Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805
Vierde brief
Lyon, 30 Julij.
De schuit, waarmede wij, den volgenden dag, 23 dezer, van Chalons naar Lyon vertrekken moesten, voer eerst ’s middags om twaalf uren af; ik had dus nog tijd, om Chalons doorteloopen, waar ik blijde om was; want het zag ’er hier levendig en vrolijk uit, en beviel mij dus wel. Met genoegen zag ik de puinhoopen van verscheidene Kloosters, die men had afgebroken, hoe zeer dit anders niet sierlijk staat. De overige Kerken schenen niets bijzonders opteleveren. Wij zouden de kermis bij hebben kunnen wonen, als wij een paar dagen vroeger waren gekomen; de kramen en lootsen stonden ’er nog, digt bij de poort, waar men van den kant van Dyon inkomt, en hier naar te oordeelen, scheen zij nog al aanmerkelijk geweest te zijn. Chalons drijft zeer veel handel, voornamelijk in granen en wijn. ’Er zijn ook eenige koussen- en hoeden-fabrieken; men vindt ’er vele welgestelde Ingezetenen. Het getal der inwoners word op omtrent 12,000 begroot. Deze stad en de omliggende landstreek, draagt ook roem op de schoonheid harer vrouwen, en de vriendelijkheid der mannen, bijzonder tegen vreemdelingen; en ik vind dit in het een en ander opzigt niet geheel zonder grond. Onze Hospes, onder anderen, was een allerbeleefdst en vriendelijk man, hoewel wij maar kort bij hem verbleven en geene groote verteringen maakte. De menschen zien ’er ook over het algemeen frisch en gezond uit; kortom, Chalons is een aangename plaats, en Les trois Fesans een goede Herberg. Bij het dorp Presty, niet ver van deze stad gelegen, vindt men loodmijnen.
Deze streek, die voorheen tot de Gaulen behoorde, schijnt bewoond geweest te zijn door een der oudste volkeren op de aarde bekend. Dit althans schijnt zeker, dat de Insubriënsen, wier vestiging in Italië veel ouder is dan de grondslag van Rome, en misschien zelfs dan de aankomst van Enéas in Latium, een deel uitmaakte van de Æduensen, een Volk vermaard in de geschiedenis, en de eerste waar van dezelve melding maakt, als bewonende dat gedeelte van Frankrijk; waar thans de stad Autun, tot dit Departement behoorende, staat; deze stad, die men wil, dat toen Bibracte genaamd was, bezit ook nog verscheidene overblijfsels van oudheden, en ik had wel lust, om die te gaan zien, doch het was wat te ver buiten onzen weg.
Tegen den middag begaven wij ons scheep, na alvorens aan het Bureau (bij den Commissaris) £6–:–:. betaald te hebben voor ieder persoon; dit is de vracht op de beste plaats, een soort van roef, van Chalons naar Lyon. Wij waren met meêr dan zestig personen in en op deze schuit, die men hier la Diligence noemt; behalve nog vrij wat koopmansgoederen en bagaadje. Op de rivier zijnde, levert Chalons, ook eene aangename vertooning op; ik bleef ’er zoo lang mogelijk op turen, en zou verkozen hebben, om boven op te blijven zitten; doch de wind was zoo koud, dat ik het niet durfde wagen. De schippers, op deze rivier, zijn meestal frissche stevige kerels. De opperste van onze schuit werd Patron genaamd; zij spreken onder elkanderen eene taal, die men patois noemt, en die ik niet verstond; hier en daar komen ’er woorden in, die eenige overeenkomst hebben met het Italiaansch. De stroom van deze rivier is niet sterk, en men kan dezelve dus, zonder veel moeite, zoo wel op als afvaren. Wij voeren ze af, en hadden vier paarden noodig, om dat de wind tegen was, op sommige plaatsen is het zoo ondiep, dat wij over het zand sleepten. Daar aan de boorden van de Saone niet veel te zien was, gingen wij het middagmaal houden; hebbende koud vleesch, vruchten en wijn mede genomen. Onder de personen, die zich in de schuit bevonden, troffen wij ook weder onzen Wijnkooper van Maçon aan, met wien wij reeds van Parijs naar Dyon gereisd hadden. Te Tournus, een stadje half weg Chalons en Maçon, zeer aangenaam aan den regter oever van de Saone gelegen, zagen wij eene fraaije brug over die rivier, zijnde onder steen en boven hout; doch in een’ smaak gemaakt, dat men ze op een’ zekeren afstand voor geheel steen zou aanzien. Sedert de 9de eeuw bestond hier een voorname Abdij van Benedictijner Monniken, tot dat de Kardinaal de la Rochefoucauld, die ’er Abt van was, dezelve deed seculariseeren, en ’er een Kanonniken Kapittel van maakte.
