Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

A.L.G. Bosboom-Toussaint · Majoor Frans · 1874

Deel 3 (1 van 7)

Kasteel de Werve, April 186 .

Zie zoo, beste Willem! ik ben doorgedrongen tot het binnenste van de vesting, maar ik ben nog geen meester van ’t garnizoen.... Verre van daar, hoewel ik reeds slaags geweest ben met den Majoor. Maar ik wil niet vooruitloopen; ik ga u eerst vertellen, hoe ik hier ben aangekomen, en onder welke indrukken.

Door van Beek voorzien van de noodige indicaties van een credietbrief voor zijn collega Overberg, procureur en notaris in het kleine stadje Z., trad ik diens woning binnen. Gij ziet, ik word gebousculeerd van den eenen man der wet op den anderen; maar dat kan nu eenmaal niet anders. Overberg was in de gelegenheid om mij de beste diensten te bewijzen bij mijn aanval op de Werve. Hij is een man van gewicht in zijne standplaats en de hoofdagent geweest van freule Roselaer, bij haar toeleg om zich in ’t geheim meesteresse te maken van von Zwenkens bezittingen. Hij is (voor hare rekening) de altijd gewillige geldschieter geweest, die den generaal in zijne chronische kwaal van geldverlegenheid bijstond. Wel bezien is het nog zoo kwaad niet, dat zij zich zoo geheel van den toestand heeft meester gemaakt. Zonder dat zouden die kostbare goederen op allerlei wijze verbrokkeld en geruïneerd zijn, terwijl de ongelukkige, die ze moest afstaan of beleenen, in woekeraarshanden zou gevallen zijn, die hem reeds veel eer in ’t verderf zouden gebracht hebben. Dit is nu niet het geval geweest. De mandataris van tante moest strikt het billijke vorderen, maar ook niets daar boven. Dit maakte dan ook, dat von Zwenken niet in gebreke bleef zich in allen nood tot hem te wenden, zoodat hij zijn volle vertrouwen bezit en zeer zeker op diens aanraden de transactie, die hem eens door van Beek werd voorgesteld, zou hebben aangegaan (het afstaan van zijn huis en de Heerlijkheid), zoo niet de voorslag van zijne schoonzuster ware gekomen. Ook ried Overberg mij, zoo ik toegang wilde verkrijgen tot het kasteel, niet als de erfgenaam van freule Roselaer op te treden, hetgeen terstond alles voor goed zou bederven.

Als jonker van Zonshoven, door mijn moeders moeder aan den generaal geparenteerd, zou ik vermoedelijk niet onwelkom zijn, hoewel von Zwenken zich geheel heeft teruggetrokken uit de conversatie en noch gasten noch bezoekers meer ontvangt.

Ik zou een voorwendsel bedenken dat mijn verblijf in het naburige stadje wettigt, en van daar uit was de aanleiding tot eene visite licht gevonden; het verdere zou dan van de ontvangst afhangen. Maar ik wilde niet zoo onvoorbereid aankloppen; ik moest zooveel doenlijk weten, wie en wat ik er vinden zou, allereerst wie eigenlijk Francis was, waar het mij voornamelijk op aankwam. Toen ik Overberg vroeg, of hij freule Mordaunt persoonlijk kende, haalde hij de schouders op.

“Ik heb slechts eenmaal de eer gehad haar te spreken. De generaal komt altijd zelf bij mij, de freule komt hier nooit meer. Eens slechts had zij in een zaak, haar persoonlijk betreffende, mijn raad noodig, en toen is zij bij mij geweest; maar dat is lang geleden. Toen woonde de generaal met zijne kleindochter nog in de stad en was hij commandant van de vesting.”

Daar Overberg niets van tantes beschikkingen weet, dan dat ik haar erfgenaam zou zijn, was ik met van Beek afgesproken, hem van het huwelijksplan niet te spreken voor er kans scheen dat het zou doorgaan, en zoo wachtte ik een antwoord zonder menagement.

Mijne teleurstelling moet zich op mijn gelaat hebben geteekend, want de goedhartige man hernam met zekere meewarigheid en als verontschuldigde hij zich over zijne onkunde op dit punt:

“Weet gij, Jonker! de overste leefde destijds op een grooten voet en er bestond toen nog zekere afscheiding tusschen den militairen kring en den burgerlijken, die nu is weggevallen. Ik, bij mijne drukke bezigheden en weduwnaar, hield mij buiten de conversatie. Sinds ik hertrouwd ben doe ik zoo wat mee, en ’t is hier met diners en partijen druk genoeg—en nu wij hiervan spreken, van avond is er een soiréetje bij mij aan huis; daar komen jonge dames, die met freule Mordaunt hebben geconverseerd. Wees heden mijn gast; gij kunt den tocht naar de Werve toch moeilijk in den middag ondernemen. Ik zal u voorstellen als iemand die hier naar een buitentje in den omtrek komt rondzien. Want gij begrijpt, in een stadje als het onze moet men de reden kennen van uw oponthoud, of men gaat er allerlei gissingen over maken van eigen vinding. Ik zal ’t gesprek op de von Zwenkens brengen, en gij kunt toeluisteren; dat is het beste wat ik er op weet.”

