Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Louis Couperus · Reis-impressies · 1894

Brief uit Rome (1 van 2)

Rome, Jan. ’94.

Weet je, wat er in Rome van je gevergd wordt, als je eenigszins de pretentie wil maken Rome te kennen en Rome gezien te hebben? Ten eerste, dat je de geschiedenis—zoowel wereld- als kunsthistorie—van Romulus tot Bernini op je duim kent. Dan dat je vast bent geverseerd in Rome’s topografieën, van alle die eeuwen door, bij voorbeeld zóó, dat als je in St. Pieter komt, je oogenblikkelijk ook denkt aan het Circus van Nero en de Baziliek van Constantijn, waarop de Kathedraal als op tronen omhoog rees; dat, in het bont-moderne gewoel van den Pincio, je oogenblikkelijk ook denkt aan Messalina, die er eens hare tuinen had en orgieën vierde.... Om dit eenigszins naar eisch te kunnen doen, wordt niet alleen de historisch-topografische kennis der metropool verlangd, maar daarenboven de psychologische kennis van jezelven; namelijk: de macht om je indruk-en-stemming van het oogenblik, oogenblikkelijk ook, een bliksemvluggen retrospectieven gradenboog te laten beschrijven, die nauwkeurig aanteekent alle indrukken-en-stemmingen, welke je ondervindt bij dien Schwung van Nero tot Leo XIII en van Messalina tot de nou-nou’s met kleurige linten.... Zoodra je dus voet buiten de poort van je hôtel zet, geef je je vooral niet over aan een indruk van het moment—aan de charme der uniek transparante lucht, waartegen de kerken aankoepelen, de citroenen goud stippelen, de verminkte zuilen hare weemoedige majesteit strak zetten—maar oogenblikkelijk stel je je voor—van Romulus af—hoe die straat van je hôtel vroeger was, en welke ruïnes en statuen onder je voetstap begraven kunnen liggen.... En terwijl je gaat, moet de retrospectieve gradenboog dat alles in je geest aanteekenen en juist, alsjeblief.

Dus vooral dit: geen charme van het oogenblik. Heb je hieraan behoefte, ga dan overal heen, maar niet naar Rome. Lees er Ouida’s Ariadne nog eens op na; dan zal je zien hoe het behoort. Gioia en Crispin en Hilarion—uit dat boek, dat me, toen ik vijftien was, in extaze bracht!—en nu? Helaas... —ze zijn allen heel ver in die kunst van retrospectief genieten en als Crispin in een stalletje van het Ghetto een oud stuk brokaat ziet, denkt hij oogenblikkelijk aan Vittoria Colonna, die dat wel zoû kunnen gedragen hebben. Zoo behoort het als men eenigszins Rome wil bestudeeren, ook al bestaat het Ghetto niet meer.

Heb je nu deze historische, aesthetische en psychologische kennis verkregen, ga dan dravende zien, ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds met maanlicht, want de tijd schiet je anders te kort. Hoû je niet op met eigen opinies te willen verzamelen, want die zijn overbodig en je kan veel vlugger en praktischer een aardige bloemlezing maken uit Baedekers Guide, Hare’s Walks, en uit romantischer lectuur als Ouida’s Ariadne, Bulwers Rienzi, Hawthorne’s Transformation, Frances Elliots Diary of an idle woman, Taine’s Voyage en Bourgets Cosmopolis. Lees die werken aan je lunch en diner; dit is zeer Engelsch: op andere uren heb je er geen tijd voor. Trouwens het eenvoudigste is àlles mooi te vinden: je kan dat doen in meerdere of mindere mate: raadpleeg je gradenboog. Blijf dan zien—sight-seeing, zooals de aesthetische term luidt der duizende Engelsche dames, die in stroomen van korte rokken over Rome heen cascadeeren—blijf dan zien, herhaal ik, gedurende tien winters—’s zomers mag je weg, maar het is een algemeen erkende waarheid, dat tien winters vereischt worden. En na den tienden winter mag je, met niet te veel zelfbewustheid, verklaren: gestudeerd te hebben aan de Hoogeschool der Wereld en iets van Rome te kennen....

