Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805
Eerste brief
Dyon den 20 Julij 1804.
Aan de dagteekening van den Brief ziet gij, Vriend! dat ik op reis ben. Maandag den 14. dezer vertrok ik van Parijs; en dus daags na het feest van den 14. Julij, dat dit jaar den 15. gevierd is. Ik had mij daarom nog al opgehouden, maar vond het voor mij, behalve het vuurwerk, dat nog al fraai was, die moeite niet waardig. Wij reden ’s morgens om vier uren af, met den gewonen Postwagen, die van hier op Geneve rijdt, en waarop wij plaats genomen hadden tot Dyon. De plaats, binnen in, kost 63 livres de persoon, en voor mijn koffer, die ruim 100 ponden woeg, betaalde ik £ 13; men rekende tegens £ 25—het centenaar; doch de koffer voor twee personen zijnde, trok men ’er de 25 lb die ieder vrij had, en dus 50 af. Van Charenton en Alfort, daar wij door reden, heb ik u in een van mijne vorige al gesproken. Te Lieursaint1, 4 posten van Parijs, daar wij ontbeten, niet met een boterham en een kopje thee of koffij, maar met vleesch, eijeren en wijn, begonnen onze reizigers zoo wat kennis met elkanderen te maken; en ik bespeurde toen, dat wij met een’ Priester, met een’ Rentenier van Dyon, met een Wijnkooper van Beaune, een andere van Maçon, en nog een vijfde persoon van den kant van Geneve, op reis waren. In Holland zou men dat al lang geweten hebben; want naauwlijks heeft men daar een’ voet in de trekschuit of op den postwagen gezet, of er word gevraagd: “Waar komt mijn Heer van daan? waar gaat mijn Heer na toe? wat doet mijn Heer? is UEd. getrouwd? en eindelijk zelfs somtijds, hoe is mijn Heer’s naam?” Diergelijke onbescheiden vraagen treft men onder de Franschen zeldzaam aan, en men wacht doorgaans, tot dat de lieden zich zelve bekend maken. Nu werden wij wat gemeenzamer onder elkanderen, het gesprek liep natuurlijk over het Feest, dat den vorigen dag in de Hoofdstad was gevierd, en hier door werden de staatkundige gevoelens eenigzins ontwikkeld, de wijnkooper van Beaune, dat een goede ronde kaerel scheen, en mijns bedunkens, met regt den naam van Franc Bourguignon2 verdiende, kwam er onbewimpeld vooruit, dat hij de Koninklijke regeering, welke voor de omwenteling in Frankrijk plaats, beter vond dan het tegenwoordig Gouvernement. Hij sprak van de staten der Provintien, van de voorrechten, enz. de Priester gaf wel te kennen, dat hij het hieromtrent met hem eens was, doch liet er zich zoo regelregt niet over uit. De Rentenier van Dyon scheen meêr een Volksbestuur toegedaan; deze waren de voorname sprekers, de overigen voegden ’er nu en dan een woordje bij. Ik heb algemeen opgemerkt, dat de Koningsgezinden onder anderen zeer verbitterd zijn tegen Keizer Napoléon, om dat hij de Hertog van Enghien heeft laten ter dood brengen. Zij veroorloven zich ten dezen opzigte de hoonendste uitdrukkingen tegens hem, die zij dan nog al door een woordspeling (calembour) zoeken te bewimpelen, zoo als deze, welke iemand van ons gezelschap te berde bragt: “Iemand zeide, dat het afbeeldsel van de Keizer der Franschen, dat men op de geldspecie ziet, niet gelijkende Was; gevraagd zijnde waarom, antwoordde hij, parceque le nez est pointu et c’est un nez rond.” (Néron). Was deze ter dood veroordeelde geen voornaam hoofd van hunne partij geweest, zij zouden ’er misschien niets op hebben aantemerken. De Franschen, en vooral de Parijzenaars, zijn liefhebbers van calembours; men vind verscheidene boekjes, die daarmede zijn opgevuld. Vele jongelieden leren die van buiten, en met diergelijke meestal laffe aardigheden, pronkt men in de zoogenaamde bonne Societé. Anderen, die er meêr op gevat zijn, maken van alle gelegenheden gebruik om woordspelingen voor den dag te brengen, hoe weinig die dikwijls ook voegen. Men ontziet geene zaken hoe achtingwaardig, of personen, van wat rang zij ook zijn mogen, zoo hoorde ik eenigen tijd geleden, kort na dat de broeders en zusters des Keizers Napoléon, tot Rijksvorsten verheven waren, te Parijs door de nieuwsbladverkopers (colporteurs) langs de straten roepen: “Voici etc. avec les noms et les demeures de tous les Princes et Princesses à deux sous;” een winderig heertje, die daar voorbij kwam, zeî op een’ spotachtigen toon tegen den uitventer: “Voyons ce qui c’est que vos princes et princesses à deux sous.” Sommigen lagchten hier om, anderen namen het misschien kwalijk; hoe ligt had iemand tot de politie behoorende hier omtrent kunnen zijn, onze grappemaaker zou dan zekerlijk voor zijn spotternij hebben moeten boeten, en wie zou hem beklagen.
