Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805

Zesde brief (1 van 2)

Lyon, 1 Augustus.

Toen ik gisteren een’ brief aan u afzond, was mijn oogmerk niet om u van hier meêr te schrijven, doch de aanhoudende en zware regen noodzaakt mij weder, om t’huis te blijven, en wat heb ik dan beter te doen, dan mij met u te onderhouden.

Den 26 Julij bezocht ik het groote Gasthuis, waar ik reeds melding van maakte. Men wil, dat hetzelve door Koning Childebert, omtrent de helft van de 6de Eeuw, gesticht is. Het nieuwe gebouw is naar de teekening van den Bouwmeester Soufflot, 30 à 35 jaren geleden, gemaakt. Wij vonden een man aan den ingang, die zich aanbood om ons rond te leiden, en bezochten het gansche gebouw, dat zeer groot is, van onderen tot boven, beginnende met de Apotheek, de Regenten-Kamers, de onderscheidene Zalen der zieken, het Linnen-Magazijn, tot op de kleêrzolder toe. Overal vonden wij Gasthuis-Nonnen of Zusters, bezig met de zieken op te passen, de geneesmiddelen, onder opzigt van den Apotheker echter, te bereiden, het linnengoed te herstellen en te bezorgen enz. Ieder heeft zijn werk, zelfs in de kamer, waar de Ontleedkundige Operatien geschieden, vonden wij eene Non, die een zeer geschikt en gnap mensch scheen; zij toonde ons een menigte ontleedkundige werktuigen, onder anderen een tafel met deszelfs toebehooren, waarop het steensnijden en diergelijke verschrikkelijke kunstbewerkingen geschieden. De post van dit goede mensch was, om diergelijke lijders te helpen en te ondersteunen, de werktuigen rein te houden, voor het geen tot de verbinding noodig is te zorgen enz. Mijne verwondering betuigende over den moed, dien zij bezat, om deze ellende aanhoudend bij te wonen, antwoordde zij, dat men aanvankelijk zeer veel lijdt, doch dat bezef van pligt en de gewoonte haar die taak thans dragelijk maakten. Ik onderhield mij met haar over meêr andere dingen, deze inrigting betreffende, en zij beantwoordde alle mijne vragen op eene vriendelijke en voldoende wijze. De fraaije zalen, waar de zieken (thans waren ’er over de 1000) liggen, of hun verblijf houden, zijn ruim en luchtig; uit die langs den waterkant, waar van gij de vengsters op de afteekening ziet, heeft men een zeer aangenaam gezigt. De trotsche en ook van binnen schoon gewerkte koepel, behoort tot de groote zaal; onder dezelve staat een fraai en tevens eenvoudig altaar op een verheven voetstuk, zoo dat de zieken uit hunne bedden, die van ijzer zijn, om ’er het ongedierte uittehouden, en welke aan rijen staan, hetzelve kunnen zien; dagelijks wordt hier de mis gelezen. In deze zaal zag ik ook aan het gewelf eene opgevulde krokodil hangen; onze geleider verzekerde, dat dit dier lange jaren geleden, in de Rhone, digt bij de steenen brug gevangen werd, en wel door een persoon, die ter dood veroordeeld was, en om deze daad vergiffenis bekomen had. Het dier had al veel vee en zelfs kinderen verslonden. Dit vertelsel schijnt hier onder het volk vrij algemeen geloofd te worden; doch wij weten, dat dit in ’t geheel geen bewijs is van echtheid. Beneden is ook een plaats, waar eenige zinneloozen bewaard worden; onze geleider wilde ons dezelve doen zien, doch de Non, die daar op paste, weigerde het; en ik vond, dat zij gelijk had; men moet die ongelukkigen, die veeltijds aanleiding tot spotternij geven, niet aan de algemeene nieuwsgierigheid blootstellen. In een gang vond ik op verscheidene tafelen, die daar tegen den muur waren gesteld, de namen van de personen, die aanzienelijke geschenken aan dit gebouw hebben gegeven.—Was hoogmoed of menschlievendheid de beweegoorzaak van deze geschenken?—misschien beiden.—Hoe het zij, zij hebben welgedaan, en wij moeten diergelijke daden dan ook zoo naauw niet uitpluizen. In de keuken waren verscheidene Nonnen ook drok aan het werk; hare spijszaal is hier naast; zij eten gezonde kost, en moeten braaf werken, ook zien zij ’er, niettegenstaande haren aanhoudenden omgang met zieken, over het algemeen, gezond uit. Ik zag ’er, die mooi waren, onder anderen eene, die bezig was met eene bleke en uitgeteerde zieke te helpen; deze was nog jong en inderdaad schoon; dit leverde eene zonderlinge tegenstrijdigheid op. In ’t geheel zijn ’er in dit huis 150 zulke Nonnen, zij zijn in ’t zwart gekleed, en hebben witte Nonnenkappen op; doch zij doen geen geloften, waar door zij voor altijd verbonden zijn; en wanneer de liefde bij de barmhartigheid komt, kunnen zij zich in het huwelijk begeven. Deze Nonnen of Zusters bewijzen alzoo de Maatschappij een wezenlijken dienst, en men kan haar dus niet anders dan als achtingwaardige leden van dezelve beschouwen. Bij het uitgaan gaven wij wat voor het huis, een Non ontving het op een zilveren schotel. Dit herinnerde mij aan de zilvere schalen, waarin men in vele Hollandsche steden de aalmoezen opzamelt; het was gevoegelijker, dunkt mij, dat men daar een houten bak toe gebruikte. De Kerk van dit Gasthuis is fraai en net; ook schijnt ’er over het geheel een goed bestuur plaats te hebben; alles is zindelijk en wel onderhouden; maar het geen mij niet beviel, was dat ’er slechts een plaats en geen tuin bij is, dat ’er een vleeschhal en slagterij is, onder den eenen vleugel, namenlijk een der stads hallen en slagterijen, het geen stank veroorzaakt; dat de zieken in algemeene zalen en niet meer afzonderlijk liggen, en eindelijk dat het gebouw te prachtig is voor een Gasthuis. Ik had liever een eenvoudiger huis op het land gehad, en de kosten die daar door uitgespaard werden, besteed om de zieken door tuinen, afzonderlijke kamers enz. het verblijf der ellende, zoo min mogelijk, onaangenaam te maken. Behalve dit Gasthuis, is ’er nog een ander nuttig gesticht in deze stad, dat la Charité genaamd wordt, mede aan de Rhone verder op, voorbij de steenen brug gelegen. Het is zeer groot, en vereenigt in zich een Weeshuis, oude Mannen- en Vrouwen-huis enz. In de Kerk, die zeer net is, ziet men eenige graftombes van de stigters of bestuurders van dit uitgestrekt gebouw. De toren van die Kerk wordt door bouwkundigen, als een konststuk bewonderd. Diergelijke gestichten zijn in een stad, als Lyon, inzonderheid noodzakelijk, om het groot aantal werklieden in zijden stoffen en diergelijke Fabrieken, welker getal voor de omwenteling op omtrent 30,000 begroot werd. De bevolking der gantsche stad schatte men toen op 120,000.

