, om die voor goed te verzekeren; maar er zijn oogenblikken, waarin mij de onweerstandelijke lust overvalt, om mij van alles af te maken, liever dan het instrument te zijn, om de wraakzucht d’outre tombe van Jonkvrouw Roselaer tot de Werve te dienen: een grijsaard uit zijn erfgoed te verdrijven en eene arme zwerfster te maken van eene weeze, die door hare afkomst een recht heeft op de nalatenschap harer oudtante, al blijkt de wetgeving zulke rechten lager te stellen dan de luim eener knorrige, oude vrouw, die de behendigheid heeft gehad een onaantastbaar testament te maken.
Gij ziet, Willem! dat ik nog in ’t geheel niet verzoend ben met de beschikkingen van tante Roselaer, maar ’t is ook ergerlijk voor iemand, die een ingeboren gevoel van billijkheid heeft en een hart, dat—ja, ik mag het hier zeggen,—dat op de rechte plaats zit, om de exécuteur des hautes oeuvres te zijn eener ingeroeste familieveete. En toch, zoo vaak ik de opwelling in mijne chevalereske gevoeligheid—die gij mogelijk romaneske zwakheid zoudt noemen—heb bekampt met de nuchtere, klare beschouwing der feiten, komt het mij voor, dat ik mij niet onttrekken mag aan dien plicht, en dat de nood mij is opgelegd, het aangewezene te volbrengen, liever dan lafhartig de handen te laten zakken en alles over te laten aan den notaris-executeur, een uiterst braaf man, ik wil ’t gaarne gelooven, maar zoo punctueel op de letter van de wet, dat hij geenerlei menagementen zou gebruiken, noch van verzachtende maatregelen, noch van uitstel van executie zou willen hooren; en dat alles staat ten minste nog in mijne macht, als ik het lastig baantje niet moedwillig laat varen.
Een enkel geval kan zich voordoen, waarbij mij het koninklijk prerogatief is toegekend, om gratie te geven, namelijk: als het huwelijk doorgaat; maar ik begin te vreezen, dat er hinderpalen bestaan, die iemand van mijn karakter met den besten wil der wereld niet kan overstappen; dan—ik wil geregeld vertellen en niet beginnen met hetgeen wellicht het einde zal moeten zijn. Ik ga u mijne indrukken en ontmoetingen mededeelen—dag voor dag—zooals zij mij zelf toegekomen zijn, te beginnen met mijn bezoek bij den notaris van Beek op den 28sten Maart. De waardige fonctionaris is een klein mager persoontje, met een naturel op, en een paar kleine levendige oogen, die met zijn fijnen, langen neus en de dunne lippen van den toegeknepen mond het perfect model levert van een slim, capabel, maar onverbiddelijk wetgeleerde. Hij ontving mij eerst in zijn kantoor, in zijn klassieken armstoel gezeten, met zijn grijs huisjasje en statelijke witte das, die zijn dunne hals met onverbiddelijke wreedheid omwrong. Ik had hem wel lucht willen bezorgen, zóó greep het aanschouwen van die beklemming mij aan, maar hij zelf voelde zich daardoor blijkbaar niet in de engte—het scheen hem alleen een steun zijner wichtigheid. Opstaande groette hij mij met eene deftige buiging, en eerst toen ik mijn naam had genoemd en mijn besluit had te kennen gegeven, om, indien eenigszins mogelijk, de intentiën der erflaatster te vervullen, zweefde een fijn glimlachje om zijn mond, of hij zeggen wilde: “Gij zijt er dan toch toe gekomen, al valt gij wat aarzelachtig.” Na eene korte woordenwisseling over het eenigszins plotseling afsterven zijner cliënte, en haar uitdrukkelijk verlangen om in alle stilte en zonder samenroeping harer familieleden ter ruste te worden besteld, vertelde hij mij, dat hij sinds dertig jaren met het vertrouwen van Jonkvrouw Roselaer tot de Werve was vereerd geweest, en met het beheer harer zaken was belast, en dus ten volle in staat was mij alle verlangde inlichtingen te geven omtrent hare verhouding tot den generaal von Zwenken, en hare intentiën met deze en zijne kleindochter. Ik spare u en mij zelven de optelling van de jammerlijke reeks tracasseriën en reciprociteiten, waarmee, al vóór de geboorte van Francis, de generaal en tante Sophie elkaar hebben vervolgd en elkanders leven hebben verbitterd. Dat zij dien man niet met het bezit harer fortuin wil begunstigen, kan ik mij best begrijpen, en ik moet het