A.L.G. Bosboom-Toussaint · Majoor Frans · 1874
Deel 6 (2 van 4)

En zij liep alleen vooruit om Willibald tot spoed te dwingen. Wij bereikten dan ook sans encombre het voorplein, waar Willibald in een allerliefst laag rijtuigje stapte, door een koetsier in livrei bestuurd. Toen hij weg reed, bleef Francis naast mij op het perron staan en sprak met kennelijke voldoening:
“Ja wel, men heeft livrei! en wat een prachtige moorkop! Als de arme jongen zijn zin had gehad, zou hij nu geen équipage houden en mijn slaaf zijn geworden.”
“Hij verdient werkelijk beter! Een door en door goed mensch, Francis!” sprak ik met een tintje van verwijt.
“Een engel van een mensch, dat weet ik beter dan gij; alleen.... engelen kan men in onze maatschappij zoo slecht gebruiken. Men moet a little devilish wezen om er zich door te slaan. Toch Leo! ik zou hem te kort doen als ik u niet verzekerde dat er één punt is, waarop hij vastheid weet te toonen: militaire eer. Ik heb eens tevergeefs getracht hem van een duel te weerhouden, en nog wel een duel om mij. Ik had eene dame gebrutaliseerd, eene barones, eene gescheiden vrouw, die zich de airs gaf van slachtoffer en in ons huis had weten binnen te dringen. Zij had mijn grootvader zoo ingepakt, dat de goede man er niet aan wist te ontkomen. Zij had tot compère zekeren Duitschen ridder, aan wien zij zeide geparenteerd te zijn; en dat paar leende elkaar de hand bij het spel. Grootpapa werd afgezet, deerlijk afgezet. Ik raadde dat en begreep dat eene executie moest plaats vinden, en pleine société om dat onkruid uit te roeien, en ik aarzelde niet die te volvoeren. Willibald stond mij trouw ter zijde, maar had gewild dat ik het voorzichtig zou aanleggen; dan, gij begrijpt, voorzichtigheid en ik... Je n’y allais pas de main morte! Ik betrapte de valsche spelers op heeterdaad en ontdekte ze voor aller oog, zoodat de dame in kwestie woest kwaad op mij werd, maar zich moest retireeren. Haar vriend de chevalier, een soort van matamore, achtte het zijn plicht hare partij te nemen en iemand uit te dagen. Die iemand was Willibald, omdat deze zich carrément in zijn weg gesteld had, toen hij mij wilde beleedigen. Ik smeekte, ik drong Willibald, zich niet met den intrigant in te laten, die stellig geen eerlijke partij zoude zijn. Het hielp niets, hij was onverzettelijk. Grootpa zelf, die liefst geen esclandre had gewild, moest berusten; de militaire eer scheen het te eischen. Ik stond doodsangsten uit en betichtte mij zelve dat ik altijd ongeluk toebracht aan mijne vrienden. Willibald kwam op het terrein met zijne secondanten en vond er den geduchten tegenstander niet. Het voorgenomen duel had natuurlijk veel opzien gebaard en de aandacht der politie gevestigd op den ‘Herr Ritter;’ er werd door haar naar zijne antecedenten geïnformeerd, en hij werd nu herkend als een chevalier d’industrie waarmee zij reeds vroeger had te doen gehad. Zoo ontkwam Willibald aan de eer om met dien bretteur den degen te kruisen; maar hij had er door gewonnen in mijne achting. Men zou gedacht hebben, dat de beau monde mij nu dank zou geweten hebben voor de uitdrijving van zulke intriganten uit zijn kring; toch niet. Het was Majoor Frans, die het bedreven had, en sans égards voor eene barones, die, al had zij zich met een chevalier d’industrie gecompromitteerd, toch eene vrouw was van goeden toon, met uitstekend fijne manieren. Het was goed dat het gedaan was, maar het had zóó niet moeten geschieden; en bovenal had Francis Mordaunt er zich buiten moeten houden, alsof er onder al die fijn beschaafde heeren en dames één was, die den zedelijken moed zou gehad hebben om eene valsche speelster in de kaart te zien, om niet te zeggen dat ik er de naaste toe was, die mijn armen grootvader zag misleiden, zag plunderen.... Maar wat doe ik die oude histories op te halen! Ik hoor al een rijtuig rollen; daar komen de gasten. Ziedaar Rolf in groot tenue, die zich in postuur stelt om voor ceremoniemeester te spelen. Bravo, kapitein! neem het maar voor mij waar, want ik moet nog een weinig aan mijn toilet verschikken.”
En weg was zij, het huis weer binnen.
Daar de kapitein werkelijk in uniform was, met zijne Willemsorde op de borst, achtte ik mij verplicht om mij ook nog wat op te knappen en maakte mij uit de voeten eer de gasten uitstegen.
