Louis Couperus · Reis-impressies · 1894
Pincio
Op de balustrades, de treden van de groote Scala della Trinita de’ Monti—de trap, die naar de Piazza di Spagna neêrtreedt—slenteren de modellen, of liggen ze lang-uit, lui.
Jongens—zwarte oogen, zwarte haren,—in hunne Romeinsche Campagna-dracht, blauw en roodbruin en gelapt, op den puntigen hoed een geknakte pauweveêr.
Lui liggen ze: ondeugend gaan hunne zwarte oogen naar de vreemdelingen, die boven wandelen, als zeggen ze: je kijkt naar ons, je vindt ons mooi en wij, wij eten onze china’s-appelen: de zon schijnt warm, gemakkelijk is het leven....
In de zon geuren de gouden vruchten, de china’s-appelen en mandarijnen; achter de stapels zitten de verkoopers op den grond.
Een enkele vrouw, met zuigend kindje aan ontbloote borst; een paar meisjes met vierkanten hoofddoek, reikende hare bloem; een oude, grijze man, in ruimen, bruinen plooimantel, net een patriarch of een profeet. Maar meer de jongens en de kinderen; de kleine dreumessen—nauwlijks kunnen ze loopen en bieden ze hun lucifers—de dreumessen in wat gelapt oud bruin fluweel en het hemdje slippende uit een scheur van het fluweelen broekje, expres zoo, om de schilderachtigheid.
En bijna Moorsch doet de Trinita de’ Monti, roomgeel met twee torens, tegen de blauwende late middaglucht; terwijl zoo sterk als een aroom van zonvitaal leven, de china’s-appels geuren....
· · ·
Naar den Pincio toe stevenen de wandelaars, de rijtuigen, bont in strooming van kleuren. De rijtuigen met de paarden, trappelend en glad van huid en met de gecambreerde koppen, met de wirlende gele en roode spaken der wielen; in de rijtuigen de kleurige dames, de bonte kindermeiden, frisch en blozende lachende, de breede bonte linten gestoken op het zwarte haar met groote, zilveren spelden, die staan in aureool; en lachende houden zij de teêre kinderen op, de rijke-lui’s-kinderen, als pakjes witte kant....
Onder aan de viale’s en terrassen van den Pincio koepelt de groote stad. Eerst, ruim, en vlak beneden, de Piazza del Popolo, met den obelisk en de waterspuwende leeuwen, de groepen beeldhouwwerk, de granieten kolommen en de bronzen trofeeën; een lange, eenzame weg, grijzig, schiet recht weg naar St. Pieter, opwelvenden reuzenkoepel, naar de gevangenisachtige vierkantmassa van het Vaticaan, aan het eind, in de verte. Links, aan de Piazza del Popolo, de koepels harer beide kerken—Santa Maria rechts—en achter die koepels, verder en verder weg, wijkende naar de verte, de koepels en de koepels altijd, de ronde en de ovale en de plattere koepels, de zee van koepelende kerken....
En achter die kerken en koepels en torens de violetvale Campagna, terwijl de heuvelenkling met de cypressen van den Monte Mario en de pijnen van den Janiculus—parapluie-achtige boomen, klein in de verte,—den horizont stremmen....
· · ·
En rond, als een gouden bal, verblindend wie uitkijkt over de stad, hangt de zon in de wolkenlooze lucht, het transparante ether, limpidener naar het Oosten toe, wit brandende, nu ze daalt, en straks achter de daken verdwijnen zal....
· · ·
Of ... nevelen zweven over, drijvende doorzichtige vaalheden, die vullen de straten en afstompen de duizenden koepelingen, en zich in de verre perspectieven opstapelen tot meer melkachtige wezenlijkheden, als spoken, die belichamen....
· · ·
Dan is het einde.... maar hangt nog de zon, dan schittert de Pincio bont, en onder op zijn vialen, boven op zijn terrastuin, fonkelen de palmen en mimosa’s zuide-achtig in de laatste schijnsels, flonkeren de cactussen en aloës, blauwgroen met weêrflikkeringen van brons en metalen; en de herfstplatanen, vol bladeren van effen goud, klateren hunne gouden tinten aan tegen den limpiden blauwen hemel....
· · ·
Dan schittert de Pincio bont, onder zijn bonte boomen, goud en groen; en de wielen der rijtuigen, de linten en spelden der minnen, de pluimen en uniformen der muziekanten, de soutanes der seminaristen—rood, blauw, paarsch,—de pijen der monniken,—de Capucijners bruin, en wit de Benedictijners,—wirlen kaleidoscopisch door elkaâr; bont, maar klein bont, terwijl de stad zich beneden uitbreidt, koepelend en reusachtig....
Rome, Dec. ’93.
Herkomst van de tekst: de uitgave van L.J. Veen, Amsterdam. Spelling ongewijzigd.