Dit plaatsje schijnt nog al eenigen handel te drijven. Niet ver van hier zag ik, aan den oever van de rivier, een Maçonnois boerinnetje, met een aardig klein rond zwart hoedje op, dat de bijzondere mode van dat land is, al spinnende en zingende haar koeijen hoeden. Van Parijs af hadden wij niet anders dan rood rundvee gezien, aan deze kanten is het geelächtig wit.
’s Avonds om half acht kwamen wij te Maçon, omtrent elf Fransche mijlen van Chalons gelegen, en de Hoofdstad van dit Departement, hoewel kleiner en minder bevolkt dan Chalons; waarom de inwoners van die plaats ook zeer te onvreden zijn, dat men aan dezelve de voorkeur niet gegeven heeft; vooral ook, omdat Chalons meêr in het midden van het Departement liggende, beter geschikt schijnt tot eene Hoofdplaats, daar hetzelve het verblijf is van den Prefect en de voorname regtbank van het Departement.
Maçon doet zich op eene aangename wijze op. Zij ligt aan de helling van eene hoogte1, en heeft een fraaije kaai en eene steenen brug, op dertien bogen, over de Saone: door middel van deze brug heeft zij gemeenschap met het Departement de l’Ain; voorheen dat gedeelte van Bourgondiën, dat men la Bresse noemde. Immers, Vriend! hebben onze achtingwaardige Vaderlandsche schrijfsters, E. Wolff en A. Deken, te Bourg, de hoofdplaats van dat Departement, gewoond; en aldaar hare Wandelingen door Bourgondiën geschreven. Met een dankbaar gevoel dacht ik hier aan die kundige vrouwen; zij hebben toch veel tot de verlichting en aankweeking der goede smaak bijgedragen. Hare Sara Burgerhart is geheel oorspronkelijk en vol geest; het is een meesterstuk, en wordt daar zelfs bij vreemdelingen voor gehouden; hoewel het voor hun, wijl zij met de karakters, die ’er zoo natuurlijk in geteekend worden, niet genoegzaam bekend zijn, die waarde niet kan hebben, die het voor ons heeft. Het is in het Fransch, en zoo ik mij niet bedrieg, ook in het Hoogduitsch overgezet.
Terwijl het nog licht was, wandelde ik langs de kaai, want dit is het voornaamste, dat hier te zien is. Op hetzelve staan fraaije gebouwen, en onder anderen een welgebouwd Stadhuis; in een van de vleugels is de Schouwburg. Inwendig beteekent de stad niet veel; zij is onregelmatig gebouwd, en de straten zijn naauw. Op de brug, die 300 treden lang en 6 breed is, heeft men een allerliefst gezigt op de rivier, en bijzonder op een bevallig gelegen eiland. Het is aangenaam beplant, en ’er is een weide op, die bij zekere gelegenheden dient tot de viering van Feesten. Zeker Fransch schrijver, die ’er toch ook al uitermate door verrukt moet geweest zijn, zegt: “Cest un vrai tableau de l’Albane, Cette île enchanteresse semble jetée sur le globe, pour être digne de contenir également le temple des Dieux, les danses des mortels et le tombeau des grands hommes. l’Imagination les lui prête, quand l’œil la considère, et tout homme devient poète, s’il touche à ses rives parfumées.”2
Op mij heeft het die uitwerking niet gehad, en ik heb meêr dan eens in ons Vaderland plaatsen gezien, die ik bekoorlijker vond, dan deze. Oordeel zelve uit het gezigtje, dat ik u hier bij zend, en dat wel gelijkende is.
