Louis Couperus · Reis-impressies · 1894
Brief uit Athene

Het is een genot weg te gaan van Corfu en het is een genot dat te doen over de even gekabbelde wateren der Ionische zee, in het roze licht van het zonnedalen, dat eindigt in gloeiend oranje boven het metaalblauw van het water. De kust van Corfu blijft lang volgen en ook die van Epirus tot Paxos toe; dan komt de nacht, en in den morgen vroeg landt men te Patras, klein en woelig van havenbeweging. De spoorweg naar Athene, langs den golf van Korinthe, gaat eerst langs onverschillige landschappen; dan wordt het typischer: de breede, geheel uitgedroogde rivieren, de eindelooze krentenaanplanten, die zich nu nog voordoen als dorre, kleine, bladerlooze, stronkige boompjes; en het volk in de velden treft vreemd door al het wit van zijne kleeding of het boeren en boerinnen zijn uit een opera. Vóór Korinthe de Acro-Korinth, de trotsche, kasteelachtige rotsmassa, als een zware diadeem op het landschap; Nieuw-Korinthe als een doodsch, wijd, stoffig stadje, en dan het nieuwe kanaal: de trots van Nieuw Griekenland. Het verbindt de Korintische en Saronische golven, en als de spoor er langzaam overheen glijdt, ziet men ze beiden liggen en het kleine kanaal als een glad gepolijsten doortocht, keurig afgewerkt met twee rechte wanden, de wateren vereenen. Het is iets als een fijne buis, iets onberispelijks en nets van uitvoering, een klein gulden kanaal.
En nu spoort men langs de Saronische golf tot Megara toe. In harmonische lijnen, alsof zij besef hebben van hare harmonie, wisselen en verschuiven de lijnen der Peloponezische bergen en de groote golf is steeds als een meer, geheel ingesloten door die blauwe harmonieën en zelve als een spiegel, waarin maar enkele wateringen spelen van licht. En in zijnen hoogen eenvoud is dit landschap klassiek schoon, van eene niet zegbare, alleen voelbare, klassiek eenvoudige schoonheid: de kalme wateren, de blauwe bergen, zacht schuivende in gelijk golvende lijnen, rythmisch en breed als hexameters, van een rythme, dat rust geeft, groot droomend de oogen doet openen, weg doet staren over die stilte, en de ziel heen trekt naar het verleden toe.... Men voelt zich—zelfs in zijn spoorcoupé—in Hellas; men is blij, daar gekomen te zijn; het antieke leven is in eens eene openbaring. Men begrijpt de oude Grieken, hunne ideeën van streng schoon, bij het droomend volgen dier rythmische berglijnen. Men begrijpt hunne zuilentempels; in de roze atmosfeer, tegen die harmonie van bergen, ziet men ze, in gedachte, rijzen als eene harmonie van zuilen. En het is vooral misschien, om dat stille en rustige, als van een meer, dat zenuwstillende en grootsche, dat die wateren overdrijft als een nimbus, en waardoor de bergen heenschemeren, zooals zij schemeren door het roze zonnedalen, totdat men niet meer onderscheidt en de gedachte zich weg laat sleepen in de bekoring van eene niet meer met woorden te duiden droom....
· · ·
In Athene bekoren mij, zoozeer als levenlooze dingen van uiterlijkheid mij misschien nooit bekoord hebben, de Acropolis, het Theseion en de tempel van den Olympischen Zeus. Het is misschien goed voor men die ruïnes ziet, den tempel van Poseidoon gezien te hebben in Paestum. Ieder weet wat zuilen zijn, en ieder wat een tempel en toch: ik zoû het wagen te zeggen: die niet geweest is te Paestum en in Griekenland, weet het niet. Ik herinner mij nog zoo goed: in Paestum kreeg ik de sensatie van schoonheid, met deze vraag: waarom, en hoe die schoonheid door bijna rechte lijnen, die weêr andere rechte lijnen schragen? En het is misschien goed die vraag zich éens gesteld te hebben, ook al is er geen antwoord op. Want hier in Athene vraag ik nu niet meer, en ik laat mij meêslepen, geheel, alsof Paestum mij, onbewust, geleerd heeft wat zuilen zijn en wat een tempel.
Om die tempelruïnes, als die van den Olympischen Zeus en het Theseion, zweeft eene atmosfeer van heiligen weemoed, een gouden atmosfeer, een stralenkrans. In Rome is veel moderns om de ruïnes heengebouwd, hier is ruimte gelaten, en al het moderne schreeuwt er niet tegen in. En in die ruimte kan die atmosfeer drijven, die weemoed blijven hangen, die stralenkrans zacht glanzen. In zulke ruimten heffen de zestien goudene marmeren zuilen,—Penthelisch goudgewaasd marmer,—van den Olympischen tempel hunne Korinthische kapiteelen op. Ze heffen ze op in de blauwe lucht en de heilige weemoed geeft hun den nimbus. Hoe men ze ook omloopt, ze wisselen hunne lijnen, ze zingen er hunne lijnen, in goudene harmonie. En het zijn niets dan opgaande lijnen, doelloos nu opgaande, daar ze niets meer schragen dan een doellooze architraaf en uitbloesemen in een kapiteel, zonder doel.....
