A.L.G. Bosboom-Toussaint · Majoor Frans · 1874
Deel 2 (2 van 2)
Een grijsaard heeft de rust lief, en al gaf hij haar in ’t heimelijk de schuld dezer nieuwe verwijdering, hij liet het haar niet blijken, en getroostte zich den last, zijne kinderen te gaan bezoeken in de naburige vestingstad, waar von Zwenken in garnizoen lag. Sophie wist niet beter of hij deed bij zulke gelegenheid zijne gewone rondreize met zijn rentmeester om zijne verschillende bezittingen op te nemen en zich met pachters of boschbazen te verstaan. Het bleek welhaast dat de von Zwenkens partij hadden getrokken van deze uitstapjes om zijne genegenheid te winnen, in dezelfde mate, waarin tante Sophie die verloor, en dat hij, vrijwillig, of daartoe door hen overgehaald, zijn testament veranderde; want toen hij kwam te overlijden, had hij zijne dochter mevrouw von Zwenken en hare kinderen zooveel bevoorrecht als dat maar eenigszins zijn kon, en haar aangewezen als de erfgename van het kasteel de Werve met de Heerlijkheid en de aankleve van dien. De teleurstelling, de ergernis van jonkvrouw Sophie bij deze ontdekking laat zich begrijpen. O zeker, haar gewerd het rechtmatige deel van het ouderlijk goed, maar juist dàt, waar het haar het meest om te doen was, het ouderlijk huis, waar zij was geboren en opgevoed, dat zij nooit eigenwillig had verlaten, waar zij altijd als meesteresse had geheerscht, dat zij steeds als haar welverzekerd eigendom had beschouwd, werd haar nu ontnomen en overgegeven in de handen van hen, die zij het meest onwaardig, het minst geschikt keurde voor dat bezit. Een zwager, dien zij nauwelijks tot dien naam gerechtigd achtte, dien zij altijd had gehaat en geminacht, en die deze gevoelens met woeker teruggaf; eene zuster, die door haar misstap de eer van ’t ouderlijk huis had bevlekt, die de rust harer ouders, den vrede in de gansche familie had verstoord, werd dus, als lag er niets tusschen, in de rechten eener oudere erkend en boven háár gesteld, die beter dan iemand wist, wat zij hen had doen lijden, en die zelve het hare had gedaan om die smart te verzachten. De rustelooze haat, de onverzoenlijke bitterheid, die daarna alle handelingen en overleggingen van tantes leven heeft bestuurd, laat zich verklaren uit deze krenkende terugzetting, waarin zij niet het meest des vaders hand, des vaders wil zag, maar de list, den intriguegeest van een misdadig echtpaar.
Zelfs al had men haar eene schikking voorgesteld, waardoor zij op het kasteel had kunnen blijven, zou zij die toch niet hebben aangenomen, daar zij te diep gekrenkt was, om concessies van hare tegenpartij aan te nemen; maar het werd haar niet eens voorgeslagen, en slechts de kortstmogelijke tijdruimte werd haar gegund, om zich op de verandering van woonplaats voor te bereiden. Dat was te meer grievend, daar de kapitein niet, zooals zijn schoonvader had gewenscht, den dienst verliet om op het kasteel te gaan wonen en zijne goederen te beheeren. Gebonden nu eens aan deze, dan weer aan gene garnizoensplaats, mogelijk bij het opsteken der oorlogsstormen bestemd om naar den vreemde te trekken, was hij de laatste die genot kon hebben van het erfgoed. Zijn vrouw en de beide kinderen kwamen er van tijd tot tijd een poos vertoeven, maar de eerste stierf een paar jaren na den dood van haar vader, de kinderen bleven bij den vader, totdat zij den leeftijd bereikt hadden, de dochter om op eene Zwitsersche kostschool hare opvoeding te krijgen, de zoon onder opzicht van een gouverneur tot hij rijp was voor de hoogeschool.
