Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805
Vijfde brief
Lyon, 31 Julij.
Naauwelijks hadden wij hier voet aan wal gezet, of wij werden schier verdrongen door de menschen, die ons ieder om het zeerst noodigde, om van hun huis gebruik te maken. Welk een vriendelijk en gastvrij volk, zou een vreemdeling, die met de Europeesche zeden en gebruiken niet bekend is, denken; maar gij begrijpt ligt, dat het Logementhouders of hunne knechts of meiden waren. Men had ons het Hotel des Celestins aangeraden, wij zetten ons dan in een huurkoets (fiacre), die men hier zoo wel als te Parijs vindt, lieten ’er onze koffers opbinden, en ons zoo aan het Hotel des Celestins brengen; dit is een van de eerste Hotels van de stad, doch het was ’er ons veel te duur; want ik heb de gewoonte, om, zoodra ik in een Logement kom, te onderzoeken naar de prijs van het een en ander; en hier bij heb ik mij altijd zeer wel bevonden. Wij raakten dan hier niet slaags, en lieten ons aan het Hotel de Languedoc, dat wij in het voorbijgaan gezien hadden, brengen; het staat op de Kaai langs de Saone, niet ver van de houten brug over dezelve. Wij vonden daar zeer goede kamers op de eerste verdieping, en die een alleraangenaamst uitzigt hadden op de rivier, en over dezelve; op de Hoofdkerk, den berg van St. Just, l’Hospice des Antiquailles, de Kapel van notre Dame de Fourvières enz. Niettegenstaande de uitgezochte en treffende fraaiheid van het gezigt van dat gedeelte van het Logement, waar wij onzen intrek genomen hadden, was de prijs zeer matig; ik betaalde voor een kamer met twee bedden £ 3–:–: daags, en even zoo veel voor mijn middagmaal.
De stad doorwandelende, zag ik uit een straat een man met pluimen op den hoed aankomen, gevolgd van eenige anderen, die iets, dat wit en zwart was, schenen te dragen, zij lagchten en praatten overluid onder elkanderen, en stapten vrij gezwind; ik dacht dat zij iets zonderlings te kijken hadden, en ziet, het was een begravenis; het lijk was met een wit en zwart kleed onachtzaam op de kist geworpen, bedekt, en werd door vier mannen gedragen; die met de pluimen op den hoed, was de gewoone begeleider der dooden, zoo als men te Parijs ook heeft, doch daar ziet hij ’er anders uit; dit was al een heel slordig soort van een begravenis, doch ik heb ze al meêr hier en daar in Frankrijk gezien, die niet beter waren: velen schijnen in dit opzigt van het eene uiterste tot het andere te zijn overgeslagen, en dit reken ik onder de abuizen van de omwenteling. Het begraven der dooden behoort toch, hoewel men met rede een menigte aanstotelijke en kostbare plegtigheden achterlaat, op eene betamelijke, en min of meêr plegtige wijze te geschieden; het verzuimen hier van, geeft, mijns bedunkens, aanleiding tot woestheid en ongevoeligheid, en kan dus in zijne gevolgen immers niet anders, dan schadelijk zijn voor de Maatschappelijke order. Deze abuizen zijn echter niet aan de wetten of verordeningen, die ’er na de omwenteling hier omtrent plaats gehad hebben, toetekennen, maar wel aan de verwaarloozing of verkeerde toepassing van dezelve. Nog maar weinige jaren geleden, heeft het Institut National van Frankrijk, in naam van het Gouvernement, de volgende prijsvraag uitgeschreven: “Quelles font les cérémonies à faire pour les funerailles, et le reglement à adopter pour le lieu de la sepulture?” en het antwoord hier op, dat bekroond is geworden, is van F.V. Mullot voorheen Wetgever enz. Zeer kort geleden, heb ik die redevoering, hoewel ik in alles niet met den