Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Louis Couperus · Reis-impressies · 1894

Brief uit Corfu

Vanaf het dek van de Principe Oddone kijkt een reiziger naar Corfu met zijn oude vesting, eilanden en besneeuwde bergen aan de overzijde van de zee.
Illustratie: Na een nacht op zee verschijnen Corfu en de besneeuwde Albanese bergen

Febr. ’94

Van Napels door de dorre, woestijnachtige Basilicata, die is als een landschap van het H. Land of als een streek uit Syrië, golvend, verbrand door de zon, als verdord onder een vloek van uit den hemel..... Brindisi, een havenstad van verveling, op den Zondag; een paar groote mails alleen komen aan van Alexandrië en van Calcutta, maar geene woelige drukte is bij hunne aankomst; alleen, saaiweg, worden tonnen ingeladen met een hefboom, als een ijzeren arm die aanneemt, oplicht en neêrlaat en aanneemt, oplicht en neêrlaat, den heelen dag door....

En alleen voor het Hôtel International, waar de op den nacht—om te gaan aan boord—wachtende gasten zich vervelen over altijd de zelfde illustraties—als hunne brieven geschreven zijn, en gapen en zien op hunne klokken en dan weêr gapen—alleen voor het hôtel—als iets van Egypte, daar ver weg, goochelt een Egyptenaar en zwaait met een half doode slang en lokt eene menigte, die grinnikend naar hem kijkt.

En over den weg heen slingeren schillen van vruchten, die ik niet ken, purperen schillen met stekels, maar ze laten me denken aan onze ramboetans uit Indië....

· · ·

Des nachts aan boord van den Principe Oddone en de nacht aan de leêge boot, door de stilte van de nachtzee en de nachtlucht, waardoor de machine haar langen, langen draad van beweging stikt. En des morgens de bekoring van Albanië; de, even boven, besneeuwde rotsbergen in het droomlicht van den morgen, dan de kleinere Othonische eilanden, Samothrake en het eiland van Calypso, en eindelijk de Grieksche stad Corfu, fabelachtig gelegen en, links, de Oude Forteres, oprijzende als een begroeid, rond oorlogskasteel....

En de woorden, om nu te zeggen de bekoring van het liggen van die stad en hare ligging al zoo afzonderlijk te teekenen van andere stedeliggingen aan zeeën, zijn zoo moeilijk te vinden, omdat het maar is de bocht van bosschige of van heuvelige lijn en het vierkante rijzen van witte huizen, en de uitstekende spits van een kerkje, juist zoo en niet anders en dat alles met de nuances van liggingsarabesken, die misschien nauwlijks zijn te geven met waterverf en geheel niet in de abstracte teederheden der woorden, die meer geven de zielen der dingen, dan hunne lijnen en hunne tinten.

· · ·

De stad, levendig—mannen in Albaneesch kostuum, zwarte pope’s met iets Assyrisch’ in hunne los fladderende soutane’s, in hunne zwarte baarden, in hunne hooge vierkante kalotten—is Grieksch, en niet alleen om de letters der opschriften, die de ongewone oogen spellen, maar Grieksch om alles; zooals de mannen loopen en gebaren en kijken met hunne schuine oogen naar de vreemdelingen en zooals de huizen staan, misschien. Geheel anders dan alles van Italië en het heeft zeker de bekoring niet alleen van het nieuwe, maar vooral van het Grieksche, alleen omdat het Grieksch is en toch in dit alles is een gemis, dat bijna een heimwee geeft naar Italië, het eenige en aanbiddelijke....