Melun.
Omstreeks één uur kwamen wij te Melun, 5½ post van Parijs. De Postwagen, vertoefde hier om het middagmaal te houden, en ik, nog geen honger hebbende, daar wij laat hadden ontbeten, besteedde dien tijd met het plaatsje te zien. Dit stadje de hoofdplaats van het Departement de Seine et Marne3, is in eene bekoorlijke landsdouw aan de oevers van de Seine zeer aangenaam gelegen; die rivier verdeelt hetzelve in drie deelen, die door twee steenen bruggen vereenigd worden; de bijgaande afteekening zal u hier een duidelijk denkbeeld van geeven. Verscheidene Koningen hebben te Melun hun verblijf gehouden, hun paleis was op de punt van het Eiland dat gij tusschen de twee bruggen ziet. Het is een der oudste steden van de Gaulen. Caesar maakt er gewag van in zijne gedenkschriften. Het is ook in de geschiedenis bekend, door eene belegering van de Engelschen tegen die stad, welke plaats had in de vijftiende eeuw, en die de belegerden, met eene schier ongelovelijken moed, zes maanden uithielden. De geleerde Jacques Amiot, Bisschop van Auxerre en vertaler van de Doorluchtige Mannen van Plutarchus, enz. werd hier geboren. De voorname handel is in granen, meel, wijn, kaas, kalk en gebakke steenen; die waren worden veel al de Seine af naar Parijs vervoerd. De groote weg, die hier doorloopt, maakt het vrij levendig; ’er vaart ook een schuit (coche d’eau) van hier naar Parijs heen en weder. In het terugkomen word zij met paarden tegen den stroom opgetrokken. Van de Mammelukken, die met Bonaparte uit Egypte kwamen, lagen er hier omtrent 150 in guarnisoen, naar men ons verhaalde. De inwooners waren ’er niet wel over te vreden, en zeide ons, dat het veeläl slecht kwaadaartig volk was; wij zagen ’er eenigen van langs de straat loopen. Hunne Oostersche kleeding maakte in dit plaatsje, waar men alles behalven Oostersche pracht ziet, een wonderlijk afstekende vertooning. De aanhoudende schoone landstreek en de fraaije gezigten die men geduurig aantreft, vermaakten mij niet weinig. De Seine en Yonne vereenigen zich voor Montereau. Men komt over een fraaije brug in het stadje. Deze brug is in de geschiedenis bekend: de Hertog van Bourgondiën kwam in het jaar 1409 op dezelve, om zich met Karel den VII, die toen Dauphin van Frankrijk was, te verzoenen, en werd door de Offiçieren van dien Vorst vermoord4. Onze reisgezel, de Rentenier van Dyon, die nog al ervaren scheen in de geschiedenis deed mij dit een en ander opmerken. Dit stadje ziet er welvarende uit en is alleraangenaamst gelegen; even buiten hetzelve langs de boorden van de Yonne is eene fraaije algemeene wandelplaats. De ruime gezigten en bekoorlijke tooneelen die de natuur hier oplevert, houden den opmerkzamen reiziger hier aanhoudend op de aangenaamste wijze bezig.
