Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805
Zevende brief
Avignon, 3 Augustus.
Gisteren morgen om 4 uren voeren wij van Lyon, af; want de wind was wat veranderd, en wij hadden geen hoop, om denzelfden avond hier te zijn. De schuit was volgens afspraak; doch ’er ging maar één schipper mede, en dit beviel velen van onze reizigers, die het hoofd vol zwarigheid hadden, in ’t geheel niet; ik voor mij was hier omtrent minder ongerust, want had ’er niet deskundigen over gesproken, en men verzekerde mij, dat ’er met bekwame schippers, zoo als die lieden hier doorgaans zijn, op deze rivier geen gevaar te vreezen is. Wij voeren onder de groote steenen brug (pont de la Guillotière) door, doch langs den kant, omdat daar de minste trekking is. De stroom in het midden onder deze brug is verbaasd snel. Weldra kwamen wij aan de plaats, waar zich de Saone met de Rhone veréénigt; de afscheiding van het water dezer twee rivieren, is aan de onderscheidene kleuren duidelijk te zien, en maakt als een streep op het water. De stroom is hier ook zeer sterk, zoo dat ons schuitje begon te hobbelen, en eenigen onzer reizigers zeer zuinig te zien. Het land aan de oevers, stond hier en daar onder water; zulk eene overstrooming, in dit jaargetij, heeft hier niet dan zeer zeldzaam plaats. Te Givors, een steedje omtrent drie mijlen van Lyon aan den oever van de Rhone gelegen, moest de schipper aanleggen, om tol te betalen, en wij stapten aan land, om onderwijl eens rond te zien. Door zijne gunstige gelegenheid is dit plaatsje nog al handeldrijvend, en de inwoners, die grootendeels vrachtschippers en Commissionnairen zijn, voeren vele goederen, als ijzer en steenkolen, komende van St. Etienne, waar een groote geweer- en andere ijzeren instrumenten-fabriek is; ’er zijn ook steenkolen-mijnen niet ver van Givors; zij brengen ’er dan ook een groote hoeveelheid van naar Lyon, en gebruiken ’er zelve zeer veel in de flessen-fabrieken, die hier ook een’ voornamen tak van bestaan opleveren; men verhaalde mij, dat ’er thans zes aan den gang waren. Ook wordt ’er zijde in de omstreken geteeld, en ik zag een paar vrouwen bezig met de poppen aftehaspelen. Hoewel de wind niet zoo gunstig was als gisteren, vorderden wij echter door den snellen stroom al vrij spoedig, en hadden Givors nog niet lang achter den rug, toen wij Vienne, twee mijlen van daar gelegen, reeds ontdekten; die stad ligt tegen en tusschen de bergen en doet zich, van de rivier te zien, aangenaam op. Zij is zeer oud, uitgestrekt, maar weinig bevolkt. ’Er is een fabriek van groote ijzeren en stalen werktuigen. Men noemt deze stad Vienne en Dauphiné, of thans dans le Departement de l’Isère, om dezelve van Weenen in Oostenrijk (Vienne en Autriche) te onderscheiden. Even buiten de stad aan den kant van de rivier, staat een oude pyramide of naald, onder den naam van l’Eguille bekend; ik kon dezelve van de schuit duidelijk zien, en vind daar van aangeteekend, dat zij op een vierkant gewelf staat, ondersteund wordende door vier pilaren van 20 à 24 voeten hoog; de naald zelve is bijna van dezelve hoogte. Hoewel ’er hoegenaamd geen opschrift op staat, veronderstelt men, dat het de grafnaald is van den een’ of anderen Romein. Midden in de rivier, omtrent voor de stad, zag ik ook de overblijfsels van een steenen brug. Omtrent een half uur verder ziet men aan de linkerhand eenen geheel met wijngaarden beplanten heuvel, het was den om zijn’ lekkeren wijn vermaarde Côte Roti. Niet ver van daar, aan de regterhand, ligt het steedje Condrieu; hier moest men weder aanleggen om tol te betalen; want ’er zijn verscheidene tollen op deze rivier; voor dezen was de vracht dan