Het diner was zooals men dat verwachten kon na de aanstalten die Rolf en Francis er te zamen voor hadden gemaakt. Eene bijzonderheid trof mij: er was nu zekere ruimte van tafelzilver, zwaar ouderwetsch en met wapens voorzien. Ik begreep dat Francis met den kapitein had samengespannen om het familiezilver terug te krijgen. En het goedhartige schepsel durfde er voor zich zelve geen nieuwe zijden japon van nemen, die zij bepaald noodig had! Welk een genot zou het voor mij zijn, haar eens voor al die opofferingen schadeloos te kunnen stellen; en zij, die wel niet droomde van zulke uitzichten, zat daar toch uiterlijk zonder smartelijke préoccupatie en zelfs door hare vroolijkheid, door hare gulheid het gezelschap opwekkende om de vormelijke stijfheid te breken, die sommige dezer lieden meenden te moeten aannemen. De verveling, waarmee zij mij gedreigd had, kwelde mij niet. Zij had zich neergezet tusschen den dominé en mij; de notaris kreeg de eereplaats naast den generaal, en de ontvanger, die tegelijk als postbeambte fungeerde, zat aan diens linkerhand; daarbij sloten zich een paar stevige heerenboeren aan, ouderlingen en leden van den gemeenteraad, de eenigen onder de notabelen die tegen den burgemeester en vóór den generaal partij trokken, zoo vaak er punten van verschil oprezen in hunne lilliputsche maatschappij! Kapitein Rolf zat tusschen hen in, en verzuimde niet hen aan te moedigen den wijn eer aan te doen en hen opmerkzaam te maken op de exquise merken welke hun werden voorgezet.
Dominé was meer opgewekt als gast aan tafel dan als prediker tegenover zijne gemeente. Hij bleek een drukke anecdotenkramer, die Francis nogal eens stof leverde voor een uitval. Dames waren er niet: Francis had het vrouwelijk personeel in den ban gedaan; of deze haar, dat weet ik niet recht uit te maken.
De zoon van de Pauwelsen, dezelfde die palfreniersdiensten deed bij het rijpaard van Francis, assisteerde nu Frits bij het dienen. De oude knecht droeg ditmaal een livreirok, die mij aan een gemetamorphoseerde officiersjas deed denken. Was het dit of iets anders, dat den goeden man ditmaal zoo stijf en plechtig maakte dat het mijne aandacht trok! Hoe dat zij, grijs geworden onder de discipline, verzuimde hij zijne dienst niet, en alles liep flink en geregeld af, zooals in een huis waar orde en goed beleid voorzitten. En toch was er veel wat mij pijnlijk aandeed en stof gaf tot nadenken. Een huis dat in puin dreigt te storten en waar men feest viert! De zoon des huizes, die uitgedreven was en toch weergekeerd, zonder dat er een plaatsje voor hem was aan den feestdisch van zijn vader; die mogelijk nu alweer in ’t gareel draafde van zijn halsbrekend beroep,—en die vader, die hem niet miste, die hem bovenal niet terugwenschte! Ik kon niet nalaten den generaal aan te zien met de bijgedachte aan Rudolf. De fijne egoïst was weder in zijn humeur geraakt. Zijn spijt over het echappeeren van Willibald, had hij spoedig verzet bij het genot zijner lievelingsgerechten, waarmee hij werd gefêteerd, en hij bleek bij uitnemendheid de man voor het weelderige, gezellige leven. Het scheen hem niet in ’t minst te preoccupeeren hoe de luxe van het onthaal was daargesteld; hij genoot die en fin connaisseur en sprak er over met zijne gasten zonder eenige gêne. Wat Francis betreft, zij kent hare plichten als gastvrouw en zij behoort tot die gelukkigen, die met buitengewone veerkracht bedeeld, even gemakkelijk op een gegeven oogenblik haar last en leed weten te verzetten en van zich af te werpen, als die in den regel met kloekheid te dragen. Zij was en veine van plaagzucht en wij kibbelden prettig, zij stootte aan met Rolf, die, zonder haar den titel te geven, een toast had geïmproviseerd op zijn majoor. In ’t eind, wij amuseerden ons ieder op zijne wijze, en tot mijne voldoening tafelde men niet al te lang. Omstreeks zeven uur liet Francis ons aan de sigaar. Ik durfde nu niet met haar ontsnappen. Zij liet koffie dienen, en daarop noodigde Rolf ons in ’t priëel in den tuin; hij had kruidenwijn gemaakt, dien moesten wij proeven. Dat voorstel werd met toejuiching begroet, en het was zoo kwaad niet gevonden. De gasten waren plakkers; de heerenboeren hadden hun wagentjes besteld tegen acht ure. De generaal had zoo iets gemompeld van een partijtje billard, maar zij excuseerden zich; en dat was gelukkig, want het billardlaken was in een deerlijken staat. Francis had vooruit elk spel geprohibeerd, en.... de tijd moest toch worden omgebracht. Ik had altijd hoop Francis te zien opdagen, maar daar zij niet te voorschijn kwam, begreep ik dat zij zich teruggetrokken had om uit te rusten. De dominé, die het eerst en te voet heenging, klaagde dat hij tevergeefs naar haar gezocht had om afscheid te nemen. Eindelijk kwam Frits in alle plechtigheid aandienen dat het rijtuig vóór was, een zoogenaamd speelwagentje, met solide leeren huif overdekt, waarin voor allen plaats was en dat aan een der notabelen behoorde. Daar de generaal een weinigje zat te soezen, al wilde hij er niet voor uitkomen, was ik met Rolf mee gegaan om het gezelschap uitgeleide te doen. Daarop excuseerde de kapitein zich bij mij en ging volgens gewoonte in de billardkamer zijne welverdiende rust nemen. Ik bleef nog wat op het binnenplein rondloopen, besluiteloos of ik al dan niet het huis weer zou ingaan, toen ik op eens Francis zag aankomen door de oude poort, die nooit meer gesloten werd.