Tegen het vallen van den avond kwamen wij te Villeneuve-la-Guyard, een stadje in het Departement de l’Yonne, en wel het eerste, als men ’er van dezen kant inkomt. Auxerre is de hoofdplaats van hetzelve. Wij hadden nu 10½ post afgelegd en hielden hier ons nacht verblijf, en niettegenstaande het plaatsje er niet te breed uitziet, hadden wij nogtans een vrij goed avondmaal en goede bedden. Onze Wijnkooper van Beaune, die in deze streeken bekend was, bragt hier zeer veel toe, en deed ons vooral door de vrije en grappige wijze, waarop hij alles bezorgde en bestelde, niet weinig lagchen.
Den volgenden morgen, 17 dezer, vertrokken wij om drie uren, en reeden 1½ post van hier door het stadje Pont sur Yonne, aan den westelijken oever van die rivier tegen den voet van een heuvel, die met wijngaarden bedekt is, gelegen. Deze plaats ontleent zijn’ naam van de steenen brug op zeven bogen, die wij bij het uitgaan van de stad overreden, wat verder ziet men steen- en pannebakkerijen, en vervolgens een zeer uitgestrekt en aangenaam geschakeerd gezigt. De stad Sens vertoonde zich voor ons in een aangenaam verschiet, tegen een’ heuvel; de landstreek is zeer bevallig, en de morgenstond was schoon. Voor de omwenteling was Sens een Aartsbisdom en de hoofdstad van le Senonois en Champagne; zij is 12 posten van Parijs gelegen: inwendig beantwoort zij vrij wel aan de uitwendige vertooning. De straat, waar wij in kwamen is ruim. Wij stapten af voor de Hoofdkerk, die wel bezienswaardig is; zij pronkt met een zeer hoogen en fraaijen toren; het klokkespel wierd voorheen voor het fraaiste van het gantsche rijk gehouden. Hier vervoegde ik mij bij onzen Geestelijken reisgenoot en ondervond, dat het goed is om zich met lieden van allerlei stand en beroep op reis te bevinden. Deze was dan ook een zeer vriendelijk man, en, zoo het scheen, een der redelijkste Priesters, dien ik immer heb aangetroffen. Wij traden te samen de Kerk in. Dit gebouw is zeer groot en wel verlicht, de kapellen rondom en het choor is met fraai ijzer hekwerk versierd. Lodewijk Dauphin van Frankrijk5, in den jaare 1765 te Fontainebleau overleden, werd, benevens Mevrouw de Dauphine, in deze kerk begraven; wij zagen er zijne graftombe, die in het begin van de omwenteling was weggenomen, doch thans weder opgerigt. Zij is van wit marmer, en word gehouden voor een meesterstuk van den beeldhouwer Coustou. De beelden, die de twee lijkbussen kroonen, zijn de Godsdienst, de Deugd, de Tijd en Frankrijk. Men vind meêr andere fraaije versierselen in deze kerk, bijzonder het beeldhouwwerk boven een Altaar, verbeeldende de moord van St. Savinien. De glazen zijn geschilderd door den bekenden Franschen konstschilder Jean Cousin6, die te Soucy digt bij deze stad in de 16de eeuw gebooren werd; men wilde, dat hij tot de Protestanten behoorde, omdat hij op de glazen van St. Roman’s kerk te Sens in eene schilderij van het laatste Oordeel een Paus in de hel geplaatst had, en men nam hem die aardigheid maar zeer kwalijk. Deze stad was reeds vermaard ten tijde van Julius Caesar. In 1735 vond men ’er het opschrift: Vesta mater, waarom men meent te moeten onderstellen, dat ’er een tempel van Vesta geweest is; uit andere aanwijzingen maakt men op, dat ’er ook een tempel ter eere van Augustus bestaan heeft. ’Er bestaat nog geldspecie, die ’er Carolus Magnus heeft doen slaan. Paus Alexander de III. koos deze stad tot schuilplaats, en verbleef ’er van den 30 September 1163 tot in 1165. In de boekerij van het Capittel van de Hoofdkerk alhier, wierd voorheen een kluchtig stuk bewaard, namenlijk het oorspronkelijk handschrift van den kerkdienst der gekken (l’Office des fous,) zoo als die eertijds in de kerk van Sens gezongen werd, het was een lang smal en redelijk dik boekdeel in Folio, met uitgesneden ijvoor bedekt en met lange magere letters geschreven; men vindt ’er afbeeldingen in van Bacchus feesten, Pan’s feesten, potsenmakerijen en meêr andere schandelijke ongerijmdheden van dien aard: in dit feest, dat door deszelfs verregaande ongerijmdheden zeer wel aan zijne benaming beantwoordde, speelde ook een Ezel, te weten een viervoetig dier, eene voorname rol; andere op twee beenen waren ’er met menigte bij.
