A.L.G. Bosboom-Toussaint · Majoor Frans · 1874
Deel 3 (5 van 7)
Francis had gelijk, het was zacht lenteweer geworden, en de bijkans tegen zijn wil naar buiten gevoerde grijsaard ondervond den verkwikkenden invloed van frissche lucht en een ruim uitzicht, toen wij achter het kasteel om langs de volière voortwandelden, de generaal door den arm zijner kleindochter gesteund, en ik naast haar gaande, luisterend naar haar opgewekten kout en de malicieuse reparties die zij altijd klaar had, als er iets gezegd werd wat die uitlokte. Met eene oprechtheid die aan onvoorzichtigheid grensde, gaf zij de wonde plekken van de Werve bloot.
“Neef Leo was nu toch huisgenoot en zou deze zelf gauw genoeg opmerken, al wees men hem die niet aan,” gaf zij den generaal ten antwoord, die minder gulle bekentenissen had gewenscht.
“Het is nu eenmaal niet anders, neef! Wij zijn hier niet rijk, en men moet het zijn om een landgoed als dit te bewonen en te onderhouden; daarbij is het voor grootpapa geen tijd meer om te laten timmeren en verven, hier en daar wat glazen laten maken zou juist geen luxe zijn, maar wat zal ik u zeggen, wij zien tegen het werkvolk op.”
De volière, die voorheen aangelegd was op eene grootsche schaal en met haar verguld netwerk het voorkomen had, eenmaal eene menigte van kostbare en zeldzame bewoners te hebben geherbergd en den pluimgraaf handen vol werk gegeven te hebben, was nu, zooals Francis niet naliet mede te deelen, op verlangen van den kapitein in eene simpele kippenren herschapen, terwijl er tegelijk kalkoenen in opgesloten waren, bestemd om voor de tafel te dienen, “eene liefhebberij van Rolf, die er zelf voor zorgt.”
Wij gingen langs eene zachte glooiing opwaarts tot aan een voormaals prachtigen steenen koepel, geheel in den rijken stijl van de 18de eeuw, maar die ruwe witte muren toonde in plaats van het voormalig schilderwerk; de vocht en de achteloosheid der bedienden hadden het geheel bedorven, bekende de generaal, “en daar het onze tijd niet was om zoo iets op te knappen,” voegde Francis er bij, “liet ik een brocanteur uit Arnhem komen, die voor de rafelende lappen nog een redelijk sommetje bood. Toch is het hier mijn lievelingsplek, al biedt het dak geen schuilplaats meer tegen regen en sneeuw; maar hier op die rustige bank, die ik er heb laten zetten (gij moet weten, de kapitein kan zoo wat timmeren), zijn wij toch nog door de muren beschut; kom hier wat zitten, grootvader! Neef Leo moet het heerlijke uitzicht genieten over de hoogten en laagten der heidegronden, door het prachtige dennenbosch ter eener zijde begrensd.”
Het was werkelijk een verrukkelijk uitzicht, en als de zon nu en dan door de wolken schoot en er hare lichttinten op wierp, waren er effecten die een schilder in geestdrift zouden hebben gebracht.
Francis scheen met volle teugen en met de zorgeloosheid van een onnadenkend kind het verrukkelijke schouwspel te genieten; maar de generaal werd blijkbaar aangegrepen door smartelijke bijgedachten. Ik raadde ze, al sprak hij ze niet uit.
Alles wat hier het oog aanschouwde, de rijke landerijen ingesloten, die maar even aan den horizont, links opdoemden, had eenmaal tot de bezittingen van de Werve behoord; hij zelf had het goed onbezwaard in handen gekregen, en nú, geen duimbreed gronds, geen strookje lands, geen enkelen boom kon hij in waarheid meer het zijne noemen, en daar zat zijne kleindochter, wie dit alles had moeten ten goede komen, in argeloosheid neer, en hij kon haar niet anders nalaten dan eene ruïne, indien nog maar eene “ruïne!” moest hij zich zelf zeggen, als hij moed had om tot in de diepte van zijn ongeluk neer te dalen. Dat mijn raadvermogen mij niet bedroog, bewees mij niet slechts zijn somber zwijgen, de weemoedige blik, dien hij op Francis wierp, na het vergezicht een tijdlang te hebben aangestaard, maar ook de vraag aan mij, waarmee hij zijn stilzwijgen afbrak, en die, schijnbaar doelloos, mij zelf in het hart mijner overpeinzingen trof.
“Apropos, neef! wat is er van die zes meisjes geworden?”
Francis lachte luid. “Grootpapa, die op eens belangstelling toont in het lot van zes jonge meisjes tegelijk, dat’s nogal sterk!”