Haar te gemoet te gaan en mijne blijdschap te betuigen dat ik het zoo trof, haar voor te stellen nu nog te zamen eens rond te wandelen, was even schielijk gedaan als gedacht; maar voor eene wandeling was het te laat, voerde zij tegen. Zij zelve was maar eens naar de boerderij geloopen om het grootje van de Pauwelsen wat lekkernijen van het diner te brengen; dát was hare rust geweest. Maar zij wilde graag nog wat met mij den tuin in en een poosje praten op de bank van den vervallen koepel, waar men zulk een mooi vergezicht had. Alleen moest zij eerst even omzien naar grootpapa.
“Die zit nog in ’t priëel te dommelen, en mij dunkt hij zit daar goed.”
“Ja, maar de avond is luchtig en.... Is Rolf bij hem?”
“Rolf haalt de schade in van de verloren siësta.”
Francis fronste de wenkbrauwen. “Grootpapa moest vandaag niet alleen zijn.” En zij verhaastte haar tred. “Zoudt gij gelooven, dat ik den heelen dag zekere onrust heb gehad?”
“Gij! Men zag het u niet aan.”
“Dat moest er nog maar bijkomen!”
“En waarom die onrust?”
“Hebt gij dan niet wel eens aan Rudolf gedacht? Dat zou mij verwonderen.”
“Ik? Heel veel! Juist aan het diner, waar ik zijn vader zoo opgewekt zag, kwam hij mij telkens voor de verbeelding.”
“Maar ik dacht aan hem eer met onrust dan met medelijden, dat wil ik u wel bekennen. Ik vrees nog altijd een coup de tête van hem.... Gij zijt zeker dat hij vertrokken is, niet waar?”
“Hij is zijn eigen weg gegaan, terwijl ik nog sliep en heeft zijne portefeuille laten liggen. Ik ga morgen naar A. om hem uit te vinden.”
“Doe dat maar niet, want nu ben ik er zeker van dat hij weer zal keeren. Hij is mijn cauchemar....”
“Dat blijkt uit alles. Ik weet het, gij hebt er reden voor; maar toch, zoo hard te zijn jegens een ongelukkige!”
“Zoo gij voor hem geleden en gestreden hadt zooals ik, zoudt gij denkelijk niet zachter over hem oordeelen. Men kan niet op hem aan, ziedaar wat mij het meest in hem tegenstaat.”
“Dat is ook een leelijk gebrek, maar toch....”
“Dat mankeert er nog maar aan, dat wij samen kibbelen over dien man!” viel zij in met zoo zichtbaar verdriet en ongeduld, dat ik mijn pleidooi opgaf, omdat ik haar juist nu niet meer wilde prikkelen. Mijn zwijgen echter nam zij als verwijt, en daar had zij ook geen vrede mee.
“Zeg mij liever,” sprak zij op geheel anderen, bijna vleienden toon, “of mijn diner u bevallen is?”
“Gij zijt eene gastvrouw bij uitnemendheid, Francis! Ik zou u willen zien aan het hoofd van een huis dat perfect gemonteerd was en....”
“En waar men het tafelzilver niet eerst behoefde te lossen als men gasten wacht,” viel zij in, wel wat ruw en bitter; maar de bitterheid was bij haar wel te verklaren en te vergeven.
“Arme lieve! dat heeft u zeker een geducht offer gekost?” vroeg ik met deernis, want zij had tranen in de oogen.