Ik moet tante Sophie gelijk geven in hare bewering, dat von Zwenken volstrekt niet the right man on the right place was. Hij utiliseerde zijne bezitting niet, liet het kasteel in handen van een vreemden huisbewaarder, verwisselde den ouden bekwamen rentmeester met een ander, die even onkundig als ongetrouw was in zijn beheer, kwam niet naar de Werve omzien dan in den jachttijd met een troep drukke vrienden en jachtliefhebbers, en lette er niet op dat het landgoed meer en meer in verwaarloosden staat geraakte. Wie er wèl op lette was tante Sophie. Schoon zij zelve naar eene andere provincie had moeten verhuizen, waar het haar toegewezen deel der vaderlijke goederen was gelegen, had zij haar hart noch haar aandacht kunnen aftrekken van het ouderlijk huis. De voormalige rentmeester, zelf niet weinig verbitterd tegen den nieuwen eigenaar, trad in haar dienst als haar zaakwaarnemer en spion. Te dien einde bleef hij in de nabuurschap wonen, en sloeg met valkenblik de faits et gestes van zijn plaatsvervanger gade, terwijl hij tevens zooveel mogelijk acht nam op die van diens heer en meester. Majoor von Zwenken, want hij was inmiddels tot dien rang geklommen, scheen druk te leven en veel geld noodig te hebben, hetzij voor zich zelf, of wel voor zijn zoon, een heertje dat lang en woest studeerde. Het rechte daarvan schijnt de notaris van Beek zelf niet te weten, want gij begrijpt dat het door hem is dat ik achter al deze bijzonderheden ben gekomen; zeker alleen is het, dat hij niet genoeg had aan zijne inkomsten en hypotheek nam op een deel zijner uitgestrekte goederen, dat hij bij het huwelijk zijner dochter met een Engelsch officier, Sir John Mordaunt, een deel zijner landerijen en bosschen te gelde maakte, om haar het moederlijk vermogen te kunnen meegeven, en dat hij het overige gedeelte van jaar tot jaar meer bezwaarde, zoodat hij ten laatste, alleen om in dien drukkenden rentelast te voorzien, genoodzaakt was weer een deel van het goed te verkoopen. Zoo ging het voort, en toen hij ten laatste als kolonel, gepensionneerd met den rang van generaal, (ongelukkig voor hem zonder bezwaar voor de schatkist!), zich voor goed op het kasteel de Werve ging vestigen was het zoover gekomen, dat hij van die gansche uitgestrekte bezitting niets meer als vrijen eigendom overhield dan het huis alleen met den tuin, en de wandelingen die er bij hoorden!
Tante Sophie, die eene handige en scherpzinnige vrouw is geweest, dát moet men haar nageven, had inmiddels het geheim gevonden haar fortuin te verdubbelen, terwijl zij daarenboven de eenige erfgename was geworden eener schatrijke nicht, die zich hare grieven had aangetrokken. Tante Sophie had, zooals ik reeds zeide, den gehaten schoonbroeder niet vergeten. De haat heeft een scherp geheugen en even scherpen blik. Zij wist wie zij in de nabuurschap der Werve had gelaten om de wacht te houden over alles wat er geschiedde. De verjaagde rentmeester, die hare bedoelingen had geraden, had met de waakzaamheid eener vlammende wraakzucht von Zwenken’s nadeelige financiëele operatiën gadegeslagen, en er haar steeds nauwkeurig kennis van gegeven.
Op die aanwijzingen afgaande, had zij door tusschenpersonen langzamerhand zich meesteresse gemaakt van alles wat hij verkocht. Een procureur in de naast bij de Werve gelegen stad, die hem zonder aarzeling de groote sommen geld opschoot, waarmee hij zijn goed bezwaarde, maar die onverbiddelijk was waar het rentebetaling gold, was haar executeur, deed niets zonder hare orders, en hield haar zoo goed op de hoogte, dat zij met zekerheid dag en uur wist te berekenen, waarop von Zwenken in geldverlegenheid moest verkeeren.