· · ·

Ik wil wel, nederig, bekennen, dat mijne aspiraties niet zoo ver gaan. Ik schaam me wel een beetje, maar ik woon ook niet, als Crispin, aan de Ponte Sisto, maar in een heel banaal hôtel in een leelijke buurt. Een heele leelijke buurt, want wie van Ouida’s helden zoû zoo barbaarsch kunnen zijn om te wonen in het nieuwe Quartiere Ludovisi, tusschen de banale hooge-huizen-straten, die eerst de vroegere Ludovisi-tuinen geruïneerd hebben en daarna eenige speculeerende Romeinsche bankiers. Ik schaam mij ook, dat ik er woon, maar voel me eenigszins gedekt door twee Russische dames, die hier ook wonen en wier eenige levensdoel is: verborgen en overkalkte fresco’s van Andrea del Sarto op te speuren. De eene is weemoedig mooi, en ziet er uit alsof dat levensdoel ook maar een pis-aller is. Dan ben ik blij, dat ik uitzie op een palmboom, een stuk balustrade—helaas, niet antiek—van het Casino della Aurora, en op dat Casino zelve. Toch is dit Casino een onwrikbaar verwijt, dat altijd voor mijn oogen staat, een verwijt aan mijne luiheid, want er is een plafond te bewonderen van Guercino:—de Dageraad, die het Casino zijn naam gaf. Maar die bewondering wordt alleen geduld vóor negen uur ’s morgens, en te bewonderen vóor negen uur is mij altijd onmogelijk geweest! En nu kan ik zelfs niet verklaren, dat ik toch Guido Reni’s veel meer beroemden Dageraad zag in het Palazzo Rospigliosi, want de prins is in Parijs en houdt dien Dageraad achter slot en grendel! Iets, dat mij zeer teleurstelt en mijne begrippen van logica verwart, want zoo ik de prins was, zoû ik juist mijn Dageraad publiek maken àls ik in Parijs was, om er, in Rome, ieder moment van mijn gril zelve van te kunnen genieten. Logischer vind ik dan den eigenaar van het Casino, die alleen zijn plafond laat zien, als hijzelve nog in bed ligt....

Vlak bij mij, ook in deze leelijke buurt, is het brandnieuwe Palazzo Piombino. De prinsen van Piombino zijn, door successie, eigenaars geworden van Ludovisi—de vroegere mooie tuinen van Le Nôtre—en hebben die tuinen, die nu een ieder betreurt, verkocht als bouwgrond. Zij bouwden er zich ook hun nieuw paleis, waarvan een architect mij vertelde, dat de verhouding van glas en steen zoo goed was, maar dat ik toch heel leelijk vind, ten eerste: omdàt het geen kleur heeft, dan die zijner nieuwheid, en ten tweede: omdàt het nieuw is, want een paleis moet oud zijn, evenals adel, als het iets beduiden wil. Op de rez-de-chaussée van dit groote blok is in drie of vier kleine zalen met hideuze plafondschilderingen de beroemde collectie antieken Ludovisi-Buoncompagni samengeplakt. Arme collectie Ludovisi! Men behoeft u niet vroeger gezien te hebben, om u nu te beklagen, zooals ge op een zuinigje geherbergd zijt. Arme, arme Juno Ludovisi! Uwe majestueuze, olympische schoonheid, noch uwe wereldglorie heeft uw nieuwen meester ten minste zóo kunnen roeren, dat hij ten minste ú met verschuldigden eerbied behandelde en u uw eigen zaal gaf, en een achtergrond van donker fluweel, en een edel licht. Want ge leert wèl het communisme van onze dagen kennen, met zoovele marmers samen, en koud, vaal valt een brutaal schijnsel op uwe godinnemajesteit, tusschen die stijllooze nieuwe muren en die leelijke plafonds...

· · ·

Mij laat Rome denken aan eene harde, strenge, oude vrouw, met een strak gezicht vol rimpels, koude grijze oogen, energieke dunne lippen en groote, sterke handen; eene vrouw, die geleden heeft, maar wie men niet aanziet den weemoed van hare smart; eene vrouw, die steeds haar leed weêr heeft afgeschud met sterke zenuwen en onknakbare vitaliteit. Eene vrouw, die zoo is oud geworden, heel oud, en u leert: blijf niet neêrzitten en treuren, het verleden heeft afgedaan en het leven gaat altijd voort, tot in het oneindige; spiegel u aan mij en schep geen behagen in uwe melancholie: dat is ziekelijkheid. Ge behoeft niet te vergeten, maar heb geene emotie meer bij wat ge u herinnert; iedere volgende seconde brengt u de toekomst nader en ge behoort aan de toekomst, want al het andere, zie, is niets meer dan asch en stof en scherf en ruïne....