“Wat vernedert kost altijd,” hernam zij. “Maar helaas! ik ben er al over heen; en wat het overige betreft, mijn zomertoilet is er eene luchtspiegeling door geworden,” ging zij luchtiger voort. “Maar dat is het minste; ik was het den ouden man schuldig. Ik had hem, gij herinnert het u nog wel, Leo! wat al te hard de waarheid gezegd over zekere zwakheden, en nu, op zijn verjaardag, wilde ik daarvoor boete doen en hem eene verrassing bereiden, die wel doel getroffen heeft; grootpapa was er bewogen door, en Rolf, goede ziel als hij is! heeft er het zijne toe gedaan; hij is er voor naar de stad gereden en wij hebben het samen in stilte gepoetst. Frits mocht het natuurlijk niet merken.”
“Men zou wenschen u in de schuld te zien vervallen, om de beminnelijkheid waarmee gij die herstelt. Mij Francis! wien gij niets schuldig waart, hebt gij zoo allerliefst verrast....”
“Beter gemeend dan uitgevoerd; het eerste het beste dat ik grijpen kon. Een souvenir aan den dag waarop gij voor goed mijn vriend zijt geworden.”
Wij waren door het huis den tuin ingegaan; het was er reeds schemerdonker. Ik werd aangegrepen door een moed, die veel op overmoed geleek; ik wilde op eens aan alle mijne aarzelingen een eind maken. Als ik schrijf: ik wilde, is dat niet juist uitgedrukt; er was iets onwillekeurigs, iets onoverlegds in mijne handelwijze, toen ik zacht mijn arm om haar heen sloeg en alleen zeide:
“Uw vriend geworden voor goed? ik dank u voor dat woord, Francis! maar.... het is mij niet genoeg; sta mij toe meer voor u te zijn, sta mij toe.”
“Meer zou te veel zijn,” viel zij in met zichtbare agitatie. “Ik bid u, Leo! wil berusten in ’t geen wij voor elkaar zijn kunnen, en bederf die verhouding, die mij, als u, dierbaar is, niet door meer te willen, want dat kan toch niet zijn. Daarom, beloof mij, beloof mij ernstig Leo! dat gij daar nooit weer van spreken zult!”
Zeker dat klonk als eene afwijzing en.... het scheen ernst. Maar de toon waarop zij die woorden uitsprak, getuigde van eene ontroering, die zij niet kon of niet wilde verbergen; dit was toch heel wat anders dan hare koele, besliste verklaring op de hei, waarmee zij den vreemdeling had willen afschrikken.
Ik vatte er moed uit om te vragen: “en waarom dan toch niet, Francis?” maar ik kreeg geen antwoord, zij trok driftig haar arm uit den mijnen, en liep ijlings vooruit naar het priëel. Hetgeen zij daar zag deed haar een kreet slaken, en zelf stond ik roerloos van schrik toe te zien, zoodra ik naderbij was gekomen.
Wij zagen Rudolf! Rudolf, geknield aan de voeten van zijn vader en diens handen kussende zonder dat deze het scheen af te weren.
Wij meenden getuigen te zijn van eene verzoening, wij hadden ons deerlijk vergist. Rudolf zelf sprong op met een uitroep van schrik en vertwijfeling, en sloeg zich voor het hoofd als een wanhopige. Francis, die in één vaart tot het priëel was doorgegaan, riep hem toe: “Ik heb u gewaarschuwd! gij hebt uw vader den dood berokkend.”
“Neen, Francis! neen! hij is bewusteloos, hij is koud als een lijk; maar ik vond hem zóó; ik bezweer u bij alles wat mij lief is, dat ik hem zoo gevonden heb.”
Werkelijk zat daar de generaal, stokstijf en onbewegelijk als een doode; zijn hoofd was op gedwongen wijze naar ééne zijde gekeerd, en zou mogelijk dieper zijn neergevallen, zoo het latwerk van het priëel, nog maar weinig door de dunne bladeren bedekt, het niet tegengehouden had; zijn gelaat zag blauw bleek, als ware hij geworgd; zijne oogen stonden strak en wijd open, maar het was blijkbaar dat zij niet zagen; zijne gelaatstrekken waren akelig verwrongen; de armen hingen als verlamd langs het lichaam; de hand die Rudolf losliet viel roerloos neer en was ijskoud, toen ik die vatte om te onderzoeken of de pols was te vinden. Francis maakte zijn das en boord los, ontblootte den hals en wreef de slapen met eau de cologne, het eerste wat zij terstond bij de hand had. Het bleek dat er nog leven was! de inwrijving met het scherpe geurige water scheen de reukzenuwen aan te doen, er was geene volstrekte gevoelloosheid. Maar, er moest hulp zijn, oogenblikkelijke hulp. “Is er geen geneesheer in de buurt?” vroeg ik.
