Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Louis Couperus · Reis-impressies · 1894

Brief uit Napels

Een reiziger komt per klein rijtuig bij Pompeï aan. Bij de toegang staan gidsen, muzikanten en bedelende kinderen; daarachter liggen stille straten met antieke gebouwen.
Illustratie: Na de rit uit Napels wacht achter de Porta Marina de stilte van Pompeï

Napels, Febr. ’94.

Milaan, een groote stad als in het Noorden, toen ik ze zag voor het eerst, des avonds, in grijze mist, waardoor de lantarens schenen als Londensche lantarens, en met een cosmopolitische grandeur, die men ook in Stockholm vindt.... Genua, de haven, en aan den rand van de zee, langs de arcaden der oude paleizen, het bonte leven van allen, die aan de zee werken; maar vooral de paleizen, de nauwe straten van paleizen, en de nauwere kleine straten, donker hoog in den avond, met hier en daar een lichtje, als rooverholen.... Dan langs de zee, door een lange reeks tunnels, die telkens het licht onderscheppen; maar in het licht, iets van wat we het Zuiden denken: blauwe lucht en daartegen groote aloës met bladeren als blauwachtig metalen zwaarden, en gouden gespikkel van mandarijnen.... Spezia, de kleine haven; Pisa, de doode stad: tusschen de wijde straten en verlaten paleizen zweeft de schim van vroegere macht en rijk Italiaansch renaissance-leven, zweven de schimmen der Torelli’s, en, als op eene grassige vlakte houden zich de wonderschoone Toskaansche dom en de scheeve Campanile en het Battisterio en het antieke Campo-Santo dicht bij elkaâr.

En zoo naar Florence, zoo was mijn eerste route, nu juist, op den dag af een jaar geleden; en mijne tweede, nu, van Milaan naar Parma, het bekoorlijke kleine Parma, en als ik aan Parma denk, zie ik altijd den vroolijken cour van een Italiaansch hôtel; alle verdiepingen komen er met galerijen op uit en op eene galerij speelt een trio: de cour is vol Italiaansche officieren, die luidruchtig dineeren—manoeuvres zijn in den omtrek—en ze vullen den cour met hun los-flinke elegance van losse soldateske beweging, als van luchtige kracht... Als ik aan Parma denk, zie ik dien cour, die eene scène was als uit Carmen en ik zie ook Correggio’s ideaal eetzaaltje der abdis van het Convent van St. Paul: de gekoepelde treille met open medaillons, waardoor de lucht schijnt te blauwen, en putti, die er uit neêrkijken en bevallige schilderingen van sluiers, waarin borden en ramskoppen, en op het mantelstuk van den schoorsteen de mooie, mondaine abdis Giovanna van Piacenza zelve, in het gewaad van Diana...

Modena, altijd met mijn levendig klein Parma genoemd in één adem, maar dood, een stad van doode arcaden. En Bologna, de wijze stad van geleerden ernst, la docta, met hare twee scheeve torens, haren ouden San Petronio en haar modern straatgewoel, en dan Florence...

Maar over Florence kan ik niet ter loops schrijven: er hangt te veel van mijn hart aan die stad: alleen, ze is nog altijd niet geheel het Zuiden der fantazie: de Arno kan gloeien in de zon, maar koud, hoog en somber duisteren de kleinere straten en strak en streng zijn de paleizen, Pitti Strozzi, Riccardi, als uit rotssteen gehouwen.

Om Siena heen, het op en neêr kronkelende Siena, de fijne Italiaansche landschappen, met de dof zilverende olijven, die flauw-fijntjes schemeren tegen de niet al te blauwe, als opalen koepels; het landschap, zooals Perugino het heeft in zijne onuitsprekelijk schoone kruisiging van S. Maria Maddelena de’ Pazzi, in Florence...

Maar het eerst trof mij het Zuiden in Rome; nergens nog was de lucht geweest zoo transparant, maar ook zoo blauw, en moorsch bijna sneden er de witte en roomgele lijnen van gebouwen op af, en de Pincio wàs het Zuiden! En toch, Rome was maar nu en dan het Zuiden, maar Napels, dat is het! Het ideale Zuiden van de fantazie: de zee blauw als zee maar blauw kan zijn: de punt van Sorrento en Capri schemerig omlijnd—van louter licht—in de verte; de Vezuvius, de berg vol inwendig vuurgeheim, en steeds met zijn op- en opkronkelenden witten wolkpluim, die zich in eene langzame, grijze zweving verijlt naar Capri heen; Castellamare schitterend vierkant geplekt in het waas-blauw der verre bocht en het Castel dell’ Ovo, vestingsterk en massief in het water, als eene realiteit zich scherp kantende in den droom der lichtwaastinten.... En, verder af, ziende van af de Chiaia, de palmen der Villa Nazionale, schelgroen tegen de blauwe zeekleur bladeren aanzettend; de marmeren beelden.... En verder weêr, de Villa del Popolo en de strada Santa Lucia en de strada Nuova, met die intense zuidkleur van het volk der Napolitaansche kaden, alsof hun leven er is als een weefsel van oud versleten brokaat van het Zuiden, waarin de schelle kleurvlakken van het rood en het blauw en het geel en het goud door stof en vuil verrot zijn tot schitterrafels met metaalreflets, die in het diffuze zonlicht telkens opflikkeren en gloeien in abjecte schoonheid....