Onder meêr anderen is hier ook een voorname fabriek van het geen men in Frankrijk Velours d’Utrecht noemt, en dat zeer veel gebruikt word, om Meubilen, Rijtuigen, enz. te bekleeden: deze fabriek schijnt uit een der voornaamste steden in ons Vaderland herkomstig, en misschien is zij ’er, zoo als meêr anderen, thans wel in verval.
De Waterhorologies (Horloges d’eau) die men zelfs tot in Asia en America verzendt, worden hier gemaakt.
Buiten de stad zag ik verscheidene vruchtbaare moestuinen en boomkweekerijen; als ook eene fraaije algemeene wandelplaats. Men rijdt over een brug over de Yonne, die langs deze stad stroomt. In deze landstreek zijn veel wijnbergen, en hier en daar nog al boomen. Wij ontbeten te Villeneuve le Roy, thans Villeneuve sur Yonne, een klein stadje aan den oostelijken oever van die rivier, niet onaangenaam gelegen; het heeft aanmerkelijke Leêrlooijerijen, en het leder maakt een voornamen tak van zijn’ handel uit. Op den weg naar Joigny ziet men nog altijd verscheidene heuvels met wijngaarden beplant; de wijn is een voornaam voortbrengsel van dit land. Weldra bespeurde wij de stad Joigny7, en eene vlakte zoo ver het oog kon reiken. De voorstad St. Michel, is zeer aangenaam aan de Yonne geleegen, en maakt een fraaije kaai; ’er staan verscheidene gnappe huizen en een groot en schoon gebouw, zijnde eene cazerne, daar voorheen veel krijgsvolk zoo te voet als te paard in gelegd werd. Die kaai pronkt ook met twee prachtige en sierlijke ijzeren hekken, een derde is aan den opgang van de brug. Op de fraaije steenen brug, die door agt boogen ondersteund word, heeft men een verrukkend gezigt. Bonaparte kwam ’er over, toen hij zegepralende uit Italiën te rug keerde, en men heeft toen op dezelve een’ houten eereboog opgerigt die ’er nog staat. Het stadje, dat niet groot is, maar zeer welvarende, drijft, zoo het schijnt, veel handel in koorn, daar het de stapelplaats van is, en van een soort van laken, dat ’er gemaakt word. Voorheen was het een Graafschap.
Het dorpje Avrolles, daar wij doorreden, leverde een deerlijk schouwspel op; 112 huizen en de kerk waren er den 25. der laatst afgeloopen Maand, door de onvoorzigtigheid van een der Inwoonders, afgebrand. Eer wij hier aankwamen, wees men mij het begin, dat men gemaakt had met het kanaal van Bourgondiën te graven. Het stadje St. Florentin op dezen weg gelegen, leverde niets merkwaardigs op; de grond hieromstreeks kwam mij niet zeer vruchtbaar voor. De wijnbergen en heuvels werden meer verheven. Dit plaatsje echter herinnerde ons aan St. Florentin, daar na Hertog de la Vrilliere, die ’er Heer van was, een der verachtelijkste Hovelingen van Lodewijk den XV. Hij kon zich beroemen van veertig duizend Lettres de Cachet uitgegeven te hebben; zijn bijzit Sabathier heeft ’er omtrent wel negen en dertig duizend van verkocht. Men maakte op hem het volgende grafschrift:
Ci git un petit saint8 qui n’est pas du commun;
Il a porté trois noms, et n’en laissa pas un.