ook goedkooper, naar onze schipper verhaalde, maar thans moet ’er te veel af. Wij gingen ons hier weder een weinig vertreden. Verscheidene vrouwen, die ’er alles behalve bevallig uitzagen, kwamen vruchten en wijn te koop veilen. De wijn van Condrieu is beroemd, vooral de witte, wij kochten ’er dan ook van en betaalden 20 sols de fles1. Zij was zeer goed, en het speet ons naderhand, dat wij ’er niet meêr voorraad van hadden opgedaan. Het stadje is aan den voet van een’ heuvel gelegen en ziet ’er nog al redelijk uit. Ook hier is het grootste gedeelte van de ingezetenen schippers en schuitenmakers, en vele tevens wijngaardeniers; want wijn is bijna het eenigste voortbrengsel van dezen grond. De vader van den vermaarden Marschalk de Villars, die den 6 Maart 1714 in naam van Lodewijk den XIV. den vrede te Rastad teekende, is hier geboren; ik vertel u dit, omdat het eenige betrekking heeft tot onze Vaderlandsche Historie; maar maak met meêr genoegen melding van een menschlievenden en weldadigen Roomschen Priester, die hier in 1727 een Gasthuis stichtte. Het was te wenschen dat het voorbeeld van dien goeden man door zijne ambtgenoten, van welke Geloofsbelijdenis zij ook zijn mogen, wat meêr gevolgd wierd, en deze Heeren zich niet alleen vergenoegden met de weldadigheid te prediken, zoo als zij doorgaans gewoon zijn. Weder aan boord zijnde, haalde ieder zijn’ voorraad voor den dag, en men ging ontbijten; ons gezelschap was nog al vrij wel, en bestond onder anderen uit een jong militairen Chirurgijn, die een Gasconjer was, en een soort van Landjonker, die op een Landgoed in Provence, aan de grenzen van Italië woonde; beide deze lieden, vooral de Chirurgijn hadden, hier meêr gereisd en nog al eenige kunde; ’er viel dan tusschen beide ook nog al wat te praten, met kijken had ik inzonderheid veel te doen; want de oevers van de Rhone leveren doorgaans eene verscheidenheid van aangename gezigten op. Wij zagen hier een slang, naar gissing twee à drie voeten lang, digt voor de schuit heen, en zoo het scheen dwarsover zwemmen, hij streek bijna over de oppervlaktes van het water en was zeer vlug. Toen men met smaak een stuk uit de hand had gegeten, merkte onze Chirurgijn aan, dat diergelijk koud en eenvoudig voedsel, vooral vruchten, toch wel zeker gezonder is, dan zoo vele konstig bereide en warme, of veel liever heete spijzen; dit betoogde hij eenigzins op eene geneeskundige wijze, en ik was het volkomen met hem eens; de landjonker, hoewel genoegzaam met ons van hetzelfde gevoelen, zeide, dat hij veel met Engelschen en Amerikanen omgegaan hebbende, de gewoonte aangenomen had, om ’s morgens thee te drinken, en dat deze drank alzoo voor hem eene volstrekte behoefte geworden was, doch dat hij anders ook zeer vele vruchten at, en ’er zich zeer wel bij bevond; hij verhaalde ons verder, dat hij een’ kok gekend had, die bij een voornaam man van zijn kennis te Venetië woonde, en sedert verscheide jaren, niettegenstaande hij dagelijks de keurigste spijze in overvloed bereidde, genoegzaam niets anders nuttigde, dan vruchten, eenige rauwe groentens, wortelen, brood, en voor allen drank koud water; dat deze zonderlinge kok zich daarbij gezond en sterk bevond, daar hij voorheen, eer hij die levenswijze had aangenomen, gedurig ongesteld en zwak was: in het begin had hem dit wel eenige moeite gekost, doch hij had het volgehouden; en eindelijk verkoos bij zijne vruchten en wortelen, uit smaak, boven de uitgezochtste lekkernijën; een en andermaal had hij zijn’ Heer, die aan overdaad gewoon, en dus ongezond was, aangeraden, om van levenswijze te veranderen, en zijn voorbeeld te volgen; deze hier geen’ zin in hebbende, en dus minder redelijk dan zijn kok, werd die raad moede, en zeide hem eens, dat hij zijn handwerk weinig eer aan deed; dat, indien men hem gehoor wilde geven, hij dan ook geen kok meer van nooden had: geen zwarigheid, antwoordde deze, gij zult gezond worden, en ik zal wel een’ anderen dienst vinden.