Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805
Tweede brief
Lyon, 26 Julij.
Eergisteren ben ik hier aangekomen, en vervolg mijn reisverhaal, zoo als ik u in mijn vorigen, gedagteekend uit Dyon, beloofd heb. Die stad is mij bijzonder wel bevallen, zoo om de aangename ligging, den overvloed der levensmiddelen, als om de orde en zindelijkheid die ’er plaats heeft. Bij ons zou men ’er ten dezen opzigte in ’t geheel niets ongewoons vinden; doch voor Frankrijk moet het als, iets bijzonders in ’t oog loopen. Dyon was voorheen de Hoofdstad van het Hertogdom van Bourgondiën, thans is zij het van het Departement van de Côte d’Or; de Prefect houd ’er zijn verblijf, en ’er is een Tribunal de première instance. De weg van Parijs tot Dyon, zoo als wij die genomen hebben, is 38¾ posten. Aan den Conducteur van den wagen gaven wij volgens gebruik £ 3–:–: de persoon drinkgeld, en aan de postillons geeft ieder doorgaans 2 sols van het eene Posthuis tot het andere: voor het gemak laat men dit door den Conducteur verschieten, het geen ook omtrent op denzelfden prijs uitkwam.
Dijon.
De poort, waar wij in gekomen waren, scheen mij bezienswaardig. Onze Herberg was ’er niet ver van daan, en ik was dan naauwelijks van den wagen afgestapt, of ik ging dezelve bezigtigen. Het is een fraaije eereboog van wit gehouwen steen, in het begin van de Omwenteling voor de Vrijheid opgerigt, zoo als het opschrift boven dezelve aanduidt. Zij wordt dan ook nog la porte de la Liberté genaamd. Aan den binnenkant, en aan beide zijden, leest men op steenen tafelen: ”Les droits de l’homme reconnus le 30 Septembre l’an I. de la Liberté (1739) etc.”1 De basreliefs hier op toepasselijk zijn van den Beeldhouwer Attiret, in dit Departement geboren, en kort voor onze aankomst gestorven. Even buiten deze poort ziet men een’ fraaijen tuin in den Engelschen smaak aangelegd, en die thans ook voor een gemeene wandeling strekt: men noemt denzelven le Jardin de l’Arquebuse; bij ons zou men het de Schutters Doelen noemen. Het merkwaardigste, dat ik daar zag, was een populierboom van eene zeer ongemeene dikte, men kan hem op de hoogte van de schouders naauwelijks met vier persoonen omvatten: onder aan den grond is hij nog veel dikker, en daarbij zeer hoog, en zwaar van takken, doch in de toppen is al veel dood hout, en mij dunkt, dat men wel zou, doen om hem intekorten, ten einde door dit middel eene zoo aanzienelijke gedenkzuil der Natuur nog langer in wezen te houden.—Een oude boom heeft voor mij iets eerwaardigs, en ik zie dien veel liever dan zoo vele gedenkteekenen voor de dwinglandij of het bijgeloof opgerigt, die niets merkwaardigs opleveren—dan oudheid.
De Hoofdkerk is een fraai gebouw, inzonderheid de spitse toren, die door deskundigen voor een meesterstuk gehouden word. Deze kerk is onlangs van binnen nieuw opgemaakt; men was ’er zelfs nog aan bezig, alles werd dan ook zeer net en sierlijk opgepronkt. Behalve deze zijn ’er nog twee andere kerken, waarvan men de fraaije en prachtige bouworde bewonderd; zij zijn ook van binnen ter deeg mooi gemaakt.