Omstreeks zeven uren kwamen wij te Tonnère: heden hadden wij 13½ post afgelegd, en hielden hier ons nachtverblijf. Dit stadje is schilderachtig gelegen; een kerk op een rots gebouwd, ziet men van verre boven de huizen uitsteken; aan den voet van dezelve is een bron, die zeer overvloedig in water en zoo diep is, dat men schier geen’ grond kan vinden: rondom is eene overdekte gallerij gebouwd voor de waschvrouwen. Niet meêr dan ruim honderd voeten van daar heeft het water van deze bron reeds een stroom gevormd, waar men op een steenen brug, van twee bogen, overgaat. De Marquis de Louvois, Secretaris van Staat, en Oorlogsminister onder Lodewijk den XIV, de schrik der Protestanten, was Heer van dit Graafschap. Wij vonden hier een redelijk goed avondmaal, en de ligging was ook vrij wel; want men heeft in Frankrijk in dit saisoen, alle reden, om te vreden te zijn over de bedden, als het getal der weegluizen zoo groot niet is, dat zij het slapen ten eenenmaal verhinderen. Voor het overige moet men hier met het scherpziende oog van eene Noord-Hollandsche vrouw niet rondsnuffelen, en vooral ook de keuken onbezocht laten. Nu men word hier ook aan gewoon, en dit is noodzakelijk.
Den 18 dezer begaven wij ons ’s morgens om 3 uren weder op reis. Na een eind weegs gereden te hebben, troffen wij vrij hooge heuvels aan; de wagen kon hier niet anders dan zeer langzaam vorderen, en wij verkozen, om te wandelen. Wel dra zagen wij die grootsche en schitterende vertooning, die ieder redelijk mensch met eerbied en bewondering vervult, en die zoo vreemd is voor zeer veel stedelingen. De zon rees statig boven den gezigteinder. De landstreek is hier niet zeer vruchtbaar; wijn is het voornaamste, dat men ’er teelt. Wij zagen hier en daar ook kreupelbosch en woeste onbebouwde streeken. Na twee posten gereisd te hebben, kwamen wij te Ancy-le-Franc. Het stadje ziet ’er ellendig uit; doch even buiten hetzelve ligt een schoon kasteel. Het scheen door de omwenteling niet geleden te hebben. Nicolo del Abate, leerling van Primaticcio, een vermaard schilder ten tijde van François I, heeft verscheidene vertrekken van dit kasteel versierd. Wij hebben het inwendig niet gezien, en vergenoegden ons met de tuinen, die hier en daar nog al aardig zijn aangelegd, te doorwandelen. Achter het huis scheen veel bosch te liggen, en het water ontbrak ’er ook niet; het kwam mij dus voor een aangenaam buitenverblijf te zijn. Voor mij zou het nog aangenamer wezen, wanneer ik het moest bewonen, indien het verder afgelegen was van het armoedige stadje, dat ’er voorheen aan behoorde, ten zij ik in staat was, om het lot van deszelfs inwoners te verbeteren. Thans behoort het kasteel aan de familie van Louvois, van hetzelfde geslacht daar ik hier van gesproken heb, en word door een vrouw van dien naam bewoond, ik weet niet of het de laatste vrouw en weduwe is van die Louvois, die te Parijs om zijn gaauwdievenstreeken bekend was9. Dit onder anderen verdient als een staaltje van het edel gedrag van een voornaam Fransch edelman aangeteekend te worden. Louvois had geld noodig, zoo als hem wel eens meêr gebeurde. Juist was de Courtenvaux, zijn oom, van wien hij moest erven, ziek, hij gaat zijn’ dood bekend maaken aan een man, van wien hij £ 30,000—wilde leenen, voorwendende dat hij dit geld noodig had voor de rouwkleeding, enz. overeenkomstig zijn’ staat. Men belooft hem de som, vragende slechts twee uuren tijd, om hem die te bezorgen. Daar hij zelf overtuigd was, hoe weinig staat men op hem maakte, begreep hij zeer wel, dat men in dien tusschentijd onderzoek zou doen. Hij loopt dan naar het Hotèl, waar zijn oom woonde; zendt den Zwitser onder het een of ander voorwendzel om een boodschap, gaat in de loge10, trekt het livrei aan, doet de sjerp om, en wachtte zoo, tot dat de tijd die men hem bepaald had, bijna verloopen was, en ieder, die naar den Heer de Courtenvaux vroeg, werd terug gezonden met deze boodschap: ”Hij is kwartier over tweeën gestorven.” Hier door bereikt de fielt zijn oogmerk; de gevraagde som word hem toegeteld, en ’s anderen daags verneemt men, dat de Courtenvaux welvarende was; en Louvois, die zeer wel wist, dat hij door zijn oom onterfd was, lagchte des te meêr in zijn vuist, wijl hij zich verzekerd hield dat hij de geleende som nimmer terug zou kunnen geven.—wat zegt gij, Vriend! zou Cartouche het wel beter hebben kunnen overleggen?
