Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805
Zesde brief (2 van 2)
Den 30 Julij, hoewel het al weder onophoudelijk regende, ging ik al vroegtijdig uit; het was zoo guur, als bij ons in de maand October. De kaai opgaande, langs de Saone, klom ik ’er tegen over de rots, daar het Kasteel Pierre en Cize op plagt te staan, de hoogte op. Hier ziet men de overblijfsels van de oude Vestingwerken, die ten tijde van de belegering veel verwoest, en vervolgens grootendeels gesloopt zijn geworden; het ruwe en stormachtige weder gaf aan die puinhoopen een nog treuriger aanzien—men ziet hier stukken van muren van eene ontzaggelijke dikte, en zeer ruime onderaardsche gewelven; sommige bestaan bijna nog in hun geheel, en zijn zoo groot, dat het wel Kerken gelijken. Het Fort St. Jean stond voorheen op deze hoogte, en moet, naar de puinhoopen, die men ’er nog van ziet, te oordeelen, eene aanmerkelijke sterkte geweest zijn—welligt had deze plaats aan een’ schrijver van oude ridder- en spookromans, aanleiding gegeven tot sombere en verschrikkelijke invallen—en ik onder een brok van een ouden muur een weinig voor den regen schuilende, en dien boêl overziende, dacht aan de ellendige inrichting der menschelijke maatschappij waartoe deze vreesselijke muren, met zoo veel moeite en kosten opgerigt?—dienden zij ter beschutting tegen een’ vernielenden watervloed, of om de woede van uitgehongerde roofdieren aftekeeren—neen! maar alleen, om menschen tegen menschen te beveiligen.—
Hier en daar heeft men een schoon en uitgestrekt gezigt. Wat verder komende, zag ik, dat men bezig was met den muur van de stad, doch ook alleen maar een’ enkelen muur, weder op te bouwen. Zoo maken en breken de menschen aanhoudend. Ja! wat hebben wij sedert 18 a 19 jaren niet al zien maken en breken, opbouwen en verwoesten. Men bediende zig tot het opmetselen van dien muur, onder anderen van een’ roodachtigen steen, die scheen zamengesteld te zijn uit een menigte kleine keitjes. Mij dunkt, dat dezelve gepolijst zijnde, fraai moet wezen; bij ons zou men daar wel gebruik van weten te maken, doch hier is het marmer en diergelijke steenen verkrijgbaar genoeg. Zelfs niet ver van deze stad vindt men aanmerkelijke steengroeven. Onzen weg vervolgende, zagen wij de Kerk van het voormalig Karthuizer Klooster, ook op deze hoogte gelegen; de Kerk is fraai met smaak gebouwd, en wordt thans voor een Parochie gebruikt; zij schijnt van binnen ook gewit en opgemaakt. Het groot Altaar in het midden van het koor, is van marmer van onderscheide kleuren zeer fraai gemaakt; boven hetzelve is een konstig gewerkt geheel verguld verhemelte (baldachin), rustende op marmeren kolommen—ik zag ’er ook eenige redelijk goede schilderijen van Fransche Meesters. Deze Kerk pronkt met een’ fraaijen koepel, en is zeer licht. Ik beklaagde mij niet van deze wandeling gedaan te hebben, hoewel ik door nat was.
In het voorbijgaan vernam ik aan het Bureau van de schuit op Avignon, dat dezelve, om den aanhoudenden sterken stroom en het hooge water, zoo als men wel gevreesd had, niet had kunnen varen, en waarschijnelijk in de eerste dagen nog niet varen zou—ik wilde toch zoo gaarne de reis te water doen, hoe vreesselijk men die hier ook afschildert. ’s Avonds, door den regen niets beters te doen wetende, ging ik in het Theatre des Varietés, en zag ’er les brigand de Calabrie, ook ik ’t Hollandsch, onder den naam van: de Struikrovers van Calabrien vertaald, en na hetzelve Palmire et Alminor, getrokken uit de geschiedenis van den Verloren Zoon; beide zijn Melodramas, dat is te zeggen, Toneelspelen, met muzijk verzeld, doorgaans speelt het orchest, als de voorname personen opkomen of afgaan. Deze soort van stukken is gemeenelijk opgesierd met marschen, balletten, gevechten en veel théatralen toestel. Zij worden in Frankrijk niet op tooneelen van den eersten rang gespeeld, en door velen als onregelmatig en in een slechten smaak (d’un mauvais genre) afgekeurd; doch ik beken gaarne, dat ik ’er verscheide gezien heb, die mij veel meêr bevielen, dan de groote Opera’s, waarmede men te Parijs zoo veel op heeft. Beide de genoemde stukken werden nog al redelijk gespeeld, zoo dat ik mij nog niet erg verveelde. Het parterre maakte hier zoo wel als te Parijs tusschenbeide een vreesselijk geweld.