Hoewel ik weet, dat gij even zoo min als ik een liefhebber zijt van al dat heilige poppenspel, moet ik u toch het een en ander vertellen van de voorheen hier zoo vermaarde heilige Kapel (la sainte Chapelle). Deze wierd door Hugues, de derde Hertog van Bourgondiën, in 1172, gebouwd, en is dus nog al tamelijk oud. In 1430 zond Paus Eugenius de Vierde aan Philippus, zeer ten onregte bijgenaamd, de Goede, Hertog van, Bourgondiën,2 de beruchte wonderdadige hostie. Deze Paus scheen het zoo wat bont te maken, want met zat hem hevig in het vaarwater, en ten gevolge van dien werd hij ook door de kerkvergadering van Bazel, in 1439, afgezet, uitgescholden voor een handeldrijver in geestelijke zaken (Simoniet), meineedigen, onverbeterlijken ketter, kortom voor al wat leelijk was, en Amadeus Hertog van Savoyen, werd door die zelfde kerkvergadering in zijne plaats aangesteld.—Men leefde toen ook al aardig met de Pausen.—De Hertog van Epernon gaf vervolgens een gouden kist met edele gesteentens omzet, waar de heilige ouwel in bewaard moest worden, (deze Hertog was toen Gouverneur van de Provintie Bourgondiën) en eindelijk voegde Lodewijk de XI. Koning van Frankrijk ’er zijne kroon bij. Als men dezen ouwel ten toon stelde, werd dezelve in een gouden zon gezet, die een en vijftig mark woog: de kroon van Lodewijk de XI. plaatste men ’er dan boven op; of dat ook keurig mooi geweest moet zijn. Ik zeg van al die fraaijigheden niets meêr; want de geheelen boêl was opgeruimd, en de kerk is gedeeltelijk afgebroken. Naar men mij verzekerde moest ’er een Schouwburg van gemaakt worden.
Nu ’er zijn ook kerken genoeg in Dyon, en een Schouwburg heb ik ’er niet gezien. Van een andere kerk heeft men een Korenhal gemaakt; want men begrijpt nu, dat diergelijke gebouwen in eene wel ingerigte maatschappij ook noodzakelijk zijn. Behalve de kerken was ’er in deze stad ook een menigte kloosters. Het bijgeloof, en dus ook de onverdraagzaamheid, hadden ’er vrij wat invloed. Men heeft ’er dan ook begonnen met de Protestanten te vervolgen. De Maarschalk van Frankrijk Tavannes, vertrouweling van Karel den IX. en een van de voorname bewerkers van den rampzaligen St. Bartels nacht, speelde hier toen ook de eerste rol. Het Paleis, dat men voorheen le Palais de Condé noemde, omdat die Prins Gouverneur was van de Provintie, is een prachtig gebouw. Het pronkt met een fraaije colonnade en ijzer hek: voor hetzelve is eene ruime plaats in de gedaante van een halven cirkel, en rondom geregeld met huizen bebouwd. Men gaat door bogen in de straten, die ’er op uitkomen. Midden op deze plaats stond voorheen het beeld van Lodewijk de XIV. te paard. In dit Paleis vergaderden de Staten van Bourgondiën alle drie jaren, doorgaans in de Maand Mei: zij bestonden uit de Geestelijkheid, den Adel en den derden Staat. De Maire van de stad Dyon was altijd Voorzitter van den laatsten. Deze vergadering duurde gemeenelijk veertien dagen, en men hield die met veel pracht en uitwendige vertooning. ’Er was volk genoeg, want zij bestond doorgaans uit 450 persoonen. Hunne voorname werkzaamheid was het regelen van de belastingen, daar de Geestelijken en de Adel, die het meeste te zeggen hadden, geen duit in betaalden; het ging dan daarmede zoo als het spreekwoord zegt: “van een anders leder is het goed riemen snijden;” en het is dus ook geen wonder, dat de derde Staat, eindelijk deze onregtvaardigheid, die overal in Frankrijk plaats had, moede wordende, zijn misnoegen daar over op eene gevoelige wijze heeft getoond, en de goederen van die kwaadbetaalders, die daar bij nog zeer ongemakkelijk waren, heeft aangesproken voor de achterstallige schuld: en ik geloof, welk regt die zoogenaamde groote sinjeurs ook vermeenen te hebben, om zich deswegens bezwaard te achten, dat, wanneer een nauwkeurig Hollandsch boekhouder de rekening eens opmaakte, zij nog een aanmerkelijke som ten achteren zouden zijn. De zaken zijn nu geheel van gedaante veranderd—en wij willen hopen, dat het daar door beter zal gaan. De onderscheidene regtbanken van dit Departement houden thans zitting in dat voormalig Paleis van Condé. Daar het openstond ging ik ’er in, en verder in een zaal, waar de Crimineele Regtbank zitting hield, en waar men bezig was met een vrouw te verhooren, die beschuldigd werd van eenige goederen gestolen te hebben. Het was na den middag, en een van de Regters, misschien gewoon, om op dien tijd een dutje te doen, zat gerust te slapen.—Aan den ingang van de zaal las ik, dat van de toehoorders de mannen zich aan de eene, en de vrouwen zich aan den anderen kant moeten plaatsen. Voor iedere sekse was dan ook eene bijzondere plaats met een balie afgeschoten, zoo dat de eerbaarheid hier wel in acht schijnt genomen te worden. In het afgaan bewonderde ik den fraaijen trap. Onder in dit gebouw staan verscheidene kramen met prenten, boeken en andere waren, en achter aan hetzelve is nog een oude toren die boven het dak uitsteekt, men zeide mij, dat het nog een overblijfsel was van het oude Hertoglijke Paleis.