Eens toen zij het gunstig oogenblik daartoe gekomen achtte, zond zij van Beek op hem af als bemiddelaar, niet juist van den vrede, want tot verzoening neigde zij niet, maar toch met een zeer aannemelijk voorstel. Hij zou haar het huis met de Heerlijkheid, die niets meer dan een ledige titel was, verkoopen, voor eene hoogst aanzienlijke som, die niemand er voor geven zou dan zij, reeds in ’t geheim eigenares van al de omliggende gronden; maar de generaal was te fier en te veel verbitterd op zijne schoonzuster, om in dat voorstel te treden. Hij liet antwoorden dat hij tot geen prijs de Heerlijkheid zou afstaan, en wat het huis aanging: dat hij zijne overledene vrouw had beloofd er hare zuster buiten te houden, en dat hij liever het dak boven zijn eigen hoofd zou zien instorten dan er haar recht van intrede te geven. Had hij toen kunnen weten, wat hem nog onbekend is gebleven, welke maatregelen zij reeds had genomen om zijn lot in hare macht te houden, waarschijnlijk zou hij zich tweemaal hebben bedacht eer hij haar voorslag zoo botaf had geweigerd. Maar de generaal schijnt wat brusk uitgevallen en scheen zich overtuigd te houden, dat er wel nooit kwestie kon zijn van zoo diepen val.
Hij moet echter sinds zijne retraite op de Werve zijne leefwijze zoozeer vereenvoudigd hebben, dat zijn pensioen toereikend bleek voor zijne behoeften, terwijl de hooge interesten die hij moest betalen van dat deel zijner bezittingen, dat nog zijn eigendom heette, bij een beter beheer en minder verwaarloozing betaald konden worden uit hetgeen zij opbrachten. Maar weldra werd hij opnieuw in de verplichting gebracht, ook zijn huis te bezwaren tot tweemaal toe; men heeft niet kunnen ontdekken uit welke oorzaak, maar zeker is het dat de persoon, die de bewijzen van deze voor hem onbetaalbare schuld in handen houdt, hem dwingen kan zijn kasteel met de rechten der Heerlijkheid en ál te verkoopen of eene rechterlijke vervolging tegen hem in te stellen, die tot dezelfde resultaten zou leiden, nog verergerd door een publiek schandaal, en daar de Werve, naar men zegt, reeds zoo in verval is geraakt, dat zij allermeest tot afbraak geschikt is, en alleen hoogere waarde kan hebben voor den persoon, die tegelijk eigenaar is van het omliggende goed, spreekt het wel vanzelf, dat de verkoop minder zou opbrengen dan de zware schuldenlast bedraagt die er op drukt. Daarmee is de ongelukkige grijsaard niet slechts tot een zwerver gemaakt, maar ook tot den bedelstaf gebracht; want een onbarmhartig schuldeischer zou beslag kunnen leggen op zeker deel van zijn pensioen.
Ik behoef u niet te zeggen, dat het tante Sophie is, die alle deze bewijzen in handen heeft weten te krijgen, dat tante Sophie in het kritiek oogenblik, dat zij zelve in hare macht had te bepalen, als eenige schuldeischeresse en bezitster van alle verkochte goederen kon optreden. Waarom zij, na zoo behendig met zulk eene jarenlange volharding hare maatregelen te hebben genomen, niet reeds bij haar leven dit vonnis over haar vijand heeft voltrokken, om hare wraaklust die afschuwelijke voldoening te geven, dat is mij onbegrijpelijk. Zij had alles daartoe voorbereid en berekend, en toch heeft zij uitgesteld, tot ná haar dood. Mij dacht, haar triomf over hem zou het geweest zijn, voor zijne oogen in zijn onteigend kasteel te trekken, en van Beek zeide mij dat zij werkelijk dit plan moest gekoesterd hebben; maar er is iets tusschen gekomen, iets wat hem zelf onverklaarbaar is en waarover zij zich nooit heeft uitgelaten; zeker is het dat zij drie maanden vóór haar dood, op het tijdstip zelf dat van Beek hare orders wachtte tot den aanval, hem roepen liet, zich door hem een zijner collega’s deed aanwijzen, om haar testament te veranderen, en de U bekende schikkingen te maken, waarbij van Beek als executeur werd aangewezen en waarvan ik het slachtoffer ben, zou ik haast zeggen als het niet zoo paradoxaal klonk.
“De groote plaats in Gelderland, de Runenburg, is met ultimo October vrij en te uwer dispositie, jonker,” viel van Beek in, den loop mijner gedachten storende; “maar wat het huis in de stad betreft, dat slechts tot Mei toe is verhuurd, de bewoners houden zich zeer gerecommandeerd te continueeren, zoo dat niet met uwe intentiën strijdt; het zijn respectabele lieden; hoe wilde de jonker dat ik daarin handelen zal?”
