Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Louis Couperus · Reis-impressies · 1894

San Pietro

De zon schijnt in vol licht binnen, in de baziliek, waar de menschen nog weinig zijn: de groote baziliek, wijd en goud met de gouden stukken vierkant aan hare binnenkoepels, die in de lucht horizontale cirkels ronden, waarop weêr andere cirkels recht staan, als gouden regenbogen. Zoo buigen de cirkels zich langs elkaâr, in perspectief van segmenten en snijdende cirkelbogen, van goud.

Het licht is er egaal, koud, op al dat goud, zonder wazigheid en zonder ziel, zonder mystiek tusschen al die cirkels van overal even fel schittergoud. En koud, boven den bronzen reuzenbaldakijn van gedraaide zuilen, cirkelt de Spreuk zich in blauwe reuzenletters van mozaïek op goud:

Gij, Petrus, zijt een rots, en op dien rots zal Ik bouwen Mijne kerk en aan u zal Ik geven de sleutelen van het Rijk der Hemelen....

· · ·

Er zijn weinig menschen nog, verloren onder de gouden reuzencirkels. Hunne kleine aantallen verliezen zich, waar ze wachten, waar ze eindelijk, op de ellebogen geleund, wachten aan het hek van planken, dat een gang maakt van de kapel van het H. Sacrament, met een hoek midden de baziliek door, met een hoek naar het zijaltaar rechts.

En klein is de wachtende menigte, al telt ze duizenden, klein zwart verloren over het marmer, onder de hoog opbuigende koepelingen....

Op enkele afstanden staan de hellebaardiers, telkens twee, in de gang van planken; weinige. Flink staan ze, leunende op hunne hellebaarden, de uniform rood, geel en zwart; de broek rood wijd, waarover losse gele banden hangen tot de knie, met de nauwere hozen, geel en zwart, tot den voet in lagen schoen. De koperen stormband van den helm, die diep op de oogen rust, sluit nauw aan de onderlip.

Een oude heer, omslachtig, buigt zich over de planken balustrade en vraagt iets, in log Italiaansch, aan een van hen. Hoe Zijne Heiligheid komen zal en van waar en hoe laat.... Kort antwoordt de hellebaardier, vriendelijk toch, tot het hem eindelijk te lang duurt, en hij, korter, zegt:

—Non so questa.... non so.

De oude heer, omslachtig, bedankt den hellebaardier, bedankt hem zéer, omdat het zoo interessant is, niet waar, zoo een interessante dag....

En verlegen, niet wetende hoe te doen, lacht de groote hellebaardier even, en zegt: Si, si, en wendt zich af, verlegen.....

De menigte is wat zwarter en dichter geworden, maar dertigduizenden schijnen zij toch nog niet, die menschen aan het hek, in die reuzekerk, die zich reusachtiger uitbreidt, naarmate er meerdere komen...

Door de vrije ruimte tusschen de planken loopen af en aan kanunniken met bonte pelerines, bisschoppen, een enkele kardinaal.... Ze loopen haastig, met een slordige haast; slordig zijn hunne kleederen, vaal, goor, dof, onaanzienlijk. Dat is een bisschop en dat een kanunnik en dat is een kardinaal, wijst men elkaâr, want hen aanzien, dat ze het zijn, doet men niet. Dan heeren in rokken, met ceremoniekettingen om den hals en choorjongens, in het zwart met vuile, witte choorhemdjes; af en aan loopen ze: éen brengt er, lachende, een hoop witte hemdjes in zijn armen ergens weg, en haast zich....

De groote hellebaardier heeft het warm onder zijn drukkenden helm en ligt dien even op, met een zucht.

En men wacht. Dames, in het zwart, kanten voiles over het hoofd, zitten op vouwstoeltjes, aan het hek, te wachten. Andere dames dringen op, bonter gekleed, binocles in de hand. Hier en daar, tegen het massief vierkant der zuilen aan, ligt iemand te bidden, in vrome verliezing.