De Stad verder doorwandelende zag ik verscheidene schoone huizen; de straten zijn veelal ruim; de wallen met boomen beplant, leveren eene alleraangenaamste wandeling op, en men heeft van daar eene verscheidenheid van schoone gezigten. De wandeling buiten om de stad is ook zeer vermakelijk, en voor een stad, komt mij Dyon voor, wat de plaatselijke gelegenheid aanbelangt, al een zeer aangenaam verblijf te zijn.
Den 20 dezer regende het aanhoudend, en dat is voor een’ reiziger allerverdrietigst, men kan niet rondloopen, niet wandelen; de Koffijhuizen zijn, dan vooral in plaatsen daar men geen Schouwburg of andere openbare vermakelijkheden heeft, de voornaamste toevlucht, wij maakten ’er dan ook gebruik van; men vindt ’er hier verscheiden, en daar onder die zeer net en met smaak zijn ingerigt. Ik las daar onder anderen in een van de Parijssche Nieuwsbladen eene beschrijving van het Feest van laatstleden Zondag, en hoe de Keizer en Keizerin, toen zij in staatsie door den tuin van de Tuillerien reden, door de menigte van alle kanten waren toegejuicht. Daar zag ik al weder, hoe weinig men op zich zelven staat kan maken; want ik was bij dezen optogt geweest en had niets anders dan het geschreeuw van eenige weinige menschen, (men zeide dat het Militairen waren) digt bij het kasteel van de Tuillerien, gehoord. Het was, meen ik, bij gelegenheid dat hunne Keizerlijke Majeiteiten aftraden en in het Paleis gingen. Even te voren, mij onder een grooten hoop menschen, ter plaatse, waar de optogt voorbij ging, bevindende, hield bijna ieder een den hoed op. Iemand, die daar bij stond, en die ik, naar zijn kleeding te oordeelen, voor een voornaam man hield, scheen deze onbeleefdheid niet te kunnen dulden, en riep: Chapeaux bas, (de hoeden af) doch men toonde zich misnoegd en morde over deze herinnering, zonder daaraan te gehoorzamen, het geen ik in ’t geheel niet overeenkomstig vond met de Fransche wellevendheid.