Ik vond het ook zoo kwaad niet. In het logement, waar ik verblijf had genomen (het eenige dragelijke), had men mij gezegd, was het niet vroolijk den avond door te brengen, en eene gezellige bijeenkomst had in eene kleine stad, nevens de eigenaardige bezwaren, toch ook hare voordeelen, in dezen althans voor mij.

Ik nam aan, dineerde geheel en famille met den heer Overberg en zijne vrouw, gulle joviale lieden, wie men het niet zou aanzien dat zij behooren tot het gilde:

“De petits avocats.
Qui se sont fait des sous
En rognant des ducats.”

En toch was mr. Overberg een geducht man op zijn terrein. Hij was er voor bekend, dat hij zijne schapen niet vilde, maar zachtkens schoor. Toch raakten zij hunne vacht kwijt als ze eens in zijne handen kwamen. Waarheid is, dat hij ze niet lokte noch valstrikken spreidde, dat hij integendeel waarschuwde voor processen waar men zijne hulp als procureur inriep. Hij hield niet van uitersten, niet van geweld; hij hield van middelen en schikken, en het goelijk glimlachje waarmee hij zijne cliënten ontving, het zachte lijntje dat hij hun steeds aanprees, of hij vreesde dat een ruwe aanval zijne blanke, gevulde handen niet passen zou, bewezen, dat hij de man van zijn tijd was, de beschaafde, wel opgevoede practizijn, die zijne partij zoetjes aan bracht waar hij haar hebben wilde, sans avoir l’air d’y toucher.

Tante Sophie schatte hem hoog om zijne discretie en voorzichtigheid, maar zij heeft zich wel gewacht hem le fin fond van hare bedoelingen te laten doorzien, daar hij de man niet was voor snelle, gewelddadige maatregelen. Tot eene ontknooping, zooals zij die in ’t eerst bedoeld heeft, zou zij zeker van Beek hebben ingeroepen, die met den code in de eene en het zwaard zonder genade in de andere hand zou zijn opgetreden om rechtuit op zijne prooi af te gaan. Overberg daarentegen, meenende dat ik uit mij zelven en krachtens mijn recht als erfgenaam bezit wilde nemen van de mij ten deel gevallen goederen, geloofde mij te moeten vermanen tot geduld; temporiseeren en uitstel van betaling geven waar het mijne vorderingen gold; niet alle hypotheken tegelijk opzeggen, maar op verschillende en ver verwijderde termijnen, opdat alles langzaam maar zeker en zonder opzien te verwekken als en famille kon worden afgedaan. De generaal moest er toe komen, dat was zeker, al wat nog het zijne heette en dat hij nimmermeer kon vrijmaken, bij wijze van minnelijke schikking over te doen. De goede naam van een militair, van een man die in een oud patricische familie gehuwd was, al was hij vreemdeling van afkomst, zou op die wijze gespaard blijven, en uit lankmoedigheid kon in geen geval schade volgen, terwijl het opeischen van alles tegelijk den man tot het uiterste zoude brengen, hem mogelijk in vertwijfeling zijn toevlucht zou doen nemen tot een anderen practizijn, die kwaden raad kon geven in deze wanhopige zaak; en als men doorzette en den onbarmhartigen schuldeischer speelde, was er kans dat men schade leed, daar ’t verkoopen van onroerend goed zeer uit de hand kon vallen en ’t geheel eigenlijk sinds lang bezwaard was boven de waarde.

De goede man wist niet, qu’il prêchait un converti, en dat mijn innigste wensch was, alle mogelijke verschooning te gebruiken; alleen de intentie der erflaatster was juist eene geheel andere: deze was het te doen om te verpletteren, niet om opgericht te houden; op de schade die er uit volgen kon, mocht niet worden gezien; de verdrijving van den generaal uit al het zijne was het hoofddoel, tenzij de reddende hand werd aangegrepen die ik mocht toesteken; maar ik beken u gulweg, Willem, dat ’t geen ik op die soirée hooren moest, mij gansch niet gunstig stemde voor die aanbieding. Het verleden van dat jonge meisje moet toch al heel duister en zonderling zijn, als maar iets waar is van de praatjes die hier over haar worden gehouden. Ik weet wel, men moet veel op rekening stellen van de kwaadsprekendheid en de bekrompen uitleggingen eener kleine stad, maar toch .... oordeel zelf: Onder de dames aan wie ik werd voorgesteld, was er eene, een alleraardigst jong weeuwtje met gitzwarte oogen en levendige gelaatstrekken, die mij werd aangeduid als een verre nicht van de Roselaers, en waarvan het mij in ’t eerst speet, dat zij niet Francis Mordaunt heette en de uitverkoren nicht was van tante Sophie. Maar toen zij door vriend Overberg, zooals ter loops, op het chapitre der von Zwenkens werd gebracht, was ik heel blij, dat ik mij volkomen vreemd aan haar mocht houden. Ik kreeg zelfs eene opwelling van haat en bitterheid tegen haar, zoo onbarmhartig als zij op de arme Francis lostrok.