Den 31 Julij, al weder regen. Heden gingen wij eenige Fabrieken van zijden stoffen en zijden fluweelen enz. zien, onder andere die van de Heer Pereau op de kaai van de Rhone, dat een van de voornaamste is; hier is de stapel kostbare stoffen en fraaije borduurselen, waarvan ’er sommige moesten gebruikt worden bij de aanstaande kroning van den nieuwen Keizer, zoo ook voor behangsels van bedden, en bekleedsels van onderscheide meubelen aan het Hof; want het schijnt, dat het Keizerlijke in pracht en kostbaarheid niet voor het voormalige Koninklijke zal willen onderdoen: en wat voer men daar in het begin van de omwenteling tegen uit, trouwens, en dit kan men vooral met regt van de Franschen zeggen, “de tijden veranderen en de menschen ook.”
Ik kwam op straat een’ Priester tegen, die openlijk de hostie naar een zieke droeg; een man met een bel ging vooraf, zoo als zulks in de Roomsche Landen gebruikelijk is; vele menschen knielden, alle namen de hoeden af. Ik had hier ook al een begravenis met Priesters en kerkelijke plegtigheden gezien, en ik vernam dat ’er ook somtijds proçessien gaan. Waar toe toch al deze toestel en openlijke vertoningen; de geloovigen, dunkt mij, zullen ’er niet gelooviger door worden, en de ongeloovigen nog veel minder; was het dus niet beter, dat men, om zich aan geene spotternij bloottestellen, en om anderen niet te ergeren, of aanleiding tot onaangenaamheden en verwijdering te geven, binnen de kerkgebouwen bleef; daar mogen de onderscheidene geloofsbegrippen te pas komen, daar zijn wij Joden, Roomschen of Protestanten, op de straten en andere plaatsen zijn wij alle burgers, en hoe minder wij ons in dien kring door onderscheidene benamingen, leuzen of diergelijke trachten te onderscheiden, hoe meer wij immers de eensgezindheid en alzoo het algemeen geluk bevorderen.
Na den middag was het nog al redelijk goed weder, en ik wandelde de kaai van de Saone zuidwaards op, langs de puinhoopen en nog overgeblevene muren van het Arsenaal, bijna geheel door het bombardement vernield, gelijk ook een groot gedeelte van deze wijk, en waar van nog maar weinige huizen zijn opgebouwd. Ik kwam vervolgens aan de hier zoo beroemde werken van Perrache, die de vereeniging van de twee rivieren omtrent 1100 halve roeden (toises) voor uit heeft gelegd, zoo dat de stad hier door een aanmerkelijk stuk gronds wint. Voor Hollanders, aan dijken en droogmakerijen gewoon, baart dit werk niet veel verwondering. Men heeft hier ook aangename wandelingen, en ik keerde langs de kaai van de Rhone, die daar aangenaam beplant is, weder terug. Behalve de huurkoetsen (fiacres) vindt men in deze stad, en de omliggende streken, ook nog een ander soort van rijtuigen, het zijn ligte wagentjes, zeer laag, en op vier wielen, die door één paard getrokken worden; de banken zijn in de lengte geplaatst, zoo dat men ’er op zijde, rug tegen rug, en de beenen buitenwaarts inzit; op de banken, waarvan sommigen op riemen hangen, liggen matrassen; doorgaans kan men ’er met zes en meêr personen in zitten, zij worden veel gebruikt, om na buiten te rijden; men vindt ze gemeenlijk staan, bij de voorname uitgangen van de stad, en kan ze daar goedkoop huren. Die rijtuigen worden Carioles de Lyon genaamt, en de voerlieden, die ze verhuren des Carioleurs.
