A.L.G. Bosboom-Toussaint · Majoor Frans · 1874
Deel 4 (2 van 2)
“Wat een zonde en jammer als de heerschappen zoo in verval raken! En de familie is al van oudsher de eerste geweest in deze streken, en ze waren goed voor hun volk. Mijne ouders en grootouders hebben er altijd mee te doen gehad; maar och, och! sinds het huwelijk van de oudste freule Roselaer is er geen rust en geen zegen meer geweest; wat zal men zeggen.... een huis dat tegen zich zelf verdeeld is, kan niet bestaan, zooals de Schrift zegt. De Jonker heeft er zeker ook wel van gehoord.”
“Genoeg, vrouw Pauwels! meer dan genoeg,” viel ik in, niet zonder wat humeur; want het doorrammelen der goede vrouw, die ieder oogenblik de corde sensible aanraakte, welke ik besloten had te laten rusten, veroorzaakte mij een zelfstrijd, die mij norsch en verdrietig stemde. Ik kon haar het zwijgen niet opleggen; ik kon alleen heengaan; en dat werd tijd ook, wilde ik niet als achterblijver beschouwd worden bij ’t ontbijt. Zoo nam ik wat gehaast mijn afscheid, met een “tot weerziens,” dat haar eenigszins verbaasd deed opkijken. Blijkbaar had Francis over mij gesproken als de gast van één dag.
In mijne gejaagde gemoedsstemming had ik zeker wat hard geloopen, want ik trof Francis nog alleen in de ontbijtkamer, druk bezig met thee zetten; maar zoodra ik binnenkwam, wilde zij de kamer verlaten, onder pretext dat het water niet goed kookte.
“Heeft de kleine Louw u de eieren gebracht?” vroeg ik, om haar te doen blijven.
“Ja, in orde,” sprak zij, terwijl een vluchtig rood even hare wangen kleurde en zij wilde doorgaan.
“Blijf, Francis; ik meen recht te hebben op eene betere ontvangst.”
Zwijgend trad zij naar de tafel terug; toen, mij fier en uittartend aanziende, bracht zij uit met een doffe stem:
“Waarop grondt gij dat recht; omdat gij nu naar hartelust uwe nieuwsgierigheid bevredigd hebt?”
“Het was geen nieuwsgierigheid, freule Mordaunt; het was belangstelling.”
“Dat’s een bescheiden woord, waardoor iedere onbescheidenheid wordt gerechtigd. En zijt gij nu voldaan, nu gij alles weet?”
“Ik weet niets, want ik heb niets gevraagd.”
“Niets gevraagd! waarlijk niets? op uw woord als edelman?” vroeg zij op eens met levendigheid.
“Ik heb geen tweeërlei woord, Francis! ik heb niets gevraagd, ik heb zelfs niet willen hooren.”
“Hm! dat is voorwaar meer zelfbeheersching dan ik van een man had kunnen verwachten.”
“Zijn de vrouwen dan zoo sterk op dit punt?” repliceerde ik, niet zonder wat bitterheid.
“Als het noodig is kunnen wij zwijgen,” gaf zij ten antwoord met een zijblik op den kapitein, die nu binnentrad met een luid en joviaal “goedenmorgen!” niet vermoedend hoezeer hij fâcheux troisième was in dezen oogenblik.
“Zijne Excellentie volgt immediaat,” ging hij voort, zich heenzettend over de weinig toeschietelijke wijze waarop zijn ochtendgroet werd beantwoord, daar Francis het bijzonder druk had met het theewater, “dat niet kookte,” en ik hem op zijn: “Wel geslapen, Jonker?” afscheepte met een: “Uitmuntend, kapitein en gij?” natuurlijk om niet te luisteren naar zijn antwoord.
Intusschen kwam de generaal binnen, en wij gingen ontbijten. Francis was stil en zelfs wat gedwongen. Mij toonde zij zekere ootmoedige goedwilligheid, als wilde zij mij stilzwijgend verschooning vragen voor haar wantrouwen en hare heftigheid, en ik zag mij beloond voor mijne onthouding door den blik vol diepe verslagenheid, dien zij soms op mij wierp, terwijl zij mij steelsgewijze aanzag. Zij wilde voor mij en voor ieder verbergen dat er iets in haar omging dat haar neerslachtig maakte, maar zij was te zeer eene expansieve natuur om met goed gevolg te veinzen. Zij was daarbij zoo verstrooid, dat zij allerlei bévues beging bij de bezorging van het ontbijt. De generaal kreeg dubbel suiker in zijne thee, ’t geen hem een uitroep van ergernis ontlokte; de kapitein moest het doen met een kopje zonder melk, eene omissie waarin hij de vrijheid nam op eigen gezag te voorzien, zonder dat Francis het bemerkte, die zich naar het buffet had gekeerd.