“Ja, zij waren goede kennissen geweest in den tijd toen haar grootvader de commandant was van ’t garnizoen, en zij had het huis van den overste gefrequenteerd, maar vriendschap, neen, vriendschap had er nooit bestaan tusschen haar en dat jonge meisje: daarvoor was zij al te bizar en te ongemanierd. Verbeeld u, jonker! ze kwam eens op een avond bij ons op een jongelui’s partijtje, waar men wist dat muziek gemaakt en gedanst zou worden, invallen zoo cavalièrement als ’t maar mogelijk was, met een donkeren merinoschen japon aan, hoog aan den hals, met een omgeslagen boordje en een zijden dasje, als een aankomende jongen, en haar schoeisel! bottines de roulier! Op mijn woord, ik geloof, dat zij er spijkers in had; geen onderofficier zou de onbeschoftheid hebben gehad met zulke laarzen in een salon te komen....”

“Onbekendheid met de omstandigheden wellicht....” verontschuldigde ik.

“Wel neen! Ze was acht dagen vooruit gevraagd. In dien tijd kan men wel een toilet prepareeren, zou ik meenen! Daarbij, zij was niet au dépourvu, dat bleek heel duidelijk, daar zij twee dagen daarna, bij een simpel damespartijtje, waar we tegen tien ure, door onze bedienden geëscorteerd, weer naar huis gingen, en grande toilette verscheen, gedecolleteerd of ze had moeten dansen, ébloissant door hare parure en met kostbare diamanten spelden in haar kapsel! Nu vraag ik u eens, was dat niet om ons allen te railleeren en bloedig te krenken?”

“Het komt mij voor, dat zij hare vriendinnen meer eer wilde aandoen dan hare cavaliers.”

“Waarheid is, dat zij al heel weinig complimenten maakt met de heeren,” viel eene schrale ouderwetsch gekleede oude juffer in, die zeker de laatste had moeten zijn om partij te trekken voor een geslacht, dat haar blijkbaar verwaarloosd had.

“En dezen hebben haar wis die nonchalance gereciproceerd?” vroeg ik. “Zij heeft denkelijk den ganschen avond tapisserie gemaakt nevens de dames van leeftijd.”

“Omdat zij zelve het dus wilde,” viel het weeuwtje weer in. “Hoe zij er ook uitzag, zij was zeker dat zij dansers kon krijgen. Alle jonge officieren zijn als vanzelf verplicht de dochter, nicht of kleindochter van hun kolonel zoo wat het hof te maken. Daarenboven verstond Francis Mordaunt heel goed de kunst om aan te trekken door af te stooten. Ondanks al hare bizarrerie en al hare caprices was zij nooit om een cavalier verlegen. Nauwelijks trad zij ergens binnen of zij wist de opmerkzaamheid tot zich te trekken. De heeren omringden haar, zij werd gevleid, gecourtiseerd....”

“Ja! gecourtiseerd, dat kan wel zijn, maar niet geconsidereerd, dat is zeker!” viel de oude vrijster in. “Het was meest om haar gerisqueerde aardigheden te ontlokken, of zulke uitvallen, waardoor ze befaamd is geworden.”

“Waarheid is, dat iedereen zich amuseerde met hare bijtende reparties.”

“Die de dames vreesden,” sprak een der heeren half schertsend, half verwijtend, “omdat ze in den regel even juist waren als scherp.”

“In den regel koos zij de heeren tot point de mire van hare raillerie.”

“Hoe vreemd dan toch, dat de dames zoo weinig hare partij trekken,” kon ik niet nalaten aan te merken.

“Dat is niet vreemd, jonker! De eigenaardigheden waardoor zij opgang wist te maken zijn juist die, welke wij in onze sexe niet kunnen uitstaan. In al hare overwinningen zagen wij nederlagen; de goede toon ging er bij onder.”

“En hoe liep de partij voor freule Mordaunt af in dat curieuse danstoilet?” viel ik in, want ik had minder belang bij een combat d’esprit met het précieuse weeuwtje, dan bij eene meer voltooide karakterschets van Francis, al was die ook door een tintje kwaadsprekendheid gekleurd.

“Juist zooals zij het hebben wilde, denk ik. Zij werd dien avond wel wat gedelaisseerd, en blijkbaar was dat haar oogmerk, want zij deed niets om er in te voorzien; integendeel, zij heeft haar besluit om niet te dansen zoo luid en zoo forsch te kennen gegeven aan de gastvrouw zelve, dat er geen kwestie meer kon zijn van haar te vragen.”

