A.L.G. Bosboom-Toussaint · Majoor Frans · 1874
Deel 6 (1 van 4)
Daar het Zondag was, ving het feest aan met “kerkparade” zooals Francis het noemde. De generaal, in zijn kwaliteit van seigneur de village en bij zijne gezetheid op ’t geen een goeden klank had, was een voorstander van den publieken godsdienst, en had tot vaste gewoonte, zich iederen Zondagmorgen met zijne kleindochter in de ambachtsheerlijke bank te vertoonen, ten bewijze dat hij tot de gemeente behoorde en de behoorlijke reverentie had voor hare instelling. Of hij er gesticht werd, is twijfelachtig, maar dat hij de toeschouwers stichtte door zijne waardige houding is bijna zeker. Als oud-militair beschouwde hij het als dienstplicht, en of hij zich verveelde of ergerde, men zag het hem niet aan. Rechtop, met het gelaat naar den spreker gewend, zat hij te luisteren, onwrikbaar, onbewegelijk; of hij aan wat anders dacht stond niet op zijn gelaat te lezen. Tegen het midden van de predikatie vielen zijn oogen wel eens toe; maar daar de grootste helft van ’t gehoor in denzelfden toestand van slaperigheid geraakte, ergerde het niemand, zelfs niet den predikant, die aan deze uitkomst gewoon was en inderdaad ook niet het recht had zich daarover te verwonderen. Althans op dien ochtend, toen ik in dit verplicht kerkbezoek begrepen was, vond ik er, met den besten wil om gesticht te worden, geene de minste opwekking, en alleen de ergernis dat een man, wien de zorg voor eene gemeente was toevertrouwd, zoo weinig consciëntie had om hare hoogste belangen op zulk eene schrale wijze te behartigen. In het gebed zelfs tintelde geen sprank van gloed of leven, en het was of de man een paskwil op zich zelf had willen maken, toen hij tot tekst had genomen de vermaning van Paulus, die tot geestdrift behoorde te ontvlammen: “Zijt vurig van geest,” want zelf was hij noch heet noch koud; hij was lauw, akelig lauw, een ware Laodiceër, aan wien de apostel met zijn strengste woord zou hebben toegevoegd: wees liever een bestrijder dan zulk een bondgenoot. En de langzaamheid, de onnatuurlijke deftigheid waarmee tot ijveren werd aangemaand, was zoo opvallend strijdig met het enthousiasme dat zulk een onderwerp vorderde van hem die het koos, dat men zeer zeker een acteur zou gesouffleerd hebben, die zoo slecht in zijne rol ware geweest. Maar men was in eene kerk, men moest zich onthouden, en de ongeschikte dienaar kon zonder stoornis zijn gang gaan, zoolang zijn eigen geweten hem niet waarschuwde.
Het verheugde mij evenzeer als het mij verraste, dat de gemeente nog in zich zelve leven genoeg scheen te hebben om met opgewektheid den psalm te zingen, die gelukkig door een niet al te slecht bespeeld orgel werd begeleid. Ik zal niet zeggen dat Francis zich goed hield, want de ergernis, de verveling, ja zekere droefheid en verontwaardiging stonden op haar gelaat te lezen, en zij scheen geen rust te kunnen houden. Ten laatste sloeg zij haar kwarto Bijbel open en ging daarin zitten lezen als ware zij alleen geweest. Ik zag dat zij evenzeer de aandacht als de ergernis wekte; het was kennelijk dat zij de publieke opinie tegen zich had. Ik werd natuurlijk aangegaapt als eene vreemde verschijning, die op allerlei wijzen werd gecommenteerd en geëxpliceerd. Ik zag de lieden fluisteren en de hoofden bijeensteken zooveel maar doenlijk was. Rolf, die zich eens voor altijd van die corvée had verschoond, onder pretext dat hij “een vrijgeest was en er niemendal van geloofde,” had mij geraden thuis te blijven, daar ik er toch niets aan hebben zou; maar ik was geen vrijgeest, vond geen reden om mij te onttrekken, en achtte de gelegenheid gunstig om Francis onder godsdienstige indrukken te observeeren; ik hoopte er daarbij op, bij het terugkeeren nog een woordje te spreken over Rudolf; maar dat viel tegen. Wij waren in ’t wagentje van de Pauwelsen naar de kerk gereden, en de generaal zou op gelijke wijze terugkeeren; dus sloeg ik Francis voor samen terug te loopen; het was even een kwartiertje, het zoogenaamde kerkpad en de groote laan—maar zij had te veel haast op de Werve terug te zijn, bij al de drukte die haar daar wachtte. Ik kon haar alleen mijn teleurstelling te kennen geven, dat de stichting, in de stille dorpskerk, waarvan ik mij nogal iets voorgesteld had, zoozeer bedorven was door den man zelf die moest voorgaan.