“Niet ver het dorp in woont de chirurgijn die hier pas gekomen is!” antwoordde Francis.
“Dan vlieg ik er heen!” riep Rudolf met levendigheid.
“’t Is veel beter dat Frits gaat,” besliste Francis.
Zij had gelijk, en ik liep het huis binnen om den ouden getrouwen Frits op te zoeken, en aan hem het geval mede te deelen! Ik begreep nu wat hem den ganschen dag zoo strak en somber had gemaakt.
“De generaal een attaque!” riep hij met tranen in de oogen, “dan is hij geschrikt of heeft zich boos gemaakt, en—dat, dat is mijne schuld!”
“Maar Frits!”
“Neen jonker, het is zooals ik zeg; ik had het niet moeten toelaten, maar kon ik.... ik, mijnheer Rudolf wegjagen, verklagen?”
“Neen, goede trouwe man, dat mocht gij niet; maar nu—weet te zwijgen en haast u.”
“Dàt zult gij zien!” en hij ijlde weg met een spoed of er jeugdige kracht was gevaren in zijn oude beenen.
Toen ik terugkeerde lag de generaal nog altijd zonder kennelijk bewustzijn in dezelfde houding; er had zeker eene heftige woordenwisseling plaats gevonden tusschen Francis en Rudolf, waarbij deze de nederlaag had geleden, want ik vond hem achter het priëel verscholen tegen een boom geleund, en zich het gelaat bedekkend in stomme, radelooze smart.
“Tranen en handenwringen baten nu niet,” duwde Francis hem toe, “help mij liever om hem te vervoeren!”
“Mag ik?” riep hij als opgewekt uit zijne vertwijfeling.
“Het kwaad is immers nu toch geschied! Breng hem over, eer hij bijkomt; Leo zal u wel helpen.”
“Dat is niet noodig; hij is mijn vader en het is mijn recht,” riep hij bijna woest, trad toe en vatte den grijsaard op met de omzichtigheid, maar tegelijk met de zekerheid van iemand voor wien het een lichte last moest zijn. Hij nam hem op de beide armen, en hij liep er zoo vlug en vast mee voort, dat wij moeite hadden hem bij te houden. Bleek als de patiënt zelve volgde Francis en wees de groote zijkamer aan als de voorloopige rustplaats.
“Ware het niet beter in eens door, naar zijne slaapkamer, op zijn bed?” vroeg Rudolf, en hij besteeg alreeds den eersten trap.
“Maar dat zal u onmogelijk zijn!” voerden wij beiden tegen.
Rudolf antwoordde alleen met voort te gaan en bereikte de eerste verdieping, waar van ouds de generaal zijn logis had. Francis haastte zich de deur van de slaapkamer open te doen, en binnen eenige minuten lag de bewustelooze op zijn bed, nog altijd met de starende oogen, die niet schenen te zien.
“God lof, we zijn er!” sprak Rudolf met zijn heesche stem, nu op een stoel neerzinkende. “Ik heb wel sterker tours de force gedaan, maar geen waarbij mij het hart zoo heeft geklopt.” Francis dankte hem voor zijne hulp.
“Mag ik hier blijven tot hij weer bijkomt?” vroeg hij ootmoedig. “Verscholen aan deze zijde van het ledikant, kan hij mij onmogelijk zien.”
“Gij kunt nu niet heengaan, dat gevoel ik; maar wij moeten Rolf laten roepen, en als die komt en u ziet....”
“Als hij opschudding maakt, draai ik hem den hals om; doodeenvoudig.”
Ik vond het eenvoudiger Rolf vooruit te gaan waarschuwen en tot stilzwijgen en toegeefelijkheid te stemmen; ik had medelijden met den armen man, dat ik hem met zulke tijding uit zijne feestelijke stemming moest opschrikken. Ik vond hem nog zoo dommelig en zoo beneveld, dat ik moeite had hem aan ’t verstand te brengen wat er gaande was. Toen hij mij eindelijk begreep, meende ik dat hij zelf eene beroerte zou krijgen van smart en ergernis, en zonderling, de laatste was nog heftiger dan de eerste.
“Wat doet die hier? Hij brengt altijd ongeluk aan. Maar dat kan hem niet schelen; hij ontziet zich toch niet zijn dwaze invallen uit te voeren, al zou hij er ook Francis ongelukkig door maken en zijn vader vermoorden.” Ik bracht hem onder ’t oog dat een man op den leeftijd van den generaal, na een copieus diner zooals het zijne was geweest, nog gevolgd door het druk gebruik van kruidenwijn in de open lucht, heel licht een aanval van beroerte had kunnen krijgen, zonder verdere bijkomende omstandigheden; maar evenals Francis hield hij vol dat er zonder Rudolf niets gebeurd zou zijn; daarenboven beweerde hij dat hij zijn krijgsmansplicht verzuimde, zoo hij geen kennis gaf aan de bevoegde autoriteiten en “den deserteur” liet arresteeren!