“Spot niet, kind!” gromde hij, en hervatte met zekeren ernst tot mij: “ik bedoel de zes freules d’Hermaele, die zusters uwer moeder.”
“Gij wilt weten of Leo misschien door den tijd nog kans heeft om rijk te worden,” viel Francis weer in, met de haar eigene clairvoyance en vermetelheid; “dat’s mis, grootpapa, daar is niet één erftante bij. Heb ik het geraden, Leo?”
“Maar al te goed. Twee harer zijn sinds lang overleden, twee anderen zijn redelijk goed gehuwd, daar zij niet tegen eene mesalliance opzagen, maar zij hebben kinderen; tante Sophie alleen leeft nog en wordt zoo wat door de familie onderhouden, waartoe ik, in tijd en wijle dat het lijden kan, ook het mijne bijdraag.”
“Tante Sophie!” herhaalde de generaal. “Hadden de Hermaeles de handigheid om Sophie Roselaer tot peettante te verkiezen?”
“Denkelijk wel, maar ik weet er waarlijk het fijne niet van te zeggen; mijne goede moeder sprak mij zelden van de familieomstandigheden?”
“Maar zou die tante Sophie dan ook de uitverkorene kunnen zijn van onze oude kwelgeest freule Roselaer.”
De generaal kwam op een voor mij zeer onveilig terrein. Ik kon, ik mocht niet oprecht wezen, en ik huiverde tegen dubbelheid, onder de eerlijke opene oogen van Francis; zelve kwam zij mij onwillens te hulp.
“Zeker niet!” riep zij met hare gewone levendigheid, “want dan zou Leo het ons terstond wel gezegd hebben.”
“Dat is waar, kind, en gij, Leo, heeft men u behandeld zooals ons, en u zelfs geen kennis gegeven van haar overlijden, zelfs niet uitgenoodigd om hare begrafenis bij te wonen?”
“Ik weet met zekerheid dat niemand van de familie daartoe uitgenoodigd is, en dat zij met den uitersten eenvoud door haar dokter en haar notaris ten grave is geleid.”
“Dan is het ook niet twijfelachtig hoe wij door haar behandeld zijn,” sprak de generaal, met ergernis zijne kleindochter aanziende en nu zijn onderzoek bij mij opgevend. “Ik voor mij had niet anders verwacht; wij zijn in vijandschap elkaar niets schuldig gebleven, maar ik begrijp mij niet hoe zij het over zich heeft kunnen verkrijgen, om het eenige kleinkind harer zuster zóó te berooven.”
“Maar is het dan zoo zeker dat zij dit gedaan heeft?” waagde ik aan te merken; “in Utrecht is het bekend dat hare testamentaire beschikkingen minstens drie maanden moeten geheim worden gehouden.”
“Maar toch zeker niet voor de erfgenamen,” viel de generaal in; “neen! als zij Francis bedacht had zouden wij er al iets van weten en dan zou zoo’n notaris zich niet verstouten ons zóó achteloos te behandelen; neen! het is maar al te zeker dat zij de familiehaat zoo ver heeft gedreven, dat mijne arme kleindochter, die daaraan volkomen onschuldig is, er dus onder lijden moet.”
“Zonder dat ik een oogenblik op zoo iets als een legaat heb gerekend,” viel Francis in, “moet ik u toch bekennen, dat het mij eenigszins verwondert, dat tante Sophie ook mij in die familie-rancune heeft begrepen.”
“Waartoe verwondert u dat?” vroeg von Zwenken, haar aanziende; “gij hebt immers nooit iets van haar gezien of gehoord?”
“Dat heb ik juist wel; zeer toevallig, dat is waar, maar toch had zij bij die gelegenheid geen reden om zich persoonlijk over mij te beklagen, hoewel het mogelijk is dat zij, zooals ’t mij meer gebeurt bij eene eerste ontmoeting (de ondeugende zag mij even schalks aan), een kwaden dunk van mij heeft gekregen.”
“Dat lijkt op u,” gromde de generaal, “de eenige kans die u mogelijk gegeven was om de fortuin bij de haren te grijpen, willens te veronachtzamen.”
“Maar grootpapa! gij verschiet daar uw kruit in het wilde; gij weet immers niet eens wat er tusschen de oude freule en mij is voorgevallen?”
“Als het iets goeds ware geweest, zoudt gij het mij wel hebben medegedeeld.”
“Ik zweeg er van, omdat ik wist hoezeer het noemen van dien naam reeds uwe drift placht gaande te maken, en omdat ik het onnoodig vond u opnieuw te verbitteren.”
