Louis Couperus · Reis-impressies · 1894
Brief uit Rome (2 van 2)
Waarom toch al die meest supreme kunst voor plafonds, waar wat arabesken voldoende zouden zijn?
En ik zie geen geheel. Ik zie een mozaïek van fresco’s in de lucht, die elkaâr vierkant opvolgen: het zijn grootere en kleinere middenstukken, ingesloten door een elaborate architectuur en sculptuur van geschilderde zuilstukken en engeltjes. Hoe Michelangelo die geschilderde architectuur en sculptuur concepieeren kon, is mij iets raadselachtigs. In die middenstukken zijn de tafereelen van de Schepping en den Zondvloed, en op de vierkante piedestallen der zuilstukken zitten, in houdingen, die elkaâr nieeren, telkens vier figuren, engelen of genieën.
Dit is reeds veel, reeds duizelingwekkend van idee en elaboraat van opstelling, maar het is niet alles... Want wat de kleinere middenstukken kleiner zijn dan de grootere, zijn ze opgevuld met medaille-achtige medaillons.
En vooral: waar het langwerpige plafond zich aan weêrszijden welft, zitten, onder de kleinere middenstukken, de machtige Profeten en Sibyllen; daartusschen, in ogivale bogen, figureeren de minder vooruitkomende Voorouders van den Heiland, met, op zij nog, kleinere bruinige figuren...
Beken, dat het u duizelt. Beken, dat het te veel is, voor een plafond, te veel vooral, omdat de reusachtige Sibyllen en Profeten de figuren der ontzettende wereldhistoriën op een tweeden grond dringen en zelve toch niet schijnen te kunnen ademen, evenmin als de genieën schijnen te kunnen zitten op hunne nauwe stukken piedestal...
Maar nu ook zie ik plotseling, duidelijker en duidelijker, dat alles op zichzelve, trots dit gemis aan atmosfeer, van een ongedroomde heroïsche schoonheid wordt, die bliksemend en weêr bliksemend treft....
En dat het geen onmacht was van den schepper, want dat hij kòn, maar dat hij te veel schiep in eene te kleine ruimte, te veel leven riep op een te kleine oppervlakte: het plafond en den altaarmuur van een kapel...
En een verlangen rijst op om ieder dier figuren alleen te zien, telkens afgezonderd van al de anderen....
· · ·
Ik herinner mij, in Florence, in de Academia delle Belle Arti, den Eterno Padre van Carlo Dolci. Toen ik dat stuk voor de eerste maal in het oog kreeg, naderde ik het met een glimlach, maar bleef er toch lang op staren. Een jong, week, weemoedig gelaat, met lange blonde haren, met oogen vol van een onuitsprekelijke melancholie, een gelaat als een bloem, smartdroomend ziende uit het licht van eigen goddelijkheid, de blauwe en roode draperie vastgehouden door een stralend juweel en de handen—de kleine, zwakke, mooie vrouwenhanden, die nooit een wereld konden scheppen—in een vaag gebaar bewogen... Neen, dat was geen Eterno Padre, dat was nauwlijks zijn Zoon, dat was zelfs geen Heilige, die naar martyre smachtte; dat was een mensch, een kind, een zwak kind, op den goddelijken troon verheven, en er niet voor geschapen, en niet wetende hoe en wat, en vol melancholie, over het lot, dat hem God maakte, Vader van het Heelal, Eterno Padre...
En toch, dit juist was de innige charme van die schilderij, die absolute menschen boos maakt en die absolute menschen minachten. Het was de charme, de teeder melancholieke charme, van het zwakke, dat geroepen wordt tot den plicht van het allerhoogste, de charme, die ons, op aarde, roert in een kind, dat een kroon draagt... En zeg me nu niet: die Eterno Padre van Carlo Dolci is geen God: ik zie dat wel en ik weet dat wel. Maar ook zie ik, dat uit die bloem van blonde kleur en zachten glans, die Carlo zijn Eterno Padre noemde, geheel het karakter van den schilder trilt, ten minste zooals ik dat karakter zie...
Want meer doen wij niet en wij bedriegen ons altijd...
En dit verhoogt oneindig de charme van de absolute schoonheid eener schilderij: er den schilder in te zien, zooals ik Fra Angelico in zijne fresco’s zie van San Marco en Carlo Dolci in zijn Eterno Padre en Michelangelo in den Zijnen...