“Onze Majoor is met het verkeerde been uit bed gestapt,” fluisterde hij mij in. “Wij mogen wel koest zijn, anders komt er een strenge dagorder, die....”
“Maar Francis! gij zijt vandaag niets en veine; de eieren zijn te hard,” gromde de generaal.
“Hoe jammer! juist nu we een gast hebben,” verzuchtte de kapitein; “ze zijn anders precies van gaarte.”
”À propos Leo! tegen wanneer is uw rijtuig besteld?” viel de generaal in.
“Wel oom! dat moet ik zelf aan den kapitein vragen?” hernam ik, mijn best doende om den onaangenamen indruk van die herinnering te verbloemen.
“’t Is waar ook, gij hebt het op Francis en den kapitein laten aankomen! Wat is er bepaald, Rolf?”
Terwijl hij nog sprak hoorde men een rijtuig over de brug rollen en ’t voorplein oprijden. Ik zag tersluiks naar Francis; zij werd bleek en vloog op om voor het raam te gaan uitkijken.
“Nu al! dat is toch veel te vroeg,” sprak de generaal verwijtend tot Rolf.
“Niets te vroeg, Excellentie! dat zult gij mij zoo aanstonds toestemmen,” antwoordde Rolf met een snaakschen glimlach, terwijl ik mij naar Francis begaf, die in de vensterbank was gaan zitten.
“Moet ik zóó heengaan?” vroeg ik haar zacht en bewogen.
“Gij kunt niet blijven; dat weet gij zelf wel,” gaf zij ten antwoord, met eene stem, die zij vast trachtte te doen klinken, doch waarin hare aandoening trilde.
“En toch kan ik zoo niet heengaan....”
“Waarom niet?” riep zij op eens, terwijl een gloed haar voorhoofd overtoog, en zij mij weer met fierheid en vastheid aanzag.
“Omdat.... ik het niet wil! Zal ik weerkeeren, Francis?” vroeg ik, haar een smeekenden blik toewerpend.
“Zeker neen! waartoe zou dat dienen....?”
“Laat mij dan het rijtuig wegzenden....”
“Neen! neen!” riep zij hard en met heftigheid, als om op eens een eind te maken aan eene onbeslistheid, die haar beklemde: “neen, een kort en goed vaarwel, dat is voor ons beiden het beste,” en zij stak mij de hand toe.
Daar reed een wagen het voorplein op; het was een vrachtkarretje met mijn eigen, dommen koetsier tot voerman.
Francis deed een forschen uitroep van verbazing hooren; de kapitein lachte luid en zegevierend.
“De Jonker heeft het aan mij overgelaten, en ik was zoo overtuigd van zijn goeden wil om te blijven, dat ik eenvoudig zijn koffer heb laten komen.”
“Laat gij zoo met u spelen?” verweet Francis mij.
“Waarom niet? als het spel den loop neemt dien ik wensch?”
“Gij blijft mijns ondanks, bedenk dat wel,” fluisterde zij mij in.
“Het zij zoo! Ik vraag maar wat de generaal er van zegt,” sprak ik, mij tot dezen keerende, die zich vergenoegd de handen wreef.
“Wel neef, gij zijt de gast van den kapitein,” sprak hij lachend.
“Grootpapa zegt de waarheid; gij zijt de gast van den kapitein,” herhaalde Francis met nadruk. “Denkt gij er nu nog aan te blijven?”
“Toch, Francis, toch! Ik ben een weinig als Columbus; ik laat den ontdekkingstocht niet varen om een bezwaar meer, of wat tegenwerking van vriend of vijand.”
Zij schudde zwijgend het hoofd en keerde zich van mij af. Ik liep naar buiten om met mijn voerman af te rekenen.
Als een waardige majordomo was de kapitein al in de weer om mijn koffer te helpen afladen; maar er waren nog allerlei stukgoederen, pakjes, fleschjes en blikjes, die de vrachtrijder uit de stad meebracht en die de goede Rolf triomfantelijk neerlegde, niet aan de voeten van Francis, maar op een tafel waarbij zij stond in zeker geanimeerd gesprek met haar grootvader. De laatste kreeg een glans van vergenoegen op het gelaat bij het zien van de rijke provisie, die hem de eenige genietingen beloofde, welke nog onder zijn bereik waren. De kapitein, tevreden met dat welgevallen, liet zelfs met de tong een smakkend geluid hooren, als genoot hij reeds in verbeelding de kostbare lekkernijen, die hij had weten machtig te worden, en klopte den generaal gemeenzaam op den schouder, met een blik van zelfvoldoening, terwijl hij sprak:
“Nu, wat zegt Zijne Excellentie er van; heb ik niet kostelijk gefourageerd?”