“Zoo slim was ze wel,” viel nu de oude juffer in. “Zij nam het initiatief om niet beschaamd te blijven zitten als er geen danser kwam opdagen.”

“Waarheid is, dat er meer zedelijke moed toe behoorde dan onze heeren in den regel bezitten, om eene dame op te leiden, die zich zoo heeft toegetakeld,” hervatte de weduwe.

“De gewoonte om ons niet te sparen schijnt hier aanstekelijk,” fluisterde mij een officier in, die mij als kapitein Sanders was voorgesteld. Ik knikte zwijgend, want ik wilde luisteren toen mevrouw X vervolgde:

“Ten laatste, toen de cotillon werd afgeroepen, moest ze toch meedoen, en de ongelukkige leider van den dans moest zich opofferen. Luitenant Wilibald, de adjudant van haar grootvader, was gedwongen haar op te slepen; hij nam son courage à deux mains, en, na eenigen weerstand, die wel serieus scheen gemeend te zijn, liet zij zich meevoeren, maar deed niets om hem de corvée te verlichten; integendeel, zij was zoo recalcitrant, zoo onopmerkzaam en zoo links, dat er telkens eenige verwarring ontstond en haar cavalier de grootste moeite had om hare méprises en distracties goed te maken. Ook werd de hoffelijke jonkman door iedereen beklaagd, te eer omdat men wist, dat hij zich eigenlijk uit dienstplicht opofferde, daar hij geëngageerd was met een allerliefst meisje, dat om een rouw in hare familie thuis moest blijven.”

“Pardon, mevrouw! Vergun mij te zeggen dat uwe voorstelling wat onjuist is uitgevallen,” viel nu kapitein Sanders in, met wien ik terstond was ingenomen om zijn ernstig en schrander voorkomen. “Permitteer mij een en ander te rectificeeren, want ik ben een vriend van luitenant Wilibald, en ik weet dat het hem hinderen zou, als zulke scherts voor de ware werd uitgegeven. Het was voor hem volstrekt geen corvée freule Mordaunt op te leiden, in welk toilet zij ook goedvond zich te vertoonen, want hij hield genoeg van haar om niet wat bizarrerie over ’t hoofd te zien.... Ja, ik durf zeggen, had het aan hem gestaan, zijne allerliefste future, een piepjong stijfburgerlijk opgevoed poppetje zou nooit zijne vrouw geworden zijn; maar de omstandigheden dwongen hem, en freule Mordaunt schijnt er het hare toe gedaan te hebben, om hem eene fortuin te doen trouwen.”

Ik dankte den kapitein in mijn hart, dat hij zoo ridderlijk de handschoen opvatte voor de waarheid tegen dat valsche tongetje, en ik had hem graag openlijk bedankt en de hand gedrukt, maar ik moest voorzichtig zijn en mijne belangstelling verbergen, wilde ik meer hooren.

“En is freule Mordaunt later nog getrouwd?” vroeg ik en trachtte de vraag zoo onverschillig mogelijk van de lippen te laten vallen.

“Wel neen!” riep de schrale oude juffer met een triomfeerenden glimlach. “Zij heeft hier, zoover men weet (en men weet hier nogal alles in dezen kring), nooit een serieusen pretendent gehad.”

“Hé! dat is toch vreemd; eene jonge dame die zooveel attracties scheen te hebben,” merkte ik aan.

“Dat is in ’t geheel niet vreemd,” viel het weeuwtje in, op een coquet sentimenteelen toon. “Aanbidders en vleiers van ’t oogenblik om zich heen te lokken, viel haar niet moeielijk; maar door ’t hart alleen wint eene vrouw ernstige genegenheid en achting en niemand heeft ooit Francis Mordaunt au sérieux kunnen nemen, n’en déplaise den kapitein, want zij had geen hart; zij heeft nooit van iets gehouden dan van paarden en honden.”

“Gij vergeet haar grootvader,” pleitte weer de kapitein.

“Nu ja! daar was ze idolaat van; maar tot haar ongeluk vergold hij het haar op eene vreemde wijze.”

“Wat bedoelt ge, mevrouw?” vroeg Overberg, wiens joviaal gelaat wat betrokken was.

“Dat hij het jonge meisje veel te veel aan haar eigen wil en luimen overliet.”

“Wat zal men zeggen, chère amie! Hij was bang voor haar.” (Het was de oude juffrouw die toebeet.) “Hij bulderde tegen zijne officieren, maar eene scène met Francis durfde hij niet afwachten.”

“Nogmaals verschooning voor tegenspraak, freule! De overste von Zwenken bulderde niet tegen zijne officieren, ik weet het bij ondervinding; maar waarheid is het, dat hij schitterde door zijne afwezigheid als Francis Mordaunt in de wereld ging. Hij liet haar uitgaan zóó en met wien zij wilde, en zat, helaas, aan de speeltafel, en de dusgenaamde adellijke societeit, als Francis zich door onbezonnenheid en zekere eigenaardigheden van haar karakter ter prooi gaf aan laster en verkeerde uitleggingen.”