“Ja, dat’s het zwakke punt bij onzen protestantschen godsdienst; er hangt te veel af van een enkele; en als ’t nu heel mooi is, dan is ’t ook weer niet goed, want dan zie je alles voorbij om hem,” was haar antwoord. “Ik kon er niet bij blijven, en te minder daar ik het kostelijk stuk al meer had gehoord; ’t is zeker met te veel moeite samengesteld om maar ééns te dienen. Om nu te zeggen dat wij slaperig volkje de vermaning niet hard noodig hebben, dat’s wat anders; maar dan moest het spiritus zijn en geen lauw water en melk.”
“Gij moet dominé niet zoo hard vallen, Francis!” zei de generaal, die begreep waarover zij knorde; “de man staat hier al dertig jaar, en door de afgelegenheid van het dorp heeft hij haast geene aanraking met de collega’s.”
“Daarbij een troep kinderen en zoo’n saaie vrouw.... Het lot van den man is te beklagen, dat geef ik toe; alleen, ik vraag: waarom is hij dan niet wat anders geworden—glazenmaker bij voorbeeld? wij konden er hier best een gebruiken.”
“Ja, Francis! nu gij daarop komt, de katten moeten van nacht weer deerlijk hebben huisgehouden in den onbewoonden vleugel,” zei de generaal. “Volgens Rolf gaan ze maar door de gebroken ruiten in en uit, en Frits heeft glasscherven gevonden tot in de perken.”
“Wel grootpapa; wij mogen de arme dieren wel dankbaar zijn dat zij die moeite nemen, want het leeft daarbinnen van de ratten en muizen,” zei Francis gevat, maar al redde zij zich door eene aardigheid, wij waren op een gevaarlijk terrein geraakt, en ’t was maar gelukkig dat wij de Werve opreden en al terstond door Rolf werden ontvangen met het bericht dat kapitein Willibald reeds was gearriveerd. Hij had nog niet uitgesproken, of de persoon in kwestie kwam ons te gemoet en bood den generaal zijn dienst om hem bij het uitstappen te helpen. Francis was er met hare gewone vlugheid al uit gesprongen, eer ik of iemand anders zich kon aanbieden.
“Wel, Willibald, dat’s goed van je gedaan, ons kluizenaars eens te komen opzoeken,” sprak Francis op luiden gullen toon, terwijl zij gemeenzaam zijn arm nam; “en nog wel in groot tenue.”
“Het feest van mijn kolonel, freule; en daarbij, ik ben om dienstzaken te Z. geweest en kon niet nalaten mij zelven het genoegen te geven bij het terugkeeren de Werve te bezoeken!”
“Braaf! Maar gij treft het nu zoo slecht met de drukte. Daar komen waarlijk de Pauwelsen al aan, en de meester met de schoolkinderen. Ik moet toch even mijn hoed en mantille afwerpen. Maak intusschen kennis met mijn neef Leopold van Zonshoven, die ook op de Werve is aangeland, omdat hij te Z. moest zijn—echter niet voor dienstzaken, zoover ik heb kunnen nagaan.” En met die voorstelling in ’t wilde liep zij het huis in, terwijl wij met den generaal en Rolf langzaam volgden. Kapitein Willibald, in zijne onberispelijke militaire tenue, was een man van eene fijne, slanke gestalte en een innemend voorkomen. Hij was in vollen zin wat men noemen kan un bel officier; zijne manieren, zijn toon, zijne houding, alles in hem was onberispelijk; zoo men iets had willen aanmerken zou het dit zijn, dat hij te mooi was voor een man. De fijne, lichtbruine kneveltjes, de als met een penseel afgeteekende wenkbrauwen, die de heldere bruine oogen eer sierden dan beteekenis gaven, de blozende kleur, afgewisseld door een wit dat haast aan een damestint deed denken, de volkomen regelmatigheid zijner trekken, alles was zoo zacht, zoo harmonieus, dat het een waar genoegen was dit menschelijk gelaat aan te staren; en toch, er ontbrak iets aan, iets waarom een schilder van talent mogelijk geweigerd zou hebben zijn portret te maken. Het had geene uitdrukking dan die van joviale bonhomie; er was niets marquants in, niets waaruit men een karakter kon opmaken; of het moest zijn iets weekelijks, dat mogelijk eene neiging tot sentimentaliteit verraadde, iets dat teringlijders eigen kan zijn, en zijn geheele voorkomen deed er aan denken; maar hij scheen den leeftijd te boven waarin de noodlottige kwaal het liefst hare offers kiest.
