Louis Couperus · Reis-impressies · 1894
Via Appia

Eindeloos gaat de antieke weg, komt van Rome, dat reeds ver ligt en gaat tot in het eindelooze door, naar de Albaansche bergen, die ginds in den zonmiddag waasblauwen en zelfs witgloeien, in den zachten winterzonglans.... En uit de transparante lucht, boven de ver uitgespreide campagna, valt drukkende neêr de melancholie van die antieke eenzaamheid....
Verder weg, links, loopen de oude, telkens verbroken aquaducten met bogen na bogen weg, en verliezen zich, tusschen de steeds smaller wordende perspectieflijnen van hunne boogsprongen, in het blauwige middagwaas der verschieten....
Aan den weg de ruïnes der antieke sepulturen met de stukken marmer en de busten van wier asschen daar rustten.... En ze zijn allen verdwenen, al hebben ze eens geleefd in Romeinsche oudheid, al hebben ze eens hunne levens gehad, met al wat het leven geven kan....
Drukkender, den adem benemend, en zittende als een spook op de borst, zinkt de melancholie zwaar neêr....
Dichtbij, langzaam, zich nauwlijks bewegende, weidt een herder,—in schaapsvellen en langen mantel, langen stok in de hand,—zijne schapen en hij is van een warm bruin tegen het waas van den blauwen middag.... Bij eene oude, kleine pachthoeve,—een hooge steenen trap gaat naar boven—praaten een paar vrouwen, de eene op de trap, de andere op den weg melodramatisch gebarende naar boven, en schel vlakken de penseelvlakjes van hunne roode en gele rokken en witte doeken in het waas van het dommelende licht op....
Rechts de eindelooze wijdte, ernstig, desolaat in de zon. Troepen van bersaglieri, dragende den zwaren ransel, die zij verschikken telkens, op den rug, en, in de hand, het geweer, komen aan, loopen los van elkaâr, om ergens te kampeeren. Romantisch wapperen hunne zwarte vederbossen, afhangende van den ronden hoed, die schuin staat....
En eeuwig schijnt de weg te gaan, eeuwig in vreemde zonmelancholie....
Jan. ’94.
Herkomst van de tekst: de uitgave van L.J. Veen, Amsterdam. Spelling ongewijzigd.