· · ·
In den Zijnen... De immense macht, de kolossaalste kracht, die zich ooit de menschen droomden: de God, die schept. De God, die uit den chaos in zeeën van glans opzweeft en is en duisternis scheidt van licht, met éen gebaar van openspreidende armen, en uit kolken van warrelend licht de zon rondt en ze slingert waar ze nu eeuwig staan zal, en de maan dan slingert en dichter dan zweeft en oproept en verdeelt, alles slechts met éen gebaar: het water hier, het land daar, de planten en de dieren...
De God, met den machtigen frons van scheppingsgedachte, die troont op zijn voorhoofd, met de oogen, die vèr zien door het opdoemende heelal, en die, terwijl zijn engelen zich dringen tegen hem aan en zich verschuilen in zijn opblazenden mantel en zich dekken de oogen voor het licht, dat geboren wordt—de machtige armen uitzwaait en met den vinger de zon haar punt wijst hier en de maan hare baan, daarginds...
De God, dien daarna eene intimere, mysterieuze gedachte bezielt, een ondoorgrondelijke droom, en schept den mensch, Adam; zijn fronsvoorhoofd heeft zich vereffend; iets teederders verzacht zijn blik, en gedragen door zijne engelen, die hijzelve weêr in zijne armen draagt of ze schuilen laat in zijn welvenden mantel, strekt hij een arm uit en roept, met voorzichtigen wijsvinger, den mensch op, zijn speelding, dat hij liefheeft, en Adam is, half liggende nog, gemodeleerd in ledematen van mooiste, jonge kracht, de laatste wezenloosheid nog schemerende in zijne oogen en den arm, hij ook, strekkende naar den Schepper als om aan te roeren diens vinger met zijn vinger ook...
De God, die daarna is neêrgedaald in het menschenparadijs, dat hij maakte en er niet meer zweeft, maar staat en, terwijl Adam slaapt, er Eva schept uit zijne zijde, Eva, die men er ziet rijzen uit hare geboorte met dat volschoone gebaar van opstaan uit het niet, dat gebaar van wording, de knieën nog even gebogen, de schuchterheid nog in haren oprichtenden rug, de handen gevouwen, als in eerbied of in dankbaarheid...
· · ·
Ik zie Michelangelo in die ontzettende creaties, ik zie hem ook in de Profeten en in de oude, subliem machtig denkende Sibyllen, met die sombere oogen, die vooruit zien in hare afwachting der langzaam ontsluierende toekomsten; maar ik zie Rafaël nooit als een omlijnd karakter uit zijne kunst oprijzen. Of liever, ik zie hem nu eens zoo, en dan weêr eens anders, met de wisselingen van eene lenige plooibaarheid, met de schitterreflets van eene ziel, die zich geeft zooals het op het oogenblik het beste is, zich schikkende naar de pauselijke opdrachten en toch zich niet geheel en al schikkende en eindelijk met eene glimlachende insinuatie kronkelend tusschen alles door en gevende wat hem goed dunkt....
Uit zijne fresco’s, maar vooral uit zijne titanensculptuur, komt het karakter van Michelangelo, die met Paus Julius II meer vocht—over de détails der Sixtijnsche kapel—dan dat hij de knie voor hem boog, als gespierd marmer zelve voor ons uit, maar Rafaël blijft altijd indécis en gecompliceerd beide....
Zie hem te Milaan in zijne Sposalizio, te Florence in zijne madonna’s en portretten, te Rome in zijne Stanza’s of Loggia’s, of arrazzi; in de Farnesina of in de Sibyllen van S. Maria della Pace of in de Transfiguratie van het Vaticaan; en het zijn karakterwisselingen en -schitteringen als van steeds andere facetten, in steeds andere lichten, en niet alleen te verklaren door de drie periodes, waarin men zijn schilderleven onderscheidt. Hoog sympathiek zijn al die wisselingen mij niet, want ik zie altijd in Rafaël iets van een genialen faiseur: een artist, die heel veel en gemakkelijk kan, en alles glimlachend doet en beminnelijk. Ik heb hooger achting voor Michelangelo, met zijn streven naar het onmogelijke en zijn vechten met het marmer; ik zie in geen enkel kunstenaar zóoveel menschelijks en heroïsch samen. Maar de Sposalizio is mij minder waard dan welke schilderij ook van Perugino, dan welk stukje kunst, die heilige kunst van Perugino—al was hij zelve ook niet zoo heel heilig—omdat imitatie van manier, hoe perfect ook, toch altijd secondair blijft. Hoog bekoren mij het magistrale portret van Julius II, in de Uffizie, en de glanzig kuische en goudschoone Madonna del Gran-Duca in het Palazzo Pitti, maar in de Madonna del Cardinello vind ik het Jezuskind bepaald dik-leelijk en den voet, die op den voet der moeder staat, niet minder dan wanstaltig, en de Madonna della Sedia houdt telkens en telkens iets prenterigs voor mij, tegelijk met iets ra-terre-’s....