“Ik mocht u immers wel een kistje sigaren meebrengen, generaal?” sprak hij, hem dit aanbiedende. “Ik weet zoo precies wat u graag rookt.”
“Wel zeker, beste jongen! Je doet er mij pleizier mee; men mag hier buiten wel wat provisie hebben. Wat zegt gij er van, Leo?”
“Ik schaam mij, omdat ik zoo niets voor u wist te bedenken; maar later hoop ik mijne revanche te nemen.”
“Ik wil niets van u, dan.... dat gij u verzoent met uw oom, den minister,” fluisterde hij mij in, en ik begreep maar al te goed de bedoeling van dien eisch; maar ik behoefde niet te antwoorden, want Francis kwam binnen en aanvaardde met handigheid hare taak als gastvrouw. Zij had nu de fameuse zwart zijden japon aan, die haar perfect kleedde, al was het merkbaar, waaraan zou ik niet eens kunnen zeggen, dat zij er eenige modes mee ten achteren was. Rolf stond haar getrouw bij in het voordienen van het déjeuner; want Frits had zijn post bij de deur, en die was geen sinecure. Het programma liep af, zooals Francis had voorzegd. De schoolmeester, ook nog een oudje, die de voormalige traditiën volgden, kwam met een paar jongens verzen opsnijden, die niet beter noch slechter waren dan in den regel diergelijke feestrijmen zijn, maar die hier minder dan gewoonlijk de mérite de l’à propos hadden, want juist was er geen het minste rapport tusschen den jubilaris en hen, die hem dus kwamen fêteeren. De generaal bekommerde zich nooit om de school, en ’t was Francis alleen, die, zooals ik later vernam, den armen ouden schoolmeester nog wel eens iets toestopte. Voorts kwamen de Pauwelsen, man, vrouw en kinderen, met gulhartige luidruchtigheid hem, dien ze nog altijd “den landheer” noemden, geluk wenschen. Grootje was thuis gebleven; anders eene curiositeit, die het huis van de Roselaers nog in vollen glans had gekend, en voorts enkele dorpelingen, die om de eene of andere reden den generaal nog erkenden en dit op deze wijze toonden. Dit alles moest van waterchocolade en broodjes worden voorzien.
Francis had het druk, maar zij was kennelijk in haar schik de chatelaire te kunnen spelen, en ik vond het een kansje haar zoo eens te kunnen gadeslaan. Complimenteus was zij met niemand, zelfs niet met den burgemeester, die zich per extra-ordinaire ditmaal vertoonde, zeker om den logeergast wat meer van nabij te zien; die banale beleefdheid, die sommige menschen drijft om charmant te zijn tegen iedereen en het tegendeel te zeggen van ’t geen zij meenen, wist zij niet te oefenen, noch wilde dat; maar zij bezat la politesse du coeur, en daarom ging alles haar natuurlijk en ongekunsteld af. De generaal pruttelde, want zijn gewoon déjeuner was een weinigje gemankeerd; hij moest het met de algemeene tractatie, den kolossalen boerentulband en de broodjes doen. Francis maakte er haar excuus over aan Willibald, terwijl zij er bij voegde, dat het diner alles goed zou maken, zoo zij hoopte.
“’t Is perfect zooals het is, freule! maar wat het diner betreft, ik kan niet blijven.”
“Gekheid! ik sta niet toe, dat gij heengaat.”
“Te vier ure komt het rijtuig om mij te halen; ik mag niet later dan zeven uur te A. terug zijn.”
“Daar is hier nog wel een stal; wij eten vroeg en gij komt maar een uurtje later te A.; of zijn ’t dienstzaken.”
“Ik kom van Z.; de dienstzaken zijn van ochtend afgedaan, maar om de waarheid te zeggen, ik heb met mijne vrouw eene uitnoodiging voor eene soirée bij den kolonel!”
“Gij zult mij ernstig boos maken als gij niet blijft.”
“Dat zou mij spijten, want ik ben juist gekomen om u eene gunst te vragen die ik hoop dat gij zult inwilligen.”
“Ik willig niets in, dat weet gij vooruit, als ik mijn zin niet krijg.”
“Ja, gij zijt eene aartsdespote, dat weet ik nog vanouds; zoo zal ik er mijn hoofd maar onder buigen, want ik wil u in een goed humeur brengen voor mijn aanzoek.”
“Dat’s dan afgesproken; en nu, laat me vooreerst aan de zorg voor alle deze goede lieden.”