schrijver instem, met genoegen gelezen, en ik zou met niet minder genoegen zien, dat men in vele opzigten zijn voorschrift volgde; doch het is te vreezen, dat het bijgeloof de oude plegtigheden wel weder algemeen zal trachten intevoeren, zoo als men zulks in vele plaatsen al begonnen heeft. Op de plaats Belle-cour, die sedert 1713 tot de omwenteling, de plaats van Lodewijk den Grooten genaamd werd, en thans den naam van Bonaparte voert, is niet veel bijzonders meêr te zien. Het beeld van Lodewijk XIV, de twee fonteinen en verdere sieraden, die deze plaats voorheen beroemd maakten, zijn weggenomen, en de puinhoopen van sommige huizen, die men in het begin van de omwenteling heeft afgebroken, liggen ’er nog; aan den eenen kant in de lengte, zijn verscheide rijen boomen geplant; dit dient voor een gemeene wandelplaats; ’t heeft hier wel wat van ons Haagsche Voorhout. Deze plaats is omtrent 450 treden lang, en na genoeg half zoo breed; langs dezelve staan fraaije huizen. Zij ligt tusschen de Saone en de Rhone. Ik was ’er van de kaai van de eerstgenoemde rivier opgekomen, en kwam in de lengte ’er overgaande, en een straatje regtuit doorloopende aan de kaai van de Rhone uit; daar had ik de groote steenen brug, die over dezelve ligt, voor mij. Deze brug is zamengesteld uit twintig bogen: men is het bouwen van dezelve aan Paus Innocentius den IV. verschuldigd. Zij is in geen regte lijn gebouwd; maar maakt een bogt, zijnde de uitwendige zijde tegen den stroom, die hier zeer sterk is, gerigt. Aanvankelijk had men haar ook zoo smal gemaakt, dat ’er geen rijtuigen elkanderen op konden voorbijgaan; men is dan verpligt geweest, van ’er een tweede naast te bouwen. Om nu deze twee bruggen aan elkander te hechten, en ’er één stevig ligchaam van te maken, heeft men door al de pilaren zware ijzeren staven weten te brengen, die aan beide uitersten met ankers zijn bevestigd. En in deze stoute onderneming is men zoo wel geslaagd, dat het schier niet zigtbaar is, en men, die bijzonderheid niet wetende, nimmer zou vermoeden, dat dit werk op zulk eene wijze is zamengesteld. Dit is het eenigste niet, dat men, aangaande deze brug, heeft optemerken: de bogen werden ook niet wijd genoeg bevonden, zoo dat het zand, dat met het water van de Rhone afkomt, zich op een hoopte, dikwijls de voorname bogen verstopte, en daardoor den doortogt moeijelijk maakte. Om dit ongemak wegtenemen, vond men een’ bouwmeester ondernemend en bekwaam genoeg, om een van de pilaren in het midden wegtenemen, en alzoo van twee bogen een te maken. Het muurwerk van dezen groten boog versterkte hij zoodanig, dat ’er de brug niet door leed, en zijn arbeid werd algemeen bewonderd en goedgekeurd. Voorheen stond ’er aan den ingang van de brug, aan den kant van de stad, een poort, en verder op dezelve een soort van vierkante toren, waar men onder doorging, doch dezelve zijn afgebroken. Een gedeelte van deze brug, die le pont de la Guillotière genaamd wordt, ziet gij in de bijgaande afbeelding, benevens het groote of nieuwe Gasthuis Nouvel Hopital, op de kaai van de Rhone; de teekening van dit schoone en trotsche gebouw, is zoo nauwkeurig, dat ik mij niet zal ophouden, om u hetzelve uitwendig te beschrijven; jammer is het, dat de linkervleugel, zoo als gij ziet nog onvoltooid staat; want het is te vreezen, dat men ’er vooreerst nog niet aan zal kunnen denken, omdat deze stad door de omwenteling en aanhoudenden oorlog, zeer veel geleden heeft, en nog lijdt, waardoor de kas in geen voordeeligen staat is.
Lijon.