Na den middag deed ik eene wandeling door de stad, en ging ’s avonds in de Schouwspelzaal, op de plaats des Celestins, Théatre des Varietés; de zaal en decoratien zijn niet onaardig; doch het overige beteekende niet veel; men gaf ’er de eerste vertooning van le petit Poucet (klein duimpje), dat men te Parijs op een van de Theaters van de Boulevards ook vertoont1. Het was ’er zeer vol; in het Parterre, waar men altijd staat, betaalt men maar elf stuivers.

Den 27 Julij het drooge weder waarnemende, klommen wij op den Berg St. Just, en bezochten aldaar het gebouw, dat zich boven een der torens van die Kerk vertoont, en om de oudheden die het bevat, l’Hospice de l’Antiquaille, zoo als men ook boven den ingang leest2, genaamd wordt. Sommige Romeinsche Keizers bewoonden het Paleis, dat hier stond, als zij te Lyon waren, en hunne Gouverneurs hielden ’er hun verblijf. Men gelooft algemeen dat Lucius Munatius Plancus, die Consul was gelijktijdig met Æmilius Lepidus en een der Luitenants of Stedehouders van Cæsar, de stichter is van Lyon; het jaar van Rome 712, en dus ten naastenbij 40 jaren voor de Christelijke Jaartelling. Waarschijnlijk heeft men op dezen berg beginnen te bouwen; naauwelijks was ’er een eeuw verlopen, of de gansche stad brandde in eenen nacht af, en werd door Nero weder opgebouwd. Men ziet in het Hospice de l’Antiquaille eenige oude opschriften, en in een onderaardsch gewelf, toont men een soort van nis in de muur, waarin men verzekert, dat St. Photin, die met Irenéus hier het Christelijk geloof kwam prediken, levendig is ingemetseld geworden, men leest dan ook boven die nis: St. Photin a fini son martyre dans ce lieu, agé de 90 ans sous l’Empereur Marc Aurelle 179. Deeze St. Photin, zegt men, dat de eerste Bisschop van Lyon was; 47 andere werden, volgens overlevering, met hem, hier gemarteld; men toont ook de steenen palen, waar zij aan gebonden of geketend zouden geweest zijn. De Nonnen, die dit gebouw voor de omwenteling bewoonden, gebruikten dit gewelf ook voor hare begraafplaats. In een soort van ovens zag ik nog verscheidene doodshoofden en beenderen. Uit een der kamers van dit gebouw heeft men een zeer uitgestrekt en allerschoonst gezigt. Van daar werd het Panorama van Lyon geteekend. Men ziet uit dit gebouw, het grootste gedeelte van de stad, de Saone, de Rhone en over dezelve, en over een uitgestrekt landschap, de Alpen, de Mont-Blanc, de top van de Mont St. Bernard enz. Het was zeer helder weder, zoo dat wij het gelukkig troffen. Thans dient het gebouw, dat vrij groot is, tot een gevangenis voor vagabonden, bedelaars, ligte vrouwlieden, namelijk die, welke tot de klasse van het zoogenaamde gemeene volk behooren, want galante Dames du bon ton zet men ’er niet. Men bewaart ’er ook eenige zinnelozen. ’Er is een Kerk bij, en hier staat een’ offerbus, waar men wat in steekt, ter eere van St. Photin. Wij gaven ook wat voor het huis. Niet ver van hier, omtrent voor het voormalig Klooster der Minimen, is eene plaats, die men de plaats der martelaren (la place des Martyrs) noemt; om dat hier ook een menigte Christenen zoude gemarteld geweest zijn. Men toont ’er ook nog een’ grooten steen, zonder eenig opschrift echter, waarop men wil dat zij geslagt wierden, en die men als een achtingwaardig gedenkteeken beschouwt. Wat hier ook van wezen moge, het blijkt uit de Geschiedenis, dat de vervolging der eerste Christenen, vooral onder Septimus Sevérus, hier allerverschrikkelijkst geweest is. Achter dit gewezen Minime-Klooster, ziet men nog de geringe overblijfsels van een’ Romeinschen Schouwburg. Tot de trotsche gebouwen, die de Romeinen hier gesticht