Ik hoorde die twee samen haspelen zonder er mij in te mengen. De onrust die ik een oogenblik gevat had, toen ik haar dien Willibald zoo hartelijk en gemeenzaam zag verwelkomen, was reeds voorbij: iemand waar Francis zoo mee omsprong, kon voor mij niet gevaarlijk zijn. Ik heb geen lust, Willem! u die jolige en woelige feesture verder te beschrijven; tegen drie uur trok alles af; de jubilaris had wat rust noodig en zocht zijne kamer. Rolf had nog van alles te bezorgen voor het diner, Francis daarentegen beweerde, dat zij nu adem kon scheppen en dat zij nog een rustig half uurtje had te geven aan haar vriend Willibald, dien zij, zooals vroeger, gemeenzaam onder den arm nam, als ware hij de dame en zij de cavalier geweest; ik wilde mijns weegs gaan, maar zij riep mij toe dat de kapitein haar niets kon te zeggen hebben wat voor haar neef Leopold een geheim moest zijn. Ik vond de onderstelling gewaagd, maar de kapitein verzekerde mij dat ik volstrekt geen fâcheux troisième zou zijn, en zoo wandelde ik mee op naar den vervallen koepel, een uitgezocht rustpunt.
“En nu, what’s the matter?” zei Francis, zich tusschen ons in plaatsende. “Ik verleen audiëntie.”
“Het is allereerst een verzoek van mijn vrouw,” sprak hij met eenige verlegenheid.
“Nu! als ik daaraan voldoen kan....”
“Heel gemakkelijk. Zij wenschte zoozeer uwe kennis te maken, en vraagt, wanneer het u convenieert eens eenigen tijd bij ons te komen logeeren.”
“Het spijt mij dat ik het eerste verzoek van uwe vrouw moet afslaan, Willibald; maar het convenieert mij in ’t geheel niet,” sprak zij ernstig; “ik laat mijn grootvader nooit meer alleen.”
“Welnu! wat verhindert den generaal....”
“Onmogelijk, wij hebben ons niet geretireerd om weer in de wereld te gaan.”
“Maar wij leven niet in de wereld; wij hebben ons ingericht op een goeden voet, dat is alles. Mijne vrouw houdt er niet van en.... ze is nog altijd een weinig timide, en ik beloof u, dat gij geen menschen zien zult als gij niet wilt....”
“En de generaal! zou die ook geen menschen willen zien, denkt gij? vergeet niet dat gij te A. in garnizoen zijt en dat hij er in een kring heeft verkeerd, waarin.... wij nu niet meer passen.”
“Och Francis! het grieft mij zoo dat gij u zelve zoo in de laagte zet,” zei de goedhartige man met tranen in de oogen.
“Ik zet mij waar ’t lot ons geplaatst heeft. Ik ben geresigneerd, Willibald! maak mij niet week door regrets op te wekken. Maak het uwe vrouw duidelijk dat er geen onwil achter steekt; zeg alleen dat ik niet meer uitga en geen toilet meer kan maken.”
“Geen toilet! en gij ziet er zoo elegant uit,” sprak hij, haar met zeker welgevallen aanziende.
“Elégance démodée; denk maar eens! ik had dezelfde zwart zijden japon aan toen ik voor het laatst met u gedanst heb, geheel à contre coeur, want ik had heel wat anders in het hoofd.”
“Of het mij heugt! En hoe de dames zich daarover ergerden, die er later, naar ik vernam, eene amazone van gemaakt hebben!”
“Connu, de dames maken er al van wat zij willen, als zij eens aan ’t brodeeren zijn! Liegen schijnt geen kwaad als men zich maar amuseert, en de politie bemoeit er zich niet mee. Maar ’t geen gij nu ziet is ten minste genoeg om u te doen begrijpen, dat het nu niet meer gaat.”
“Maar Francis!” kon ik mij niet onthouden in te vallen; “als ’t nu alleen op een toilet aankwam,—en gij het graag deedt,—dan zou ik daar wel raad voor weten. In den Haag is men er zoo vlug mee....”
“Dankje, Leo! Als men het niet kan betalen, moet men het niet nemen, zelfs niet in den Haag! Ik vergenoeg er mij mee, en mijn vriend Willibald moet er ook in berusten, want de weigering valt mij al hard genoeg, zonder dat er nog bij komt het verdriet om er met hem over te discussieeren.”
Dit klonk beslissend. En de goede Willibald bleef verslagen zwijgen. Hij zuchtte en zag weer op haar met een droevig schouderophalen.
“Ik ben rijk, Francis, ik ben rijk omdat gij het zóó hebt gewild. Gevoelt gij dan niet welk een genoegen het mij zijn zou als gij eens de comfort van mijn huis, van mijne fortuin mede wildet genieten?”