“Wat zal ik u zeggen, kind!” hernam de generaal met eene zachte bewogene stem, “ik zelf voelde mij te oud en te stram om nog voor dat hatelijke wijf eene kniebuiging te maken, en ik geloof dat ik liever mijne hand had zien verdorren, dan die haar toe te reiken ter verzoening; maar toch gij, ja ’t is een zwakheid, ik beken het voor u als voor neef Leo, als gij persoonlijk uw pays met haar hadt kunnen maken, en ik daardoor wat meer rust had gekregen over uwe toekomst, dan zou mij dat zeer verheugd, zeer verlicht hebben.”
“Jammer dat ik dit niet geweten heb,” zei Francis met een luchtig schouderophalen, “want wie weet, zoo ik de kennismaking had voortgezet en eens mijn best had gedaan, hoe schitterend Majoor Frans er in haar testament ware afgekomen!”
“Maar weergasche spotster! vertel ons dan toch waar en wanneer gij die oude hebt gezien en gesproken?”
“Och, ’t is nog zoo heel lang niet geleden. Het was in het begin van dit jaar; gij weet wel dat ik de reis naar Utrecht moest maken om zekere treurige oorzaak, waarmee Leo niets noodig heeft.”
“Zij wil ’t nooit weten als zij wat goeds doet!” viel de generaal in.
“Och, het was niets dan een zware plicht dien ik te vervullen had; ik moest den bekenden dokter D. raadplegen over eene ongelukkige krankzinnige, die in een gesticht werd verpleegd. Niet al te best onderricht van de uren waarop hij te spreken was, en bovenal omdat het met mijn tijd uitkwam, draafde ik, met mijne parapluie onder den arm, naar het huis van den grooten man, maakte mij een weinigje boos op zijn bediende, die goed vond mij voor den volgenden dag te bescheiden, onder pretext dat het spreekuur voor heden verloopen was, en zijn meester nu en famille dejeuneerde, waarbij hij niet gestoord wilde zijn. Ik voor mij vond, dat er voor iemand van zijn vak dringender plichten konden zijn dan een familie-dejeuner; ik dreigde, ik drong er op aan gehoord te worden, en dwong hem met mijn kaartje binnen te gaan, hetgeen zeer onwillig, zeer schoorvoetend geschiedde; de trouwe man wist misschien beter dan ik kon vermoeden, welke inspanning zijn heer, nà zulke stonde verpoozing, wachtte; genoeg, mijn aanhouden zegevierde over zijn tegenstand, ik werd ten gehoore toegelaten, tot mijne bevreemding echter in de huiskamer waar de beroemde man als een gewoon mensch zijn boterham zat te eten. Ik werd uitgenoodigd mee aan te zitten en mij wat te verkwikken; straks zou men en tête à tête besogneeren. Een goed ontbijt ziende, voelde ik zelve dat ik gespoord en gereden had, zonder aan eene behoefte te denken die zich nu deed gevoelen; ik liet mij niet lang nooden en nam de plaats in die mij geboden werd tusschen twee dames van leeftijd, die mij werden voorgesteld als des dokters zuster en hare vriendin. Daar het mij volstrekt onverschillig was hoe de vriendin van juffrouw D. heette, en ik niet voornemens was mijne geheimen aan de ontbijttafel uit te storten, bekommerde ik mij niet over die onwetendheid, en toch de dame, die mij met hare scherpe doordringende zwarte oogen voortdurend gadesloeg, begon mijne nieuwsgierigheid te prikkelen. Zij scheen van eene opgewekte levendige natuur en railleerde zeer aardig over personen en zaken van den dag; haar oordeel kwam mij voor heel helder te zijn, maar onbarmhartig. Hare geestigheid had iets bitters en inhumaans, dat ik geen recht had haar te verwijten, omdat ik zelf juist zoo zacht niet ben uitgevallen als het de dwaasheden en de gebreken mijner medemenschen geldt; maar hoe dat ook zij, het prikkelde mijn strijdlust; van repartie tot repartie liep het bijkans op een twist uit en....”
“Daar heb je ’t al!” riep de generaal; “die oude juffrouw zal zeker een vriendin van freule Sophie zijn geweest, en het werd aan deze niet op de vriendelijkste manier overgebriefd.”
“Wees niet zoo voorbarig, grootpapa! Gij neemt de pointe van mijn relaas af eer het er aan toe is; het was tante Roselaer zelve met wie ik dus in discussie was geraakt; zij, de slimme feeks, wist wie ik was en had mij, naar ik dacht, zoo eens willen schatten. Zij had de malice gehad van haar eigen naam en persoon in ’t gesprek te mengen en scheen mijn opinie daarover te willen uitlokken. Voor die verzoeking echter bezweek ik niet. Ik viel in met de mededeeling, dat mijne familie aan freule Roselaer geparenteerd was en dat ik, meer dan mij lief was, gehoord had van de vijandelijke stemming der familieleden onder elkaar, maar dat ik mij toch niet gerechtigd achtte, over eene dame die ik niet kende met eene andere die mij niet eens bij name bekend was te railleeren, allerminst omdat ik het deloyaal achtte eene vijandin te bestrijden achter haar rug.”