Den 25 dezer ging ik ’s morgens vroegtijdig uit, en begon met de Hoofdkerk te bezigtigen; het is een oud Gothisch gebouw, zoo als gij in de afbeelding ziet. Zij schijnt bijna langwerpig vierkant, door de torens, die aan de vier hoeken staan, inwendig is zij wel ruim, maar donker. Het groote altaar in het midden van het koor, is het eenigste, dat ik ’er beziens waardig vond, want her vermaarde uurwerk door Nicolas Lippius van Basel in 1598. gemaakt, en dat vooral in dien tijd, als een groot konststuk werd beschouwd, is sedert verscheide jaren geheel in verval. In de groote Kerk van ’s Bosch staat een diergelijk uurwerk. Als een bijzonder gebruik van deze Kerk vind men aangeteekend, dat ’er nimmer noch muzijk, noch orgel, noch boeken, gedurende het vieren der diensten, in dezelve zijn gebezigd geworden. Niet ver van deze Kerk op de kaai, staat het zoogenaamd Palais de Justice, een gebouw, dat van buiten geen aanzien heeft; en van binnen zag het ’er schandelijk slordig uit; dit komt mij vooral hoogst onvoegelijk voor, in eene plaats, waar Regters, tot welker voorname hoedanigheden, order en naauwkeurigheid behooren, in het openbaar vergaderen. Ik ging in een van de zalen, waar een Advokaat, die hard genoeg schreeuwde, en vrij wat beweging maakte, bezig was met pleiten. Hetgeen mij als iets ongerijmds in het oog viel, was een schilderij, waarop Christus aan het Kruis geschilderd was, dat boven het hoofd hing van den President. De schilderij was ’er zeker nog niet lang geleden geplaatst; want het woord Egalité stond met groote letters op den wand boven hetzelve, en dit woord, dat anderzins in een Vierschaar zoo wel voegt, maakte nu met die schilderij een zonderlinge tegenstrijdigheid, daar ’er immers in een Regtzaal voor alle burgers, van welke Godsdienstige begrippen zij ook mogen zijn, geen kruis, dat een kenmerk van een bijzondere sekte is, te pas komt. Joden en andere lieden, die niet tot de Roomsche Kerk behooren, en die als leden van de Burgerlijke Maatschappij dezelfde regten en aanspraak op de wetten hebben, als de leden van die Kerk, moeten zich, voor deze balie verschijnende, deswegens natuurlijkerwijze ergeren, en ik geloof, dat, wanneer ik tot dit regtsgebied behoorde, ik niet zou kunnen nalaten, om mij over het plaatsen van dit schilderijtje te beklagen, en de wet onder andere ook die, welke betrekkelijk is tot de regeling der Godsdiensten (l’organisation des cultes) thans in Frankrijk bestaande, en die geen heerschenden Godsdienst erkent, zou mij daar regt toe geven.
De kaai langs de Rhone, Quai du Rhone, is fraai, en met schoone, en zelfs prachtige huizen, waarvan de meeste vijf, zes en meêr verdiepingen hoog zijn, bebouwd1. Langs den waterkant is een wandeling gemaakt, die men heeft beginnen te beplanten. Men heeft ook van deze kaai, en uit de huizen op dezelve een zeer aangenaam gezigt over de rivieren, de landstreek aan den anderen kant van dezelve, tot tegen de Alpen, die men bij helder weder duidelijk zien kan. Over de Rhone ligt, behalve de brug, waarvan ik u reeds geschreven heb, nog een houten brug, die den naam draagt van zijnen maker Morand. Deze brug (le pont Morand) hoewel ligt in schijn, is van een beproefde stevigheid. In den winter van het jaar 1789 bevroor de Rhone, niettegenstaande den snellen stroom. De ijsgang maakte eene verschrikkelijke vertooning. De verdubbelde aanval van de ontzaggelijke ijsschotsen, deed voor het behoud van de brug beven; en zij weerstond het gevaar, zelfs zonder schade te lijden. De Lyonnezen hier over verblijd, en erkentelijk vierden een feest ter eere van deze gebeurtenis. De naam van Morand zweefde op ieders lippen, en deze brug als een gedenkteeken van zijne bekwaamheid werd met lauwers bekroond. Behalve de kaaijen, de plaatsen des Terraux de Belle-cour, en eenige weinige straten is Lyon in ’t geheel geen fraaije stad; zij is voor het overige onregelmatig gebouwd, de straten zijn eng, meestal zeer naauw, en krom, de huizen zijn hoog, en hier door is het ’er duister en bedompt, daarbij zeer bevolkt. De morsigheid en onaangename reuk is voor iemand, die daar niet aan gewoon is, inderdaad hinderlijk. Hier kan men nog als een groot ongemak bijvoegen, dat de weg zeer ongemakkelijk gestraat is; de keijen of straatsteenen zijn klein, veelal scherp en ongelijk, zoo dat de voeten zeer doen, als men ’er lang op gaat. Wanneer men dit aan onze Hollandsche Franschmannetjes, die dit land niet anders kennen, dan uit Mode Journaal, l’Almanach des Graces, of de eene of andere Roman, en die zoo veel op hebben met Frankrijk, vooral met de voorname steden in hetzelve, eens vertelde, zouden zij aardig staan te kijken; want ’er zijn vele van die zuikerpopjes, die zich verbeelden, dat men hierop Rozen wandelt; dat men niets anders ruikt dan Amber en Jasmijn, niets eet, dan keurige spijzen, niets drinkt, dan nektar, niets hoort, dan liefelijke toonen, en streelende woorden, en niets ziet, dan dat aangenaam en bevallig is; maar het gaat ’er zoo niet, en dit land heeft zoo wel als andere landen zijne schoone en lelijke zijde.