“Bravo, kapitein! Dat’s loyaal de afwezende te verdedigen.”

“Het spijt mij maar, dat het niet kon zonder een anderen afwezende aan te klagen; maar hetgeen ik zeg is bekend, óver bekend in dezen kring.”

“Even bekend als de excentrieke allures van Majoor Frans. Wat kapitein Sanders ook zeggen moge, wij vonden niets uit op dit punt, wij geven het zooals wij het hebben beschouwd.”

Ik begreep maar al te goed wie er door majoor Frans bedoeld werd, om opnieuw eene vraag te durven doen.

“Dat moet men toestemmen,” sprak eene oude dame, die tot hiertoe gezwegen, maar met schitterende oogen toegeluisterd had. “Denk maar wat een opzien het gaf, toen zij zich zoo compromitteerde voor dien vreemdeling die in de ‘Gulden Zalm’ logeerde, wien het huis van den kolonel was ontzegd en dien zij rendez-vous gaf buiten diens weten. Heeft zij niet ons aller blaam getrotseerd door op klaarlichten dag met den onbekende in de plantage te wandelen? Ten laatste, ’t is mij voor vast verzekerd door iemand die het weten kon, heeft zij hare diamanten spelden beleend om de kosten van zijn verblijf te betalen. Ze heeft ze zelfs willen verkoopen, want ze zijn iemand van mijne kennis gepresenteerd.”

De vroolijke blos op het frissche, volle gelaat van Overberg verschoot tot een vaal bleek; maar hij zeide niets; de kapitein daarentegen viel in:

“Het is maar al te waar dat zij alles risqueerde als zij zich iets in ’t hoofd had gezet.”

“En dat om een persoon, die in ’t geringste logement herberg nam, niet eens zijn waren naam opgaf, zooals later verteld werd, en die stellig een oplichter of valsche munter is geweest.”

“Indien dat gebleken ware, zou de politie er zich mee hebben bemoeid,” bracht Overberg in ’t midden.

“Zoo komt het mij ook voor,” sprak de kapitein, “en ik houd voor waar, wat Wilibald Smeekens er van geloofde: dat het iemand was, die zich vroeger in den dienst niet goed had gedragen en dien zij uit medelijden naar het buitenland wilde voorthelpen.”

“Hm! uit medelijden!” sprak de oude mevrouw. “Eene jonge dame behoorde zich toch waarlijk in acht te nemen voor zulk soort van medelijden. Zich met intriganten in te laten! Ik verzeker u, dat er destijds algemeen sprake van was, haar uit onze conversatie te verbannen.”

“Maar men waagde het niet, dat banvonnis uit te voeren om den wille van den kolonel, die ’t in zijne macht had het casino onmogelijk te maken en de militaire muziek te weigeren aan de buiten-sociëteit, en die ’t zeker zou gedaan hebben als hij maar iets had geraden van ’t geen er tegen zijne kleindochter broeide,” sprak de kapitein. “Maar de dames legden het voorzichtiger aan; zij executeerden de arme Francis achter haar rug en.... en détail....”

“Met dat gevolg,” voegde de oude juffer er bij, “dat zij zich weldra uit haar zelve terug trok.”

“Neen, dàt had eene andere oorzaak,” zei nu het weeuwtje met een veelbeteekenend hoofdschudden; “dat kwam niet door onze bejegening, maar omdat hare eigene consciëntie tegen haar getuigde na dat geval met haar koetsier.”

“Ja, dat’s waar; dat was eene fatale historie,” stemde de kapitein toe, tot mijne smartelijke verbazing.

De loyale man, die blijkbaar tegen lasterzucht en verkeerde uitleggingen kampte, moest hier zwijgen.

Wat was er dan toch gebeurd? vroeg ik bij mij zelven; maar de stem stokte mij in de keel, toen ik de vraag luide wilde herhalen. Zij werd mij gespaard.

“Maar wat is er dan toch gebeurd met die dame en haar koetsier?” vroeg een gebrild heertje, dat, nieuwelings aangekomen, met het ambt van postdirecteur was belast.

De tongen der dames trilden van ongeduld om te antwoorden.

“Ongelukkig weet men er het rechte niet van,” hief de oude juffer aan, wier schrille, scherpe stem haar de gelegenheid gaf het woord te bemachtigen, “maar algemeen wordt geloofd, dat zij zich door haar koetsier wilde doen schaken. Mogelijk zou dat gelukt zijn, doch.... de man had eene bruid, en toen dat uitkwam....”

“Heeft zij hem op een woesten rijtoer van den bok geworpen,” viel de oude dame in met een glimlach van demonisch genot.

“Anderen, die ’t meenen te weten, zeggen, dat zij hem met de karwats heeft doodgeslagen,” voegde het weeuwtje er bij, dat er toch ook het hare van hebben moest. “Horrible, most horrible!” kwam er met een gemaakt sentimenteel oogverdraaien achter.