“Ik dacht niet dat freule Francis Mordaunt zoo bang was voor een duel,” werd mij toegevoegd.
“Integendeel!” viel ik uit, “het duel is eene onmisbare zaak in eene maatschappij als de onze, het is eenigermate een veiligheidsmaatregel tegen leugen en laster. Als ik freule Roselaer in persoon had ontmoet, zou ik haar mogelijk mijn cartel zenden.” Die wakkerheid scheen de andere te voldoen. Zij gaf toe dat ik gelijk had en dat zij maar een spiegelgevecht had willen uitlokken, omdat zij van mijne uitvallen had gehoord. Het compliment werd gereciproceerd; dokter D. en zijne zuster schenen daarbij niet op hun gemak te zijn; de eerste hief de séance op, mij uitnoodigend hem in zijn kabinet te volgen. Toen ik hier had afgedaan en mij wilde verwijderen ontmoette ik de mij nu bekende dame in de vestibule; zij vroeg mij of ik haar een eind weegs wilde vergezellen; zij had nog een bezoek te brengen bij een vriend, waar het rijtuig haar zou komen afhalen. Ik gaf toe aan haar verlangen, maar eenmaal wetende met wie ik te doen had, was ik op mijne hoede, en dat gaf zekere strakheid, vooral toen ik op hare noodiging om een dagje bij haar door te brengen, een afwijzend antwoord gaf.
“Dat was onbeleefd en onvoorzichtig!” viel de generaal in met een hoofdschudden.
“Ik meende geheel in uw geest te handelen, grootpapa! door als excuus aan te voeren, dat ik geen uur langer te Utrecht kon blijven dan de schikkingen die ik te treffen had noodig maakten.”
“Als de generaal u zóó slecht missen kan, is het gelukkig voor hem dat gij niet trouwt,” voegde zij mij toe; “of heb ik het mis, en is er reeds een pretendent?” ging zij voort, mij met hare scherpe zwarte oogen aanziende of zij tot mijn binnenste wilde doordringen.
Het antwoord dat ik haar geven kon was, zooals gij wel raden kunt, bon papa! zeer geruststellend voor u,” voegde Francis er met een ondeugend glimlachje bij; “hoe zij het opvatte weet ik niet, want wij raakten op dat oogenblik in een moeielijk parket. Een troepje jongelui van die soort, die meer op de sociëteit studeert dan in de collegiekamer, kwam arm in arm gestrengeld op ons aanhorten, onder niet al te vleiende toespraak, hetzij freule Roselaer in Utrecht eene bekende en weinig beminde persoon was, hetzij iets in haar of in mijn voorkomen den spot- of plaaglust opwekte dier onwaardige muzenzonen. Waarheid is, dat haar hoed eenige modes ten achter was, en de mijne ook niet naar het laatste plaatje; daarbij zij met haar ouderwetschen boiteux, ik met mijn regenmantel, beiden zonder crinoline; zij, omdat haar leeftijd haar ontsloeg aan zulke dwaasheid mee te doen, ik, omdat ik nooit iets navolg dat ik belachelijk vind en niet verkoos mij door een cage te laten omsluiten, zagen wij er, ik moet het erkennen, niet uit als zulke élégante dames, die voor diergelijke jongelui genoegzaam attraits hebben om hunne courtoisie uit te lokken. Toch hadden ze ons gemis aan élégantie, dat hen niet deerde, als eene zeer verschoonlijke fout kunnen overzien en ons ongemoeid laten voorbijgaan, maar het omgekeerde scheen hun meer piquant. Zij stelden zich in onzen weg, sloten een kring om ons heen onder het toewerpen van allerlei ongepaste benamingen, waarvan “ohé! slappe juffrouw!” “ohé! mamsel boiteux!” en “hoed! hoed!” nog de minst onwelvoegelijke waren. Ziet gij, neef Leo! ik ben geen prude, die een vies mondje trekt als zij een hartig woordje zou moeten spreken: je nomme un chat, un chat, als het er op aankomt, maar lafheid en zoutelooze aardigheden ergeren mij op het hoogste, vooral van jongelieden uit den zich noemenden beschaafden stand. Ik verkoos hier geen lijdelijk slachtoffer te blijven, en ware ik alleen geweest, ik had er mij met mijne parapluie onder den arm wel doorgewerkt, maar ik mocht eene dame van tantes leeftijd niet blootstellen aan hunne represailles. Gij zegt altijd, grootpapa, dat ik zoo onbesuisd te werk kan gaan als men mij driftig maakt, en ik beken het gaarne, daar is wat van aan; maar in dezen verdien ik uw lof. Ik bleef uiterlijk kalm tegenover hen staan, trof hen niet dan met den gloed mijner verontwaardiging die uit mijne oogen lichtte, en begon hen dapper de les te lezen over de weinige humaniteit die zij, wetgevers, litteratoren en theologanten in dop, betoonden jegens personen die hun niets in den weg hadden gelegd. Ik zei hun ronduit dat zij zich schamen moesten over zulke manieren, die men op zijn best in gamins kon verschoonen; enfin, ik weet niet recht meer de juiste termen die ik gebruikte bij