In dit Koffijhuis vernam ik teffens, dat ’er een Museum in deze stad te zien was. Na den middag gingen wij daar na toe, het is ook in het voormalig Paleis van Condé; men ziet ’er in eenige zalen verscheidene schilderijen, waar onder ’er twee Veldslagen van den beruchten krijgsman zijn, bekend onder den eernaam van le grand Condé. Tusschen twee haakjes; in zeker opzigt heb ik nog al eenige overeenkomst met dien man,—hoe zoo? zult gij vragen,—wel hij was zoo wel als ik met de jicht gekweld, zoo zelfs, dat hij in 1676 voor het opperbevel van het leger moest bedanken. In een andere zaal zijn de beelden meestäl afgietsels, en eenige kopijen van marmer; deze dienen bijzonder voor de teekenschool, die ook in dit gebouw is. Zoo de kweekelingen in het vak der beelden al iets mogten te kort komen, de natuur levert in deze streeken de heerlijkste toonelen op voor den landschapschilder. In eene volgende zaal ziet men eenige oudheden, als toiletdoozen, messen, vorken, een brieventas enz. welk tuig afkomstig is van de eerste Hertogen en Hertoginnen van Bourgondiën, naar men mij verzekerde; nu men kon ook wel zien dat het van daag of gisteren niet gemaakt, maar verscheidene modes ten achteren was. Ook zag ik ’er den knop van den Bisschoppelijken staf, benevens een ring en gordelgesp van den eersten Abt van de vermaarde Abdij van Citeaux. Van meêr belang voor den konstminnaar, vond ik een aantal marmeren beeldjes, ieder ongeveer ander half voet hoog. Zij verbeeldden Carthuizer Monniken, in onderscheidene houdingen; deze beeldjes hadden gestaan, om de prachtige marmeren graftombes van de Hertogen van Bourgondiën, in het koor van de Kerk der Carthuizers, waarvan ik reeds gesproken heb, en welke tombes in het begin van de omwenteling zijn gesloopt. Regt fraai zijn die beeldjes gewerkt, en de uitdrukking, die ’er in hunne gezigten plaats heeft, trekt vooräl de aandacht. Ik zag hier ook nog een klein stukje agter een glas in een lijst, het was van was geboetseerd, en verbeeldde een half verrot lijk. Men had ’er een gordijntje voor gehangen, om dat het ’er zoo afzigtelijk uitzag. Onze geleider meende, dat het iets tot de geschiedenis van het huis van Bourgondiën behoorende, moest voorstellen; maar het regte wist ’er de sukkelaar ons niet van te zeggen.
Den 21 ging ik ’s morgens vroeg in den aangenaamen Tuin van de Arquebuse wandelen, en mijn ouden populierboom bezoeken: geen koord of andere meet-instrumenten bij mij hebbende, mat ik de dikte van den stam, onder aan den grond, door mijne voeten rondom dezelve, den een voor den anderen te zetten, en telde op deze wijze acht en dertig zulke voeten;—Welk eene aanmerkelijke dikte!—De grond schijnt hier goed voor het houtgewas, ook naar de andere boomen en struiken te oordeelen. Voorbij een Seringe-struik komende, werd ik een zeer onaangenamen reuk gewaar, bijna als die van een hok, waarïn leeuwen, tijgers of diergelijke opgesloten zijn; ik wilde hier de reden van weten, en bevond na eenige reizen om den struik, die vrij groot was, gegaan te zijn, en hem naauwkeurig bekeken te hebben, dat ’er midden in een menigte torren zaten, welken ’er de bladeren afknaagden, en dat deze dien onaangenamen reuk veroorzaakten. Ik herinner mij niet van diergelijke insecten meêr gezien te hebben, althans niet levendig: zij hadden een schone ligt groene gouden kleur, en kwamen mij voor te behooren tot de soort van het Vliegend Hart, zijnde smal van lijf met fraaije lange horens. Ik deed ’er een paar van in een papier en nam dezelve mede naar mijn kamer, doch de stank, dien zij verwekten, verpligtte mij om ze weg te werpen. De reuk was zoo sterk, dat men denzelven op den afstand van twee treden van den struik, reeds gewaar werd.