—Maar als ieder uw voorbeeld, dat gij zegt zoo heilzaam te zijn, eens volgde: was de tegenwerping; en de kok besloot met te zeggen, dat hij niet geloofde, dat zulks althans gedurende zijn’ leeftijd plaats zou hebben; doch als het al eens gebeurde, dat dan de maatschappij zulk eene groote verandering zou ondergaan, dat hij een zijns gelijken geene moeite zouden hebben, om een stukje lands te vinden, daar zij het weinige voedsel, dat zij noodig hadden, op telen konden2.—Wat zegt gij van dezen wijsgeerigen kok?—Ik heb wel Professorale lessen gehoord of gelezen, die zoo goed niet waren. Al pratende kwamen wij voor Tournon, een stadje in het Departement de l’ Ardèche, voorheen Languedoc; het is aardig gelegen aan den voet van een’ berg; ’er is een zeer groot gebouw, dat voorheen een kollegie was, aan de Jesuiten behoorende, doch sedert de afschaffing van dezelve, werd het door wereldlijke bestuurd, en thans is het een Kweekschool, onder opzigt van het Gouvernement; het is aangenaam aan den oever van de Rhone gelegen. Over Tournon aan den linker oever van de rivier ligt een plaatsje, Thain genaamd; van hetzelve valt niets anders aanteteekenen, dan dat de beroemde hermitage-wijn digt daar bij groeit. Men ziet door de wijnstokken, waarmede zij beplant is, den geheel groenen heuvel van de rivier; deze heuvel is niet groot, doch al de wijn, die in den omtrek groeit, noemt men even eens Hermitagewijn, en deze wordt ook al duur verkocht; want het gaat hier mede zoo als met mêer andere dingen; vele menschen die geene fijne kenners zijn, houden zich te vreden met den blooten naam. Omstreeks Thain plagt ook een goudmijn te zijn, naar men verzekert; doch dezelve is thans geheel verwaarloosd, het geen mij verwondert; want een goudmijn zou thans in Frankrijk wel te pas komen. Daar Tournon en Thain zoo digt bij elkanderen liggen, vraagt men spottenderwijze, “Combien y a t’il depuis Thain à Tournon3?” en volgens een slechte uitspraak, ”Combien y a t’il depu Thain (putains)4 à Tournon. Men verhaalt, dien aangaande een’ aardigen kwinkslag. Ten tijde van Lodewijk den XIV. bevond zich een man van Tournon, op reis met iemand, die tot het hof van Versailles behoorde; deze hoveling vroeg ook spottende aan onzen man: ”Combien y a t’il depu Thain (putains) à Tournon?” en deze had de tegenwoordigheid van geest, om hem zonder bedenken te antwoorden: ”Oh! ce n’est pas la peine d’en parler; mais dites moi combien y a t’il bien de Maintenon (des Maintenons) à Versailles5?” Gij vat de kneep, en zult zekerlijk zoo wel als ik dien trek van tegenwoordigheid van geest bewonderen. Vervolgens kregen wij Valence aan den linker oever van de rivier gelegen, in het gezigt, gij zult uit de afbeelding zien, dat die stad niet onaardig gelegen is; niet ver van deze stad, en eer men aan dezelve komt, werpt zich de rivier l’Isère in de Rhone. Onze reisgenoot de Chirurgijn herinnerde ons, dat het hart van den laatst overledenen Paus in de Kerk van Valence, in een looden kistje bewaard werd. Hij zelve had het niet lang geleden gezien, daar wij hier toch aan moesten leggen, en dat al weder om tol te betalen, besloten wij, om de stad eens in te gaan, en aldaar de Pausselijke overblijfsels te gaan bezigtigen. Het was even na den middag, en brandend heet, zoo dat deze bedevaart ons een zweetje koste; op verscheide plaatsen in de straten, waren