Heden den 1 Augustus is het weder nog al redelijk, en het scheen, dat de regen toch eindelijk eens zou ophouden; wij bepaalden dan ons vertrek op morgen, indien wij eenige reisgenooten konden vinden, om een schuitje (bateau de poste) tot Avignon met ons te huren. Hier in slaagde ik zonder veel moeite, wij waren met acht personen, en huurden zoo een schuitje voor zes Louis d’Ors, onder beding dat het goed met planken overdekt, en van zitbanken en stroo, om de voeten in te zetten, voorzien moest zijn; vooral ruim en stevig genoeg, ook in allen opzigte geheel tot onzen dienst, zoo dat wij hier en daar des goedvindende konden aanleggen, mits de reis ’er niet te veel door werd vertraagd; de schipper mogt niemand buiten onze toestemming aan boord nemen enz. Alle diergelijke voorwaarden behoort men te voren wel uitdrukkelijk te maken, om daarna geene moeijelijkheden te hebben; omtrent dit alles overeengekomen zijnde, gaf mij de schipper (patron) een Louis d’Or op hand, ten blyke, dat de overeenkomst gesloten was, dit is genoegzaam door geheel Frankrijk gebruikelijk, het zij de huurder of verhuurder, kooper of verkooper die geeft, men noemt dit handgeld les arrhes; voorts was de afspraak, dat wij morgen ochtend met het krieken van den dag zouden vertrekken, indien de wind, die noorden was, zoo bleef, kunnende ’s avonds van denzelfden dag dan nog te Avignon zijn; de schipper zou ons in dat geval laten roepen; doch als de wind veranderde, behoefden wij zulk een haast niet te maken, omdat men dan toch een nacht onderweeg moest slapen.
Daar nu onze afreis bepaald was, en ik al, wat hier merkwaardig is, genoegzaam gezien had, bleef mij nog over, om in een voornaam magazijn een kleine voorraad van Lyonsche zijden kousen te kopen, en ik vond ’er zeer goede voor £ 9–:–: het paar, zoo witte als zwarte. Het overschot van mijn’ tijd besteed ik nu, om aan u te schrijven, en dezen brief te sluiten, na u vooraf nog het een en ander aangaande deze stad te hebben medegedeeld.
Van ouds droeg Lyon den naam van Lugdunum, en had dus bijna denzelfden naam als ons Leyden Lugdunum Batavorum; misschien had men ’er Batavorum bijgevoegd, om die stad van het Lugdunum der Gaulen te onderscheiden. Naderhand werd Lyon een Aartsbisdom en de Hoofdstad van de Provincie le Lyonnois, thans is het de Hoofdplaats van het Departement van de Rhone en het verblijf van de Prefecture en Tribunal d’Appél; men begroot het getal der inwoners, naar men mij verzekerde, nog heden op omtrent 120,000. Lyon wordt op 100 Fransche mijlen afstands van Parijs gerekend, doch over Dyon is het verder; zij is omtrent 40 van deze laatstgenoemde plaats gelegen, en 48 van Avignon De hoofdstad niet zijnde, noemen de Lyonnezen hun stad egter de tweede van Frankrijk; want zij worden voor zeer hoogmoedig en eigenbelangzoekend (egoistisch) gehouden; zoodat Lyon voor hun schier alles, en het heeläl bijna niets is; dezen karaktertrek schrijf ik al weder toe aan de hooge Geestelijkheid van die stad; want deze door hunnen alles vermogenden invloed gaf toch den voornaamsten plooi aan ’s volks denk- en handelwijze; oordeel of het ook groote sinjeurs moeten geweest zijn; van den Aartsbisschop af, tot den laatsten Kanunnik van het Domkapittel toe, noemden zij zich Comte de Lyon; het waren alle Prinsen en Graven, zij moesten 16 kwartieren, zoo van ’s vaders als van ’s moeders zijde in hun wapen voeren, en de Koning van Frankrijk was hun eerste Kanunnik. Deze geestelijke Graven, die zich de navolgers van den nederigen Christus noemden, waren zoo verregaande opgeblazen, dat zij zich met de Godheid, dien zij erkenden, schenen gelijk te willen stellen: want zij knielden niet in tegenwoordigheid van de Hostie. Dit hadden zij zelfs tegens de Sorbonne5 volgehouden, tot dat, naar men zegt, Lodewijk de XIV. zich eens onder hun in de St. Jans of Domkerk bevindende, goedvond om te knielen; nu konden zij welstaanshalve toch ook niet anders doen, zij knielden dan, maar voor wien, voor God of voor den Koning?—Ik wenschte, dat zoo vele brave en achtingswaardige Roomschgezinden, met alle diergelijke schandelijke zaken, waar door men den godsdienst ontluisterd, wat meêr bekend waren. De geschiedenis doet ons egter ook een’ Aartsbisschop van Lyon, die in het laatst van de afgelopen eeuw geleefd heeft, als een’ achtingwaardig man, kennen, voornamelijk om de vriendschap tusschen hem en den vermaarden wijsgeer en schrijver Thomas6, die te Lyon in de armen van dien Aartsbisschop, genaamd Montaset, gestorven, en op deszelfs landgoed, even buiten de stad, begraven is; waar de redelijke Montaset zijn overleden vriend dan ook een graftombe oprigtte, die hij door zijn tranen aan de vriendschap heiligde.