Ik wandelde verder om de stad, en zag onder andere een wijngaard voor een huis geplant, van eene buitengewone uitgebreidheid. De ranken waren over een rooster van latten gespreid om lommer voor het huis te hebben; en dit groene dak was zoo groot, dat ’er wel vijftig menschen op hun gemak onder zitten konden; daarbij was deze schoone wijnstok vol met trossen druiven, Van eene ongemene grootte. Hier en daar om de stad, zag ik ook nog overblijfsels van de oude vestingwerken. Het riviertje l’Ouche stroomt langs Dyon, en ’er legt een fraaije steenen brug over, even buiten de stad; het vormt ook vele aardige partijtjes. Bezat ik de kunst van Ruisdaal of Waterlo, ik zond u ook hier eenige teekeningen van. Het Gasthuis dat men buiten de porte de fer (een ijzer hek) ziet, is een fraai gebouw. Met genoegen zag ik sommige zieken gemakkelijk zitten naast verscheidene Oléanders, Laurustinus boomen en andere welriekende kruiden en bloemen, die men daar in bakken en potten nedergezet had. Bij ons gebruikt men die alleen maar, om de prachtige lusthoven en buitenplaatsen opteschikken, hier hebben zij eene betere bestemming, zij dienen tot verkwikking van arme zieken. Sedert de omwenteling is het bestuur van diergelijke gestichten in Frankrijk veel verbeterd; voor dien tijd had de Geestelijkheid ’er meestal alleen de bestiering over. In ons Vaderland, hoewel wij anders in menschlievendheid en mildadigheid zeer wel tegen de Franschen kunnen monsteren, zou toch, dunkt mij, ten opzigte van de gasthuizen ook nog veel te verbeteren zijn; vooral wenschte ik die buiten de steden in een gezond en aangenaam oord, zoo veel mogelijk, te hebben, en niet al de zieken in eene algemeene zaal, maar in afzonderlijke luchtige vertrekken te plaatsen, ten minste die geenen, die erg ziek zijn; behalve de besmetting, is het gezigt, en dikwijls het gekerm van sommige kranken voor anderen, die minder ziek zijn, allerakeligst; zij zien veeltijds pijnelijke operatien, het afleggen en voorbij dragen der dooden.—Welk een schouwspel! waarom in plaats van die groote zalen, zijn de gasthuizen niet zoo als onze hofjes, rondom met vertrekjes, een plaats in het midden, en het gansche gebouw omringd met bevallige tuinen, met fraaije en geurige bloemen en planten, lommerijke lanen, vruchtrijke boomgaarden enz. Het is immers zoo verkwikkelijk voor een zieke, die begint te herstellen, als hij het ziekbed, daar hij weken, en somtijds maanden aan gebonden was, kan verlaten en in de vrije lucht de vrolijke en bevallige natuur aanschouwen, en met dankbare aandoening aan den Schepper en Onderhouder van dezelve denken.
In en om deze stad, zag ik verscheidene daken en torens met pannen van onderscheidene kleuren belegd; men maakt ’er ruiten en andere figuren mede, zoo als men wel op de vloertapijten ziet; dit staat niet onäardig.
De Bibliothekaris der Bibliotheek van het Lycée, is een zeer vriendelijk man; hij sprak met veel lof van onze Hollandsche geleerden, als Grotius, Boerhave, enz. Ik zag die Bibliotheek terloops in; het kwam mij voor, dat dezelve eene aanmerkelijke verzameling boeken bevatte; ’er waren ook eenige borstbeelden van voorname mannen, als Piron, Crebillon, Buffon, Voltaire en meêr anderen. De Beeldhouwer Attiret, daar ik u reeds van gesproken heb, is ’er de maker van.
Deze stad is het Vaderland van verscheidene groote mannen, als van den welsprekenden Bossuet, Bisschop van Meaux, daar ik in mijnen vorigen reeds melding van maakte; van den Toneeldichter Crébillon, een edelman, die hier een voornamen post bekleedde; hij voerde de Treurspelen van AEschylus op nieuws in Frankrijk ten Tooneele, nadat hij dezelve op eene regelmatige wijze beärbeid had; zijne stukken zijn nog tegenwoordig in veel achting, en sommigen ’er van worden dikwijls gespeeld; hij werd in 1674 geboren, en stierf in 1762. Piron, door zijne Tooneel- en andere geestige werken bekend, werd hier in 1689 geboren3, als ook la Monnoye, Dichter en Bibliograaf, en de Baron de Longpierre, schrijver van eenige Tooneelstukken, enz. die in 1659 het licht zag. Rameau een van de grootste Fransche muziek-componisten, is ook van Dyon; hij werd aldaar geboren in 1683, en stierf in 1769; hij was Organist van een kerk te Parijs, en heeft het muzijk samengesteld van verscheidene Opera’s;4 zijn uitvaart wierd zeer plegtig gevierd. Dyon heeft dus veel toegebragt tot den luister van het Fransche Tooneel; de inwoonders van die stad, hebben alzoo inzonderheid regt op een fraaijen en goeden Schouwburg, en ik wensch, dat men niet zal dralen, met het plan, om ’er een te bouwen, ten uitvoer te brengen. Menestrier een geleerde oudheidkundige, had ik haast vergeten; die man, welke ook te Dyon in 1555 geboren is, heeft belangrijke aanteekeningen over de medailles nagelaten. Men las eertijds, op een der glazen van St. Medars kerk, het volgend zonderlinge grafschrift, dat op hem gemaakt is:
“Ci git Jean le Menestrier,
l’An de sa vie soixante dix,
Il mit le pied a l’étrier,
Pour s’en aller en Paradis.”5.