“Excellentie nu maar zoo niet, dat’s weergasche malligheid,” barstte Francis los, terwijl haar oogen flikkerden en een vlammende gloed hare wangen kleurde. “Gij voelt wel dat gij hier niet meer de inferieur zijt, damned rascal! anders zoudt gij hier niet zoo te werk gaan. Bless me! wat een dolle verkwisting is dit nu weer! Perdrix rouges, pâté de foie gras, allerlei visch in gelei, allerlei vruchten en compôtes! Het lijkt hier wel eene uitstalling van comestibles. Wat al nuttelooze lekkerbekkerij is dat nu weer?” En zij sloeg met de vuisten op tafel dat alle potten en flesschen er van rinkinkten. “’t Is waarachtig of we hier de bruiloft te Camacho gaan vieren! De generaal moest je de deur wijzen voor goed, dolle Sancho Pança als gij zijt; en hij zou het doen, zoo zijn tong zijn eergevoel niet had verstompt.”
“Francis, Francis!” stamelde de generaal met eene klagende stem.
“Neen, grootpapa!” ging zij voort, altijd luider en ruwer, “’t Is een schandaal zooals het hier toegaat, dat zeg ik; en gij moest er een eind aan maken, als gij nog hart genoeg in uw lijf hadt om een cordaat besluit te nemen.”
“Majoor, Majoor!” viel Rolf in op smeekenden toon, om haar te bedaren.
“Zwijg, ellendige lekkerbek! Ik ben uw majoor niet; ik heb genoeg van die kwasie aardigheden om mij te paaien. Als hier op mijn wil en wensch geacht werd, zou het heel anders toegaan; maar ik heb hier niets meer te zeggen, dat’s klaar als de dag; jelui laat mij praten en....”
“Schreeuwen meent gij,” verbeterde von Zwenken met bevende stem.
“En gij blijft uw gang gaan,” hervatte Francis met nog meer stemverheffing, altijd tegen den ongelukkigen Rolf gewend, “of ge hier alleen het commando hadt! Ik heb je in ’t eerst te veel voet gegeven, dat zie ik te laat in; maar ik zal die infamie niet langer dragen, noch dulden dat mijn grootvader die draagt; en zoo hij zelf er geen order op stelt, en je de deur wijst met al je kostelijkheden op den koop, zal ik er voor zorgen dat je hier als schelm uit het vaandel wordt gejaagd.”
“Infamie!” herhaalde de kapitein langzaam, terwijl hij zeer bleek werd en een veel beduidenden blik wierp op de plaats waar—gelukkig zijne Willemsorde niet aanwezig was, omdat de grijze ochtendjas er geene gelegenheid toe liet. “Uit het vaandel jagen! mij? Waarachtig, Majoor, dat noem ik doordraven! Mij dacht, dat ik het mijne deed om hier op de Werve de eer van het vaandel op te houden; die anderen....”
“Zeg om den schoorsteen te doen rooken! Ja! dat is waar, daar heb je weergaasch goed den slag van, dat erken ik; maar de eer van het vaandel, de eer van onzen rang, om de zaak bij haar naam te noemen, die op te houden, daar heb je zoomin besef van als de domste boerenslungel die in de conscriptie valt. Zelf stelt gij uwe eer in ’t geen uwe schande is. Het zal nog zoo ver met je komen, dat gij uwe Willemsorde in den lommerd zet om een lekkeren schotel.”
“Neen, freule Mordaunt! wees er gerust op, eer het zoo ver komt, zal ik u waarschuwen,” antwoordde Rolf, nu ook bits en toornig.
“Ik zeg dat we dien weg opgaan; ons eigen oud-modisch zilver is er al, dat weet gij wel, om van al het andere niet te spreken.”
“Om ’s hemels wil, Francis!” smeekte von Zwenken, “bind toch uw tong in; bedenk dat jonker van Zonshoven getuige is van uwe onwelvoegelijke uitvallen.”
“Zooveel te beter! De jonker verkiest onze huisgenoot te zijn, dan moet hij ook maar weten wat een beroerde gemeene boel het hier is. Ik wil niet, dat men hem een blinddoek over de oogen zal trekken.”
“Tusschen dit of zoo ruw de windsels losscheuren, die de bloedende wonden van een gezin bedekken, is nog een groot verschil, freule Mordaunt!” sprak ik met nadruk.
“Wel mogelijk, jonker! maar voor zulk een menagement ben ik niet berekend. Ik behoor niet tot hen, die onwelvoegelijke dingen onder mooie woorden weten weg te sluiken. Ik zeg ronduit waar het op staat, en wie dat ergert heeft zich te schamen, niet over de woorden maar over de zaken, en te eer daar de ergernis in dezen licht was weg te nemen. Als wij maar moeds genoeg hadden om commiesbrood te eten en water te drinken, zouden wij fatsoenlijke lieden zijn, al golden wij dan ook bij iedereen voor arme stakkers.”