Onze reisgenoot, de Wijnkooper, liet niet af, of wij moesten bij hem komen, en hij deed ons van zijn besten wijn drinken. Hij had een gnap huis, en ruime kelders; en pakhuizen, die wij van den eenen kant tot den anderen moesten doorloopen. De wijn van Mâcon is smakelijk, en wordt voor gezond gehouden; deeze stad drijft daar in dan ook veel handel, vooral met Parijs en Lyon; en deze twee steden gebruiken ’er een aanmerkelijk gedeelte van. Wij hadden onzen intrek genomen au grand Hotèl du Sauvage, alwaar wij s’avonds aan tafel zittende, zeer lastig gevallen werden, door verscheidene koopvrouwen in messen, scharen en diergelijk tuig, dat voornamelijk te Moulins, hoofdplaats van het Departement ’Allier, voorheen le Bourbonnois, gemaakt wordt. St. Louis in 1248 vertrekkende, om een’ kruistogt te ondernemen, kocht in ’t voorbijgaan het Graafschap Mâcon. Van de vermaarde Abdij der Benedictijner Cluny, voorheen een der aanmerkelijkste van Frankrijk, en niet verre van deze stad gelegen, zal ik u niets anders zeggen, dan dat hunne Boekerij, die aanzienelijk was, en waar onder werken van waarde, door de Protestanten in de 16de eeuw verbrand werd. Deze verkeerde ijver heeft eene aanmerkelijke schade aan de letterkunde toegebragt; want men moet tot lof van de Benedictijnen zeggen, dat zij de wetenschappen beoefenden en bewaarden, toen die voor een groot deel der wereld verloren waren.
Maçon.
Den 24 dezer, ’s morgens om vijf uren, verlieten wij Mâcon; over ons Logement waren wij wel te vreden; het is een groot en fraaij gebouw, ’er zijn zelfs baden in. Behalve onzen Wijnkooper, was ’er nog een ander tamelijk bejaard Heer uitgegaan, met een Dametje, die ’er onder weg was ingekomen, en welke, ’er vrij galant uitzag. De Heer, die een sukkelaar scheen, had ons wel verteld, dat hij te Lyon, waar hij van daan kwam, een proçes, en onder weg zijne beurs had verloren; hij had ook gisteren zijn horologie op een bank, beneden in de schuit, laten liggen, en was naar boven gegaan; doch iemand die het vond, was eerlijk genoeg, om het hem wederom te geven; en dit een en ander leverde stof op tot een gesprek, over de onachtzaamheid van dezen man; doch mêer wisten wij noch de meeste andere reizigers niet van zijne omstandigheden af; doch eene vrouw, die te Mâcon, en met onzen onachtzamen man, bekend scheen, en ook den vorigen dag veel met hem gesproken had, verhaalde ons nu, dat hij niet alleen het ongeluk had van zijn proçes en zijne beurs te verliezen, maar dat hij bovendien zijne vrouw, die eenigen tijd geleden, met een jong Officier was weggeloopen, in deze schuit wederom gevonden had; zijn vrouw was dat Dametje, dat ’er onder weg ingekomen was. Een ander persoon, die ook te Maçon bekend scheen, bevestigde het gezegde van die vrouw, en wij herinnerden ons nu wel, dat het Dametje boven op de schuit zijnde, zeer vrolijk en spraakzaam was, doch zoodra zij beneden kwam, waar onze ongelukkige zat, stil en afgetrokken scheen. Doch beiden hadden echter zoo wijs geweest van zich stil te houden, zoodanig, dat het gezelschap van de verwijdering, die ’er tusschen hun plaats had, niet gewaar werd, uitgenomen de twee lieden, die hun kenden, en het ons daar na verhaalden. Nu werd ’er op rekening van die lieden, en vooral van de vrouw wat afgedaan; en dit gaf niet weinig aanleiding tot lagchen en spotten, want de Franschen van de zoogenaamde bon ton, of die ze naäpen, vooral die van Parijs of van de groote steden, achten de huwelijkstrouw eene loutere beuzeling, vinden het onwellevend en gemeen, om daar eenige waarde