Door den aanhoudenden regen verhinderd wordende, om mijne wandelingen buiten voorttezetten, moest ik die tot de stad zelve bepalen. Ik ging het oude slot, dat tegen den wal ligt, digt bij de poort naar den kant van Parijs, bezigtigen; oorspronkelijk schijnt het een Citadel geweest te zijn; naderhand heeft het ook gediend tot een gevangenis, en was tot de omwenteling toe de Bastille van Bourgondiën; ik zag ’er dan ook nog verscheidene holen en gevangenissen.—Wie weet, dacht ik, hoe vele slagtoffers van wareldlijk en kerkelijk geweld hier bittere tranen gestort hebben.—Het ziet ’er thans zeer vervallen uit.—Van den toren aan de achterzijde heeft men een fraai gezigt. Aan den anderen kant van de stad, op de wal, zag ik ook een fraaije danszaal, men noemt die plaats Tivoli.
Hopende op goed weder, bestelden wij rijtuig, om den volgenden dag te vertrekken; want de Postwagen naar Chalons reed ’s nachts, en hier hadden wij geen zin in. Verscheidene lieden van dit land zeiden mij, dat, als het hier eens begon te regenen, het doorgaans eenige dagen duurde; de reden hier van was, willen zij, dat de wolken tusschen de bergen bleven hangen; en in der daad, de toppen der bergen rondom de stad waren sedert een paar dagen door wolken bedekt.
Over onze herberg waren wij wel te vreden, en betaalden £ 3–:–: aan de gemeene tafel, die vrij goed was, en £ 2–:–: voor een kamer met twee bedden. Op de reis hier na toe, hadden wij doorgaans ook £ 3–:–: voor het middag eten, en £ 3–10-: ook wel eens £ 3–:–: voor het avondeten en slapen betaald.
De inwoners van Dyon, hoewel de hoofdstad van het goede wijnland, hadden, dacht mij, over het algemeen, eerder een somber dan een vrolijk voorkomen. Zou de invloed van het bijgeloof hier niet veeläl de oorzaak van zijn? Men begroot het getal der ingezetenen op ruim 20,000. Kousenweverijen en fabrieken van een soort van kanten, speelkaarten en de wijnhandel zijn de voorname takken van hun bestaan; ’er zijn verscheidene leêrlooijerijen; men maakt ’er ook sommige wollesstoffen en confituren, en de mostaart van Dyon, die geheel Frankrijk door beroemd is, zoo als bij ons die van Zaandam of Doesburg, moet ik ook niet vergeten.
1 De Regten van den Mensch, erkend den 30 September, het Eerste jaar der Vrijheid, 1789.
2 En Graaf van Holland, Zeeland en Vriesland. Martinet in zijn Veréénigd Nederland, zegt van hem: “Hij werd met geringen lof bekroond;” en verder van zijn zoon en opvolger sprekende: “Hij gaf den doodsteek aan ’s Lands Vrijheid door het invoeren van vaste soldaten, ’t geen ’s Volks oude dapperheid deed vervallen.”—O mijn Vriend! mogten onze Landgenoten toch de waarheid van dit gezegde duidelijk gevoelen!
3 La Metromanie, een van de beste Blijspelen van het Fransche tooneel, is van dezen schrijver.
4 Castor en Pollux is ’er de voornaamste van, en wordt gehouden voor een classiek stuk der Fransche muzijk van dien tijd.
5 Hier rust Jan le Menestrier, in het zeventigste jaar zijn’s ouderdoms zette hij den voet in den stijgbeugel, om na den hemel te gaan.
Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.