· · ·

En een eerste indruk, om te aanbidden het Nieuw-Grieksche in zijn dadelijke dagelijkschheid, krijgt een vreemdeling niet, zelfs niet een vreemdeling, die zich geschikt heeft, en gaarne, naar de kleinere Italiaansche hôtels. Want groote hôtels zijn altijd slecht, zonder comfort, zonder bediening en met oneetbaar banale tafels. Maar wat te zeggen van een begindag, dat men zijn door Baedeker gestarde hôtel verlaat, omdat de met goud te betalen prijzen omgekeerd evenredig zijn aan zelfs een matig geëischt comfort, in een kleiner pension aanlandt, waaruit men een half uur later, zich borstelende en naziende al zijn bagage, vlucht, om eindelijk te moeten stranden in hèt groote hôtel—de eenige woning die nog te kiezen is. En als dan nog hèt groote hôtel—met prijzen van dubbel goud—en als men iets terug krijgt, krijgt men van zijn goud niet aan te raken, vuile papieren drachmen terug,—die van 10 eenvoudig in tweeën gescheurd voor twee van 5—als dat hôtel, St. Georges, niet is warm te stoken op een kouden regenachtigen na-dag, zoû het heimwee naar Italië grooter en grooter worden, zoo, een vizioen gelijk, door de lezing van Hamerlings Aspasia heen, de Akropolis, ginds bij Athene, niet schemerde, als eene heilige belofte....

· · ·

Ik zit hier voor een week gevangen. Gelukkig gaan de dagen voorbij; maar hoe? Het is jammer van je jonge jaren, die nooit terugkeeren, zoo een week. Corfu ademt, tegelijk met nog nergens geroken walgelijke rotte-visch en rioolluchten, aan hare mooie haven, een suprème verveling uit. Het is de season, zelfs carnaval; de twee hôtels—beiden infect—zijn stampvol. De menschen gapen, wandelen ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds insipide-weg over de Spianata op en neêr: de esplanade, een dorre vierkante uitgestrektheid tusschen de stad en de Oude Forteres. Ook wandelen er kudden kalkoenen, geherderd door een kortgerokten Albanees. De herders zien er gluiperig uit als roovers. De priesters met hun Assyrisch type—de ouderen hebben meer iets van Chineesche bonzes—lamlendig, in hunne slap golvende soutane’s. De soldaten onhandig; ze schijnen niet op hunne voeten te kunnen staan, en hunne geweren schijnen hun te glippen tusschen de vingers. De officieren, slordig in hun slecht zittende uniformen. Mannen uit het volk, soldaten ook, houden een snoer van kralen in de hand, alleen om wat te hebben om aan te friemelen. De vreemdelingen gapen en pavaneeren dom weg. Het geheel is iets grenzeloos vervelends.

De gemeenschap, zoowel met Italië als met verder Griekenland, is langzaam en luttel. Met brieven, via Brindisi, wordt men begunstigd tweemaal in de week. Ik kijk smachtende uit naar Maandag-namiddag; dan gaat mijn boot naar Patras. Maar ik vrees ook voor groote desilluzie in Athene. Ik voel me hier te slap van verveling om reeds Olympia te bestudeeren. Ik voel me ridicuul, dat ik hier Aspasia nog eens overlees. In Florence en in de kleinere Italiaansche steden ademt men nog een aroom van de renaissance; in Rome een aroom van antieken tijd, maar hier in Corfu is niets Helleensch. Toch ligt er dichtbij de stad, bij de Canone—vroeger eene batterij, nu een uitzicht—een eilandje met een wit kerkje tusschen cypressen: Ponti Konisi, Muizeneiland, en de legende wijst het aan als het schip van Ulyssus, versteend door den toorn van den zeegod. En de legende wijst ook de plek, aan het meer van Kalikiopoulo, waar Nausicaa den Homerischen zwerveling vond..... Arme legende!