Voort reizende vonden wij wel verscheidenheid van gezigten, hier en daar zijn zij zelf schoon, doch de landstreek is veeläl woest en onvruchtbaar. Te Aisy sur Armançon zagen wij in het voorbijgaan de ijzersmelterijen van den vermaarden Buffon. Het ijzer word uit de mijnen hier omstreeks gehaald, en deze smelterijen leverden ’s jaarlijks omtrent acht maal honderd duizend ponden ijzer; en men verzekert, dat zij den eigenaar veel geld opbragten. Het kasteel van Montbar op eene aanzienelijke hoogte gelegen, vertoonde zich vervolgens aan ons gezigt, (zie de hier bijgaande afbeelding); wij moesten in het stadje van dien naam, aan den voet van den berg gelegen, het middagmaal houden. Ik had dus den tijd, om het te zien, en om op den berg, daar het kasteel ligt, te klimmen. Die Schrijver van de Natuurlijke Historie, vooral om zijn schoonen stijl beroemd, is in deze plaats den 7 September 1707 gebooren, en in 1788 begraven. Hij was een werkzaam man, zelfs tot op ’t laatst van zijn leven, en niettegenstaande hij door den steen dikwils vreesselijk leed; maar teffens was deze groote man in sommige opzigten zeer beuzelachtig: zelfs in zijn hooge jaren, en al was hij onpasselijk, liet hij zich dagelijks het haar in papillottes11 zetten en branden; veeltijds liet hij zich tweemaal op een’ dag kappen, en was ’er zeer opgesteld, dat dit met de vereischte zorg en oplettenheid geschiedde. Hij hield zich ook nu en dan gaarne met buurpraatjes bezig, en wist door zijn’ kapper en anderen alles, wat ’er in Montbar in de huisgezinnen en onder de ingezetenen omging. De Buffon was een Franschman; was hij een Hollander geweest, men zou nog meêr reden hebben, om zich hier over te verwonderen.
Montbar.
Het kasteel is een oud gebouw, en zag ’er zoo wel als de tuinen en toegangen tot hetzelve vervallen uit. Het woonhuis, waar de geleerde Natuuronderzoeker zijn Verblijf hield, ziet men in een straat van het stadje. De vrouw uit de Herberg, waar wij aten, was kamenier in het huis van de Buffon geweest en wilde wel praten: ik had dus gelegenheid, om mij over hem te onderhouden, en zij bevestigde dat, wat ik u hier wegens zijn geaardheid verhaal. d’Aubenton is ook van Montbar12; het stadje behoorende tot het Departement la Côte d’Or ziet ’er niet zeer gunstig uit. Het riviertje de Brenne stroomt ’er door, en ’er ligt een steenen brug over. De hondslederen handschoenen, die men hier maakt, hebben nog al eenigen naam. In de omstreek zijn ook eenige marmergroeven, en men teelt ’er wijn.