Ik schrikte op, en keek hem wat verbaasd en verbijsterd aan.
Het is eene zonderlinge gewaarwording, Willem, als men nooit een steen in eigendom heeft gehad en altijd blij was als de kamerhuur om de drie maanden klaar lag, te moeten beslissen wat er met huizen en buitenplaatsen zal geschieden. Ik vond dan ook maar beter geen besluit te nemen.
“Mij dunkt, mijnheer van Beek, alles moest blijven zooals het is, tot ik weet, of ik Francis zal kunnen huwen.”
“De jonker vergeet, dat het geene absolute conditie is....”
“Niet volgens de letter van het testament, dat weet ik wel, maar toch, voor mij....”
“Verlangt de jonker, nu hij toch te Utrecht is, het huis niet eens te zien? ’t Is een kapitaal perceel, gelegen aan ’t St. Janskerkhof; wel de moeite waard dat verzeker ik u.”
“Dank je, mijnheer. Alleen, zoo ’t niet te veel omhaal is, zou ik gaarne het kleine buitentje zien, waar tante heeft geleefd en gestorven is. Iemands omgeving leert ons zoo licht iets naders omtrent zijn persoon....”
“’t Is geheel tot uw dienst, jonker! Alleen .... ik meen reeds het genoegen gehad te hebben u te zeggen,” hernam van Beek met eenige verlegenheid, “dat de oude freule aan mij heeft gelegateerd, zooals reeds in ’t voorgaande testament was beschreven, met dit servituut er bij, dat de kamenier er wonen blijft tot aan haar dood. Het is een kostbaar legaat, ik ontken het niet, maar considereer, dat ik haar dertig jaar met alle mogelijke zaken en niet altijd zonder groote bezwaren heb gediend, geraden en hare belangen voorgestaan, en dat er voor mijn executeurschap geen extra gelden zijn gestipuleerd, terwijl mij daarentegen is aanbevolen, den erfgenaam in alles bij te staan, voor te lichten en naar mijn beste vermogen met raad en hulp te dienen.”
“Maar mijn goede heer!” viel ik in, “wie zou tante geweest zijn, zoo zij u niet in alle ruimte had bedacht? Het is mij volstrekt niet te doen om u in iets te beknibbelen, ’t Is voor mij zooveel als een pelgrimaadje....”
“Die heel licht te volbrengen is, als gij mij het genoegen wilt doen hier te eten. Na den middag rijden wij er even heen; ’t is geen half uur van de stad. De freule heeft beschreven, dat de gansche huishouding drie maanden na haar dood zou blijven gaan op denzelfden voet, dat hare kleederen onder hare bedienden moeten verdeeld worden, behalve de kleinoodiën, die aan u verblijven, en dat ik alles wat mij geschikt voorkomt van het huisraad tegen taxatie mag overnemen; het overige moet verkocht worden. Mogelijk vindt de jonker echter een of ander, dat hij behouden wil als souvenir.”
“Wel zeker! de statuette van Voltaire,” zeide ik lachende, en daarbij bleven voor ’t oogenblik de mededeelingen. Wij gingen koffiedrinken met zijne vrouw en dochter en na den eten reden wij naar Doornhove.
Het interieur van tantes woning gaf mij niet veel meer licht over haar persoon en karakter, dan ik reeds ontvangen had. De oude kamenier verkondigde met ijskoude trekken en droge oogen haar lof in vrome termen. De jongere keukenmeid vond stroomen tranen om den “jonker” te begroeten, die zeker ook zoo bedroefd moest zijn. De huisknecht keek mij aan of hij meende dat ik in zijne rechten kwam treden, en de kamers waren gemeubeld zooals ik mij reeds had voorgesteld zoomin antiek als modern. Daar waren nog wat meubels style empire, maar het meeste was uit den goelijk karakterloozen tijd van Willem I, toen zij zich hier inrichtte, en sinds was er niet veel bijgekomen. Op comfort scheen ze niet bijzonder gesteld; er was maar één groote canapé in ’t heele huis en een armstoel à la Voltaire, dien zij alleen ’s middags een uurtje gebruikte. Het moet eene wakkere werkzame vrouw zijn geweest tot in hare laatste levensdagen. Zij beheerde zelf met behulp van van Beek al hare goederen, beschikte persoonlijk over interesten en geldbeleggingen en liet zich maandelijks rekenschap geven van alles. “Ze zat altijd te cijferen en te schrijven, als ze niet zat te lezen of te breien,” zei de oude kamenier.