En in hare harde levenskracht schijnt ze te vergeten, dat scherf en ruïne schoonheid kunnen zijn, en dat de ziel van die schoonheid toch blijft: de weemoed van hun verleden... Want die weemoed roert haar niet en tusschen hare ruïnes bouwde zij zich weêr op en wat er van hare ruïnes overbleef, gebruikte zij soms praktisch: hare tempels werden kerken, uit wat zij overhield aan antiek marmer trok zij nieuwe paleizen omhoog.... Tot op onzen modernen tijd toe is zij vitaal gebleven, en dit vitale heeft iets onsympathieks, iets hards, iets, dat afweert en geene innigheid verlangt en geene weekheid dulden kan, en strak blijft zien, met droge oogen. Iedere stad heeft hare eigene fyzionomie en zooals Florence haar glimlach heeft van bekendheid voor mij, hare sympathieke weêr-en-weêr-aantrekkelijkheid, alsof ze mij terugziet na eeuwen, alsof ik vroeger geademd in haar heb met een ander leven, zoo heeft Rome altijd en overal dat onhartelijk-krachtige, verwijtende mij mijne zwakheid....

Het liefst heb ik haar dan ook, daar waar ze niet vitaal was, niet weêr bouwde op hare vroegere fondamenten, afbrokkelde in ruïnes, het liefst in het Forum en het Colosseum, den Palatijn en de Baden van Caracalla. Ook al staat er veel moderns omheen, het Forum, het Colosseum, en de Palatijn vormen een geheel van ruïnes, eene doodenstad op zichzelve en gemakkelijk is er het verleden op te trekken, in eene illuzie van zuilen en bogen, paleizen en tempels... Maar ook zonder illuzie hebben die ruïnes charme. Al heeft het Tabularium zijne elegante façade van bogen met beeldengalerij daarboven verloren en is het omhoog getrokken als de achterzijde van het Kapitool, de drie zuilen van den tempel van Vespazianus, de achtzuilige façade van dien van Saturnus staan als hooge poëzie in hunne verminktheid met vermorzelde kapiteelen en stukken kroonlijst, waarop de inscripties als afgescheurd schijnen, en de eereboog van Septimus Severus, over het antieke plaveisel van de Via Sacra heen, behield nog veel grandeur der Romeinsche keizer-eind’eeuwschheid over. En waar kan men dien grandeur beter nog overleven dan in de titanische ruïne van het Colosseum, dien cirkelbouw van bogen op bogen op bogen; of in de verbrokkelde paleizen van Caligula en Tiberius en Augustus, of in de reuzentermen van Caracalla, waar zich het emplacement nog uitlijnt en opboogt van een weelde, die al onze nieuwe luxe miniem en kinderachtig maakt?

Nergens meer dan in die ongelooflijke termen verrijst de fantasmagorie eener sublime decadence in duidelijker ommetrek: de hallen van marmer en porfier, van zilvergegreind wit en wijnkleurig rood, de vloeren in elaboraat mozaïek, dat het lichaam der gladiatoren in elke beweging van zijn spierleven toont1; de kolossale zwembassins onder de blauwte van de open lucht; beelden overal en reuzencoupe’s en men ziet er de baders, de decadenten, die, eens in de termen, den heelen dag er hangen, zeven malen zich baden met hoogst gecompliceerd gebruik van zalf en van geuren, geënerveerd dan en gebroken door de massage hunner slaven wat epicuristiek gaan cauzeeren met de filozofen, die in den bibliotheek boven lezen, of, lui, uit de loges zien naar de worstelaars in de palestra, of in het stadium de courses een oogenblik bijwonen als de keizer gekomen is; Caracalla, met den breeden zinnelijken type-kop: laag fronsvoorhoofd, diepe gluuroogen, kort kroeshaar, de neus snuivend, de mond dik sensueel, zooals men hem nu nog ziet in het Vaticaan en ziet in het Kapitool; of Heliogabalus, de zonnepriester van Emeze, die zóo vrouweschoon was, dat de soldaten, zoodra ze hem in den tempel zagen, verliefd riepen tot keizer, en vooruit zonden naar Rome zijne wonderbeeltenis....

· · ·

Misschien treffen ons, latelingen van deze eeuw, de ruïne’s dezer baden zoozeer, omdat wij er in loopen, met een glimlach, die begrijpt het luxe-leven van die baders, en wij, medelijdend met onszelve, zeggen, dat onze decadence toch grandeur mist; omdat in onze wereld zulke termen niet meer te vinden zijn, omdat ónze eind’eeuwschheid, in die termen geanalyzeerd, slap wordt en zeurig, voor een goedkoopje en vervelend en mesquin....