In de stad wandelende zag ik een aankomend jongetje aan de deur zitten, bezig met maliën om rijgsnoeren te maken, dat hier ook een fabriekje schijnt te zijn. Ik ondervroeg het kind hieromtrent een en andermaal, doch kreeg geen antwoord; hier over te onvreden, was ik gereed om mijn misnoegen aan hetzelve te kennen te geven, toen de moeder uit het huis kwam, en mij zeide, dat het ongelukkig kind stom en doof geboren was. Weldra veranderde de gemelijkheid in aandoening; ik vroeg haar, waarom zij niet trachtte, om het zoontje in de School van Dooven en Stommen te Parijs te bezorgen, doch de goede arme vrouw antwoordde op eenen teederen toon, dat zij bang was, dat het mishandeld zou worden, en hoe zeer zij hard werk had, om aan den kost te komen, het echter niet gaarne zou verlaten.—Buiten Montbar wordt de landstreek hoe langer hoe woester, doch levert daarom geen onaangenaame vertooning op; van de aanmerkelijke overblijfsels van een oud kasteel, dat ik hier op eene rotsachtige hoogte zag liggen, wist niemand van het gezelschap mij eenig bijzonder narigt te geeven. De grond was hier als bedekt met sprinkhanen die geduurig voor de voeten met geheele zwermen opvlogen; de vleugels waren schoon rood. In ’t voorbijgaan zagen wij Semur, een stad op een hooge rots aardig gelegen; het riviertje d’Armançon stroomt aan den voet. Men zeî mij, dat deze rots bestond uit rood graniet, bekwaam om gepolijst te worden. Men vindt hier ook veel versteeningen van groote Ammonshoornen, Oesters, Mosselen, enz. De grond hier rondom ziet ’er noch al vruchtbaar uit, en men teelt ’er veel koren. De weg is aangenaam, aan beide zijden beplant. Tegen den avond kwamen wij te Vitteaux, een stadje tusschen verscheidene bergen aan het riviertje de Brenne gelegen, waar wij ons avondmaal en nachtverblijf moesten houden. Hier omstreeks vindt men ook marmergroeven, en bij het inkomen eene gemeene wandelplaats. Ik doorliep het plaatsje, maar zag ’er niets bijzonders. Heden hadden wij 9½ post gereisd. Ons avondmaal was vrolijk: onze Wijnkooper van Beaune liet zich nu en dan eens gelden, en wij waren over onze Herberg nog al wel te vreden.
Den volgenden morgen, 19 dezer, vertrokken wij weder om drie uren; dit scheen het algemeen bepaalde uur. Een’ vrij hoogen berg over moetende (want hier kan men het al bergen noemen) gingen wij te voet. Op de hoogte vonden wij het zeer frisch, zoo dat het zelfs eenigzins hinderlijk was. Het begon dag te worden, en wij zagen niet ver van den weg een Telegraaf, die opgerigt, was om de Armée de Reserve, die hier omstreeks lag, met die van Italiën gemeenschap te doen hebben: thans maakt men ’er geen gebruik meêr van; van deze plaats, de verhevenste van de geheele streek, zag ik de eerste stralen der zon een schilderachtig schoon landschap beschijnen.—Een eindweegs verder zagen wij aan onze rechterhand het aanzienelijke kasteel Sombernon voorheen bewoond door de Hertogen van Bourgondiën. Onze Rentenier van Dyon deed mij hier als iets in der daad bijzonders opmerken, dat de drup of het water van het dak op dit kasteel, aan den eenen kant door de Brenne in de Yonne de Seine, en vervolgens in den Oceäan; en aan den anderen kant door de Ouche in de Saone in de Rhone en vervolgens in de Middellandsche Zee loopt. De landstreek blijft aanhoudend schilderachtig schoon; hier ziet men bosch, daar barre en hooge rotsen, en daar zijn dezelve weder geheel groen door de menigte palm en andere struiken, die ’er op groeijen. Hoe meêr wij Dyon naderden, hoe meêr wij bevonden, dat de Natuur hier eene eenigzins ontzaggelijke houding aanneemt; de rotsen zijn hoog en hier en daar steil; zij hellen zelfs op sommige plaatsen over den weg, die ’er digt langs loopt, heen. Wij kwamen voorbij een vrolijk gelegen dorpje, rondom meestal met allerlei vruchtboomen beplant; dit is de vruchthof van Dyon en levert zeer veel ooft aan de stad. De Bisschop van Dyon had hier zijn