mijne allocutie; maar het bleek dat zij doel troffen. Enkelen dropen zwijgend af, anderen weken beschaamd ter zijde, een hunner zelfs begon zijne excuses te maken en bood zich aan, ons geleide te geven tot onze woning, eene hoffelijkheid die wij dankelijk afsloegen, zooals gij denken kunt; daarbij hadden wij maar eene straat over te steken om bij den notaris van Beek te zijn, waar de freule wezen moest; zij dankte mij met zekere warmte voor mijn bijstand, prees mijne kloekheid en tegenwoordigheid van geest, doch hield mij voor, dat zulke overwinningen op den publieken weg eigenlijk niet te pas kwamen voor eene jonge dame van mijn stand. “Encore une victoire et me voilà perdue!” antwoordde ik lachend. “Het ware zeker welvoegelijker geweest, zoo ik het op mijne zenuwen had gekregen, maar aan die farces doet Francis Mordaunt niet!” en hierop scheidden wij. “Had ik geweten, grootpapa! dat mijn relaas u zoo zou geamuseerd hebben als ik nù zie, dan zoudt gij het al drie maanden eerder gehoord hebben, maar ik vreesde dat het u slechts verbitteren zou, dat ik met tante Sophie in aanraking was gekomen, en daarom zweeg ik er van.”
“En daarna nooit weer iets van de freule Roselaer vernomen?” vroeg von Zwenken met eene verdrietelijke uitdrukking op het gelaat.
“Neen, maar ik heb toch een vermoeden dat zij mij heeft willen verplichten. Hetgeen mij nog te Utrecht ophield, waren schikkingen die ik had te maken om de goede verpleging van mijne patiënte te verzekeren. De geldkwestie was ook in dezen hoofdzaak, zooals dokter D. mij had doen inzien. Welnu, in den loop van den dag kreeg ik een briefje van hem, waarin hij mij berichtte, dat dit bezwaar voor mij uit den weg geruimd was door een zijner vermogende vrienden, die onbekend wilde blijven en geen dank verlangde. Ik onderstelde dat die onbekende mijne nieuwe kennis was van dien morgen, en ik verzuimde niet in den aangegeven toon het billet van den dokter te reciproceeren. Ziedaar, grootpapa! wat er is van mijne kennismaking met oudtante Sophie, en waarom het mij eenigszins verwondert, dat zij naar uwe onderstelling ook mij in haar wrok tegen de familie heeft begrepen.”
De generaal fronste het voorhoofd en mompelde tusschen de tanden: “Och van dat wijf kan men alles verwachten.”
Maar voor mij was deze mededeeling een lichtstraal. Tante had haar testament veranderd na dit voorval, een paar maanden voor haar dood, in ’t belang van Francis en niet om zich te wreken, dit bleek mij duidelijk; zij had zoo nauwkeurig naar mij geïnformeerd om mij tot haar mandataris te maken, en ik begreep nu beter dan ooit, dat ik Francis moest winnen, moest trouwen; en ik moet u bekennen, Willem! dat die noodzakelijkheid mij niet zoo heel hard meer voorkwam. Het is waar, Francis had veel zonderlings, er was in haar verleden allerlei dat mij nog opgehelderd moest worden eer ik haar met gerustheid, met vertrouwen mijne hand kon bieden, maar toch zij had een flink karakter, dat bleek mij uit alles; zij was geen onbeduidende nuf, geen koud zelfzuchtig wezen, dat aan niets dan aan haar opschik dacht en naar allerlei ijdelheid joeg. Zij had mannelijke deugden, en het kwam mij voor dat zij zekere vrouwelijke gebreken miste; maar hare zucht tot onafhankelijkheid, hare zelfgenoegzaamheid zouden mij geducht in den weg staan bij mijn veroveringsplan, dit zag ik reeds nu in. Den generaal tot bondgenoot nemen, die zich daartoe wel zou leenen, indien hij alles wist, was zeker de zaak verkeerd aangrijpen. Ik had liefst nu op ditzelfde oogenblik volkomen oprechtheid willen gebruiken en tante Roselaer gerechtvaardigd, die het waarlijk zoo kwaad niet met Francis had gemeend; maar ik kon mij nog niet voorstellen veel bij Francis gewonnen te hebben, en als ik dan na die gulle bekentenis eens een even gul antwoord ontving, dat mij van alle verdere moeite ontsloeg, wat dan? Wat moest er dan van dien ongelukkigen grijsaard worden en van Francis zelve? Neen, ik moest eer ik sprak eenige zekerheid hebben dat ik mijn pleidooi zoude winnen; ook eenige zekerheid voor mij zelven, dat ik geen zaak aanvaardde die vooruit verloren was; maar al ware ik tot het besluit gekomen om eens eene eerste poging te wagen, het goede moment daarvoor was verloopen. Frits kwam op een drafje naar ons toe en zei tot Francis, na zijn gewonen militairen groet: “Freule! de kapitein laat vragen of u wel aan de saus voor de pudding denkt, en of de freule den sleutel wil geven voor de provisiekamer? want er is nog geen dessert klaargezet.”