hebben, behooren ook de kostbare steenen waterleidingen (aquaducs), die eene uitgestrektheid van verscheidene mijlen schijnen gehad te hebben; hier en daar ziet men ’er nog overblijfsels van. Men toonde ons een van de plaatsen (reservoirs) waar dit water verzameld werd in een wijngaard, voorheen behoord hebbende aan het Klooster der Urselinen. Het is een diepe kelder, waar men, van kaarsen of fakkels voorzien, door middel van verscheidene steenen trappen in gaat. Het gewelf is ruim, en rust op verscheidene bogen. De soort van kalk, waar de muren mede gepleisterd zijn, is bijzonder hard, zoo dat men moeite heeft om ’er stukken afteslaan. Men wijst ook in den muur de gaten of pijpen aan, waardoor men meent dat het water ingelaten werd. Het schijnt, naar het metzelwerk te oordeelen, dat die plaats aanvankelijk niet overdekt is geweest; maar dat het gewelf ’er naderhand is opgemaakt. Deze kelder is hier bekend onder den naam van les bains des Empereurs, of les bains des Romains. Sommige Geschiedschrijvers noemen dezelve la grotte Berelle. Thans behoort dit Klooster, en aangelegen erven, aan iemand, die ’er zinneloze menschen, tegen betaling, in den kost neemt. De man, die den kelder laat zien, woont hier digt bij, en men geeft hem daar iets voor. Een weinig verder in een anderen tuin, ziet men een kelder veel minder diep dan la grotte Berelle; zo dat men ’er door het daglicht duidelijk in zien kan. De grond is hier met kleine steentjes van onderscheidene kleuren als een schilderij ingeleid (en Mosaïque). Men zegt, dat dit ook behoort tot het werk van de Romeinen, doch ik zag ’er twee gedaantens in, die veel overeenkomst hadden met de afbeeldingen van Engelen en Duivelen; evenwel stond ’er nog ook een soort van Afgodsbeeld bij; zij die kundiger zijn in de oudheden dan ik, mogen beslissen wat het is3. Ik zag hier ook eenige pilaren, en een soort van altaar van hout, dat geschilderd was; en vernam, dat dit aan de Vrijmetselaars, die hier omstreeks hunne vergadering houden, en somtijds van dezen kelder gebruik maken, behoorde. Wij gingen van daar naar de Kapel van Onze Lieve Vrouw van Fourvières, voorheen, en nog onder de geloovigen vermaard, door hare menigvuldige ex voto’s, geloften aan de Lieve Vrouw, of haar beeld, dat hier bewaard werd. Die Kapel ligt op het hoogste gedeelte van den berg. Een vrouw had die na de omwenteling gekocht, en meende ’er haar rekening bij te vinden, door ’er missen te laten lezen, enz. doch het is haar verboden; en men verhaalde mij, dat zij hier over met het Stadsbestuur in proçes was. Wij klommen op het torentje van deze Kapel, van waar wij ook een overheerlijk gezigt hadden, en veel uitgestrekter nog, dan uit l’Hospice de l’Antiquaille. Men ziet hier bijna over al de nabij gelegen bergen heen; de stad en derzelver omstreken, de loop van de Rhone en de Saone en hunne vereeniging heeft men als een Landkaart voor zich, duidelijk zag ik de witte toppen der Alpen, en kon mij naauwelijks van zien verzadigen. In de Kapel is niet veel anders te kijken dan een groote menigte kleine, meestal ellendig gekladde schilderijtjes, verbeeldende mirakuleuse reddingen, door de Lieve Vrouw, van menschen, die in nood zijnde, ’t zij door ziekte, schipbreuk, in ’t water liggende of anderzins, een gelofte aan haar gedaan hebben; onder anderen was ’er een bij van een deserteur, die de wacht, die hem na zat, ontkomen was; zoo dat de Lieve Vrouw ook de desertie, die toch overal als een strafwaardige misdaad wordt beschouwd, scheen te bevorderen4. De rest is niet waard, dat men zich ’er zich een oogenblik om ophoudt, wanneer men niet tot de geloovigen behoort.