De verveling is hier niet door te komen. Te wandelen is er niet; men kan alleen een paar toeren maken. De natuur, meer het eiland in, is vooral treffend om de olijven. De olijven zijn prachtig en geheel anders dan de Italiaansche. De Italiaansche olijven zijn teeder, tenger vrouwelijk en zilver etherisch. Hier zijn ze forsch en mannelijk, eeuwenoude boomen, met dikke, twee- en drievoudige, sponsachtig gespleten stammen: het loover is zwaar en groengrijs, vol donkere metaalglansingen in de zon. Valleien van olijven glooien op en af; de forsche olijven zijn de heerschers van het eiland. Door olijven-valleien klimt de weg naar Gasturri, waar de villa Achilleion van Keizerin Elizabeth van Oostenrijk op een hoog standpunt rijst en uitkijkt over het eiland heen.....

· · ·

Ik raad hierbij iedereen, die mij leest en gelooven wil, een bezoek aan Corfu af. Ik betaal hier, in goud, een pensionprijs, die in Zwitserland en Italië alleen prinsen en Amerikanen betalen en ik voel me, op het oogenblik, dat ik dit schrijf, flauw van den honger. Dit hôtel, St. Georges, is het eerste en vereerd geworden door het bezoek van den Oostenrijkschen Keizer; de groote yachtsmen uit Engeland logeeren hier. Het wemelt er van prinsen en markiezen. Ik ben ijdel genoeg om te denken, dat hunne magen eenigszins gelijk zijn aan de mijne en trek dus de conclusie, dat ook zij op dit oogenblik flauw van den honger moeten zijn.

Nog eens dus: wie naar mij hooren wil, komt niet hierheen. Het is hier een dure armoede en een onoverkomelijke verveling. Ik slaap half, en links en rechts hoor ik mijne beide buren snurken. Men reist toch niet om zijne correspondentie bij te houden. En de unieke olijven bewonderen, kan men toch niet doen met een sufheid en een geeuwhonger, waaronder ik op dit oogenblik lijd.

· · ·

Zeer lief ligt de villa Mon Repos, een zomerverblijf der koninklijke familie. De tuin is niet zeer onderhouden, maar dit schaadt niet aan de schoonheid ervan, aan de mooie, fijne eucalyptussen met hunne zilveren stammen en bossen loover als smalle linten; aan de welige mispelboomen, de oleanders en magnolia’s, vooral niet aan de wilde anemonen, die er als violet onkruid bloeien. De villa is een klein, gezellig huis, dat nu juist in orde wordt gebracht voor het koninklijk bezoek, in April. Van af de balkons heeft men een verrukkelijk gezicht op Corfu, de Oude Forteres en de kust van Epirus. Het zal daar zijn, in dat kleine huis, in dien gezelligen tuin, een vrij familieleven zonder etiquette. In de zee, vlak bij, baadt men. Op een spiegelkast in de kleedkamer van den koning trof mij een geheele reeks namen, met een diamant geschreven, van zijne kinderen en familie. Als de koning met zijne familie hierheen komt, blijft echter de hertog van Sparta in Athene.

· · ·

Maar Mon Repos ligt niet dichtbij genoeg om ieder oogenblik, dat men zich verveelt, te bereiken en dan is de Oude Forteres het eenige asyl. Zij is de poëzie van Corfu. Een kanaal scheidt haar van de Spianata, een brug verbindt haar ermêe. Men wandelt haar vrij binnen en dwaalt over hare opgaande wegen en trappen naar boven. Door de sombere cypressen heen blauwt de zee als een droom. Overal groeien bloemen, welige bloemen van onkruid, witte en blauwe violen, madelieven en goudkleurige bloemen, die op madelieven gelijken, en die hel schitteren in de zon, tegen den verren saffieren spiegel der zee aan. Hooge cactusmassa’s zijn als bronzen plantvormingen tegen de etherische goudatmosfeer en telkens door opene kanteelen heen, als tusschen lijsten, schittert een ander landschap in de verte... Een verlaten burcht uit een zuidelijke riddersproke en de eenige plaats in Corfu, waar men zich ieder oogenblik verliezen kan in de zwijmeling van den vroegen zuidzomer.

Herkomst van de tekst: de uitgave van L.J. Veen, Amsterdam. Spelling ongewijzigd.