“Heel goed, Frits! zeg aan den kapitein dat ik voor alles zal zorgen.” Toen tot mij: “Excuseer mij, Leo! plicht gaat vóór genoegen, en mijn waardige adjudant herinnert er mij aan, dat ik nog keukendienst heb.” Meteen vloog zij op en was in een wip uit mijne oogen.
“En voor mij zal het tijd worden om een weinig toilet te maken,” sprak de generaal opstaande. “Ik dineer nooit in mijne kamerjapon, tenzij bij ongesteldheid; gij, neef! zult mogelijk uwe logeerkamer wel willen zien? Holà Frits! Frits!”
Frits, die met deftigen militairen stap Francis volgde, was nog genoeg in de buurt om de stem van zijn meester te hooren en keerde tot ons terug.
“Frits! weet jij waar de jonker logeeren moet?”
“Zeker generaal! Ik heb de reistasch van mijnheer al boven gebracht.”
“Zoo! hadt gij een reistasch bij u?” vroeg de generaal met een glimlach, mij met eenig opzet aanziende.
“Wat zal ik u zeggen oom! Was het al te onbescheiden, bij goede ontvangst op een paar dagen gastvrijheid te rekenen?”
“Wel, volstrekt niet, mijn jongen!” viel hij met gulheid uit; “en wat mij aangaat, wat afwisseling is mij zeer welkom; alleen zie dat je ’t met Francis....”
“De freule heeft mij opgedragen Jonker van Zonshoven zijne kamer te wijzen,” sprak de trouwe Frits, als om zich te verontschuldigen dat hij ons volgde.
“Dat’s juist wat ik je ook had te zeggen. Leo, verschoon me zoo ik niet zelf de trappen met je oploop,” en hiermede scheidden wij, daar wij in de groote vestibule waren gekomen en Frits mij voorging links af, een breede eikenhouten trap op, die naar de eerste verdieping voerde van den linkervleugel, juist die welke mij had toegeschenen in niet zeer bewoonbaren staat te zijn; toch was het eene ruime, oogenschijnlijk goed gemeubelde kamer, die Frits voor mij opende, waar een groot ouderwetsch ledikant met rood moré gordijnen mij het eerst in ’t oog viel. Overigens moest ik mij eene wijle aan de duisternis gewennen die er heerschte, eer ik onderscheiden kon met welke soort van behangsel het vertrek gestoffeerd was, want zeker uit gewoonte had men van de drie hooge ramen slechts een der blinden opengemaakt, en nog wel slechts ten halve; ook toen Frits vroeg of ik nog iets had te belasten, wees ik op die bijzonderheid en gelastte hem wat licht te maken.
Hij verroerde geen vin en bleef stokstijf staan, terwijl hij sprak:
“Jonker! de freule heeft gezegd dat de blinden gesloten moeten blijven, anders komt er te veel licht.... want er zijn geen gordijnen....”
“O! dat zegt niets, doe maar open.”
“Ja maar, ook om de tocht, want, ziet u, omdat er nooit logés komen, is dat bij ongeluk vergeten, en, maken gaat nu zoo gauw niet.... hier op het dorp is geen glazenmaker.”