· · ·

Het eenige antieke gebouw van Rome, geheel intact, is het sublime Pantheon—S. Maria Rotonda nu. De muren staan als onverdelgbaar, al zijn ook de kapiteelen en architraven als met hamers vernield, geheele stukken marmer er uit neêr gemokerd, tot het schijnt alsof gapende wonden aan dat bovenbeeldhouwwerk gevreten hebben en er nog reuzenlitteekens graven. Van binnen maakt de welving—de eenvoudige enkele welving, met het ronde oog, waardoor de hemel kijkt—op mij dien lichten schrik van schoonheid, die even adem beneemt en dien zelfs St. Pieters binnenkoepel mij niet geven kan. En de essence der schoonheid van die eenvoudige rondte is verder vooral deze gedachte, dat men den antieken tempel zuiver overhoudt, als men de katholieke altaren in de nissen rondom er uit wegdenkt...

19 Januari is de sterfdag van Victor Emmanuel, wiens overschot daar rust in een sarcofaag, tusschen twee zuilen rechts van het hoogaltaar. Een lijkmis wordt dan in den morgen gehouden, maar een naïve vreemdeling, die meent, dat de koning en de koningin minstens bij deze gelegenheid ceremonieel in eene kerk verschijnen zouden, bedriegt zich en staat op nieuw voor het gecompliceerde raadsel, dat de verhouding vraagt tusschen Vaticaan en Quirinaal. Hunne Majesteiten, vertelde mij een officier, hadden slechts de generale repetitie bijgewoond, ik meen in het Palazzo Doria-Pamphili. Hierbij wil ik nog even voegen, dat de koningin zeer devoot is, gecanonizeerden en gebeatifieerden in hare familie telt, en, naar men zegt, iederen morgen incognito de vroegmis bijwoont in de kerk van hare paroisse bij het koninklijk paleis....

Aanwezig bij dien lijkdienst waren toch Militaire en Civiele Huizen van beide Majesteiten, het corps diplomatique, en alle militaire en civiele autoriteiten. Een betrekkelijk kleine ruimte bleef over voor andere invités, voor het meerendeel de kolonie der vreemdelingen, met het onmisbaar rijkelijke Britsche contingent. Vreemd doet het ons, rigide Noordelingen, aan, hoe gul de Italianen met etiquette omspringen. Op de invitatiekaarten stond voorgeschreven: rouwkleeding voor dames en heeren beiden. Onze Minister-Rezident had daarenboven, bij het toezenden der invitatiekaarten, ons hierop in zijn brief attent gemaakt, zoodat, zoowel mijne dames als ik, er eenvoudig niet anders over dachten dan te gaan in het zwart. Maar jawel; al waren de heeren over het algemeen in rok en witte das, rissen dames vloeiden binnen in de meest kaleidoscopische kleurenmengelingen... Ik moet eerlijk zijn om te bekennen, dat zij niet allen Engelschen waren, maar ook Italiaansche vele. Het scheen, dat het onderschrift op de kaarten alleen een beleefd verzoek inhield, dat naar keuze kon ingewilligd worden of niet....

Na de onplechtige, Pauselijke ceremonie, die wij in December in St. Pieter bijwoonden, trof mij zeer wat wij in het Pantheon zagen, vooral zágen. Want de muziek, door een krachtig luid choor gezongen van jongens-sopranen en bassen, was mij te veel als het ensemble of de finale van een opera en het Kyrie Eleison, dat telkens en telkens over het doffe bommen der trommen en den zilverslag der bazuinen uitgedaverd werd, scheen niet gezongen in toon met de smeekbeê der woorden. Maar misschien vereischte een lijkzang voor een vorst, zoo krachtig als Victor-Emmanuel, ook niet al te teêre klanken....

Vooral heel schoon in zijne funèbre harmonie was de decoratie der kerk, donker gehouden, omdat het oog van boven—het eenige licht—gesloten was en het maar schemerde van de tallooze kaarsen der groote kandelabres, om de eere-katafalk, die, in het midden der kerkruimte, zeer hoog oprees. Dan, op alle hoogten, hier en daar de vlammende urnen; soms bluschten ze half uit, en daarna, door een tocht, flikkerden ze weêr op met groote tongen. Over den ingang, achter de katafalk, het hoogaltaar, waar de hofkapelaan officieerde; kurassiers, stil-stijf en harnas-blinkend, op de treden; er achter, in de koorzetels, de litanieën murmelende kanunniken, in de hand lange kaarsen, die hen half verlichtten in het schaduwduister en hunne witte bonten pelerines deden opvlakken als stukken blanke sneeuw.... Links dan, in een estrade, de zangers en het orchest en rechts het mauzoleum: de sarcofaag tusschen de twee zuilen, met twee kandelabres er voor, van den antieken vorm, en waaruit hooge vlammen opkronkelden....