Na den middag wandelde ik langs de Quai du Rhone; ’er was veel volk op die wandeling, maar ik zag weinig schoone vrouwen onder de zoogenaamde fatsoenelijke lieden, die zich hier, even als in de Tuillerien te Parijs, laten kijken. Onder de klasse, die men gemeene lieden noemt, ziet men hier een aantal kreupelen en mismaakten; dit vindt men doorgaans in plaatsen, waar vele weverijen en spinnerijen zijn. Buiten de Barrière langs de Rhone, naar den kant, daar zij van daan komt, is ook een aangename wandeling. Van sommige huizen, die hier tegen de bergen staan, gaat men uit een van de dakvengsters in den tuin.

In deze stad zijn, even eens als in Brabant en Vlaanderen, veel Bierhuizen, en het is ’er ’s avonds vol volk. Het bier van Lyon is beroemd, naar mijn’ smaak is het te sterk gehopt.

Den 28 Julij regende het zoo sterk, dat ik weinig kon wandelen; de twee rivieren waren dezen nacht aanmerkelijk gewassen, en de stroom van de Rhone was ongemeen snel. Die rivier maakt door de sterke drift en de rotsen, welke onder water staan, hier en daar eene soort van draaikolkjes. Het water dezer twee rivieren is, tegenwoordig vooral, zeer onderscheiden van kleur; dat van de Rhone is geelachtig grijs, en dat van de Saone is groenachtig.