“Brisons!” zei Francis; “ik dacht dat gij mij heel wat anders hadt te vragen....”
“Ik heb ook nog wat anders te vragen, maar ik durf er nu haast niet mede voor den dag komen; mijne vrouw had u eene confidentie te doen....” en de fijn voelende jonge echtgenoot werd eenigszins bleek.
“Le secret de la comédie!” riep Francis glimlachend; “mag ik er eens naar raden.... eene interessante positie; er is een doopjurk noodig. Ongelukkig borduur ik zoo slecht; ik kan op zijn best mijn dienst presenteeren om de luiers te zoomen.”
“Dat komt allemaal terecht zonder u, freule; maar.... er is eene peettante noodig, in de verte altijd.... en die mag geene andere zijn dan gij; mijn kind zal Francis heeten, of het een zoon dan wel eene dochter is; dit moet gij mij toestaan.”
“Wat zal dat arme kind aan zoo’n poovere peettante hebben!”
“Iets dat voor ons zeer veel beteekent. Het zal een naam voeren dien wij altijd in ’t geheugen wenschen te houden en die door ons steeds met achting en dankbaarheid zal worden genoemd,” sprak Willibald met gevoel, haar de hand toestekende.
“Och! gij zijt een sentimenteele dweper, Willibald, dat heb ik altijd gezegd; maar ik wil niet alles weigeren.... het zij zoo; alleen ik moet u waarschuwen dat mijn naam geen geluk aanbrengt.”
“Daar waag ik het op; ik ben niet bijgeloovig, maar—dan moet gij mij toch beloven het zelve ten doop te houden; daar hecht ik aan, al zou ik met moeder en kind naar de Werve komen, om in uwe kerk....”
“Neen! neen! op één dag heen en weer zal ik het er nog wel uitbreken; wij moeten den zuigeling en het jonge moedertje niet dérangeeren; ik voel nù al, dat tante zijn mijne vocatie is....” Zij sprak dat laatste lachende, maar het was een zwaarmoedig lachje, en kennelijk voelde zij er meer bij dan zij uitsprak.
Willibald ook vatte het zoo op. “Francis! hoe zou ik wenschen u nog eens recht gelukkig te zien!”
“Welnu! wie zegt u dat ik niet recht gelukkig ben; oude freules, als zij goede tantes worden, hebben toch ook nog haar nut.”
“In elk geval zijt gij nog geen oude freule, Francis! al hebt gij altijd over mij voogdij willen oefenen als ware ik uw jongere broeder....”
“Majoor Frans heeft geen leeftijd.”
“Dat wil zeggen, dat zij altijd kind is gebleven,” voegde ik haar toe; “en een kind dat altijd haar zin moet hebben of—zij raakt uit haar humeur, niet waar kapitein Willibald?”
“Ah,” riep Francis lachend; “daar hoor ik weer mijn deftigen neef, jonker van Zonshoven, een allerlastigst mensch, Willibald, waarmee ons garnizoen nu sinds eenige dagen is versterkt; hij ziet nergens tegen op; hij zou mij heel graag het commando ontnemen, en hij heeft al zijn best gedaan om mij van mijn majoorsrang te degradeeren.”
“Integendeel! hij wil u verheffen en u op de plaats stellen waar gij hoort!” viel ik in. “Heb ik daar geen gelijk aan, kapitein Willibald?”
“Groot gelijk! althans als gij slaagt,” zei Willibald nu ook lachend.
“Maar dat zal hij niet!” riep Francis; “ik verweer mij zoo goed als ik kan; wij haspelen den heelen dag, dat onderhoudt de vriendschap en dat breekt zoowat de eentoonigheid.”
“Wij spelen qui perd gagne,” zei ik; “maar de freule neemt het spel averechts op, zij is bang voor ’t verlies!”
“En de jonker zou mogelijk al heel weinig gebaat zijn met de winst!”
“Mij dunkt, dit is iets waarover hij toch zelf het best kan oordeelen,” zei Willibald.
“Neen! want hij tast in den blinde; zoo alles afgedaan ware met Majoor Frans te verslaan, laat ik het nog daar; maar daarmee is nog niet uit den weg geruimd wat er mee samenhangt, en.... dat’s een Herculeswerk, waarbij ik, ik beken het voor u, Willibald, die er genoeg van weet, waarbij ik mijn moed en kracht zie bezwijken.” Zij sprak in ernst, en ik begreep waarop zij doelde.
“Du courage
Dans l’orage;
Les amis sont toujours là,”
zong ik, haar met intentie aanziende.