aan te hechten, en scheren ’er dus gaarne de gek mede; ieder kraamt dan zijne geestige trekken uit. Zelfs op de voorname Tooneelen van Parijs, daar men zoo naauw gezet schijnt omtrent het welvoegelijke, maakt men de huwelijkstrouw gedurig bespottelijk. In de volksliederen, die men aan alle hoeken van de straten hoort, en in de prenten, die men openlijk te koop ziet hangen, gaat het niet beter; geen wonder, zulke waar heeft aftrek; doch dat de goede orde en het wezenlijk geluk van de Maatschappij hier door bevorderd wordt, kan ik niet geloven; en mij dunkt, dat ’er onze ouderwetsche, zoogenaamde stijve Hollanders, in dat opzigt beter achter zijn, en daar door dan ook vrij wat meer huisselijk genoegen, en dat is toch het ware, smaken.
Dit voorval van den Heer B..... en zijn vrouw, van Mâcon, want zij werden met naam en toenaam genoemd, heeft mij hier eene uitweiding doen maken; doch mij dacht, dat kwam zoo eens in het rijm te pas, en waarom zou ik het ’er dan niet bij voegen.—Nu weder aan mijn reisverhaal. De wind was gaan leggen en het weder zacht, zoo dat ik boven op kon gaan zitten. De gezigten tegen de bergen, waar de wolken tusschen hingen, en tegen de heuvels met wijngaarden beplant, langs de boorden van de Saone, waren alleraangenaamst. Onze schippers zeiden ook, dat dit hangen van de wolken tusschen de bergen een zeker voorteeken was van regen, en voegden ’er nog bij dat het tegen den avond zou donderen, en gij zult straks hooren, dat zij het geraden hebben.
Hier moet ik u een opmerkingwaardigen trek van vriendschap, tusschen twee honden, die wij aan boord hadden, verhalen. De eene was vrij groot en een bastaardsoort van den herders hond, de andere was een mopsje of steendoggetje; beiden waren van het mannelijk geslacht, en behoorden aan onzen schipper, die ’er veel werk van scheen te maken. Ik had al opgemerkt, dat zij vrienden schenen, want zij aten zelfs van eene schotel zonder morren, en de schipper verhaalde mij ook, dat zij bijzonder aan elkander gehecht waren; dit wierd weldra bevestigd. Zij speelden met elkander op den kant van de schuit, en ziet, de groote viel in het water en zwom naar den wal, terwijl het kleintje door schreeuwen en blaffen zijn leed en ongerustheid te kennen gaf, dreigende gedurig, om ook in het water te springen. Te vergeefs zocht de schipper het te stillen, eindelijk zette hij het in de rivier en het zwom naar den kant, zoodra wierd de groote het niet gewaar, of hij zwom het te gemoet, en trachte zijn’ kleinen vriend te helpen en te ondersteunen; aan land komende, toonden zij, ieder om het meest, hunne blijdschap en het springen en vrolijk blaffen, duurde een geruime poos, en nu volgden zij te samen de schuit tot de naaste plaats, waar wij moesten aanleggen.—Zouden de dieren, vooral dit soort, wel zoo redeloos zijn als men vrij algemeen veronderstelt; en welke zijn de juiste grenspalen tusschen de rede en het ingeschapen gevoel (instinct)—is dat alles wel zoo duidelijk als wij ons verbeelden, wanneer wij ’er zoo oppervlakkig aan denken? De dieren handelen regelmatiger en meer eenvormig dan wij zoogenaamde beschaafde menschen; hoe gering zijn ook hunne behoeften; en handelen sommige zoogenaamde wilde en onbeschaafde volkeren, wier behoeften zeer gering zijn, ook niet vrij regelmatig en eenvormig?—Maar deze zijn voor beschaving vatbaar.—Kan men dit van de dieren ook niet zeggen, en komt alles dan niet op eene meerder en minder mate van vatbaarheid neder? Dit denkbeeld is voor eene zeer wijdloopige ontleding geschikt, en daarom stap ik ’er af.