zelfs goedkeuren met het oog op Francis, die het eerste slachtoffer zou zijn van die onvoorzichtigheid. Uit alles blijkt, dat hij een verkwister moet zijn, of ten minste een zóó slecht financier, dat de staat zijner zaken, dien de notaris op zijn duimpje kent—beter wellicht dan de man zelf—, te vergelijken is bij een zinkput, waarin men schatten bij schatten zou kunnen wegwerpen, zonder die te dempen. Maar tusschen het onthouden van zijne nalatenschap van een verwant, wien men gelooft niets schuldig te zijn, of het smeden van een onverbiddelijk wraakzwaard, dat men nog uit het graf boven zijn hoofd weet op te heffen, ligt toch eene wijde klove, en dit getuigt van een onchristelijken geest, van eene woeste haatdragendheid als men onder wilden en heidenen nauwelijks zou vinden, maar die men allerminst had kunnen verwachten van een statige dame in een stijf kostelijk zwart zijden japon, met zilvergrijze haren onder een zwart kanten mutsje, en een snoer zuivere paarlen om den hals zooals zij zich vertoont op haar portret, nog in het laatste jaar van haar leven geschilderd, en dat zij aan haar notaris gelegateerd heeft, omdat zij zich in ’t hoofd had gezet, dat niemand harer bloedverwanten het met welwillendheid zoude aanzien. En ik geloof, dat zij zich in dezen niet bedroog; want ik zelf, haar hoog begunstigde erfgenaam, moet ronduit verklaren, dat er nog veel zal moeten gebeuren, veel zal dienen opgehelderd te worden, wat mijne indrukken van dit oogenblik wijzigt, eer ik met een opgeruimden en dankbaren blik die toegeknepen lippen, die kleine, felle oogen en die scherpe gelaatstrekken zal kunnen aanstaren, sinds ik weet, welk een Shylocks geest deze fijne magere vrouwenfiguur heeft bezield. De notaris getuigde van haar, dat zij “goed arms was;” maar wat singulier van leef- en denkwijze. Als een wettisch, orthodox man, die hij zelf is, schreef hij dat toe aan de bijzonderheid, dat zij nog altijd veel op had met de denkbeelden en gevoelens der achttiende eeuw, dat zij eene groote vereerster was van Rousseau—ja, zelfs dat zij eene statuette van Voltaire in hare kamer had en zich had laten afbeelden met een deeltje van diens brieven in de hand, al wist zij, dat de toekomende bezitter juist niet bijzonder gesticht zou zijn door dit détail, Maar zij hield er van, mij een weinigje te plagen, voegde hij er met een sluw glimlachje bij, en ik liet haar begaan; zij had overigens zooveel goeds.—“Zij had vele goederen althans,” vulde ik in gedachte aan, terwijl ik luisterde, “het beheer waarvan, waardige homme d’affaires, u jaarlijks een mooi rond sommetje opbrengt, ’t geen u noodwendig tot grootmoedigen accomodatie-zin stemt.”
“Ja, ja, jonker!” ging de man voort, “sinds gij mij de waarheid vraagt omtrent het leven en bestaan der overledene, moet ik u zeggen, dat ze uiterst zelden ter kerk ging, en dan nog wel bij de Franschen, schoon zij niet tot die gemeente behoorde; dat ze jaarlijks groote sommen ten beste had voor allerlei inrichtingen van weldadigheid of industrie; dat zij deelnam aan alles wat er werd uitgedacht om het lot van den minderen man te verlichten, maar dat zij voor kerk en kerkelijke zaken, zelfs voor zendelingen en christelijke scholen, geen kwartje verkoos af te staan. Ik kon het nooit van haar verkrijgen, en als ik mij verplicht achtte, een weinig aan te dringen, met haar voor te houden, dat het voor iemand van hare middelen eene consciëntiezaak was om dergelijke pogingen te ondersteunen, dan voegde zij mij toe, dat het voor haar eene consciëntiezaak was, het ras der Tartuffes niet te helpen vermenigvuldigen. En daarmee was het dan uit. Gij begrijpt, jonker, dat ik in mijne kwaliteit tegenover haar mij voortaan onthouden moest. Zij gebruikte overigens hare schatten voor zich zelve niet dan met uiterste matigheid. Zij bewoonde een klein buitentje hier dicht bij de stad, dat ik voor haar heb moeten koopen, terwijl zij haar prachtig huis binnen Utrecht, haar fraai buitengoed in Gelderland, aan vreemden verhuurde. Zij hield geene andere bedienden dan een huisknecht, eene kamenier van leeftijd en