“Ik geloof waarlijk dat hij het ondernemen zou als men het hem toestond!” zei Francis.
“Hij zou het ondernemen, zelfs al stond men het hem niet toe!” viel ik in.
“Nu, dan laat ik u in goede handen! Kapitein Willibald is mijn ridder, die desnoods den degen voor mij trekt,” riep Francis, terwijl zij hard wegliep, want zij zag Frits naar haar toekomen, die haar door een wenk beduidde dat hij haar iets te zeggen had.
“Ik ben allermeest haar overwonneling,” zei Willibald met een zucht; “en om u de waarheid te zeggen, jonker! dat komt mij heden al heel slecht te pas, want als ik dat diner hier moet bijwonen, kom ik te laat op die soirée en mankeer ik mijn kolonel. En tegen u in vertrouwen gezegd, er is sprake van belangrijke mutatiën bij ons kader en ik heb eenige hoop majoor te worden, een weinigje vóór mijn tijd zeker, en ik zou ’t als eene gunst moeten considereeren; maar toch zou ik ontzaggelijk graag hoofdofficier zijn, te eer daar het eene verplaatsing ten gevolge zou hebben, die ook voor mijne vrouw zeer te pas zou komen.”
“Maar mijnheer! waarom dat alles dan niet aan freule Mordaunt gezegd; ik meende dat gij u slechts voor den vorm eenig geweld liet aandoen.”
“Neen! ik meende het zeer ernstig; ik had alleen op een vluchtig bezoek gerekend, maar het zou onkiesch zijn geweest dit te zeggen nu zij er zóó op aandrong.”
“Mijn beste Mijnheer Willibald, dat is eene zwakheid.”
“Dat weet ik maar al te goed; ik ben jammerlijk zwak als het haar geldt, en daarom is het heel gelukkig dat mijn vurige wensch om haar tot vrouw te hebben niet is vervuld. Wij zouden elkaar ongelukkig gemaakt hebben. Zij heeft zoozeer de gewoonte aangenomen om niet te cedeeren, en ik heb mij altijd voor haar gekromd; ik schaam mij niet het voor u te bekennen, want gij hebt het zelf ondervonden,—als men haar niet toegeeft....”
“Om de waarheid te zeggen, die ondervinding heb ik nog niet gemaakt, en denk ik ook niet te maken....”
“Nu, dan moet gij op uw qui vive wezen, jonker! dat waarschuw ik u; en ik maak u mijn compliment, als het u gelukt dien weg met haar te gaan, want zij voedt minachting voor zachtmoedigheid, die zij voor zwakheid aanziet, en zij heeft hare redenen om toch al geen hoog gevoelen te hebben van ons geslacht. Wat mij betreft, zij houdt wel van mij, maar telt mij heel weinig; de positie die ik had bij haar grootvader, wien zij om goede redenen eenigszins bestuurt, de verplichtingen die ik aan haar had, alles heeft er toe geleid om haar een overwicht te geven op mij, waarover ik, ook door de eigenaardigheid van mijn karakter, nooit heb kunnen zegevieren. Maar geloof daarom niet van mij, dat ik zoo’n sukkel ben in den regel. Alleen met Francis moet men eene uitzondering maken, ik ten minste. Ik ben haar veel verschuldigd; zij is van eene edelmoedigheid, van eene opofferende goedheid, die maakt dat men haar liefhebben moet, zelfs al valt zij ruw uit; ik had arme familie, waarvoor ik als luitenant, al wilde ik mij zelven nog zoo behelpen, niets kon doen; maar Francis, die toen nog meende fortuin te bezitten, had intusschen voor de mijnen gezorgd zonder dat ik er iets van wist....”
“O! nu verwondert het mij niet meer dat gij goede vrienden met haar gebleven zijt, al heeft zij u afgewezen.”
“Zij heeft mij niet afgewezen. Zij heeft er voor gezorgd dat ik haar niet kon vragen! Het is hare gewoonte niet, de lieden een blauwtje te laten loopen. Daarom werd er wel eens gezegd, toen zij nog in de wereld verkeerde, dat niemand haar au sérieux nam. Dat is niet waar; maar zij zelve was serieus genoeg om ’t geen zij voelde komen den pas af te snijden, zoodat men ter zijde gaat, battu et content. Wat mij betreft, zij heeft mij den weg gewezen, dien ik gaan moest, precies den tegenovergestelden van dien ik toen wenschte te nemen. Ik ben dien gegaan, omdat ik niet tegen haar op kon, en nu...”
“Hebt gij er berouw van?”
“In oprechtheid gesproken, neen! Ik ben gelukkig met mijne zachte jonge vrouw, die mij eene groote fortuin heeft aangebracht zonder er zich iets op te laten voorstaan, en die mij tot een gelukkigen vader zal maken naar ik hoop.”