’s Avonds ging ik in den grooten Schouwburg (le Grand Théatre): Het is een fraai gebouw, ruim veertig jaaren geleden, volgens de teekening van de Bouwmeester Soufflot, gebouwd, en staat regt achter het Stadhuis. Voor hetzelve is een plein, en ter zijde een gallerij, waar verscheide kramers hunne onderscheide waren uitstallen; dit alles maakt met het Stadhuis la place des Terreaux, en de Abdij van St. Pieter, op dezelve, een fraai geheel uit. Van binnen beviel de Schouwburg mij ook wel; doch order en netheid haperden hier ook weder, en zelfs in het Parterre (waar men staande moet blijven), hinderde de stank van zekere tonnen, die in een vertrekje aan den ingang zijn geplaatst, niet weinig; men gaf ’er een Blijspel genaamd, le Jaloux sans Amour en l’Irrato Opera, het Muzijk is van Mehul in den Italiaanschen smaak gecomponeerd. Het spelen was maar zeer middelmatig, het zijn hier waarlijk ook geen tovenaars; echter als zij te Amsterdam speelden, en zulk soort krijgt men ’er doorgaans, zouden onze zoogenaamde lieden van smaak ’er drok naar toelopen, terwijl zij den neus optrekken, als men hun spreekt van den grooten of Stads Schouwburg, waar ik ondertusschen verscheide stukken zeer goed heb zien uitvoeren, en waar sommige vertoonders spelen, die zelfs door Fransche Konstkenners en voorname Konstenaars, niet ligt gereed, om aan vreemden lof toetezwaaijen, openlijk bewonderd worden2. Ja ik durf staande houden, dat dit tooneel behoorlijk aangemoedigd en bestuurd, weldra zou verdienen, om onder de eerste tooneelen van Europa gerangschikt te worden. Wanneer zal die ellendige lage en verderfelijke trek, naar al wat vreemd is, onder ons eens ophouden, en de Hollandsche zeden en voortbrengsels van Kunsten en Wetenschappen, waar wij ten allen tijde billijk roem opdroegen, en nog roem op mogen dragen, eens herleven. Trachten wij van onze naburen, en van vreemden te leeren, wanneer ’er zig iets nuttigs voor ons op doet; maar laten wij toch bij aanhoudendheid niet dwaas en slecht genoeg zijn, om hun in alles nateäpen. Gij hebt deze en diergelijke aanmerkingen niet noodig, vriend! maar gij vat dikwils de pen op, tot nut en vermaak van onze landgenoten, en bij die gelegenheid zou zoo iets te pas kunnen komen.
1 Door de belegering hadden vele huizen op deze kaai aanmerkelijk geleden, doch sedert korten tijd zijn die weder opgebouwd, en men verzekerde, dat dezelve thans ruim zoo schoon is, als voorheen.
2 Men leze onder anderen, le Feuilleton de Publiciste de Mardi, 28 Frimaire an 12 (20 Decemb. 1803.) aangaande onze, schier onvergelijkelijke, Juffrouw Wattier.—Zorgt men wel dat een vrouw, van zulk eene zeldzame bekwaamheid, als deze, kweekelingen maakt?
Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.