De gezigten werden verrukkelijk; het heeft hier en daar wel wat van de oevers van den Rhijn, tusschen Mentz en Bonn. Wij naderden Riotti, een dorpje of gehucht aan den linkeroever, hier moesten wij het middagmaal houden, de twee schuiten, te weten, die van en die naar Lyon, ontmoeten hier elkander, en de reizigers van beiden eten ’er; wij zaten dan aan met omtrent 40 personen, in een ruime zaal, van waar men een uitmuntend gezigt heeft; men schafte ’er ook goed op en voor een matigen prijs. Ik heb u nog vergeten te zeggen, dat de gewone tafelwijn, zoo hier als elders, waar wij geweest zijn onder den prijs van den maaltijd begrepen is.
Daar de Rivier tusschen deze plaats en Trévoux wat kronkelt, besloten een deel van onze reizigers, waar toe ik ook behoorde, om langs een’ naderen en aangenamen weg tot die plaats te wandelen. Ik ging met een Offiçier, die van het begin van de omwenteling af gediend had. Reeds op de schuit hadden wij te zamen kennis gemaakt; hij scheen zeer Republikeinsgezind, en verhaalde mij onder anderen, dat hij hoop had, om zijn ontslag te bekomen, en zich dan op een landgoedje, dat hij van zijn ouders geërfd had, en in Bourgondiën gelegen was, wilde nederzetten. Die wandeling over heuvels en door boschjes, beviel mij ongemeen. Trévoux een oud stadje, behoorende tot het Departement de l’Ain, ligt Amphitheatersgewijze tegen eene hoogte langs den linkeroever van de rivier. Hier schreven de Jesuiten hun Journal et Dictionnaire de Trévoux, Hier bestreed het bijgeloof de wijsbegeerte, en aan een anderen hoek van dit Departement is Ferney gelegen, alwaar een man woonde, die redelijk genoeg was, en moeds genoeg bezat, om de zaak van den ongelukkigen Calas tegen de dweepzucht te verdedigen. De Boekdrukkerij van Trévoux was voorheen vermaard. De wandelingen en gezigten die men op de hoogte bij deze stad heeft, zijn zeer schilderachtig.—Hier wandelt men in een dreef van fraaije platanus-boomen, en daar klimt men op den top van een heuvel, van waar men het gezigt heeft op een ruime en vruchtbare vlakte, op de omliggende heuvels, die hier en daar al vrij verheven zijn, en die men ook wel kleine bergen en rotsen zou kunnen noemen. Wij waren Trévoux, dat nog 5 Fransche mijlen van Lyon is, reeds door, en hadden al meer dan een uur gewandeld, toen wij onze schuit gewaar werden; hier klommen wij van de hoogte af, en begaven ons wederom scheep. Nu had ik bijna geen oogen genoeg, om overal rond te zien, steenrotsen, groene heuvelen, tuinen, buitenplaatsen, lusthuizen, boschjes, hooge boomen, een kronkelende rivier, zoo stil en effen, dat al de voorwerpen rondom ’er zich, als in een’ spiegel, in vertoonen, nu en dan eens een schuitje, en langs de oevers hier en daar een groepje menschen of vee; schikt dat alles in uwe verbeelding, zoo fraaij en aangenaam door en onder elkanderen, als gij wilt, en gij zult het niet fraaijer maken, dan het inderdaad is. Vele vermogende lieden van Lyon hebben hieromstreeks hunne buitenverblijven, en komen daar doorgaans, even als onze Amsterdamsche Kooplieden, een gedeelte van den Zaturdag en den Zondag doorbrengen. Het steedje Neuville, daar wij voorbij voeren, ligt allerliefst, en men vindt ’er ook verscheidene buitenplaatsen, die hier, het geen mij bijzonder beviel, meêr aangename landhuizen dan prachtige paleizen, zoo als men ook bij ons maar al te veel ziet, geleken.