“En wat las ze?” vroeg ik.
“Meest in de ongeloovige boeken, daar uit die kleine boekenkast, een enkele maal wel eens in den Bijbel, maar niet gezet. In een leesgezelschap was zij niet; zij wilde niets weten van den grooten strijd dezer dagen en geen krant zien dan de Haarlemmer.”
“Die ongeloovige boeken” waren Fransche, Duitsche en Engelsche klassieken. Ik beduidde van Beek, dat ik wel wat zwak zou hebben op die kleine, uitgezochte boekerij, alles keurig gebonden, maar blijkbaar niet als onnut sieraad aanwezig.
Onder de “ongeloovige boeken” had ik Fénélon, Bossuet en Pascal opgemerkt, in minzame ruste gerangschikt nevens Voltaire en de Encyclopedisten, terwijl Gellert, Lessing en Klopstock met Lavater hunne ruime plaats hadden gevonden nevens Goethe en Schiller en de tooneelspelen van Iffland en Kotzebue!
“De boeken kunnen niet geacht worden tot het huisraad te behooren,” sprak van Beek met eene deftige buiging, “en, al ware dat zoo, het spreekt vanzelf, dat de jonker in alles de preferentie heeft.”
Ge moogt me gelooven of niet, Willem, maar ik moet u bekennen, dat ik voor ’t eerst eene onvermengde gewaarwording van blijdschap had, toen ik opnieuw den blik richtte op dat bibliotheekje en het aanzag met de oogen van den eigenaar. Al de ontzaggelijke geldsommen, die van Beek mij in zijne notarieele akten had voorgesteld, al de papieren, die vele duizenden vertegenwoordigden, hadden mij, ik zal niet zeggen koud, maar vreemd gelaten. Ik kon er mij nog niet in zetten als mijn eigendom, maar Shakespeare en Molière, la Fontaine en Pascal kon ik mij denken als de mijnen, en met eene onwillekeurige beweging greep ik een deeltje, als om er feitelijk bezit van te nemen.
Van Beek glimlachte, en knipoogde met zijne slimme kijkers. De kamenier, die er bij stond, keek mij aan of ik heiligschennis pleegde.
“Ik zou eer gedacht hebben, dat de jonker zwak had op den Bijbel van de freule,” zei ze bij wijze van critiek.
“Het eene belet het andere niet, juffrouw Jones, althans zoo gij zelve daaraan niet hecht.”
“Och neen, jonker. Zoo’n wereldsch, nieuwerwetsch boek daar hecht ik niemendal aan; dat acht ik Gods woord niet, en ik begreep het nooit, hoe mijne freule daarin hare stichting heeft kunnen vinden.”
“Wat hapert er aan dien Bijbel?” vroeg ik van Beek.
“Niets, volstrekt niets. ’t Is een gewone Staten-Bijbel, slechts niet met de verouderde Duitsche letter gedrukt.”
Op mijn woord, tante moet in den besten zin liberaal zijn geweest, dat zij zoo’n dienares van de letter jarenlang om zich heeft kunnen dulden!
· · ·
Den volgenden dag aanvaardde ik mijne reis naar het kleine stadje Z., van waar uit ik op de Werve zou losrukken. Doch er gaat van avond een mail, en het pakket is zóó groot genoeg voor eene eerste toezending. Gij zult er heel wat aan te lezen hebben. Moge U tijd en opgewektheid daartoe niet ontbreken bij uwe aankomst!
Wees gegroet tot nader.
Uw Leopold.
April.
· · ·
Herkomst van de tekst: de uitgave in de Nederlandsche Bibliotheek onder leiding van L. Simons, Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur, Amsterdam. Spelling ongewijzigd.