echter nog al zeilen van het eene huis tot het andere uitgespannen om schaduw te geven. Wij zagen in de Hoofdkerk, in een Kapel, die geschilderd was met een’ zwarten grond, waarop hier en daar doodshoofden en Pausselijke versierselen, op een soort van klein altaartje, het geen midden in dezelve stond, een houten doos of kistje, en hier in was het looden, dat het hart en de ingewanden van den Paus bevatte; dit kistje was overdekt met een kleed van violetkleur fluweel met gouden franjes, en waarop de Pausselijke muts en sleutels met goud geborduurd waren; een soort van lijklamp hing ’er boven, en werd, naar men mij verzekerde, altijd brandende gehouden. Deze Kapel is met een ijzer hek gesloten, en boven hetzelve leest men: “Ici sont deposés le coeur et les entrailles de Pie VI.” Die Paus is in deze stad, om den oorlog of de gevolgen van dien Rome ontweken zijnde, hier staatsgevangen gehouden en gestorven. Zijn ligchaam is naar Rome gevoerd; doch op aanzoek van Bonaparte, zoo men zegt, zijn zijne ingewanden hier wederom terug gebragt, en men wil, dat ’er een graftombe zal opgerigt worden, om dezelve in te bewaren. Aan of in de Kerk, die een donker en slordig voorkomen heeft, is voor het overige niets bijzonders te zien. Ook zag ik niets aanmerkelijks in de stad, het is de hoofdplaats van het Departement la Drome, voorheen du Valentinois en Dauphiné. Het verblijf van de Prefecture, en een Tribunal de première instance, is zeer oud en met muren omringd; de omstreken schenen mij toe nog al aangenaam te zijn. Valence is door een heuvel, in de gedaante van een halven cirkel, natuurlijk beschut, en dat op eene wijze, als of het door kunst gemaakt was: men vindt hier omstreeks goede en zuivere bronnen; de zijdeteelt is ook een voorname tak van bestaan van de inwoonders. Voorheen was ’er een Universiteit, die verscheide voorname Rechtsgeleerden opgeleverd heeft. Het bijgaand fraai gezigtje zal u een denkbeeld geven van de ligging dier stad. Omtrent drie mijlen onder dezelve, valt de rivier le Drome in de Rhone: deze laatstgenoemde rivier is hier al vrij breed, en wij werden reeds van verre door het hevig gedruisch van het water den snellen stroom gewaar. De rivier geleek hier op sommige plaatsen naar eene hevig ziedende pot: sommigen van ons gezelschap begonnen dan ook zeer bevreesd te worden, doch onze schipper, die mij toescheen een nuchter en bekwaam man te zijn, verzekerde, dat hij het gevaar wel zou weten te vermijden; zoo dat men niet ongerust behoefde te zijn; wij kwamen ’er dan ook zonder eenig letsel over; maar werden door de golven ter deeg geschommeld. De groote toevloed van water, vooral thans, na eene zoo sterken en aanhoudenden regen, en eenige rotsen of klippen in de rivier, en onder het water staande, veroorzaken deze geweldige bruisching. Het was omtrent zeven uren des avonds, toen wij Ancone, een dorpje aan de linker oever van de Rhone naderden: Onze schipper (patron) zeide, dat wij daar een redelijk goede herberg zouden vinden, en dat het dus raadzaam was, om ’er te blijven overnachten. Het voorstel werd algemeen aangenomen; maar de herberg, die men ons aanwees, zag ’er in ’t geheel niet breed uit, en wij dachten, dat, zoo wij ’er al konden slapen, het niet anders dan op stroo zou zijn. Ook hier werd het spreekwoord, dat schijn dikwijls bedriegt, bewaarheid, en wij stonden niet weinig verwonderd, toen men ons langs een’ grooten trap en langen gang verscheide redelijk goede kamers aanwees, en ’er was voor ieder een bed; dit viel dan niet weinig mede. Wij stelden nu verder onzen landjonker tot Hofmeester aan, om het avondmaal enz. te bestellen, te meer, omdat hij zeer