· · ·

Dat leven van kleur als oud brokaat gaat door naar San Giovanni a Teduccio, Portici, Resina, Torre del Greco, alles aan elkaâr gebouwd en aangekleefd, alsof de lava, die er eens gevloeid heeft, en er versteend is aan de huizen, er het leven bij elkaâr plakt. De Vezuvius altijd links, met steeds duidelijker wordende kraterlijn en, kookende als stoom, steeds de dikke, witte wolken krullende uit zijn geheimenis.... Links de zee, met de punt van Sorrento, een landschap uit een droom in opalen waas-tint, waarin oneigenlijk enkele bootjes de zeilen doopen; en die zee, nu en dan maar zichtbaar, over een muur, of door de open poort van een villa en haar tuinperspectief heen.... Dan de weg naar Torre Annunziata, keiachtig en stoffig; bossen van op elkaâr bladerende cactussen tieren aan de muren.... Het rijtuigje hotst vliegende door en langs dat alles heen, eerst als door een weefsel van reëele, tastbare kleurschoonheid, en dan als door eene fantasmagorie van onbestaanbare tinten. Want er is in geheel de atmosfeer om Napels iets dat aan onbestaanbaarheid doet denken, of er een aroom uit rijst der Duizend-en-Een-Nachten....

· · ·

En door dien morgendroom bereikt men Pompeï. Tusschen twee kleine hôtels gaat de weg naar de ruïnes; overal gidsen, gegalonneerde jongens van Cook; muzikanten, die op cithers dwepen; bedelaars als oude gentlemen in onmogelijk gelapte jassen; kinderen, de billen uit den broek, of alleen in een hemd, die een stukje steen oprapen en je naloopen met: antiche, antiche....: een aplomb, waar je altijd weêr om lachen moet....

Na den ingresso gaat de weg als door een desolate villa heen. Dan het eerst de Porta Marina en de doode stad ligt zichtbaar....

Ze is als een graf van het verleden, als een reusachtige, leêge sarcofaag, waarvan de steen is weggenomen. Een reusachtige zeis schijnt er al wat boven was te hebben weggemaaid... Rondom haar heen wazen de bergen in den zonneschijn, en alles is stil, zonder adem en zonder geluid, en geen vogel vliegt er; alleen de hagedissen, de kleine zonaanbidders, schieten als groene flikkeringen over de muren heen.

Langs de nauwe straten over het antieke, ongelijke plaveisel, waarin eens de wielen van karren diepe groeven hebben ingesleten.... Om over te steken, groote ronde steenen, twee of drie in de breedte der straat. Een enkele fontein met nog een marmeren kop, waaruit het water spoot, en in den rand van het bassin de holte, die de handen sleten, als ze het water schepten, om het te brengen naar den mond....

Langs de straten de kleine winkels, of de grootere huizen, in hunne elegance van vierkante lijnen, alsof het leven dier menschen, trots al hunne geraffineerdheid en débauche, eene nog al strenge harmonie behouden had, eene helleensche herinnering, klassieke regelmaat. Nergens molligheid van ronde lijnen, zooals ons leven nu wil, waar alles arabesk wordt; maar integendeel alles vierkant en regelmatig en eenvoudig plan van rechte lijnen als primitieve meetkunde. Maar toch alles fijn, alles elegant, de huizen niet alleen en niet alleen de tempels, maar ook de baziliek met den tribunaal met den troon, waar de rechter zat; onder hem in het gewelf, de gevangenen; ook de beurs; en ook de slachtplaats, en deze laatste, zoo elegant en met zulke artistieke muurschilderingen, dat men ze eerst een Pantheon noemde; in de winkeltjes de cellen van priesters zag; in de toonbank, met de goot, waar het bloed liep, hun triclynium, waar zij op steenen banken zouden hebben aangelegen, met, onder,—die goot—, hun vomitorium...

