Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Louis Couperus · Reis-impressies · 1894

Michelangelo’s Cupola

Een langzaam opglooiende ronden steenen weg eerst, als eene kronkelende viale, die ingebouwd is door een reusachtige steenmassa. Dan een groote wenteltrap als een reuzenkurketrekker...

En het dak van St. Pieter breidt zich uit, een dak als eene stad, want, als kerken, rijzen er overal koepels omhoog, waartusschen zich wegen verliezen, en, eene kathedraal zelve, verheft zich voor me de cupola...

Eene hangende stad, hangende over de wereld beneden haar: Rome. Maar de stad is desolaat, het gehamer van werklieden weêrklinkt er...

Trappen weêr, eerst buiten, de cupola langs, dan binnen hàar. Een deur opent zich, op eene galerij...

En de immensiteit van den koepelafgrond gaapt aan mijne voeten. Boven mij welft het zich nog met de welvingen der reuzenmozaïeken. Maar aan mijne voeten, even onder de lijn van mijn oog, breidt zich de duizelingwekkende schijn-ellips uit van den koepel zelve, met de reuzenspreuk: Tu es Petrus et super hanc petram aedificabo ecclesiam meam et tibi dabo claves regni coelorum.

En die schijn-ellips is subliem, omdat de rondte, die zij in waarheid is, gemaakt werd door menschen en ongelooflijk is, van eene onwaarschijnlijke realiteit.

Heel beneden zwemt de middenruimte van de baziliek als een heilige afgrond, en een geruisch als van golvende zee, als van duizenden echo’s, fel bewogen lucht, zoemt suizende op, uit die diepte, die toch beneden eene doodstille kerk is, waar slechts ver, in ééne kapel, wat wordt gepreveld...

· · ·

Weêr trappen en trappen altijd, vluchten van nauwer wordende steenen trappen... Maar rissen van lachende seminaristen, die boven zijn geweest, rennen er af; uit alle hoeken zwermen zij neêr, als mieren.

Hunne stroom is voorbij. En nu weêr de trappen, die trappen tusschen den buitenkoepel en den binnenkoepel, al de trappen die naar de lanterna leiden... En eindelijk, uit de benauwdheid der nauwer en nauwer wordende blauwe houten trappen, in de lucht, in de ruimte, op de galerij om de lanterna...

· · ·

Ik zoû mij kunnen begrijpen, dat een seminarist—een van die, welke mij daar juist voorbijzwermden—zoo er eerzucht in hem was en genialiteit, op die galerij, eene zwellende emotie had gevoeld.

Want Rome, de wereld, lag beneden hem, en hij troonde boven Rome, hij stond op een rand van Rome’s heilige tiara, en alles was lager dan hij, alleen de hemel niet, de zon.... En het moest in hem opkomen, dunkt mij, dat alles te willen veroveren en dan te heerschen....

· · ·

Over de stad, die de Albaansche bergen en de Abruzzen insluiten, drijven de middagnevelen, en wemelt het middagwaas, dat de zon optrekt als met gordijn na gordijn... En aan den anderen kant deint zich onmetelijk de desolate campagna uit en daarachter schemert de verre zee...

De tijd gaat voorbij, het is jammer hier van daan te moeten. Een zwellende blijdschap, dat de wereld zoo mooi, een zwellende trots, dat de mensch zoo titanisch kan zijn, om tòch Babel op te trekken, omhoog tot het einde van den dampkring, kluisteren hier....

Twaalf uur. Ginds, van de ronde massa van Castel San Angelo, gaat een dikke, witte wolk geluidloos plotseling over den Tiber heen. Dan davert het schot, dat den middag meldt, en kaatst als tegen de bergen aan en kaatst dan weêr terug...

En de klokken van Rome trilleren ver, klateren dichterbij, zingend hoogschel uit hun brons en metaal, en onder mij, zwellende op tot mij hun goudenen slag, daveren een voor een, in langzame majesteit, de twaalf donderslagen van St. Pieter zelve...

Jan. ’94.

Herkomst van de tekst: de uitgave van L.J. Veen, Amsterdam. Spelling ongewijzigd.