De gewone schuit van hier naar Avignon (Coche d’Eau) meende men dan ook, dat morgen niet zou kunnen varen, want men hield de vaart op de Rhone thans voor min of meer gevaarlijk. Een slecht vooruitzigt voor ons, die met dat vaartuig binnen eenige dagen dachten te vertrekken.

Tegen den middag hield het een weinig op met regenen, en ik ging wandelen. La place des Terreaux is een fraai vierkant plein; op dezelve staat het Stadhuis, de voormalige Abdij van St. Pieter, en aan den anderen kant over dezelve, verscheidene fraaije Koffijhuizen; men vindt daar allerlei ververschingen voor een redelijken prijs; het ijs (les glaces) is ’er zeer goed, en veel goedkooper dan te Parijs. De levensmiddelen schijnen hier over het algemeen niet duur te zijn; het vleesch is ’er goed, men heeft ’er overvloed van groentens; de riviervisch schijnt ’er ook niet schaars; en de Spekslagerswaren, vooral de worsten (les saucissons) van Lyon, zijn beroemd.—Zwitsersch en Geneefsch geld is hier ook gangbaar.

Het Stadhuis is een fraai gebouw; die van Lyon houden het voor een van de schoonste Stadhuizen van Europa, maar het lijkt nietmetal naar dat van Amsterdam; in den gevel (la facade) van hetzelve, ziet men nog de beelden der Vrijheid en Gelijkheid. In het portaal zijn twee fraaije liggende metalen beelden, meêr dan levensgrootte; het eene een man en het andere een vrouw, verbeeldende de Rhone en de Saone. Voor de omwenteling stonden zij op de plaats Belle-cour. In dit portaal, waar men ze aan beide kanten geplaatst heeft, zijn zij veel te groot; Coustou is ’er de maker van. De oude metalen tafel, waar op de aanspraak gegraveerd was, die de Keizer Claudius toen hij nog Censor was aan den Senaat van Rome ten voordeele van die van Lyon deed, en die men ook voor de omwenteling in dit voorhuis zag, is eenigen tijd na dezelve, toen het geschut voor het Stadhuis geplant was en ’er verscheidene kogels in geschoten werden, genoegzaam geheel vernield; en men ziet die thans niet meêr. De Lyonnezen betreuren zeer het gemis van die tafel, en in der daad het was een zeer merkwaardig stuk. De groote zaal boven dat portaal, brandde omtrent twee jaren geleden, bij gelegentheid eener Illuminatie, geheel uit.

De voormalige Abdij van St. Pieter is een groot en trotsch gebouw, hebbende eene groote plaats in het midden en rondom dezelve, op de eerste verdieping eene fraaije galerij. Thans schijnen de vertrekken aan bijzondere personen verhuurd te worden; eene zeer ruime zaal beneden, en die ik meen dat voorheen voor een spijszaal diende, wordt thans door de Kooplieden en Fabrikeurs tot een beurs gebruikt; men ziet rondom in dezelve eenig pleister-beeldwerk en bas-relief.