Ja, wel horrible! dacht ik, dat jonge en oude vrouwen al te zamen wedijveren in boozen lust om eene van haar die gevallen is, of mogelijk slechts gestruikeld, met de tong den genadeslag toe te brengen.

Ik kan u wel zeggen, Willem, dat ik in dien oogenblik overmeesterd werd door afschuw en walging tegen heel het vrouwelijk geslacht, en dat het mij nauwelijks de moeite waard was verder te luisteren, toen nog weer eene andere in zijde en kant gedoste harpij uitviel:

“Ik heb hooren zeggen, dat zij met hem gevochten heeft en dat de paarden toen zijn doorgegaan, waarbij het slachtoffer onder de voeten zou zijn geraakt.”

“Hoe dat ook zij, de waarheid zal wel nimmer uitkomen, de man ligt op het kerkhof.”

“Ja, dat is hier zonder beeldspraak de waarheid,” schertste de weduwe, “en daarmee is de misdaad voor goed bedekt.”

“Met uw verlof, dames! Als er van zoo iets kwestie ware geweest, zou immers de justitie er zich mee bemoeid hebben,” merkte Overberg aan; “en ik weet voor zeker, dat er van zoo iets geen sprake is geweest.”

“Dat wil ik wel gelooven,” repliceerde de weduwe. “De officier van justitie was een goed vriend van den kolonel, die dagelijks met hem aan de ombretafel zat, en hij heeft, om de zaak te bemantelen en tegelijk aan het publieke wraakgeschrei iets toe te geven, eene officieuse visite afgelegd bij den commandant. Francis Mordaunt moet toen in ’t verhoor zijn genomen, en, zooals vooruit te berekenen was, is zij er zwaanwit uitgekomen; naar ’t getuigenis van den rechterlijken ambtenaar althans,” eindigde zij met een satyriek schouderophalen.

“Maar, mevrouw!” viel Overberg in met zichtbare ergernis, “als men nu zelfs de onpartijdigheid van de justitie gaat verdenken!”

“Och, ik verdenk niet, ik vertel slechts hoe ’t afgeloopen is, namelijk dat de zaak gesmoord is en aan de familie van den ongelukkige het stilzwijgen werd opgelegd. Lieden van dat slag laten zich licht bang maken. Enfin, hoe het daar ook mee zij, Majoor Frans heeft zich na dat avontuur niet weer in onze côterie durven vertoonen, en haar grootvader schijnt er aanleiding uit genomen te hebben om zijn ontslag uit den dienst te vragen.”

“Hij had den leeftijd,” voegde de kapitein er bij; “en zoo hij zijn ontslag kreeg, was het met eervolle onderscheiding: bevordering tot generaal, vergunning tot het blijven dragen van de uniform.”

“Waarvan wel niet druk gebruik zal gemaakt worden; want de generaal retireerde zich naar het huis de Werve,” merkte de oude dame aan.

“Waar nu Majoor Frans het commando heeft,” liet de oude dame er op volgen.

“En zich den tijd verdrijft met paardrijden en jagen,” voegde het weeuwtje er bij, met een opgetrokken neusje.

“Wat het laatste betreft, dat kan ik, als onjuist, tegenspreken,” hernam Overberg; “want de generaal heeft geene jachtakte genomen, dat weet ik zeker, en het jachtrecht over zijne velden en bosschen is sinds lang overgedragen op.... een van mijn cliënten, die echter hazen en patrijzen in vollen vrede laat.”

Hierdoor kwam het praatje tusschen de heeren op de jacht en visscherij; terwijl de dames hare tong scherpten tegen andere slachtoffers.

Ondanks mijne poging om het te ontveinzen, moet Overberg het mij hebben aangezien dat de harde oordeel-velling over Francis dieper indruk op mij maakte dan salonpraatjes behoorden te doen; hij nam mij ter zijde en fluisterde mij in: “Morgenochtend vóór uw vertrek kom ik nog een paar woorden spreken over dit gehoorde; hecht er intusschen niet te veel aan; dit alles weegt zoo zwaar niet als het luid klinkt.”

Hij had goed praten; hij kende de oorzaak mijner belangstelling niet, en al tilde ik het nòg zoo licht, het was toch te veel voor de betrekking, waarin ik tot de freule moest komen. Ik begon te twijfelen of ik wel naar de Werve zou gaan, en of ik niet beter deed mij ter zijde te houden en van Beek met Overberg te laten handelen. Het oordeel over den generaal en zijne kleindochter zou dan voltrokken worden; maar het scheen toch gansch niet onverdiend.

Onder overleggingen van den onaangenaamsten aard begaf ik mij ter ruste, die ik niet vond. Ik had een ellendigen nacht en was op het punt na mijn ontbijt het rijtuig, dat mij naar de Werve moest brengen, te gebruiken om naar een der dichtst gelegen stations van den spoorweg te rijden, daar het stadje nog buiten het net der rails ligt, en naar den Haag terug te keeren, waar mijne kamer nog niet is opgezegd en waar ik mijn eigen rustig en werkzaam leven kon hervatten, om mij voor goed af te wenden van tante Roselaers fortuin en hare beschikkingen; maar Overberg kwam tusschenbeide met consideratie en advies.