Ik begreep hem: er waren wel wat veel ruiten stuk. “Nu, dan is het goed, Frits. Ik zal mij behelpen met het licht van dit eene raam,” en ik liet den goeden man gaan, wiens trouw aan de zaak zijner meesteres uit zijne verlegenheid sprak. Het eene blind, geheel geopend, liet genoeg licht door, en de enkele ruit die er stuk was had men zorgvuldig met wit papier beplakt, zoodat het niet te veel tocht doorliet. Het bleek mij nu dat er een geschilderd behangsel was, in vakken verdeeld, met vergulde baguettes omlijst, terwijl de boiseries en de dessus de porte mede geschilderd en verguld waren, alles style Louis XV, maar kennelijk door geene meesterhand uitgevoerd, en sinds zonder eenige zorg voor het onderhoud aan vocht en bederf overgelaten, die er dan ook alle denkbare schade aan hadden toegebracht, in vereeniging met ratten en muizen, die hier en daar gaten in het doek hadden gebeten. Met de meubels was het eveneens gegaan. Het rood damast en de zijden koorden en kwasten van eene prachtige sofa, die in een hoek stond, was niet slechts verbleekt, maar op menige plek zoo verscheurd en versleten, dat het paardenhaar er door kwam; daarbij waggelde zij op drie pooten, terwijl er van de hooge, antiek gebeeldhouwde stoelen, eveneens met roode zijde bekleed, niet één was waar men met volkomen gerustheid op kon gaan zitten; daarentegen stond een tafel met een marmeren blad zoo goed op zijn drie berenpoten met vergulde klauwen, of hij u uittarten wilde hem te verzetten; maar het blad zelf was overal gebarsten en miste hier en daar stukken uit het mozaïk ornament dat eene ster moest voorstellen.
Tegen deze prachtige maar verwaarloosde antiquiteiten vloekte een hoogst eenvoudige moderne waschtafel, van grijs geschilderd hout, met lichtgroene randen, die hier zeker à mon intention was neergezet, vlak onder een ovalen spiegel in rococostijl, die echter zooveel geleden had van den invloed der vochtige dampen, dat hij geheel onbruikbaar was. Gelukkig had ik een zakspiegeltje in mijne tasch, dat mij voldoende hulp verleende om mij een weinigje op te knappen voor het diner, sinds ik gehoord had dat de generaal aan die étiquette hechtte; Francis had mij gewaarschuwd dat er een etensbel werd geluid, en dat men stipt op het appèl moest zijn, wilde men den Generaal en zijn staf! geene ergernis geven. Ik was in een oogwenk gereed, en daar ik mijne kamer niet nauwkeurig behoefde rond te kijken om te weten dat zij het symbool was van de gansche Werve: Vervallen Grootheid, verkwikte ik mij met het heerlijke uitzicht dat men genoot, reeds uit het eene raam dat met schik kon geopend worden. Heenziende over den vijver rondom het kasteel, die bijkans tot een moeras was uitgedroogd, breidde zich een prachtig Geldersch landschap voor het oog uit. Rechts op eenige minuten afstands, lag de ruïne van het alleroudste kasteel die ik mij voornam eens te bezoeken. Er stond nog een zware, vierkante toren, die bewoonbaar was.... voor kraaien en uilen, welke daarvan zeer dapper gebruik maakten; de bogen die vroeger de gekleurde glasruiten hadden omsloten, waren nog in hun geheel; guirlandes van klimop wonden zich er om heen, dat nu met de lente aanving nieuw blad te maken. Het moest eene statige ruïne zijn, die ik mij zou aantrekken om haar in wezen te houden als mijne rechten op de Werve eenmaal verzekerd waren. Want ondanks alles kon ik niet nalaten, het kostbare landgoed aan te zien met de oogen van een aanstaanden eigenaar. Ik was het reeds in zekeren zin, en niets kon mij hinderen het te aanvaarden als.... Francis maar wilde.... Daar luidde de etensbel; ik haastte mij aan de noodiging te gehoorzamen. Ik was zeer nieuwsgierig hoe Francis er uit zou zien als zij een weinig toilet had gemaakt, hetgeen te onderstellen was uit de exigenties van den generaal; maar tegelijk zou ik er voor mij zelf een goed voorteeken in zien, na ons gesprek van dien morgen.