eene keukenmeid. De tuinman, die het lapje moesgrond van de plaats had gepacht, leverde haar de groenten en moest voor haar tuin en bloemen zorgen. Een koetsier hield zij er niet op na. Zij had rijtuig van een stalhouder, bij de maand; maar zij gebruikte het zelden; zij wandelde weinig en kwam weken aaneen niet van de plaats af. Zij had geen conversatie, wees in den regel alle bezoeken af, behalve die van dokter D., haar vriend, die haar dagelijks moest komen zien en die geregeld tweemaal in de week met zijne ongetrouwde zuster een partijtje bij haar kwam maken. Ik kwam zoo vaak de zaken het eischten, en eens in de maand vroeg zij mij met mijne vrouw en dochter te dineeren. Dokter D. en zijne zuster waren er dan ook; maar ik herinner mij niet, dat ik ooit iemand anders bij haar ontmoet heb dan dien schilder, dien zij op haar ouden dag nog haar portret heeft laten maken en wien zij een mooi legaat heeft toegekend, een jongmensch met schalksche oogen en fraaie kneveltjes, dien ik verdenk van haar een weinig het hof gemaakt te hebben à force van aardigheden en piquante gezegden à la Voltaire; want ze kocht teekeningen van hem, die zij nooit aanzag, en ze was altijd een beetje meer geneigd mij te plagen met mijne religieuse gevoelens en mijn ouderlingschap, als hij bij haar was geweest. Overigens een beste jongen, die voor zijn moeder had te zorgen; en ’t kapitaal, dat zij nu nalaat, jonker, is groot genoeg om niet op die caprice te zien....”
“Neen, voorwaar!” viel ik in; “ik ben blij, te hooren dat er iemand geweest is, die dat eenzaam en als in de engte gedreven leven nog in den laatsten tijd wat heeft kunnen opvroolijken.... Maar na ’t geen gij mij daar hebt medegedeeld omtrent hare stemming tegenover kerkelijke en christelijke instellingen, begin ik te twijfelen, of ik wel recht heb, hare nalatenschap te aanvaarden; want schoon ik heel goed weet dat er maar al te veel kaf onder ’t koren schuilt en niet van zins ben in den blinde en op den klank van vroomluidende woorden af, tantes goud rond te strooien, toch zou ik niet kunnen nalaten, zekere belangen, die mij na ter harte gaan, ook door materiëele ondersteuning te bevorderen, zoodra ik mij daartoe in de gelegenheid zie gesteld, hetgeen natuurlijk lijnrecht in strijd moet zijn met hare intentiën.”
Dat geloof ik niet; want zij heeft heel goed geweten, wie jonker van Zonshoven was en wat zij ook op dit punt van hem zou te wachten hebben, en het heeft haar niet afgeschrikt, zooals gij ziet; daarbij, behalve dat zij wat kwelziek viel, was zij vrijgevig genoeg omtrent het gevoelen van anderen. Hare oude kamenier was streng orthodox, en ging niet ter kerke dan bij de meest rechtzinnige dominés, en toch was het rijtuig Zondags altijd tot hare beschikking en is zij door hare meesteres ruim bezorgd voor haar leven. Dat getuigt toch niet van zoo groote vijandschap als hare harde uitvallen tegen mij soms deden onderstellen. Mogelijk heeft zij in u iemand gezien, die doen zal wat zij heeft nagelaten en uit valsche schaamte of stijfhoofdigheid, zelfs bij beter inzicht, zelve niet heeft willen goedmaken. Als zij ’t anders gemeend had, was zij wel de vrouw geweest om te zorgen, dat hare bedoelingen in dezen niet miskend konden worden, geloof mij daarin, jonker!
En ik moet hem gelooven, Willem! Want uit alles blijkt, dat zij volmaakt goed berekend heeft wat zij wilde en van mij wilde. Al zou het je nog zoo vervelen, ik moet u de hoofdkwestie mededeelen, waarin ik verplicht ben hare rancune te dienen. Gij moet dan weten dat het huis de Werve, een oud kasteel op de grenzen van Gelderland en Overijsel gelegen, met zijne uitgestrekte bosschen, heidegronden en landerijen, dat nu door den generaal von Zwenken wordt bewoond, heeft toebehoord aan de ouders van jonkvrouw Sophie Roselaer; dat aan ’t bezit van het kasteel (eene riddermatige hofstede, zooals de notaris zich uitdrukt) tevens de heerlijke rechten verbonden zijn, die in ònzen tijd wel is waar hunne beteekenis verloren hebben, maar waaraan ik zeer wel begrijpen kan dat eene vrouw als tante Sophie nog kon hechten.