Deze plaats des Terreaux was ook de martelplaats van eene menigte Protestanten omtrent het midden van de 16de eeuw; onder anderen werd hier eene ruim bemiddelde jonge dochter de Cagnon genaamd verbrand; zij was gewoon, om de armen van Lyon, hoewel grootendeels van haar in godsdienstige gevoelens verschillende, rijkelijk te bedeelen; deze riepen weenende, toen men hunne weldoenster naar den brandstapel sleepte. “Helaas! wij zullen geen aalmoezen meer van u ontvangen;” waarop de ongelukkige de Cagnon de fluweelen muilen, die men haar nog gelaten had, van hare voeten nam, en die den armen toewierp, zeggende: “Ja, gij zult ’er nog ontvangen;” en men had geen moeds genoeg om deze ongelukkige aan de klaauwen van hare beulen te ontrukken.—Christenen, of liever zij, die ’er den naam van droegen, die hier zelve verscheidene eeuwen geleden door de Romeinen zoo wreed vervolgd waren geweest, en deze vervolging met regt als een gruweldaad beschouwden, deze zeg ik, vervolgden en martelden hier thans hunne Medeburgers en Medechristenen. Lyon was ook een der voornaamste steden in het navolgen van den afgrijsselijken St. Bartelmoord. De slagting was hier toen ook allerverschrikkelijkst, zoo als gij weet; maar gij weet misschien niet, dat de scherprechter deugd en moed genoeg bezat om de uitvoering van de bevelen der drie voorname hoofden van het Lyonsche moordrot, te weigeren, zeggende: “Mijn ongelukkige post veroordeelt mij, om het werktuig van het geregt te zijn, maar niet dat van moordenaars.”—Thans, daar de rede en verlichting eenigzins over het bijgeloof zegepraalt, behoorde men dien scherprechter, hoe zeer zijn naam misschien reeds in vergetelheid is geraakt, een Gedenkteeken op te rigten, en de koninklijke en geestelijke monsters, aanstookers, of uitvoerders van dien moord, in de verachtelijkste houding aan zijne voeten te plaatsen. Met genoegen vindt men ook aangeteekend, dat de krijgsbende, toen ter tijd in de Citadel van Lyon liggende, weigerde om in de gruwelen te deelen, en dat zelfs bijna het geheele volk die met verontwaardiging afkeurde, zoo dat zonder eene bende stadssoldaten, die slecht genoeg waren om zich voor veel geld te laten omkoopen, de Protestanten misschien behouden zouden zijn geweest.