· · ·

Ik herinner mij, den eersten keer, dat wij in het Pantheon kwamen—de eenvoudige, welvende ruimte toen—den veteraan met zijne medailles, die waakte bij het graf, en de twee soldaten, die er, in een boek, hunne namen schreven, met ernstige gezichten, vol van de aandoening dat graf te zien, en ernstig elkaâr vroegen, of ze ook den naam van hun dorp, hun paese, zouden zetten, en, langzaam, toen besloten van ja, en ik kan niet zeggen, waarom mij dit roerde: dat ze den naam van dat plaatsje met groote langzame letters schreven: misschien alleen om den simpelen eenvoud van dat feit en misschien wel om de onbeduidendheid ervan.

· · ·

Ik voel mij beschaamd, dat ik dit herinneringetje vermeld. Want Rome is de stad niet voor zulke kleine dingen en Rome is de stad van het ruime, het geweldige en ontzaglijke.... Een oogenblik herinner ik mij wel vreemd, dat het Forum toch zoo klein was, voor het compacte leven, dat er in de oudheid geleefd werd, tusschen de bazilieken en tempels, die er op elkaâr drongen... Maar die herinnering duurt niet lang, want dadelijk doemt op de Palatijn, een berg van nièt dan paleizen; het Colosseum, waarin zeeslagen gemimeerd werden; en ik zie de huizingen van den ouden adel: Doria en Colonna en Farnese; ik zie het oude Pauselijke paleis van het Lateraan in al de wijdte van wat nu muzeumzalen zijn, en eindelijk zie ik ook, als altijd, St. Pieter en het Vaticaan, de Pauselijke stad op zichzelve.... En al die lijnen strekken zich uit als met horizonten van architectuur en koepels als regenbogen, duizelingwekkend bij de gedachte aan wat menschen konden doen...

Men zoû het Michelangelo niet aanzien, dat hij een der heroën was, die deze wereld van het kolossale schiepen. Zijne portretten en bustes in de Uffizie en de Casa Buonarotti te Florence geven hem niet als een titan, maar meer met het burgerlijke type van een misantropischen timmerman. Maar portretten en bustes bedriegen en voor Michelangelo is het woord der conventie altijd: titanisch geweest, en blijft dat woord ook de eerste spontane uiting, van wat ieder bij zijne scheppingen voelt....

En toch... na die eerste overweldiging, rijst een twijfel op en een vraag. Wat is het gevoel, dat ons déconcerteert in de Sixtijnsche kapel? Is het waarlijk de openbaring van een onmacht? Maar zoo dit onmacht is, is het de onmacht van het genie, de onmacht van het te vergeefs willen naar het empyreum van het állerhoogste, naar dat supreme en alomvattende, dat voor de menigte in wolk versluierd blijft en dat de hoogste ziel dan toch gezien heeft in een vizioen van bovenaardschheid: een onmacht, die tragisch is en dieper roert dan de gladde perfectie van welk klein talent ook. Want in die onmacht is de moed, en moed is meer dan kracht, omdat moed ziel is en kracht feit: moed de gedachte en kracht het middel slechts tot de daad....

Ik kan, wat de meeste der kunstbeschrijvers doen, in de Sixtijnsche kapel niet juist dàt zien: de eenheid, de volmaaktheid der eindconceptie van het geheel. In de Sixtijnsche kapel zie ik eerst: het Laatste Oordeel, de reusachtige altaarfresco: een gewriemel van alle even zwaar gespierde ledematen in een somber, door den adem van eeuwen geëmbrouilleerd koloriet. Heel boven meen ik in een machtige figuur, die mij bliksemend treft, God te zien of minstens Jezus, maar ik vergis mij:2 het is maar de profeet Jonas... En nu eerst ziet de blik, die zakt, den Oppersten Rechter, in een geagiteerde houding, die ik niet begrijp...

Nu zoek ik ook het plafond boven mij; spiegels worden gereikt en gelukkig, want eenigszins lang naar boven te zien met verwrongen nekspieren is ondoenlijk in het genieten van schoonheid...

Herkomst van de tekst: de uitgave van L.J. Veen, Amsterdam. Spelling ongewijzigd.