En geene emotie is in het wachten. Onder de reusachtige gouden cirkels, aan het plompe, houten hek, dat een gang maakt, is alleen een zacht dringen, een zielloos zich opstellen, om te zien....

Eindelijk. Een optocht wil zich vormen: de vuile choorjongens, lachende, giechelende, peuterende in hun neus, slecht gedrild door een pater, die geen orde houden kan.... De heeren in rok, de bisschoppen, ordeloos, wachtende op elkaâr; misschien nog anderen: een paar kardinalen. Maar men ziet niet meer, want eéne stem begint er eene lange fraze van eentonig gejuich, waarin het: Evviva il Papa-Re, opklinkt en andere stemmen, zwak, juichen meê....

En alle oogen zien met gulzigheid naar den verguld-en-glazen draagstoel, de portantina, gedragen door dragers in livereiën van gebloemd rood Utrechtsch fluweel, die aan ouderwetsche kanapé’s doen denken...

· · ·

De hellebaardiers staan recht en salueeren met de wit katoenen hand. In den draagstoel schemert zichtbaar de gezetene gestalte van den Paus, oud-tenger, in het wit, de witte kalot op de grijs-witte haren, het hoofd buigende links en rechts en de handen naar de menigte rechts en links heffende met het gebaar der zegenende vingers. Het gelaat is oud-fijn, wasbleek, van eene effene wasblankheid, zonder vele zichtbare rimpels, zonder dien van den neus om den mond heen gegroefden grijnsglimlach der portretten en platen. Want de glimlach is maar even; over het gelaat wasemt eene benevolente glimlachende zachtheid, en het oog, met diep-in gloeiende intelligente vonk, wendt overal heen zijn innigen blik, met iets van liefhebben en weemoed, over de juichende getrouwen... En navrant is dit: die Majesteit der Katholieke Kerk, toegejuicht, maar omgeven door Zijne onwaardige, onplechtige, slordige cortège: de vuile choorjongens, de gore kanunniken, de leelijke dragers, gaande tusschen de planken die een hek vormen...

· · ·

Gaande voorbij het Hoogaltaar onder den bronzen reuzenbaldakijn, met de tombe van St. Peter, waar, om rouw over het wereldlijk gezag, de mis nauw meer gelezen wordt; gaande, om rouwe, zonder wierook, de kardinalen zonder hunne slepende plechtgewaden, gaande zonder de wuivende schaduwen van veêrenwaaiers, gaande zonder al den splendeur van vroeger, toen de Heilige Vader gedragen werd tusschen een dichte haie van hellebaardiers en niet tusschen een leelijk hek van onversierde planken.

· · ·

In de kapel van het transept, rechts van het verweduwde Hoogaltaar, is de menigte der dertigduizenden opgedrongen, benauwd vol, aan weêrszijden van het hek; de menschenlucht hangt er, zoet en wee.... En in het choor zingen nu de zangers der Sixtijnsche kapel, matweg, zonder extaze....

Ontzettend wijd en hoog schijnt de kerk, achter leêg verlaten; de zijkapel eene kerk op zichzelve; de Paus niet te zien, vergeefs gezocht door binocles in weifelende handen voor reikhalzende gezichten.

Op het altaar daarginds, ver, verweg, tegen de vaag schemerende martyre van den H. Erasmus aan, niets dan een kruis en, aan weêrszijden, drie kaarsen. De priesters-ceremoniemeesters nemen er de misgewaden en gaan er meê de trappen af, om ze den Paus te bieden. En de Opperpriester verrijst eindelijk, zichtbaar nu boven de oogen der menigte, in de gouden kazuifel, de witte kalot op de witgrijze haren en voorzichtig, langzaam plechtig, doen zijne handen de gebaren, die heiligen.... Kleintjes klinkt de bel en klinkt weêr en de menigte knielt, dicht in elkaâr gedrongen....

En niet, zooals vroeger, daveren er boven den koepel bazuinen den hemel toe, en vermelden het oogenblik, dat de Hostie omhoog is gebeurd, en niets is te zien door het zwart der knielende menigte, tot de bel weêr klinkt en ze rijst....