· · ·
De goddelijke glorie van Rome zijn al hare antieke marmers: de weêrgalooze muzeums in het Vaticaan: Pio-Clementino, Chiaramonti en de Braccio Nuovo, waar allen zoo heerlijk ruim staan, alsof de eigen atmosfeer dier nu verminkte en ontheiligde goden nog om hen heen waait, en bij deze unieke verzamelingen sluiten zich de collecties aan van het Kapitool, van het Lateraan, van Borghese, van Ludovisi en van de Termen van Diocletianus....
In Pio-Clementino het eerst de zaal van het Grieksche Kruis: de antieke mozaïeken op den vloer; de kolossale zacht gespikkelde en purperende porfieren sarcofagen van de moeder en dochter van Constantijn den Groote, en vooral de aanbiddelijke Afrodite, naar die van Knidos van Praxiteles, met hare oogen van innigheid, en haar glimlach van innigheid, met hare zacht goddelijke lieftalligheid, die dichter tot ons menschen nadert dan de hoogere majesteit der Venus van Milo. Al heeft men ook hare benedenvormen verborgen achter eene barbaarsche draperie van geslagen ijzer, dat wit is gemaakt, zij is nog schoon, zoo innig, lief mooi nog, dat men haar schijnt te mogen aanbidden van heel dichtbij, zonder profanatie van hare goddelijke essence, en bij die innige mooiheid schijnt de Mediceïsche Venus—in de Tribuna te Florence—geaffecteerd en pretentieus...
En nu verder te gaan wordt louter genot voor de ziel, die zich vol gebeeldhouwde impressie’s opstapelt.... In de Rotonda, in het midden, de porfieren reuzencoupe uit de termen van Diocletianus; ginds de Juno Barberini, maar zij roert me niet zeer; ze lijkt te veel op de jonge prinsessen van Wales.... Maar dan, naast haar, Antinoüs, zijne buste alleen, zijn kop van schoonheid en vol raadsel.... De nek jong krachtig en geserreerd; het gelaat beeldschoon Grieksch, de haren laag tot op het voorhoofd, in rechte krullen dan vallende achter.... En de oogen, de oogen vol weemoed, vol raadsel, vol vragen aan het leven: waarom die smart, omdat ik mooi ben; die oogen vol peinzens over het onoplosbare; die mijmerblik, waarin geheel de sfinx schijnt weg te schuilen; die straal van levend marmer!
Naast hem, tevens aan de voeten van den goudbronzen Herkules, de kop van Adrianus, maar niet zoo treffend en te veel als opgemaakt, te netjes, en uit zijne oogen de antwoordblik niet op dien van mijn Antinoüs....
Maar dan nog eens hij, wiens schoonheid zijne essence was, de essence van zijn leed en zijn geluk: Antinoüs, vergood, verheerlijkt door zijn keizer na zijn dood, als Bacchos, gekranst, den tursos in zijn hand....
En op die menschelijkheid, tragedie van twee zielen, blikt neêr de Zeus Otricoli, als in een al begrijpend, olympisch medelijden....
· · ·
In de Galleria delle Statue treft mij het meest de verminkte Eros naar Praxiteles, zonder armen en zonder beenen, en daarom zoo pijnlijk, zoo armoedig, als eene gemartyrizeerde godheid, maar zijn kop is intact, het haar wat opgebonden in een strik op het hoofd van voren.... Eene onuitsprekelijke peinzing in de neêrkijkende oogen, waarin bijna iets trilt van wroeging, omdat hij de liefde is en het leed geeft aan de arme menschen; en dan tevens dat aanbiddelijk noodlottige van geheel zijn armelijk verminkt wezen, alsof hij stil fluistert: ik kan niet anders en ik moet zoo: vergeef me.... En zijne ziel, de zoete ziel van dat stuk marmer is zoo iets zoets, zoo iets diep-in levends, dat mijne oogen vochtig worden, als ik hare openbaring opmerk, en dat ik hem zoû willen troosten, en hem zeggen: het leed, dat je geeft: het is het geluk, en de arme menschen, ze willen het niet missen, nooit....