buitenplaats, en dit bewijst genoegzaam, dat het een aangename en vruchtbare landsdouw is. Verder zagen wij de nog aanzienelijke overblijfsels van dat Carthuizer klooster, om deszelfs pracht en weelde, om zijne paleizen en bekoorlijke tuinen zoo vermaard; en deze tempel der wellust werd, tot aan de omwenteling, door een soort van Monniken bewoond, die van vele, om hunne voorgewende godsvrucht en zedigheid, met den uitersten eerbied behandeld werden. Wat men ook van de Fransche omwenteling zegge moge, in het uitroeijen der kloosters heeft zij het menschdom een’ wezenlijken dienst bewezen. Langs den weg ziet men een gracht (canal) die onvoltooid is gebleven, en die zig tot een goeden afstand van de stad uitstrekt. Niet verre van Dyon begint die keten heuvelen, die om derzelver overvloed van goeden wijn la Côte d’Or genaamd wordt; de stad vertoont zich met hare fraaije spitze torens, op eene bevallige wijze, (de hier bijgevoegde aftekening zal ’er u een duidelijk denkbeeld van geeven.) Wij kwamen ’er in door eene fraaije poort, die nog niet lang gebouwd scheen, en namen onzen intrek in het Hôtel de la Galère, nadat wij van onze vriendelijke reisgenoten afscheid genomen hadden. Het speet mij in der daad, dat wij niet langer bij elkanderen bleven. De Priester vooral was een man, die kunde en smaak met een beminnelijke geaardheid scheen te vereenigen: men bespeurde aan hem in ’t geheel, die onaangename gebreken niet, die zoo dikwijls aan lieden van dien stand eigen zijn; hij was vrolijk zonder losbandigheid, zedig zonder gemaaktheid, en kundig zonder verwaandheid; daar bij scheen hij zeer verdraagzaam en redelijk zoo omtrent Godsdienstige als Staatkundige gevoelens. Het geen, mijns bedunkens, tot dit alles zeer veel had bijgedragen, was, dat hij uitgeweken zijnde zich zeer lang in Engeland had opgehouden, en daar, bijzonder door de Protestanten, op de menschlievendste en vriendelijkste wijze was behandeld geworden. Met dankbare aandoening sprak hij hier van, en ik ben wel verzekerd, dat deze achtingswaardige geestelijke, waar hij ooit eenigen invloed moge hebbe, nimmer gewetensdwang of vervolgzucht dulden zal.
Zie daar, Vriend! een’ vrij langen Brief, in eenen volgenden zal ik u over deze stad, waar omtrent ik reeds het een en ander heb aangeteekend, nader onderhouden.—Vaarwel!
1 De gebeurtenis, die aanleiding gaf tot het Blijspel van Collé La partie de chasse de Henri IV. is hier omstreeks voorgevallen, Michau was Molenaar te Lieursaint; dit stuk is, meen ik, ook in ’t Nederduitsch vertaald.
2 Zoo noemt men de Bourgondiërs, om de ronde en gulle inborst, die men hun toeschrijft.
3 Meaux alwaar de welsprekende Bossuët Bisschop was, behoort tot dit Departement. In de stad en omtrek van Meaux wonen zeer veel Protestanten.
4 Dit geval heeft aanleiding gegeeven tot de partijen der Bourguignon’s en Armagnac’s, die zoo veel bloeds aan Frankrijk gekost hebben.
5 Hij was de Vader van Lodewijk de XVI.
6 Hij is bekend voor de oudste der goede schilders in Frankrijk, bijzonder ook om het vermaarde stuk van het laatste Oordeel, dat te Parijs op het Museum hangt, en waar van de gedrukte plaat een der grootste prenten is, die men kent. Zij is gegraveerd door Pieter de Jode, een Antwerpenaar en vermaard Plaatsnijder.
7 Picard bekend auteur en acteur te Parijs, heeft een stuk gemaakt onder den naam van le Collatéral ou la Diligence à Joigny, dat zeer aardig is.
8 Hij was kort en dik.
9 Een van de vrouwen van Louvois was een Hollandsche, ik meen de Baronnesse de Huffel genaamd.
10 Vertrekje van de portier of Zwitser aan de ingang van een Hotèl.
11 Ik ken hier geen Nederduitsch woord voor, en het was te wenschen dat alle diergelijke Fransche modeprullen onder ons geheel onbekend waren.
12 Die goede man hield zich in zijn ouden dag, benevens zijne vrouw, bezig met het lezen van bijna al de Romans, die ’er uitkwamen.
Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.