· · ·

Het kruis en de zes kaarsen zijn weggenomen en een vergulde armstoel wordt er op de zelfde plaats, op het altaar zichtbaar. En de Paus is er nu gezeten; in de verte gaat iets om van het aanbieden van een groot, wit, vierkant plakkaat, een adres: aan beide zijden der kapel zijn de verschillende sociëteiten opgesteld, met hare vanen: op haar verzoek was het, dat Zijne Heiligheid deze mis vierde.... En er gaat, vaag, in de verte iets om van het buigen van ruggen en men raadt den voetkus; dan rijst een heer, die het adres voorleest, op zij van den Paus; met luide galmingen klinkt telkens zijne stem....

Eene vermoeidheid schijnt den Heiligen Vader neêr te breken. Het hoofd hangt diep op de borst, en heft zich, nerveus, in eens op; nerveus steunt de rechter dan het hoofd en de linker daarna, alsof het hoofd moê is en niet weet waarheen.... Dan vallen de beide armen slap en de handen hangen af van de leuningen van den gouden stoel, alsof die zwakke handen het opgeven het moede hoofd te steunen....

En groot is hierna de verwondering, als—het voorlezen geëindigd—eene resurrectie den Paus bezielt; hij zich recht heft in den zetel en antwoordt, en van zijne stem is geen klank te hooren, maar krachtig, energisch slaan de gebaren zijner gesterkte handen, slaan ze rechts, links; overtuigend knikt het grijze hoofd meê en met iedere beweging onderlijnt hij zeker wat hij zegt, in dankbare aandoening om hun aller liefde....

· · ·

En daarna wacht men, lang, eindeloos lang. Te zien is niets meer en wat er eigenlijk gebeurt is iets geheimzinnigs, iets alleen voor ingewijden.... Want de halzen rekken zich en de bincoles willen kijken, maar te vergeefs.... En men loopt in het rond door de kerk; de Pauselijke gardes ook loopen wat rond, zacht glimlachende pratende....1

Op de balustrade van het Hoogaltaar zoekt men te zitten, stijf van het lange staan.... En het wachten heeft iets, dat van streek brengt, omdat men niet meer weet hoe en waarom....

Tot eindelijk een gejuich weêrklinkt, zakdoeken en hoeden wuiven.... Nu niet in den glazen draagstoel, maar op den gouden zetel wordt de Paus teruggedragen.... En vol juichen de Evviva’s op, met een enthouziasme vol overtuiging, en eene diepe emotie siddert door allen heen, die daar juichen, als de Priester, in het wit, met den rooden mantel, die even over de knie drapeert, nadert, en de zegen over hunne hoofden neêrvalt van de twee vingers, die zich beurtelings heffen, links en rechts.... Aan een dier wassen vingers—een witte handschoen dekt de halve hand—schittert de groote ring met flonkerenden steen....

En de emotie is zoo innig waar, spontaan gevoeld, op dat oogenblik, als de dragers nog éenmaal stil houden,—voor de deur der kapel, vóór het heengaan—en de Paus zich nog éenmaal buigt, rechts en links, en voor de laatste maal de zegen neêrvalt, dat zij weenen en er een oude bedelaar, goor, bruin en bevend vuil, uitbarst in snikken, die stotteren door zijn laatsten juichklank heen....

De jongelieden der sociëteiten, die vroegen om de Mis, storten, in extaze, zich nog éénmaal naar de deuren der kapel....

Maar de Paus is verdwenen. De groote middenpoort der baziliek opent zich. Het zonlicht, het leven daar buiten, vloeit binnen....

En de menigte, zwart, zwermt uit en stroomt, als in cascades van menschen, over de trappen heen, in de piazza....

Rome, 17 Dec. ’93

1 Redevoeringen volgden. De prezidenten der verschillende Katholieke sociëteiten werden toegelaten tot den Handkus. Dames van de Romeinsche arristocratie boden een rijk verlucht perkament aan, in gouden doos.

Herkomst van de tekst: de uitgave van L.J. Veen, Amsterdam. Spelling ongewijzigd.