· · ·

Ik had nog meer willen schrijven van Pompeï, maar mijn brief is twee dagen blijven liggen en de dagen gaan voort en gaan voort en zoo snel, met hunne lachende snelheid, zoo snel en zoo lachend alsof ze niet de zware, lange dagen zijn van het Noorden, maar niet meer tellen dan uren en zoo lachend, alsof ze de Horen zijn, met kapellenvleugels, en lachende wegsterven in den zonneschijn van de goddelijke stad van het Zuiden....

Want Napels is vuil—zooals onze Amerikaansche kennissen zeggen,—maar het is een vuilheid van een verblindende pracht en eene vuilheid, die niet schijnt te bezoedelen, alsof de zon en de zee alles ontsmetten met zuurstof en met licht.... En Napels is de bruyantste stad van de wereld, zooals mijn Baedeker vertelt, maar vreemd hoe al dat leven niets enerveert, en hoe er eene lachende kalmte en sereniteit schijnt boven te hangen in de zonlucht. Het schijnt er in te zingen en te zwijmelen in die lucht, als van een dronken faunen-vroolijkheid; mijne ramen zijn open, een rammel-symfonie van trammen en rijtuigen, schreeuwende kooplui, klakkende zweepen, pijpende soldatenmuziek, wat meer nog? galmt naar binnen in een vloed van zonlicht; de Villa Nazionale, waardoor de zee blauwschemert, schijnt onder hare boomen te ruischen van rijk leven; en toch, een serene bekoring drijft uit dat alles op, en schijnt te schenken het elixer zelve van het geluk.

Wat maakt de drukte van Parijs, van Londen, van Amsterdam, zoo enerveerend, en waarom is Napels’ drukte niets dan harmonie? Ik geloof, omdat de drukte in Parijs, Londen en Amsterdam machinaal is; met strakke gezichten gebaart de doende menigte zich, als bewogen door methodes, die misschien in groepen zouden te verdeelen zijn.... Wanneer men zich in een dier groepen voegen kan, doet men meê, en voelt zich bewogen door de juiste veeren, die noodig zijn. Maar kan men zich niet in een dier groepen voegen, dan druist men tegen allen in en voelt zich verloren, en verlangt, ontzenuwd, naar eenzaamheid... Hier schijnen die groepen niet te zijn. Ieder blijft individu, ieder doet wat hij doen moet, hij alleen, en zonder methode. Eene spontaneïteit bezielt de drukte. Alles krioelt door elkaâr: een bonte mierenhoop, in glanzend lachende naïveteit...

En dan die lucht, de vreemde sereniteit van die lucht daarboven, die stillende atmosfeer, die van af de zee schijnt aan te drijven. Ook in Rome is dat zoo anders. De lucht is er droog, ijl; men voelt zich steeds voortgejaagd, voortgezweept; men heeft veel te doen, veel te zien, touristenplichten zonder eind. Men ziet zijne kennissen niet meer, al woont men in het zelfde huis. Ieder vliegt een andere kant uit, met dolle oogen, en ziet men elkaâr terug, dan dweept men, dat Rome zoo mooi is, en dat men het water van de Trevi wil drinken, om te moèten terugkomen, in Rome... Hier, niet die opgeschroefdheid. Alles is natuurlijk, vroolijk. Heeft men ooit in eene stad, behalve in Napels, fiacres gezien, die met elkaâr om het hardst reden? Vincenzo onze koetsier, vliegt en hotst er van door met zijn kleine paardje, dat lava in zijn aderen schijnt te hebben, en zoo vliegen ze allemaal, de paardjes, klein maar sterk en vlug en hinnikend. Hinnikende fiacrepaarden! En ze cambreeren zich in hun flikkerende tuigen vol glimmende spijkers en metaalbeslag en ze willen elkaâr niets toegeven. Baedeker beweert, dat de Napolitaansche koetsiers bekend zijn om hunne insolentie. Het is mogelijk, maar Vincenzo is een ideaal. Hij vindt het alleen prettig je nu en dan een lira meer te vragen dan het tarief, want het zit hem in het bloed je liever wat af te zetten, dan op een fooi van je te rekenen. Maar dat is ook zijn eenige ondeugd. En hij is geboren voor koetsier van goeden huize, al is zijn jas ook gescheurd aan alle kanten. Als we ons hôtel uitgaan en niet willen rijden en willen wandelen en al de anderen ons wenken en met de zweep klappen en vole? vole? roepen, alsof ze de grootste verleiding voor ons in petto hebben, blijft Vincenzo, die zich tot onzen lijfkoetsier heeft gepromoveerd, statig zitten, en groet ons met een glimlach van kalme zelfbewustheid. Maar zit hij niet op zijn bok en loopt hij zijn karretje met een plumeau af te stoffen, dan komt hij, met dien zelfden glimlach naar ons toe en vraagt: Morgen weêr eens naar Pompeï? Of naar Baïa? Of naar de Camaldulen? Van daar zie je de heele wereld, de heele wereld in zonneschijn!