“Ik meen uwe nobele intentie geraden te hebben,” ving hij aan. “Gij wilt freule Mordaunt leeren kennen, en als zij u aanstaat een voorslag doen, die allerlei moeielijkheden door eene enkele overeenkomst bij minnelijke schikking uit den weg ruimt. Ik kan u niet zeggen, hoe prijselijk, hoe verstandig ik dit voornemen vind, en het verwondert mij zelfs, dat de erflaatster u in dezen niet een wenk heeft gegeven, want zij was iemand, die de zaken zeer helder inzag.”

“Dien wenk heeft ze gegeven; ik wil het u niet langer verhelen; en ’t was wel mijn voornemen dien op te volgen, maar na het gehoorde van gisterenavond moet ik er van afzien.”

“Gekheid! Hecht toch niet zooveel gewicht aan die praatjes. Denk aan de lasterzucht en de kleingeestigheid van de lieden eener kleine stad, die alles op het bekrompenste uitleggen.”

“Heel goed; maar in een kleine stad, waar men elkander, om het zoo eens te zeggen, oog in oog ziet en alles van elkander kan weten, durft men toch zoo grof niet liegen en lasteren als er niets van aan is.”

“Dàt wil ik ook niet beweren; maar zekere ongewone voorvallen, zekere excentrieke handelingen zijn meestal voor tweeërlei uitlegging vatbaar; en wie zegt ons, dat de slechtste, door naijver en ergdenkendheid gegeven, juist de ware is? Ik voor mij, dit beken ik, ik ben niet in de gelegenheid geweest om de gedragingen van freule Mordaunt te controleeren. Ik had genoeg aan de zaken met haar grootvader, die altijd met hooge ingenomenheid van haar sprak. Daarom wilde ik ook geene getuigenis voor of tegen haar geven op uwe vraag. Had ik echter kunnen denken dat onze dames het zóó bont gemaakt zouden hebben, dan had ik het niet op hare praatjes laten aankomen en zou ernstige navraag hebben gedaan bij personen, die billijk en betrouwbaar waren.”

“Kent gij dezulken hier?”

“Ze moeten hier te vinden zijn. En ik verzeker u, in mijne praktijk is het mij zoo dikwijls voorgekomen dat men de boosaardigste beschuldigingen, tot de grootste proportiën opgeblazen, als een zeepbel zag uiteenspatten bij ferme, mannelijke aanraking, dat ik niets meer geloof, wanneer ik niet met eigen oogen gezien, niet met eigen handen getast heb, of waarvoor ik althans waarborgen heb, die met eigen aanschouwen gelijk staan.”

“Op het punt der verkochte of beleende juweelen hebt gij dan toch zeker eenig duchtig bewijs in handen,” viel ik in, mij zijn verbleeken herinnerend.

“Gij hebt gelijk; juist in die zaak ben ik betrokken geweest. De freule had meer geld noodig dan die woekeraar van een goudsmid hier bij ons er haar op wilde voorschieten. Verkoopen wilde zij ze niet dan op het uiterste, en hoewel het mogelijk is dat de juwelier, die ze een paar uur onder zijne berusting heeft gehad, er zaken mee heeft willen doen, met hare toestemming en voorkennis zijn ze niemand te koop aangeboden. In hare verlegenheid nam zij hare toevlucht tot mij, van wien ze wist dat haar grootvader altijd met raad en hulp werd gediend. Nu behoort het wel niet tot mijn vak, geld te leenen op edelgesteenten, maar zij bekende mij, dat zij in de uiterste verlegenheid verkeerde, hoe ze een paar duizend gulden zou bijeenkrijgen buiten haar grootvader om. Zij was pas meerderjarig en hare voogden hadden haar nog geene rekening en verantwoording gedaan van hun beheer over haar vaderlijk erfdeel; zelve wist ze nog niet, wàt ze bezat, en geloofde dat haar vermogen geheel op het Grootboek was geplaatst om bepaalde redenen, die ik licht doorzag; men had den generaal de gelegenheid willen benemen om zijne kleindochter, wier fortuin bij het overlijden van haar vader toch al zeer gereduceerd zal zijn, totaal te ruïneeren. Wat daarvan zij, eene parure in paarlen en de prachtige diamanten spelden was alles wat zij kon missen op dit oogenblik, maar zij had er die dan ook voor over. Mejonkvrouw Roselaer had mij eens voor al opgedragen de von Zwenkens in allen nood bij te staan, moyennant degelijk onderpand. Ik meende dit geval in dat voorschrift te moeten begrijpen en ik schoot het geld voor tegen billijke rente, op mijn eigen risico, zoo de oude freule de zaak niet mocht goedkeuren; maar het tegendeel bleek, en de sieraden zijn nog onder mijne berusting, daar ze tot hiertoe nog niet zijn opgevorderd.”