Jonker Roselaer van de Werve had geen zoon, ’t geen hem zeker leed genoeg zal gedaan hebben, maar wel drie dochters, waarvan tante Sophie de tweede en mijn moeders moeder de jongste is geweest. De oudste freule, Marie-Anna, werd na den dood harer ouders aangewezen als rechtmatige erfgename van het huis de Werve met alles wat er bij behoorde. Dit viel tante Sophie zeer uit de hand, daar zij eene geheel andere beschikking had verwacht en goede reden had voor die verwachting.
Hare zuster had de oude lieden veel verdriet aangedaan. Zij had in stilte een liefdesroman aangeknoopt met een jong Zwitsersch officier, den kapitein von Zwenken, en daar zij vreesde, nooit de toestemming harer ouders te zullen verkrijgen voor dit huwelijk, ontvluchtte zij heimelijk hun huis en liet zich door von Zwenken naar zijne familie in Zwitserland voeren, waar zij getrouwd zijn. Eene verbintenis, die volgens den man van de wet en naar het gevoelen van tante niet als wettig kon beschouwd worden, hoewel later de zwakke ouders zich met den opgedrongen schoonzoon verzoenden en hun verloren kind, toen het in alles behalve gunstige positie tot hen terugkeerde, met opene armen ontvangen hebben.
Bij dit familietafereel schijnt tante Sophie de rol te hebben vervuld van den oudsten broeder in de gelijkenis. Zij had zich toch al niet best met hare romaneske zuster kunnen verstaan, wilde in den zich noemenden zwager niets zien dan een verleider, een indringer, en bleef onverzoenlijk, terwijl zij de vergevingsgezindheid harer ouders laakbare zwakheid achtte. Het oponthoud van de jongelui in ’t ouderlijk huis was dan ook slechts van korten duur, maar de weinige dagen die zij er bleven waren stormachtig en strekten allermeest om de onderlinge verdeeldheid der bewoners van de Werve te doen overslaan op den verderen kring der uitgebreide familie, wier leden vóór en tegen de von Zwenkens partij kozen. Als machine de guerre tegen haar zwager gebruikte tante Sophie de onregelmatigheid van zijn huwelijk, op vreemden bodem gesloten. Wie dat niet met haar eens waren, wie den Zwitserschen kapitein, in dienst der toenmalige Bataafsche Republiek, voor aanverwant erkenden, konden geen goed meer bij haar doen, terwijl die in dezen hare partij hielden, door den ouden heer Roselaer en zijne vrouw met de uiterste koelheid werden bejegend. Kortom, het was de geschiedenis der Montecchi en der Capulets op kleinere schaal en op achttiende-eeuwsch Hollandsch terrein overgebracht. Men belaagde elkaar niet met dolk of vergift, maar met het venijn der tong. Men kwelde, men brutaliseerde elkaar zooveel men kon; het waren haarkloverijen en représailles sans trève ni merci, die hier en daar tot processen leidden, en onder de handen van procureurs en advocaten werden de kwestiën noch klaarder, noch lichter op te lossen. Daar kwam de oude mevrouw Roselaer te overlijden, en hare dochter Sophie meende nu, dat er eene verandering zoude plaats hebben in het gevoelen van haar vader omtrent zijne “schuldige” dochter, daar het bovenal de moeder was geweest, die hem tot het verleenen van vergiffenis had aangezet. Daarbij geraakte zij nu zelve aan het hoofd der huishouding en gebruikte die stelling om het haar zwager en zijne vrouw zoo onaangenaam te maken in de korte dagen van hun bezoek in het ziek- en sterfhuis, dat zij afscheid namen van den heer Roselaer met de betuiging, dat zij niet zouden terugkeeren. Sophie triomfeerde. Zij dacht de scheiding, de uitbanning voltooid, maar zij vergat dat hare zuster kinderen had en dat het haars vaders vreugd en trots was een kleinzoon te bezitten, al uitte hij die gevoelens niet tegen haar.
Herkomst van de tekst: de uitgave in de Nederlandsche Bibliotheek onder leiding van L. Simons, Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur, Amsterdam. Spelling ongewijzigd.