De generaal was reeds gezeten, en wees mij de plaats naast hem aan de langwerpig vierkante tafel, een meubel dat zeker al diensten had verleend onder het souvereine beheer van oud-tante Sophie, zonder iets van zijne soliditeit te hebben verloren, en waaraan met gemak een twintigtal gasten had kunnen plaats nemen, en wij zouden met ons vieren zijn! Ik stelde mij de gezelligheid voor van een groote table d’hôte, waaraan men met zijn vieren dineert. De kapitein, ook present, nam zijne plaats in over mij, en Francis, die in zekere gejaagdheid kwam binnenstormen, zette zich naast hem neer! Daar zat zij dan in dezelfde verflensde pensée blouse, die al terstond haar rijkleed had vervangen, de prachtige lokken met meer haast dan bevalligheid in een koordzijden net gestopt, dat zwaar neerhing onder dien rijken last. Een verkleurd sjaaltje was losjes om den hals geknoopt, als om diens slanken vorm en blankheid te verbergen, zelfs het eenvoudige heldere boordje ontbrak, dat dit genegligeerde toilet nog eenige frischheid had kunnen bijzetten. Zeker, ik had niet kunnen verwachten dat zij zich in dit oogenblik als eene prinses in een tooverballet zou hebben opgesierd; maar dat volslagen afwezen van alle coquetterie scheen mij van zoo slechte beduidenis, dat ik, na haar even te hebben aangezien, den blik teleurgesteld en ontmoedigd van haar afwendde. De ondeugende moet iets van die misrekening hebben opgemerkt, want een malacieus glimlachje plooide zich even om haar mond, terwijl zij haar levendige blauwe oogen uittartend op mij richtte, als had zij mij willen zeggen: “Reken er op dat het mij niet schelen kan hoe gij mij vindt!” Overigens wijdde zij zich aan hare plichten van gastvrouw met voorbeeldigen ijver en groote bedrevenheid. Zij diende de soep voor, sneed de vleeschen en zorgde zelfs voor schoone borden, daar Frits zijn zaak als afgedaan scheen te beschouwen, zoodra hij de gerechten had opgebracht. De beide heeren, en ik op hun voorbeeld, moesten zich lijdelijk schikken naar deze tafelorde, en zoo had zij het dan ook druk genoeg. Maar.... een middagmaal voor drie, met een onverwachten gast meer en buiten op een afgelegen kasteel, bij lieden die zelf bekennen: “qu’ils sont pris au dépourvu,” en die daarenboven in gène leven, kon toch zooveel dienens niet eischen, zult gij zeggen; en gij zoudt gelijk hebben, want ik zelf had het mij zoo voorgesteld, maar op de Werve gaat alles.... zooals het niet gaan moest, althans zooals men het niet had kunnen wachten.
Werkelijk was het niet dan hun gewone tafel, en toch was er een overvloed en eene verscheidenheid van spijzen en zulke jacht op delicatesse, dat het zeer goed voor een fijn diner kon passeeren. Wij hadden, behalve de soep en een gerookte runderrib, fijne geconserveerde groenten, “het surrogaat van de primeurs,” zooals de generaal zich uitdrukte, nog patrijzen in gelei, een schotel poulet au riz, waarmee wij ons maal hadden kunnen doen, en jonge kropsalade met gebakken paling, waarvan de kapitein lachend vertelde “dat hij hem in de fuik was geloopen, expresselijk om mij te fêteeren.”
Voor plat-doux een pudding met de fameuse saus, in welks belang Francis zelve naar de keuken was opgeroepen, en voorts een compleet dessert.
De verschillende wijnen, die de kapitein, permanent tot schenker gepromoveerd, met al te veel gulheid en snelheid elkander deed opvolgen, voltooide die tafelweelde. Zij waren van de fijnste merken, en onze gastheer zoowel als zijn aide de camp zorgden wel dat ik deze bijzonderheid niet overzag. Met kennelijke voorliefde werden mij de kwaliteiten en de jaartallen der extraatjes aangewezen, en hoewel ik mijn best deed om niet al te veel onverschilligheid te toonen en mijne soberheid te verontschuldigen met de gewoonte van onthouding, die ik mij van jongs aan had eigengemaakt, zag ik wel dat mijn gebrek aan geestdrift op dit punt hen eenigszins teleurstelde.
Aan die luxe der spijzen beantwoordde echter noch het servies, noch het tafellinnen. Het eerste, Fransch porselein, uit hetzelfde tijdperk als de meubelen en ’t goudleer behangsel, had blijkbaar veel aanstoots geleden van de ruwe hand des tijds of der bedienden, en was niet slechts gekramd, maar ook niet meer voltallig, en ’t ontbrekende was vervangen door gewoon aardewerk, hetgeen den luister en helaas! ook de leemte van het geheel te sterker deed uitkomen. Het groote damasten tafellaken, dat het huwelijk van eene Spaansche infante voorstelde, had zeker dezelfde dienstjaren als het servies; het was keurig fijn, maar versleten, en niet altijd met goed geluk gerepareerd; en wat het zilver betrof, uit zekere wenken door Francis met de heeren gewisseld, uit de haast waarmee ze de gebruikte vorken en lepels naar de keuken zond en terug liet brengen, bleek het duidelijk dat er geen vol dozijn aanwezig was; daarentegen was er overvloed van keurig glaswerk, waarop de kapitein mij attent maakte, als vreesde hij dat deze bijzonderheid mij zou ontgaan, terwijl hij er bijvoegde: “Ik voor mij hecht niet aan al die fraaiigheid. In den tiendaagschen veldtocht heb ik bier gedronken uit een melknap en champagne uit boeren theekommetjes, en het smaakte er mij niet slechter om.”
Herkomst van de tekst: de uitgave in de Nederlandsche Bibliotheek onder leiding van L. Simons, Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur, Amsterdam. Spelling ongewijzigd.