Het Theseion ook staat zoo ruim, in volle lucht, en het staat gehéel vrij, in geheel zijn tempelrust van Dorischen eenvoud. Onsterfelijk schijnt het te zijn, ook al hebben aardbevingen de gelijkmatige onderdeelen der schachten bij sommige zuilen verschoven, zoodat ze schijnen te zullen bezwijken, geen dag meer te zullen houden... En toch ze blijven staan, als met eene onbegrijpelijke, bovenmenschelijke energie....
Maar eenig in zijne onsterfelijkheid, in heilige majesteit, goudene marmeren goddelijkheid, rijst boven de stad, op den Akropolis, eeuwig schoon, het allerschoonste wat ooit menschen bouwden. Daar rijst de maagdentempel, het Parthenon, dat Pheidias reeds lang in gedachte er had zien rijzen, tot Pericles, de Olympiër, met zijne Olympische welsprekendheid op den Pnyx de Atheners bewoog toe te stemmen uit den Schat van Delos te putten voor den goddelijken marmerbouw. Toen was er op den Akropolis nog maar het Erechtheion, het heiligdom van Athene Polias, waar het uit den hemel gevallen olijfhouten beeld der godin vereerd werd naar de aartsvaderlijke traditie, maar ook stond er reeds de Athene Promachos, de bronzen Voorvechterin van Pheidias, de reuzenstatue, die over den Piraëus heenzag en den eersten groet der stad bracht aan de schepen, die thuis kwamen. Maar Pericles sprak op den Pnyx en het eenige gebaar van zijn oratie was: het uitstrekken van zijn arm naar de leêge plek, waar het Parthenon mocht rijzen, en aller oogen volgden waar zijn vinger wees, en het sein was gegeven. Pheidias zoû zijn droom vereeuwigd zien, en de Athene van den Vrede geven in goud en ivoor, voor den tempel, die Iktinos en Kallikrates zouden bouwen in Penthelisch marmer, die de leerlingen van den hoogen beeldhouwer,—Alkamenes, Agorakritos met hunne legerschaar van jongeren,—versieren zouden met metopen en met de wonderfries der cella: den Panatheneïschen feesttocht....
En wat er nog staat van den heiligen bouw na al zijne profanatie’s—na een kruithuis geweest te zijn en een moskee en een Byzantijnsche kerk—, wat er nog staat is, tot de hooge vreugde der eeuwen, nog eene volmaaktheid, nog eene harmonie van zingende lijnen, een eeuwig choor van zuilen, dat vibreert in den reinen, doorglanzenden ether, of in de oranje zonnedalingen, die aangloeien van Salamis af over den onmetelijken boog van den hemel. Nooit nog trof mij zooveel emotie voor marmer: zooveel vreugde om marmer, dat oprijst en zooveel weemoed om marmer, dat neêrligt. Want is het niet om te weenen als men ze lang uit, in de onderdeelen hunner schachten, als marmeren reuzenkolommen, nêergespreid ziet liggen door den zorg der menschen, als doode zuilen, als zuilen zonder ziel? Dan streelt de hand over hunne gefluteerde gleuven of over hun Dorisch kapiteel, dat eens zoo hoog was en neêrgedonderd ligt, dood. Dan wil verbindende gedachte en verbeelding ze weêr heffen, waar ze stonden, ze weêr zingen doen hunne lijnen, met de andere meê. Dan treft de menschelijkheid van die harmonische reuzen, die sterven, of reeds bezweken, het meest, en dan is vooral de weemoed overstelpend als men er al de gouden onkruidbloemen haar welig getier ziet tusschendringen, als men er de witte en gele en gloeiend gekleurde kapellen over heen ziet fladderen met het broze getril der weiflende wiekjes, omdat die bloemen en die kapellen—die liefde van éen dag—zoo vreemd in onderscheid is met dat marmer, dat, zelfs in den dood, eeuwig is: een zoo wijde afstand tusschen die beiden, kapellen en zuilen, of het geheele leven er tusschen ligt.
· · ·
In Hamerlings Aspasia is het Erechtheion en zijn priester alles wat ouderwetsch is en aartsvaderlijk in tegenstelling van den nieuwen, glanzenden, vroolijken geest, die de schoonheid vereert als met godsdienst. Door de Perzen vernietigd is het inderhaast en tel-quel weêr opgebouwd, is het in den roman een sombere, geheimzinnige tempel, waarvan de priester noode, vlak voor zijne oogen, het Parthenon ziet omhoog trekken....