Het kostte mij werkelijk eenige moeite hem van dit idée fixe af te brengen en te doen verstaan dat er een hoogere plicht was, die der menschelijkheid, en dat deze hem gebood, den zoon niet te weren van zijns vaders ziekbed, dat mogelijk een sterfbed kon zijn; dat freule Mordaunt zelve haar oom gastvrijheid had verleend, en dat het aan ons was om het smartelijk familie-geheim te eerbiedigen en te zorgen dat master Smithson weer in veiligheid kon aftrekken. Deze voorstelling bleek doel te treffen, en Rolf was toch innerlijk te goedhartig om te doen wat hij overluid riep dat zijn militaire plicht was, tenzij de generaal zelf het uitdrukkelijk begeerde.
Toen ik nu, vergezeld van Rolf, weer de ziekenkamer binnenging, vonden wij er reeds den dorpsgeneesheer, die van een patiënt in de nabuurschap terugkeerde en dien Frits gelukkig had ontmoet.
Hij achtte den toestand zorgelijk en een lating hoog noodig, had zijn lancet bij zich en wenschte de operatie onverwijld te volbrengen. De patiënt moest ontkleed worden; Frits en Rolf strekten hem gewoonlijk tot kamerdienaar. Ik leidde Francis ter zijde in een kabinetje waar ook Rudolf zich verscholen hield in ademlooze spanning over de uitspraak van den chirurgijn. Francis liet ons samen, om haar zijden japon te verwisselen met een négligé. Door de deur, die wij op een kier hadden gelaten, konden Rudolf en ik alles waarnemen wat er met den patiënt voorviel. Toen hij bijkwam, vroeg hij met eene zonderling veranderde stem, met eene stamelende tong, naar Francis; toen zij kwam, nog voor men haar had kunnen roepen, deed hij haar op verwarden en verwilderden toon vragen, die de geneesheer voor koortsachtig ijlen aanzag, maar waaruit het voor ons overigen duidelijk bleek, dat hij Rudolf gezien en herkend had en ook nu bij zijne kennis was, daar hij ondanks alles zorgde geen naam te noemen.
“Men moet den patiënt de meest mogelijke rust verzekeren, anders krijgen wij hersenkoorts,” besliste de jonge geneeskundige eer hij heenging, door Frits vergezeld, die ter wille van den spoed op de medicijnen zou blijven wachten.
“Zou het u rust geven den persoon te zien dien ge straks hebt aangeduid?” vroeg ik den generaal, toen wij alleen onder huisgenooten waren.
“Neen, neen! ik weet dat hij er is, hij moet gaan, hij moet mij niet onder de oogen komen, of ik vervloek hem!”
Het werd stamelende en met moeite uitgebracht; maar toch bitter en dreigend, kennelijk met volkomen bewustheid. Wij hoorden een luiden snik; Rudolf had verstaan!
Het werd noodig hem te verwijderen.
Rolf zou dien nacht met Francis blijven waken; ik voerde Rudolf weg; de forsche man wankelde op zijne voeten, ik moest hem steunen.
Toen wij mijne kamer bereikt hadden, viel hij als een verslagene op de sofa neer! “’t Is gedaan, ik had niets beters te hopen noch te wachten, niets beters verdiend ook!” en hij schreide als een kind.
“Francis had toch gelijk, gij hadt niet moeten weerkeeren tegen uwe belofte.”
“Ik ben niet weg geweest! Frits heeft mij betrapt toen ik den tuinmuur wilde overklimmen, en ik moest mij bekend maken om alarm te voorkomen, want hij hield mij in ’t eerst voor een dief. Daarop bood hij zich aan, mij in een der ongebruikte benedenkamers te verbergen, die op den tuin uitzag. Ik zou er mijn vader mogelijk kunnen gadeslaan zonder dat deze het bemerkte, en zoo is het ook geschied. Toen zijne gasten heengingen en gij zelf hem alleen liet, nam ik de gelegenheid waar om uit mijn schuilhoek weg te sluipen en hem te naderen, daar ik meende dat hij ingeslapen was. Het blijkt dat hij mij heeft herkend, en dat alleen de machteloosheid van zijn toestand hem belet heeft mij te verdrijven. Nù heb ik er genoeg van, nu ga ik voor goed. God zegene hem, dat hij nog moge herstellen! God sterke Francis.”