“Als gij uw kleine Francis dan maar niet bederft, zooals gij het hare peettante hebt gedaan!”
“Dat’s heel wat anders: maar excuseer mij, jonker, ik stel te veel belang in mijne vriendin, mijne zuster zou ik haast moeten zeggen, om mij niet eene vraag te permitteeren aan u.”
“Vraag, mijn besten kapitein! ik zal u in oprechtheid antwoorden.”
“Gij zegt, dat gij qui perd gagne speelt met Francis; daar heb ik niets tegen; alleen, laat het spel niet te ernstig worden, of zóó ernstig dat gij uw levensgeluk zoowel als het hare er bij inlegt. Gij hebt blijkbaar haar vertrouwen, hare achting gewonnen; dat is zeer zeker de weg naar haar hart. Speel daar niet mee, ik smeek het u om harent, om uws zelfs wil. Daar is tusschen u en haar een losse, coquette toon, die haar bevalt, dat weet ik wel, al kon ik dien niet tegen haar voeren, maar die mij eenigszins ongerust maakt.”
“Gij kunt gerust zijn, mijnheer! ik ben een eerlijk man en heb de zuiverste bedoelingen. Francis bedriegen! wie daartoe in staat ware zou een laaghartige zijn. Zij is de oprechtheid en rondborstigheid zelve!”
“Ja, dat is zij; en daarom is alles wat naar cache-cache lijkt haar tegen. En nu, vergun mij iets te zeggen.”
“Wat toch?”
“De generaal zei mij zoo en passant met een enkel woord, dat gij geene fortuin hebt, maar groote verwachtingen, mits gij eenige souplesse wist te toonen voor zekeren bloedverwant.”
“Dat is mogelijk. Waar bemoeit de generaal zich toch mee!”
“Met de toekomst van zijne kleindochter; en dat is hem wel te vergeven, dunkt mij. Gij moet weten, mijnheer! dat ik mij zoo pas een paar dagen in het stadje Z. heb opgehouden. Ik heb daar over u hooren spreken.”
“Dat is niet te verwonderen. Men is, geloof ik, nogal praatziek in dat stadje,” bracht ik uit; maar ik voelde dat ik bleek werd. Mijn geheim mogelijk reeds verraden! “Wat vertelt men daar eigenlijk van mij?” vroeg ik, te stouter naarmate ik meer ongerust was.
“Dat gij iemand zijt die reeds fortuin bezit, want men fluistert elkander in (ik laat die kleinsteedsche babbelarij en bemoeizucht in hare waarde, dat spreekt vanzelf), dat gij hier in de provincie reeds groote possessies hebt en hier zijt om er nog meer aan te knoopen. Nu vraag ik u, waarom weet men daar niets van op de Werve?”
“Ik ben hierheen gekomen om mijne nicht Francis te leeren kennen; gij zult mij toestemmen dat men het in zulk geval moeielijk op hooren zeggen kan laten aankomen, vooral waar het freule Mordaunt geldt.”
“Dat is waar, en zelfs behoort er moed toe om zich heen te zetten over zekere anecdotes, die omtrent haar circulairen. Maar ik verzeker u dat het verfoeielijke leugens zijn.”
“Ook heb ik niemand willen gelooven dan haar alleen. Maar mijnheer Overberg, dien ik daar ginds tot vriend had en die mijn voornemen toejuichte, deed mij opmerken dat men in het stadje alles wilde weten van iedereen; als men niets te weten kon komen, vond men uit. Ik moest bijgevolg eene reden opgeven voor mijn verblijf in deze streken. De ware, die Francis was, kon en wilde ik niet avoueeren; ik liet het dus aan hem over iets te bedenken, dat aannemelijk was. Ik weet nauwelijks welk verdichtsel hij uitvond. Moest ik dat ook hier nog colporteeren? Als ik eens met hoop van goede uitkomst de hand van Francis zal vragen, behoeft het ook voor niemand meer een geheim te blijven, wat ik al of niet bezit. Is haar vriend met deze inlichtingen tevreden?”
