Louis Couperus · Reis-impressies · 1894
Pesto
Cava dei Tirreni, Febr. ’94.
De Appenijnen als rotsgebergten, die in den wazenden zonneschijn licht transparant worden: hier en daar een tintelwitte sneeuwkop; beneden groen grassige vlakten en her en der de tintelwitte vlakken ook van geiten en de zwarte kroeskoppen van wilde buffels...
Over het landschap drijft een niet zichtbare schim, schijnbaar opgelost in den luchtglans: de booze geest, de malaria; maar aan den spoorweg links en rechts balsemen lange reeksen eucalyptussen met volheid van geur de lucht en sterk, suikerzoet, trillert naar boven de walm van duizenden narcissen.....
· · ·
Door de Sirenenpoort gaat een weg naar Poseidonia, het oude Paestum, de stad van den zeegod, en, in eens, bij het einde van dien weg, verrijzen de tempels, of ze in Hellas zelve zijn...
In de majesteit van zijn Dorischen eenvoud zuilt de tempel van den zeegod op, met zijne zuilen, die zijn als gouden lijnen. Sterk, breed gaan zij op van den grond en, hooger, versmelten ze zich, als zijn ze volle tonen, die, eerst gezwollen, teerder worden van klank naar de lucht toe.
Om hen heen drijft de stilte, en tusschen hen door, telkens afgesneden en als een smalle streep azuur teekent zich ver de zee recht.....
En ze is zoo smal en zoo azuur als Alma Tadema haar geeft boven of tusschen zijn marmer....
In de zon warmt zich de gouden tempel. Want de zon veegt over den sponssteen der schachten lange vegen licht, die hel vergulden, en brons zijn dan de andere schaduwende rondingen.
Sterk stoven in de zon, die al schijnt te zomeren, de volle witte madelieven, de gespikkelde distels, en vooral sterk de glanzend groene akanthen, die als met fijne scharen zijn uitgeknipt. En, levend smaragd, schieten de hagedissen met schichtige juweelen oogjes over de zuilen en verdwijnen in haar sponsigheid...
Alles is stil. Alleen een kind kijkt naar ons, een meisje; ze is stil blijven staan: donkerbruin met groote ronde zwarte kralen van oogen. Recht hangen de plooien van haar rokje, warm vuilblauw, en met beide handen steunt zij recht op haar hoofd, een lange kruik met twee ooren.
· · ·
Opener, ijler, meer ruïne heft links de Baziliek grijzere zuilen omhoog. En verderop, rechts, grijzer ook, de tempel van Vesta. Binnen-in bloeit een geheele blankheid van madelieven, als het laatste, iets wit, dat de verdwenen godin achterliet...
En in deze stilte van zuilende tempels in blauwe lucht, met de smal-blauwe streep van zee tusschen de gouden en grauwe lijnen door, heb ik mijne vrome gedachte gewijd aan Vosmaer en “Amazone”...
Herkomst van de tekst: de uitgave van L.J. Veen, Amsterdam. Spelling ongewijzigd.