Maar ik liet hem zoo niet gaan. Ik hield hem dien nacht bij mij, bij de mogelijkheid dat er verandering kwam in den toestand, in de gezindheid van den patiënt; ook wij brachten dien nacht te zamen wakende door. Van tijd tot tijd ging ik informeeren naar den lijder; tegen den morgenstond, toen wij de zekerheid hadden dat er een diepe, rustige slaap was gevolgd, kon Rudolf meer gerustgesteld aftrekken; ik deed hem een eind wegs uitgeleide en beloofde hem op de hoogte te houden van ’t geen op de Werve voorviel; hij gaf mij ’t adres van Mr. Richard Smithson en hij scheidde van mij met hartstochtelijke uitdrukkingen van dankbaarheid voor het weinigje belangstelling dat ik hem had kunnen betoonen.
Ik had van Rudolf von Zwenken wel niet mijn vriend willen maken, maar ik beklaagde hem diep en ik had de overtuiging gekregen, dat hij bij een forsch lichaam een zwak karakter had, maar gansch geen kwaad hart, en op dat punt de betere was van den vader, die hem uitstiet. Francis had gelijk: die zwakheid en dat gebrek aan wilskracht, waardoor men niet op hem rekenen kon, waren tegelijk de hoofdoorzaken van zijn diepen val. Hetgeen den generaal overkomen was, kon eene waarschuwing genoemd worden, waarvan hij welhaast weer goed bekwam, doch er bleef zwakte en verlamming van armen en beenen na en de convalescentie vorderde langzaam. Ik moest in die dagen van kommer en onrust Francis ter zijde blijven en mocht haar menigen last helpen verlichten. Ik mocht wel eens een nacht wakens voor haar overnemen, of den lijder gezelschap houden als zij afgetobt rustte of zich wat verfrischte in de vrije lucht. Een van beiden moesten wij altijd in de ziekenkamer zijn, want Rolf was meer een goedhartig vriend dan een verstandig ziekenoppasser. Op straffe van instorten was den herstellende onthouding opgelegd van datgene waar hij als een groot kind naar hunkerde, en de kapitein was onverstandig genoeg om hem in te willigen wat niet diende. Er moest iemand wezen om beiden in ’t oog te houden, en Francis was mij innig dankbaar dat ik bleef, al begreep zij nauwelijks hoe ik deze afzondering voor lief nam, hoe ik het met mijne bezigheden schikte om weken aaneen uit mijne woonplaats afwezend te zijn. Zij kon wel niet weten dat ik geen gewichtiger bezigheid had dan haar gade te slaan en haar hart te winnen. Ik wendde voor dat mijn schrijfwerk overal evengoed was te verrichten. Daar zij mij soms pakketten zag verzenden, hield zij zich met die uitlegging tevreden, en bewonderde zeker in stilte meer dan ik het verdiende mijne zelfverloochening. Zelve was zij subliem van vrouwelijk devouement; zij had ondanks alles haar grootvader lief, zij vergat alle groote offers, die zij hem had gebracht, en had gemoedsbezwaren over de lichtere grieven die zij hem had aangedaan. Toen hij in levensgevaar verkeerde, trof ik haar soms geknield voor zijn ziekbed, hem vergiffenis smeekende voor hare hardheid en onwillekeurige vergrijpen, en toch, toen hij herstelde zag zij zelve in, dat zwakheid en toegevendheid hem niet dienden. Gedurende zijne ziekte raakte ik beter op de hoogte van zijne zaken en zijn bedrijf, dan het door jaren samenlevens had kunnen geschieden. In een helder oogenblik had hij mij opgedragen brieven en berichten die er voor hem komen mochten in te zien. Ik kreeg de zekerheid van gevaarlijke speculaties, de zekerheid dat hij nòg schulden maakte achter Francis om. Toen hij begon te herstellen, achtte ik het mijn plicht hem in eene rustige ure daarover ernstig te onderhouden en te doen inzien welke jammer hij over Francis bracht als hij dus voort ging. Hetzij dat het de overblijvende zwakte was die hem week en gevoelig maakte, hetzij hij werkelijk in de lange slapelooze nachten, waarin hij roerloos, maar toch met volle bewustzijn, neerlag, bij zich zelven reeds zulke overwegingen had gemaakt, hij beleed schuld; al schoof hij zijne verkeerde handelwijze op den wensch om Francis langs dien weg eenige fortuin na te laten; maar hij beloofde mij dat alles voor goed af te snijden en wist geen ander redmiddel dan het verkoopen van de Werve op de meest gunstige voorwaarden. Het begon dan ook hoog tijd te worden voor dit einde. Overberg, door mij telkens tot geduld aangemaand, had nog uitstel gegeven tot de generaal weer op de been was; maar van Beek in zijne kwaliteit