Onder verscheidene vermaarde mannen, konstenaars en geleerden, werd ook Pierre Perrin, stichter van de Fransche Opera, en dus voor de Franschen wel een groot man, hier geboren: hij voerde den titel van Abbé, Conseiller du Roi enz. en werd het eerste bevoorregt met het Koninklijk verlof (lettres patentes) om de Koninklijke Muzijk-Akademie opteregten, in 1669. De eerste Opera, die hij in ’t openbaar gaf, (te Parijs in 1671) was Pomone genaamd. Hoewel de versen, van Perrin zijn eigen maaksel, zeer slecht waren, werd het stuk toch zeer toegejuicht en acht maanden agter elkanderen gespeeld, zoo dat deze Opera, hem alleen voor zijn aandeel 30,000 Livres opbragt; doch zoo als het gemeenelijk gaat, de voorspoed werd door de afgunst gevolgd, en Perrin was al schielijk verpligt om zijn voorregt tegen een sommetje aftestaan; zijn geluk was dan van korten duur, en hij stierf te Parijs omtrent het jaar 1680. De beeldhouwers Coysevox en de twee Coustou’s, zijn ook van Lyon, als mede Joseph Vivien een van de uitvinders van het teekenen met pastel. Op de geboorte van Caracalla heeft de stad Lyon geen reden om roem te dragen—en hoe zeldzaam had het menschdom reden, om de geboorte van een’ Keizer of Koning te zegenen!—Onder verscheidene Kerkvergaderingen (Conciliën) die hier gehouden werden, zijn die van 1245 en 1274 vermaard, de eerstgenoemde niet alleen, omdat bij hetzelve besloten werd, dat de Kardinalen voortaan roode hoeden zouden dragen; maar bijzonder ook omdat Keizer Frederik de IIde, in den ban gedaan, en van het Keizerrijk ontzet werd door Paus Innocentius den IV.; de andere door de geloofspunten, die daar verhandeld werden, was de voorname oorzaak van de scheuring der kerk, door de afzondering der Grieken—maar ik houde mij op, met u dingen te vertellen, die gij misschien lang weet, in plaats van naar bed te gaan, wijl ik ’er morgen vroegtijdig uit moet.
1 Dat stuk is daar in een korten tijd ver over de honderd malen gespeeld; want een groot gedeelte van de Parijzenaars liep ’er naar toe.
2 ’t Is te verwonderen, dat men aan merkwaardige overblijfsels, zulk een kleinachting aanduidenden naam heeft gegeven; want Antiquaille beteekent oude prullen.
3 De teekening is nog al tamelijk, behalven het opgenoemde, was ’er ook nog de afbeelding van een mensch bij; de Engel en Duivel schenen zich met hem bezig te houden. Misschien verbeeldt het een mensch in de eerste tijden van het Christendom, die door den Duivel tot den Afgodendienst verleid wordt, terwijl een Engel ’er hem van terug houdt.
4 Het aanroepen van deze Lieve Vrouw, als men zich in nood bevond, scheen hier al vrij algemeen, doch ieder was juist niet even naauw gezet in het nakomen van zijne gelofte. Men verhaalde mij ten dezen opzigte een geval, dat mij deed lagchen; eenige jaren geleden was een schippers knecht van de schuit in de Rhone gevallen, en deed volgens gebruik eene gelofte aan de Lieve Vrouw van Fourvières, doch de redding volgde niet spoedig; en, of door den sterken stroom of anderzins niet kunnende zwemmen, begon hij reeds te zinken, toen zijn schipper hem met een haak vastkreeg en ’er uithaalde. Vervolgens zijne gelofte vergetende, werd hij daar aan door zijn’ Biegtvader herinnerd, doch ontschuldigde zich met te zeggen: “Zij heeft geen haast gemaakt, om mij te helpen, ik behoef ook geen haast te maaken om te betalen, want kijk, Mijn Heer Pastoor! als onze schipper niet beter bij de hand geweest was dan onze Lieve Vrouw, ik had ’er bij mijn .... om koud geweest.”
5 De Doctoren van dit vermaarde kollegie; dat door Robert de Sorbon, Hofprediker en Biegtvader van St. Louïs, in 1252 gesticht werd, waren in Frankrijk de gewone regters in Theologische geschillen van aanbelang.
6 Bekend door zijne welsprekende en wijsgeerige geschriften, zoo als zijne lofspraken (eloges) van Marcus Aurelius, van Sully, van Descartes enz. hij legt daar in zijne vrije en onbevooroordeelde denkbeelden duidelijk aan den dag. Thomas was ook een bijzonder vriend van Mevrouw Necker.
Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.