Den 29 Julij, alweder aanhoudende regen—met smart zag ik in de nieuwspapieren, dat het rijpe koorn begon te schieten, en niet kon ingehaald worden; de druiven meende men, dat door dit koude en natte weder ook veel zouden lijden. Het was Zondag, ik ging dan eenige Kerken zien; na de omwenteling zijn ’er hier ook verscheide, zoo wel als Kloosters, gesloopt; uit andere, die men toen voor magazijnen enz. gebruikte, zijn de sieraden weg genomen, doch die, welke voorheen aan de Jesuiten behoorde, en een zeer fraai en prachtig gebouw is, heeft men onder anderen laten staan. Deze Kerk is van binnen met marmer van onderscheide kleuren rijkelijk versierd, en verdient wel gezien te worden: de aanzienelijke boekerij voorheen aan dit Kollegie behoord hebbende, is achter deze Kerk in eene schoone zaal, langs de kaai van de Rhone; thans behoort zij aan de stad, en dient tot algemeen gebruik. Van hier ging ik naar de Kerk van de voormalige Abdij d’Ainai of St. Martin d’Ainai, en zag daar vier zware kolommen van Granit van een donker grijze kleur; thans dienen zij om een gedeelte van dit gebouw te onderschragen. Voorheen, maakte de vier ’er maar twee uit, en behoorden toen tot den Tempel van Augustus, die niet ver van hier op de punt van het schiereiland, waar een groot deel van Lyon op gebouwd is, moet gestaan hebben, zij bereikten toen eene aanmerkelijke hoogte, en men heeft de barbaarschheid gehad, van die schoone en kostbare stukken door te zagen, om ze in deze Kerk te gebruiken; het is duidelijk te zien aan de einden van twee dezer halve kolommen, waarmede men die op de voetstukken geplaatst heeft, dat het de bovenste helften zijn der anderen. Aan beide zijden van het groot Altaar op de grafzerken, zag ik ook nog overblijfzels van Mosaïken, in den smaak van die, welke ik op den berg van St. Just gezien had: men verhaalde mij, dat deze behoord hadden tot de Graftombe van Paus Paschal den II. Het was deze Paus, die den zoon van Keizer Hendrik den IV. gebood om het lijk van zijn vader optegraven, en het op het veld te werpen, om ’er vijf jaren onbegraven te blijven liggen. Dat een Paus deze afschuwelijke daad bevolen heeft, is niet te verwonderen; maar dat de zoon gehoorzaamde—welk een gruwel!!—Paschal, die men wil, dat deze Kerk gewijd heeft, stierf in 1117. Men liet mij ook in het Sacristy een’ kelder zien, waarin een heilige zou gemarteld geweest zijn: de Kosterin, die de vriendelijkheid had, van mij dit alles te laten zien, scheen een goed snapachtig wijf, en hield mij voor zeer geloovig; waarschijnelijk, omdat ik haar met eenige belangneming het een en ander ondervroeg. Zij vertelde mij dan verscheide sprookjes van wonderwerken, die ook, gedurende de belegering, zouden voorgevallen zijn: onder anderen, dat zij een lieve vrouwebeeldje te dier tijd in een houten toren verborgen had, en deze toren was, niettegenstaande de kogels en bommen ’er rondom vlogen, onbeschadigd gebleven. Zij schimpte en schrolde ook dapper op de Jakobijnen en de Filosofen, zoo wel als op den nieuwen Keizer. De Lyonnezen zijn grootendeels Konings of liever Bourbons gezind, gelijk zij in het begin van de omwenteling, helaas! maar al te duidelijk getoond hebben, en als een gevolg hier van ook zeer gehecht aan de Kerk, zoo als die voorheen bestond; alle de onlangs gemaakte veranderingen, beschouwen zij dan natuurlijkerwijze als onwettig, en de Paus door de omstandigheden genoodzaakt, om ’er in toetestemmen. De reden der bijzondere gehechtheid dezer stad aan het Hof, de Adel en de Geestelijken, schrijft men voornamelijk toe aan het belang, dat zij had, bij het in stand houden der pracht, weelde en verkwisting. Aan wie toch zouden zij hunne kostbare Lyonse stoffen, borduurselen en diergelijke verkocht hebben, als de eerste grondbeginselen van de omwenteling stand hadden gehouden.—Nu daaromtrent valt het hun tegenwoordig dan ook nog al in de hand. Zonderling is het intusschen, dat de bewoners van de oude stad op den berg van St. Just en Fourviéres meestal Republikeinen waren, hoewel grootendeels werklieden tot de Fabrieken behoorende. Zou het niet mogelijk zijn, dat die lieden op de puinhoopen der Romeinsche oudheden wonende, eenigzins met de Geschiedenis dier Volken waren bekend geraakt, en tevens hunne verhevene gevoelens en edelen trek na vrijheid hadden ingezogen. Sommigen meenen dat de reden, waarom die van Lyon zich zoo sterk tegen de omwenteling toonden, ook moet toegeschreven worden aan een zekere jaloersheid, die ’er tusschen deze stad en Parijs, als de twee grootste en voornaamste steden van Frankrijk, plaats greep, en al van ouden datum bestond. Parijs voor de Hoofdstad te moeten erkennen, kwetste de eerzucht van Lyon, en Parijs had de omwenteling begonnen, en speelde ’er de hoofdrol in. Zoo moest dan deze ongelukkige stad, die reeds in onderscheide tijdvakken, de allerakeligste moord- en bloedtooneelen had opgeleverd, nog eens eenen rampzaligen burgeroorlog, en de betreurenswaardige gevolgen van dien, ondervinden. Met aandoening hoorde ik dikwijls verscheide omstandigheden dien aangaande vertellen; de Lyonnezen schenen mij genegen, om hier over met vreemdelingen te spreken, en geen wonder, dat men diergelijke tijdvakken niet ligt vergeet; daarbij vindt men hier schier overal gedenkteekenen, die ’er aan herinneren. Men verzekerde mij, dat deze noodlottige gebeurtenis, omtrent 20,000 menschen aan de stad Lyon gekost heeft; het getal komt mij wat groot voor. Zonderling is het ondertusschen, dat de Generaal Prescis, Kommandant der stad, met zijne Officieren gelegenheid gevonden heeft, om zich door de vlucht te redden, en de straf te ontgaan, terwijl eene menigte jonge lieden en burgers van Lyon, door hem misschien opgezet en zekerlijk misleid, (want anders zouden zij niet vermetel genoeg geweest zijn, om eene stad, die geheel buiten staat was, om eene belegering uittehouden, tegen eene magtige Armée te willen verdedigen) terwijl, zeg ik, deze in de stad bleven, en door de belegeraars als muitelingen, misschien op eene te strenge, of te algemeene wijze, werden gestraft.—Men schijnt, ten opzigte van dezen Prescis verscheide ongunstige vermoedens te voeden; doch het is buiten mijn bestek, om hier verder in te treden.

Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.