“Ik meende, Francis!” sprak nu de generaal met eene zachte, trillende stem, “dat gij zelve u in de overeenkomst met den kapitein had geresigneerd.”
“Ja, zooals men zich resigneert als men de schurft heeft; maar het krabben kan men toch niet laten!”
Dat was de slag op den vuurpijl, en met dit knaleffect trok zij af, mij in ’t voorbijgaan een uittartenden blik toewerpend, als vreesde zij dat ik de bedoeling van haar grove uitvallen zou misverstaan. Ik beantwoordde dien blik met een zwijgend hoofdschudden en zag haar aan op eene wijze, die van mijne afkeuring en tegenzin getuigde.
Terwijl wij mannen elkaar wat verbluft stonden aan te kijken, stak zij nog even het hoofd door de deur.
“Kapitein! gij kunt vandaag voor de menage zorgen; ik ga paardrijden!”
“Tot uwe orders, commandant!” gaf Rolf ten antwoord, de hand aan de muts brengende.
Ik was er verbaasd over, dat hij dit alles zoo koeltjes opnam, en kon niet nalaten het met een woord uit te drukken.
“Wat zal ik u zeggen, jonker! Ik heb zulke buien meer bijgewoond. Ik zag het van ochtend al, dat de barometer op storm stond. Hoe sneller en heftiger de bui aankomt, zooveel te eerder is hij over; en ziet ge, een oud soldaat is tegen regen en onweer gehard.”
“Ik ben blij dat ik u vooruit gewaarschuwd heb, neef! dat mijn kleindochter wat heftig van aard is,” sprak nu de generaal met eene diepe verzuchting, zonder het hoofd naar mij op te heffen. “Als zij eens een opvatting heeft, is er niets tegen in te brengen; dan holt zij maar door op haar stokpaardje; zij redeneert niet.”
“Zij redeneert wat al te logisch voor u,” zei ik bij mij zelven, en hij voelde dit zeer zeker, want hij was staande de scène met een gebogen hoofd blijven zitten, altijd maar zijn ring zenuwachtig heen en weer schuivende met bevende vingeren.
“Komaan, generaal! wees niet al te mismoedig,” sprak de kapitein goedhartig. “Wij zullen onze alliantie handhaven tegen den algemeenen vijand, en de wind zal later wel weer omslaan.”
Al sprekende was hij er in geslaagd een langwerpig in wasdoek gewikkeld pakket los te krijgen. “Ik vrees wel dat het oogenblik slecht gekozen is om haar een van deze fraaie karwatsen aan te bieden; en toch, zij zal er om verlegen zijn, want zij heeft de hare verloren. Wie weet of zij er niet nog toe komt dit aan te nemen!”
“Ik hoop van neen,” dacht ik; “dat zou mij tegenvallen.”
“Ze had eigenlijk verdiend dat men er haar eens ferm mee kastijdde,” viel de generaal uit, nù de opgekropte woede lucht gevende die hij zoolang verbeten had.
“Ja, Excellentie! dat hadden we twintig jaar vroeger moeten doen. Ziet ge, we hebben haar tot commandant bevorderd vóór zij als recruut de discipline had geleerd; dat’s een groote fout geweest, maar daar is nu niets meer aan te verhelpen.”
“Ja, wèl een groote fout!” verzuchtte de generaal in de diepste neerslachtigheid.
Rolf ging zich bezighouden met het plaatsen der provisie, die zulk een storm had doen opsteken; de generaal vroeg mij of ik een plan had voor mijne morgenuren.
“Ik wenschte mij te installeeren, en ik moet brieven schrijven,” antwoordde ik. Al ware het slechts een pretext geweest, ik was gelukkig het gevonden te hebben, want ik verlangde alleen te zijn, om over de ontvangen indrukken te kunnen nadenken.
· · ·
Zoover was ik gekomen met mijne confidenties op het papier, beste vriend, toen ik vernam dat er weer een mail gaat, die dit pakket zal medenemen als ik zorg dat het nog hedenavond te Z. op de post wordt bezorgd. De vorige moest ik laten passeeren, omdat ik geen tijd en rust had om ’t geen ik inderhaast dag voor dag opgeteekend had, in den vorm van een brief over te schrijven. Nu zend ik dit gedeelte maar al vast weg en beloof u het vervolg, zoodra ik van u zelf vernomen heb, dat het journaal van den kluizenaar op de Werve u niet verveelt.
Inmiddels als altijd de uwe.
L. v. Z.
Herkomst van de tekst: de uitgave in de Nederlandsche Bibliotheek onder leiding van L. Simons, Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur, Amsterdam. Spelling ongewijzigd.