—Is het niet genoeg hovaardige rijken! dat gij in de steden uwe schatten uitkraamt, en uwe pracht ten toon stelt, moet gij nog tempels van den hoogmoed naast de eenvoudige hutten der landlieden oprigten, om ook hun daardoor, is het mogelijk, te vernederen, en om de schoone natuur te ontsieren.—Aardig vertoont zich in de nabijheid van Lyon het eiland Barbe, een gedeelte van de rots, waar het plaatsje op gebouwd is, steekt ter zijde met een punt boven de huizen uit. Een oud vervallen gebouw, overblijfsels van een Abdij, en een digte beplanting van boomen, maken ’er een zeer fraaije en bevallige schilderij van. Die van Lyon verzamelen zich somtijds bij plegtige gelegenheden en vreugdebedrijven op dit eiland. Bij het inkomen van de stad ziet men op eene steile rots, aan den regteroever van de rivier, de puinhopen van het kasteel Pierre-Cise of Pierre-en-Cise; gediend hebbende voor eene Staatsgevangenis, en in het begin van de omwenteling gesloopt. Twee bekende slagtoffers van de wraak des Kardinaals de Richelieu, onder de regering van Lodewijk den XIII., werden hier opgesloten, Cinqmars namelijk en zijn vriend de Thou. Zij werden den 12 September 1642 onthoofd; Cinqmars was slegts 22 jaar oud. De vader van den ongelukkigen de Thou, die in zijne geschiedenis verscheidene voorbeelden van diergelijke vonnissen aanhaalt, voorzag toen niet, dat zijn zoon ook dat lot zou ondergaan.
De schuit was reeds in de stad, en bij de plaats, waar wij moesten aan wal stappen, toen de voorzegging van onzen schipper, des ’s morgens gedaan, vervuld werd; een zwaare donderbui barstte genoegzaam boven ons hoofd uit. Uit een raampje van de schuit kijkende, schoot ’er een bliksemstraal zoo digt langs dezelve in het water neder, dat ik ’er eenige oogenblikken als van verbijsterd was; de slag deed zig te gelijker tijd op eene geweldige wijze hooren, en werd weldra door een zwaren stortregen gevolgd, zoo dat wij verpligt waren, om in de schuit te blijven, tot de bui over was; en dit duurde nog al een heele poos.
Genoeg voor ditmaal—wanneer het zoo aanhoudend blijft regenen, als het gisteren en heden gedaan heeft, zal ik veel te huis moeten zitten, en alzoo tijds genoeg hebben, om u ruim en breed over deze stad te onderhouden; want ik neem toch tusschen beide de drooge buijen waar, om te gaan wandelen, en somtijds waag ik ’er ook al eens een’ natten rok aan.
1 Men vind op verscheidene plaatsen, niet ver van deze stad, steengroeven, die marmer van onderscheidene kleuren opleveren; te Berzé la Ville zijn ’er twee van albast, grijsachtig wit van kleur.
2 Het is een ware schilderij van l’Albane. Dit betooverende eiland schijnt op den aardbol geworpen, om waardig te zijn, van te gelijker tijd den tempel der Goden, de dansen der stervelingen en de begraafplaats der groote Mannen te bevatten. De verbeelding schetst ze ’er op, als ons oog hetzelve betracht, en ieder mensch wordt Dichter, als hij aan die welriekende zoomen raakt.
Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.