· · ·
Het is heerlijk daar te dwalen, en hoe langer men dwaalt, hoe levender de marmers worden, in hunne atmosfeer, tegen hunne purperende achtergronden, met hier en daar de prachtige baden van zwaar, rood-geaderd albast, en de zetels en coupes van rosso antico, en de marmeren bas-reliefs tegen de muur.
· · ·
In de vier kabinetten van het Belvedere, de Laöcoon, de Apollo, de Mercurius en de Perseus en Vuistvechters van Canova.... De Laöcoon heeft mij niet zoo machtig geroerd, misschien omdat ik in een beeld meer getroffen wil worden door eene psychische stemming, dan door eene te dramatische activiteit, die de bekoring van het stille marmer voor mij te veel tourmenteert.... Van den Apollo verwachtte ik ook geen ontroering, omdat de blik er op zoo geënerveerd is geworden door duizenden slechte copies, en toch de Apollo zelve is van eene hoog geïnspireerde uitdrukking, waarvan de apotheoze straalt uit zijne oogen; zijne vormen echter hebben iets schraals en gewild elegants....
Canova is in zijne Vuistvechters van eene kracht, die verbaast als men hem zich herinnert in al zijne teederheid. De vormen der twee kolossale gladiatoren zijn van de grofste gespierdheid en blijven toch schoon, maar het is de schoonheid van twee prachtige beesten, zonder ziel.... Het is de massieve schoonheid van enkel forsche mannenkracht in het geweldigste van hunne viriliteit; de gezichten fronsend als woedende beestenkoppen, met woedend vlammende oogen en spalkende neusgaten, die snuiven... Onwrikbaar staan ze beiden geplant op hunne zware voeten, waarvan de groote teenen zich sterk uitdrukken tegen den grond aan; de een getast op zichzelven in de concentratie van alle zijne spiermassa’s, waarvan zijn rug, zijne armen en beenen tot springens-uit-elkaâr schijnen op te zwellen. Hij staat in de massieve houding van die een sprong wil doen, de armen aan het lijf, de omzwachtelde handen met vingers aan elkaâr, reeds uitgestoken, als om beet te pakken zijn vijand, onder de armen...
En de ander, geheel naar boven opgerekt, ook straf op de beenen, de sterke voeten gegroeid aan den grond van louter kracht, zwaait den eenen arm omhoog tot zijn mokerslag, die af zal weren, en de vierkante vingers van zijn andere vuist drukken zich in elkaâr van stierenwoede...
En vreemd tusschen hen beiden, contrast, op den achtergrond, heft, etherischer strijder, de slanke Perseus een Meduzakop omhoog...
· · ·
Maar van het Belvedere is de Hermes de hoogste schoonheid. Vroeger werd hij een Antinoüs genoemd, maar al de Antinoüskoppen vertoonen de zelfde gelijkenis als fotografisch, en deze Hermes heeft het echte Hermessengelaat, zooals de ideale Hermes van Praxiteles het ook heeft: het smalle proëminente voorhoofd van fijn verstand, de eigenaardige oogen van intelligentie en intelligentie vooral de essence zijner schoonheid. En die schoonheid is zoo wonder, zoo louter, dat zij onuitsprekelijk wordt en de woorden gaan bezwijmen bij zijn aanblik en men slechts in stilte bewondert, omdat alle woorden vaal zouden klinken bij de zijne, als hij de schoone lippen openen ging en zeggen zoû zijne eigene woorden, van goddelijk vernuft...
· · ·
Langs den kolossalen Herkulestors door het Chiaramonti-muzeum, maar hoe schitterende marmers de lange galerij ook verzamelt, men is er een weinig moê na al het hoogschoone van zoo even.... Ik herinner mij er toch vele:
Een Eros, die zijn boog spant, in eene losse houding van mikken; een Niobide, alleen romp, geen hoofd en geene voeten en toch vol vlucht in de loopende beenen, die gedrapeerd zijn, en zoovele interessante archaïsche stukken... Toch is het een rust er wat vlugger door te loopen, naar den Braccio Nuovo, en daar, tergend ver en toch treffend dadelijk, schittert de Apoxuomenos van Lusippos me toe. En ik moet altijd eerst naar hem, zonder links of rechts te zien... En toch, daar staan de keizerlijke Augustus, een typische Domitianus met een laagwreeden kop; de Dorufoor, de Canon van Polukleitos, copie natuurlijk, evenals zijne Amazone; en dan links een reeks athleten en rechts een troep van verschillende saters, die gieren van leven en vroolijkheid. Maar de Apoxuomenos lokt nader en nader....