“En de rente?”

“De freule schijnt daar niet aan te denken,” hernam Overberg met een goelijk glimlachje; “die laten we maar stilletjes oploopen tot tijd en wijle.... Als het met uwe intentiën strookt, kunnen wij dat aparte zaakje onder ons afdoen.”

“Wij zullen zien, mijnheer Overberg. In elk geval kan het mij te pas komen dit te weten. En hebt gij niet vernomen welk gebruik de jonge dame dacht te maken van dat geld?”

“Zij moest er iemand mee helpen, die zich niet tot den kolonel kon wenden (onder ons gezegd, zou het dezen ook niet licht zijn gevallen die hulp te verleenen). In welke betrekking zij zelve stond tot den persoon in kwestie, kwam ik niet te weten. Hij is maar een dag of vier hier gebleven; zelf heb ik hem niet ontmoet, maar zooals gij gehoord hebt, was er geen gebrek aan sprookjes over zijne faits et gestes. Sommigen beweerden hem gezien te hebben in de kleeding en de manieren van een gentleman; anderen wisten voor zeker, dat hij er als een schooier uitzag, zich in een gemeene herberg bedronk en niets beters was dan een brutale avonturier, ’t geen wel zou kunnen zijn, want het mededoogen der vrouwen is wel eens zeer slecht geplaatst.”

“En ’t voorval met den koetsier? Blinkt daarin ook hare vrouwelijke meewarigheid uit?” vroeg ik, niet zonder wat bitterheid.

“Dat zal ik niet zeggen; maar er kon toch wel eens minder kwaad achter schuilen dan de beminnelijke dames er in willen zien. In uw geval zou ik den tocht naar de Werve niet uitstellen tot ik daar het rechte van wist. Ik heb freule Mordaunt wel hooren beschuldigen van bruske manieren en onvoorzichtige gedragingen, maar zij is bekend om hare oprechtheid, die door hare dusgenoemde vriendinnen als impudentie wordt beschouwd, want zij heeft niet als onze nufjes den tact om met zoete woordekens impertinenties te zeggen. Mogelijk komt gij achter de waarheid, als gij haar die zelve ronduit vraagt. Een enkel bezoek verbindt daarbij tot niets, en gij zult toch in elk geval een onderhoud met den generaal moeten hebben over de zaken.”

Overberg had gelijk. Ik moest niet veroordeelen zonder eigen onderzoek, en ik stapte in het wagentje met een paard, dat in deze streken het traditioneele voertuig is voor buitentoertjes. Ik had in ’t logement gewaarschuwd dat ik dien dag uit zou blijven, maar wij wel gewacht te zeggen waar ik heenging, om alle gissingen en willekeurige uitleggingen af te snijden.

Ik deed of ik mij aan den koetsier overgaf voor een toertje in de omstreken; alleen bij de eerste halt aan het tolhek gaf ik mijn verlangen te kennen om naar ’t kasteel de Werve te rijden.

“Dan zijn we de verkeerde poort uitgereden!” knorde de boersche voerman, “en dan doen we beter den tol niet door, maar links af langs het bosch te rijden;” ’t geen echter den tolbaas niet aanstond, die verzekerde dat men de Werve evengoed kon bereiken als men een kwartier later links af draaide, “een makkelijk schulppad, zoo hard als een steenweg, zouden we vinden, met hooge populieren tot aan het dennenbosch, en dan wees de weg zich vanzelf.” De voerman onderwierp zich en wij reden door; maar “de weg die zich zelf wijst” is wel eens een zeer onbetrouwbare indicatie; wij zouden het tot onze teleurstelling ondervinden. Inmiddels gleden wij werkelijk over het schulppad of het eene railroute was. Het was een droge koude lentedag, zonder zon; de lucht had iets zwaars, dat bijna een sneeuw- of hagelbui liet verwachten. Het hoog, nog slechts knoppend geboomte schonk weinig afwisseling, en de huif van het wagentje, dat ter eener zijde dicht moet blijven om den schralen noordenwind, liet mij niet veel anders zien dan den breeden rug van den voerman. Ik had dus alle mogelijke gelegenheid om tot mij zelven in te keeren en mijn plan de campagne te maken, dat ik toch weer varen liet zoodra het geëmbaucheerd was; want het terrein was mij nog altijd onbekend, en ik begreep dat ik met een vijand zou te doen krijgen, die weerbaar genoeg was om partij te trekken van een onhandigen aanval; het was dus beter, vooruit geene manoeuvres te bepalen, die door de eerste caprice de beste van “den Majoor” onuitvoerbaar konden worden gemaakt.

Herkomst van de tekst: de uitgave in de Nederlandsche Bibliotheek onder leiding van L. Simons, Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur, Amsterdam. Spelling ongewijzigd.