· · ·

Alleen als we naar het Muzeum rijden, is Vincenzo een beetje ongelukkig. Maar het kan niet anders: we moeten nu dan wel eens naar het Muzeum, Vincenzo!

Ik weet niet, waarom beeldhouwwerken en bronzen mij altijd een sneller schrik van schoonheid geven dan schilderijen. Er straalt altijd uit hen een flits, die mij in eens doordringt, zoodat ik in eens het geheele beeld zie, en schilderijen moet ik langzamerhand veroveren...

Wij gaan door de portiek der keizers naar de bronzen. De keizers kennen wij van Rome, van het Kapitool en van het Vaticaan, en wij willen nu naar de bronzen. Toch zie ik, dat hier een Nero is, met een lauwerkrans, die weêr anders is dan in Rome en een Heliogabalus, die allervreemdst is. Een plat achterhoofd; het haar sluik en wat vallende over het gezicht met een vlok hier en daar... Koele, uitpuilende oogen, een slechte ommelijn van wangen, en de bovenlip hangende over de onder-... In het geheel iets van een jongen, perversen misdadiger...

De bronzen vullen vier zalen. In de eerste het prachtige bronzen paard van Herculanum, uit een vierspan over. Nog een prachtige paardenkop, van een paard, dat vroeger bij den tempel van Neptunus stond,—nu San Gennaro—en dat de aartsbisschop, op den kop na, versmelten deed tot een klok, om het heidensche te christianizeeren. Eene Dianabuste, uit Pompeï, met een holte van achteren, waardoor de priesters aan het beeld een orakel inbliezen...

In de tweede zaal vooral vier kleine beeldjes, naast elkaâr: de dansende Faun in Pompeï gevonden, vol rythme in de beweging zijner levendige armen en beenen; een Silenus, die iets gedragen heeft, op een support, dat een slang rondt, en, zwaar dik, omkranst, zwoegt hij nog onder zijn last, die men niet meer ziet; een sater met een wijnzak, en een Narcissus of liever Bacchus, in een luisterende houding, met vooruitgestoken wijsvinger... Het zijn vier kleine meesterstukken, die daar naast elkaâr staan, en als men, geheel gecharmeerd, den een na den ander beschouwt, is men verwonderd over dat tintelende antieke leven in klein brons, over die vier kleine bronzen oden, van een zoo zuivere en gecizeleerde kunst, als verzen van Horatius. Die kleine volmaaktheden van de oudheid, die men onder zijn arm stilletjes zoû willen wegnemen, ze geven ons, modernen, een wanhoop, omdat ze zoo iets zuivers en levends zijn: eene kleine, vroolijke gedachte, stralende door een vorm van louter zuiverheid.

Maar de derde zaal bevat het schoonste brons: in het midden de dronken Faun, met zijn dol vroolijk, zalig genietend gezicht, zich wentelend op zijn leêgen wijnzak; aan zijne zijden, links en rechts, twee andere beelden, worstelaars, in houdingen van elkaâr-willen-aanvallen; slank zijn ze, jongens nog, met heele fijne voeten en fijne handen; ze zullen zeker bliksemsvlug zijn en niet zoo heel sterk. Dan een sater, die juist wakker wordt en zich opricht, en zijn geheele lichaam rekt zich als in eene vroolijke lijnenmelodie van natuurlijkheid en humoristischen dageraad; en dan een rustende Hermes. Even is hij gaan zitten; hij schijnt dadelijk weêr te willen opstaan. Zijne vleugels zijn hem met riemen gebonden aan de enkels. Fijn luchtig is zijne jonge gestalte; de zon, die helder binnenvalt, veegt lange schamplichten aan de rondingen zijner efebe-ledematen, en laat hem verder in een donkere tint van moorenzwart. Zijn gelaat heeft iets ineengedrongen hindoesch; zijne ooren staan een beetje ver van het gezicht af.

Hij is misschien niet zóo intelligent als de marmeren Hermessen met hun Praxiteles-type, maar hij moet vlug zijn, als de wind, als hij niet meer rust en zich zal verheffen op den vogelslag van zijne lichte enkelvleugeltjes...

Herkomst van de tekst: de uitgave van L.J. Veen, Amsterdam. Spelling ongewijzigd.