Het is een beeld, waaruit eene complexe moderniteit van idee schiet. Een athleet, maar fijn van leden, de beenen zelfs slank en de voeten heel lang en tenger; de rechterhand is uitgestoken en twee vingers er van houden een dobbelsteen, die zij juist willen laten vallen.... Maar machinaal gaat de andere hand door te schrappen met den schrapper de olie van zijn onderarm, den balsem, waarmeê hij zijne leden had gewreven, voor lenigheid. En in zijn beeldschoon gelaat van eene dwepende, modernere schoonheid—en het zelfde gelaat van Lusippos’ rustenden Ares in Ludovisi—staren zijne mijmeringen uit, als denkt hij niet aan zijn schrappen, dat gaat van zelf in de machinale beweging van het steeds-zelve-doen; als denkt hij alleen aan wat hem zeggen zal de val van den dobbelsteen: zijne overwinning.... of zijn nederlaag....
En hoog boeiend in de gewone realiteit van zijn eenvoudig doen, van zijn reinigenden uitgestoken arm met den sikkelvormigen schrapper, is hij; omdat zijne prachtige oogen blikken van eene geheel andere gedachte en uit zien naar zijne dadelijk nabij zijnde athletentoekomst, waaraan hij wil gelooven, zoodra de teerling valt....3.
· · ·
De marmers van Rome zijn talloos en wonderschoon. De pen, die hier schrijft, is een vlugge pen, de pen van een brief uit den vreemde, die even trekt eene impressie van herinnering; ze schrijft geene apodiktische, aestethische studie van sculptuur. En ze tikt aan, en tikt aan, vlug, en hare woorden vallen neêr en willen niets geven dan de reflets dier indrukken zelve. Ze weet niet, hoe ze ze allen zal melden, mijn marmers, die ik liefheb....
Een der machtigste gebeeldhouwde impressie’s, als gedrukt met een zegel op de ziel, geeft mij de stervende Gladiator van het Kapitool, de barbaar met het ruw-mooie gezicht en het steile haar, en met de stervens-emotie in de oogen.... De galerij aldaar van de keizerbuste’s is vol verrassingen; Caracalla prachtig typisch; Caligula een heerlijk mooien, intelligenten bazalten kop, die alles verwart in het brein wat men van Caligula las; Heliogabalus, leelijk en geheel niet gevend de charme van den vrouweschoonen zonnepriester; en Nero, ook niet dàt, evenmin als in het Vaticaan waar hij gelauwerd staat.... Ik herinner me de charmante kinderkopjes van Nero in de Uffizie, vol van de alleraanvalligste jeugd!
En ik wil nog eindigen hiermeê: zoo ge in Rome komt, ga naar de Termen van Diocletianus. Er zijn prachtige beelden, een rustende vuistvechter van brons, een koploos lichaam met gebogen knie van toch nog hoog harmonische schoonheid, maar er is een kopje....!
Een slapend kopje van bijna goudgeel marmer, afgeslagen aan den hals, en liggende op een fluweelen kussen, voor een venster, waardoor het licht er dommelschaduwend op valt. De neus is wreed verminkt, als weggevreten door een kanker.... Maar de oogen, als onder een floers van doorschijnende oogleden, leven in de sluimering. De mond haalt adem. En niets is tot ademloosheid toe treffender—om niet wakker te maken—dan die indruk van innige sluimerschoonheid van dat aanbiddelijke amberkleurige vrouwekopje, met haar geschonden neus!
1 Nu in het Muzeum van St. Jan Lateraan.
2 Eene vergissing, die natuurlijk slechts een allereersten keer kan worden gemaakt.
3 Men zegt mij, dat deze opvatting niet juist is, en dat de athleet met den dobbelsteen slechts zijn volgnummer wierp: dit is mogelijk, maar ik behoû liever mijne eerste, misschien dan foutieve opvatting, omdat ik het beeld zoó zag en zoó mooi vond.
Herkomst van de tekst: de uitgave van L.J. Veen, Amsterdam. Spelling ongewijzigd.