“Hij zou neen zeggen om toch geen andere te krijgen, denk ik,” hernam hij met een melancholiek glimlachje. “Zij voor zich is volkomen belangeloos, zij zal er niet op zien! maar toch is het waarheid dat zij geen man zonder vermogen kán trouwen. Hoe dat ook zij, maak haar gelukkig als gij haar hart kunt verwerven, dat is alles wat ik verlang, en.... zij verdient het. Ondanks den schijn, die soms tegen haar getuigt, is het een der edelste karakters die ik ooit heb leeren kennen, zelfs onder mannen en zij heeft daarbij niet les défauts de son sexe, al mist zij dan ook zekere beminnelijke zwakheden, die er mee gepaard gaan. Ik ben adjudant geweest van den kolonel, van ’t oogenblik af dat deze het commando te Z. aanvaardde, en ik was spoedig in zijne intimiteit. Zoo heb ik Francis onder allerlei omstandigheden leeren kennen; en, ik mag het zeggen, haar mogen ter zijde staan in lief en leed, en nooit heb ik haar zwak gezien, nooit bezield door ijdelheid of zelfzucht, nooit haar zien terugtreden waar het een zwaren plicht gold.”
“Messieurs allez plus loin, l’empereur vous entend!” declameerde Francis op schertsenden toon, terwijl zij van achter een vervallen muur optrad. “Ik heb niet willen luisteren, maar ik heb toch verstaan.... Dat was eene heel mooie phrase, Willibald, die gij daar met zooveel emphase hebt uitgegalmd; het scheelde niet veel of ik had u geapplaudisseerd zooals het publiek zeker Hollandsch acteur als hij zijne phrases à effet debiteert.”
“Gij weet het wel, freule, dat ik niet dan oprecht kan zijn, en zoo ik iets heb gezegd tot uw lof, ter waardeering van uw karakter....”
“Was het zeker omdat onze vriend Leopold zijne bezwaren daartegen had ingebracht. Gelukkig is hij iemand die er aan hecht uit eigen oogen te zien,” ging zij voort, haar sprekenden blik op mij vestigend, “en hij weet dat hem door mij althans geen blinddoek zal worden voorgedaan; hij weet al genoeg van mij en heeft hier al het noodige bijgewoond om uwe panygeriek op hare waarde te schatten. Doch ik heb er vrede mee; het is noodig voor de vriendschap dat men elkaar van alle zijden goed leert kennen. Het spijt mij, dat ik ulieden zoo kom overvallen en twee minuten mijns ondanks voor luistervink speelde, maar ik kom u zeggen, Willibald, dat uw rijtuig voor is; wanneer wilt gij nu dat het terug zal komen?”
“Wanneer laat gij mij vrij?” vroeg hij eenigszins verlegen, en mij aanziende.
“U vrijlaten! c’est fort, die getrouwde mannen verleeren alle galanterie.”
“Kapitein Willibald ziet er tegen op u te bekennen, Francis! dat hij eigenlijk niet blijven kan,” viel ik in. “Hij vreest zijn kolonel te mankeeren en tegelijk zijne bevordering mis te loopen.”
“Is ’t een inval van Leo?” vroeg Francis, Willibald aanziende met haar snellen, onderzoekenden blik.
Hij kleurde waarlijk als een jong meisje.
“Neen freule! er zullen belangrijke mutatiën bij het kader plaats grijpen. ’t Is mij ingefluisterd dat ik wat kans heb majoor te worden, bij keuze, want ik ben eigenlijk nog niet aan de beurt; alleen als ik de gelegenheid mis waarbij de kolonel mij aan generaal H. zou presenteeren, dan....”
“Spreekt het vanzelf dat er geen kwestie kan zijn van u gunst te verleenen. Mijn hemel, Willibald! waarom hebt gij dat dan ook niet gezegd toen ik u preste om te blijven?”
“Ik zag zoo duidelijk dat het u contrarieerde....”
“Frailty thy name is man!” declameerde Francis; “en dat bazuinde nog wel mijn lof, terwijl er zulk een offer werd gebracht!” riep zij met een licht schouderophalen. “Wat een egoïstisch despootje moet ik zijn in uw oog, Leo!”
“Het komt mij voor dat mijnheer Willibald hier zelf de schuldigste is.”
“Daarvoor zal hij dan ook boeten!” riep Francis. “Hij zal niets meer genieten van al de delicatessen, die Rolf heeft weten samen te brengen om zijn generaal te fêteeren. En gij, jonker! die zijn bondgenoot zijt, gij zult met mij de corvée deelen om den dominé en den notaris aan tafel te amuseeren. Kom aan, Willibald! maak nu geene complimenten meer; een kort en goed afscheid, uw woord dat gij eens weerkomen zult, en dan.... uitgerukt eer de generaal het merkt, anders komt die u ook nog ophouden.”
“Maar freule! zoo te échappeeren....”
“Dat neem ik op mij. En nu, en avant marche!”
Herkomst van de tekst: de uitgave in de Nederlandsche Bibliotheek onder leiding van L. Simons, Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur, Amsterdam. Spelling ongewijzigd.