Zooals wij nu het Erechtheion nog zien, dagteekent het van later, van den tijd van Praxiteles. Wie dit niet weet en zich den somberen tempel uit Aspasia herinnert en daarvan de ruïne meent te zullen zien, staat verbaasd. Want het Erechtheion nu is, naast de hooge, verhevene grandeur van het Parthenon, het bevalligste marmerwerk, dat zich denken laat. De zuilen, de poorten zijn geornamenteerd als met de fijnste beitels, gecizeleerd tot marmeren juweelwerk; de schachten zijn fijn, diep-in gefluteerd; de Ionische kapiteelen gelijken om de mollige lijn van hunne ronde volute’s, waarop de drie-deelige epistyl rust, zachte kussens, die met snoeren van marmeren parelen zijn omzet; verder zijn de randen onder en boven den architraaf, en boven de fries gewerkt in de fijnste Lesbische arabesken, en het geheel is als een overwinning op het marmer, niet om het groot te houwen in trotschen adel van lijnen, maar om het als met eene vrouwelijke insinuatie teeder te krijgen en bevallig en bijna week. En dan de portiek der Karyatiden aan de zuidzijde, waar de architraaf door zes vrouwen getorst wordt, en die het geheele gebouw van eene lichtheid en eene luchtigheid doen schijnen, alsof zij daar maar even zijn gaan staan en een oogenblik torsen het dak van dien portiek en niet torsen voor eeuwen....
· · ·
Dat zijn de tempels, waarvoor men naar Athene gaat, omdat ze volmaakt van schoonheid zijn als nergens, misschien alleen te Paestum. En om die tempels te zien en weêr en weêr te zien, blijft men in deze stad, en blijft men in dit land. Want groot moet de verbeelding zijn en nuchter archeologisch het verstand om in modern Athene nog verder terug te vinden de stad van Pericles. Blik van af de Place de la Constitution naar den Akropolis op, van het paleis des konings naar het Parthenon, en in dien blik liggen de doode eeuwen, eene leêgte, die door niets gevuld wordt. In Florence ademt men de Renaissance; in Rome, hoe modern de stad ook zij, de oudheid; maar in Athene ademt men niet de Gouden Eeuw.
Dit is niet verder te bewijzen, het is alleen te voelen, en misschien wat te omschrijven. De Italianen zijn nog altijd de Italianen, maar de Grieken, die Albaneezen zijn, zijn geen Grieken meer. Al roepen zij, dat zij hunne oudheid lief hebben, men voelt dat dit alleen een fraze van conventie is in de couranten; men voelt dat zij het niet kunnen. Zij kunnen misschien, trots alle Grieksche toestanden, een nieuw volk worden, modern; ze hebben misschien nog een toekomst voor zich. Maar van het verleden voelen zij niets. Zij zullen dat nooit toegeven, want: zij zijn ontwikkeld, zij richten ontelbare scholen op, laten zich voorstaan, dat zij veel weten; hunne nieuwe openbare gebouwen bouwen zij in klassieken stijl, en naast hunne Akademie van Wetenschappen richtten zij twee hooge zuilen op met vergulde en marmeren statues van Phoibos en van Athene. Maar die neo-antieke gebouwen en zuilen detoneeren in de brandnieuwe, stoffige stad en schijnen niet noodig, omdat de Grieken er niet meer zijn. Dit volk vertoont duidelijk de ruw gehouwen trekken van zijn afkomst. Hun kostuum van goud en kleurig geborduurde jakje en zwaar geplooide witte balletrokje en schoenen met opgewipte punten, de fez op het hoofd, kleedt hun goed, maar is niet Grieksch en hoeft dat ook niet te zijn. Hun koning is een Deensch vorst, dien zij niet beminnen en nauwlijks eer bewijzen, als hij zich vertoont. Somber kijken zij, met hunne schuine oogen, en hunne passie’s schijnen te zijn: kleine kopjes koffie te nippen, vele glazen water te drinken en aanhoudend schoenen te doen poetsen. In geene stad zag ik nog zooveel koffie en water drinken en zoovele schoenen gepoetst worden. Zij zijn niet onvriendelijk en niet onwillig en zelfs beleefd, maar ook zeer onhandig en brengen u zelden waar ge zijn moet. Ik geloof niet, dat ze ooit lachen, en ik geloof, dat als Aspasia hier terug kwam, ze op nieuw tot het volk van Athene zeggen moest: Je moet vroolijk zijn; het leven en de liefde zijn vroolijk in hun wezen; het leven moet genot zijn en al het andere is maar ziekelijk! Maar ik geloof niet, dat ze er dezen keer veel succes meê hebben zoû, en ik geloof, dat ze eindigen zoû, zooals ze eindigde tegen Pericles: Neen, jullie zijn geen Grieken meer.
Herkomst van de tekst: de uitgave van L.J. Veen, Amsterdam. Spelling ongewijzigd.