van executeur drong op definitieve beslissing aan; en ik was nog altijd niet zeker van Francis, ik had nog altijd het beslissende voorstel niet durven wagen! Zwakheid, zult gij zeggen. Neen! toch niet, kieschheid, verschooning, opzien daarenboven tegen een einde dat haar en mij scheiden kon, terwijl ik wist haar nog zoo noodig te zijn. Er stak niets vreemds in, dat ik mijne nicht bijstond in de ziekte van mijn oudoom; maar zoo haast die nicht mijne verloofde zou zijn, gebood de convenance dat ik mij verwijderde; en juist omdat het Francis Mordaunt gold, wilde ik niet tegen dien vorm zondigen, al haalde ik als zij over kleingeestigheid de schouders op; daarbij, hoezeer ik nauwelijks twijfelde of zij mij liefhad, hoezeer ik mijn invloed op haar als met den dag zag toenemen, hoezeer ik hare achting, haar volle vertrouwen genoot, er kon iets in den weg zijn dat haar deed opzien tegen een huwelijk, met wien ook; en zoo haar: “Spreek er niet meer van,” ernstig gemeend was omdat zij zelve eene beslissende weigering wilde voorkomen, dan moest ik mijn tijdstip om dit verbod te overtreden, en op een “ja” of een “neen” aan te dringen, wèl goed kiezen; want zoo het neen ware, de gedachte alleen, dat het “neen” zou kunnen zijn, bracht mij eene rilling over de leden. Als het neen ware, moest ik troosteloos heengaan en haar reddeloos opgeven! daarom bleef ik aarzelen en zwijgen, al spraken ook mijne blikken, al wilde, al kon ik mijne genegenheid voor haar niet verbergen, al kostte het mij strijd mij niet door hartstocht te laten overweldigen! Daarbij, wij waren in zekeren zin gelukkig, zooals het nù was, en er was iets verlokkends in, zich zoo op den stroom te laten afdrijven, en zonder omzien of vooruitzien het tegenwoordige te genieten. De generaal zag vooruit op zijne wijze, ik kreeg er de zekerheid van; hij gaf mij telkens met zekeren aandrang te verstaan, dat ik mij met mijn oom den minister behoorde te verzoenen en dat ik daartoe naar den Haag diende terug te keeren zoo haast ik Francis had voorbereid op den verkoop van de Werve aan den bezitter van de Runenberg. Ik verzekerde hem dat ik wel kans zag Francis te doen berusten in het fait accompli; maar dat ik het niet goed achtte de kwestie vooraf met haar te overwegen, dat ik dien dag naar Z. moest voor mijne eigene zaken, en als hij ’t goed vond zijne schriftelijke toestemming aan Overberg zou ter hand stellen, opdat deze verder die zaak kon regelen, en dat ik daarna voor korten tijd naar den Haag zou terugkeeren in mijn eigen belang. Nader verkoos ik mij voor dat oogenblik niet te verklaren. Ik had zijne vergunning niet te vragen om mij aan Francis te declareeren, en was vooruit overtuigd van zijne toestemming als haar antwoord aan mijn wensch voldeed. Hij scheen mijne bedoeling te vatten en stak mij de hand toe met ongewone hartelijkheid; ik zag tranen in zijne oogen.
Een voorwendsel voor mijn toertje naar Z. behoefde er niet gezocht te worden tegenover Francis. Zelve begreep zij, dat ik, nu de generaal weer op de been was en aan haar arm reeds een paar malen door den tuin had gewandeld, mijne onmisbaarheid niet langer kon aanvoeren als motief om op de Werve te blijven, en tegelijk dat ik vóór mijn vertrek nog wel een en ander in de naburige stad had te doen. Eerst in den laten avond kon ik naar de Werve terugkeeren. Overberg was zeer in zijn schik mij te zien en met mij te kunnen aboucheeren. De wettische van Beek stond gereed om het opgeheven wraakzwaard te laten neervallen en was nauwelijks meer daarvan terug te houden. Er lagen bij Overberg stapels van gezegeld papier ten laste van den generaal: de verschenen renten van de verschillende hypotheken, die sinds zes maanden onbetaald waren gebleven. Het was een desolate toestand, waarvan ik u het tafereel kan besparen. Overberg zou nu aan van Beek schrijven, dat de afstand van de Werve zou doorgaan, hoogst waarschijnlijk tegelijk met het huwelijk, en ik, in de verwachting dat de praktizijns ons nu wel een paar dagen met vrede zouden laten, keerde terug naar het kasteel, dat ik nu met heel andere oogen aanzag dan bij mijne eerste komst.
Herkomst van de tekst: de uitgave in de Nederlandsche Bibliotheek onder leiding van L. Simons, Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur, Amsterdam. Spelling ongewijzigd.