goed patois, het geen de landtaal is, sprak, en ik ging met den Chirurgijn landwaards in, naar den kant van Montelimart, dat maar een half uurtje van hier gelegen is. Wij zagen het liggen, doch vonden het te laat, om ’er naar toe te gaan, wijl de afspraak was, dat wij vroeg zouden eten en naar bed gaan: om den volgenden morgen weder vroeg in de kleêren te zijn. Te Montelimart zijn veel Protestanten; de inwoners waren van de eerste, die de hervorming van Calvin aannamen; het is nog al redelijk bevolkt, en vrij welvarende, omdat de groote weg van Lyon naar Marseille en Italië ’er doorloopt, en de landstreek vruchtbaar is; wij zagen dan hier ook fraaije boeren-hoeven; de landlieden waren grootendeels bezig met hun koren door muilezels te laten treden, (fouler), zoo als bij ons de vlasballen worden gedaan. Het zag ’er, niettegenstaande het ongunstig weder, vrij wel uit. Behalve eenige andere vruchtbomen, waren de meesten, die ik hier zag, moerbeziën; want de zijdeteelt is ook hier omstreeks een voornaam bedrijf, en heeft waarschijnlijk aan dezen kant zijn oorsprong in Frankrijk genomen. De natuurkundige de Faujas6, zegt in een’ zekeren brief: dat de eerste moerbezieboom in Frankrijk gebragt werd, ten tijde van de laatste Kruisvaart door eene Gui-Pape-Saint Auban, een mijl van Montelimart. Dat deze oude moerbezieboom nog bestaat, en dat de Heer de Latour Du Pui-la Chaux, dit gedenkteeken van den landbouw had doen in waarde houden, door ’er een muur om te bouwen, en te verbieden, dat men ’er de bladeren van plukte. De afstammelingen van dezen ouden boom, bedekken thans een goed gedeelte van den Franschen grond, en brengen aan den staat een inkomen op van verscheiden millioenen. Dit een en ander had ik voor mijn vertrek van Parijs, uit een der dagbladen, opgeteekend; hopende gelegenheid te zullen hebben, om dien merkwaardigen boom te zullen zien, doch nu was het te ver; daarbij wisten de lieden alhier, mij ’er geen genoegzaam narigt van te geven; ik zou dan eerst naar Montelimart hebben moeten gaan, om ’er na te onderzoeken, en dit zou te veel tijd gevorderd hebben: dus zag ik, hoewel niet zonder leedwezen, van dit ontwerp af.
Valençe.
In 1762 vonden eenige arbeiders, omstreeks dit dorp Ancone, in een tuin gravende, een groote Lijkbus (urne), waar een lijk in was, hebbende op het hoofd eene gouden kroon, en aan een oor een ring van hetzelfde metaal. Meêr vond ik hier niet van aangeteekend, en sommige inwoners, die ik ’er hier na vroeg, konden ’er mij ook niets naders van zeggen.
’t Was een warme dag geweest, de avondstond was regt koel en verkwikkende. Om hier wel genot van te hebben, ging ik eenzaam op de vlakke oevers van de Rhone, die men hier heeft, even als bij ons aan zee, wandelen. De bergen en rotsen aan den overkant, en boven en beneden dezelve, maakten eene majestueuse vertoning; zekerlijk, dacht ik, hebben sommige hunner voorheen stroomen vuurs en lava uitgebraakt, terwijl men de sporen daarvan nog in deze landstreek vind. Deze landstreek, te weten aan den overkant van de Rhone, bekend onder den naam van le Vivarais, en thans behoorende tot het Departement de l’Ardeche, werd oudtijds bewoond door de Helvianen, die op het eind van de vijfde Eeuw, of het begin van de zesde, door Sigismundus, Koning der Bourguignons, overwonnen werden. De avond begon meêr en meêr te vallen, de horens van de beesten-hoeders, die zich in de bergen deden hooren, en tegen de rotsen weêrgalmden, verwijderden zich al verder en verder, eindelijk hoorde ik niets meêr, dan het geruisch der rivier, en het gekraak der keisteentjes, waarover ik liep, en waar deze oever als mede bezaaid is. Het werd tijd, en ik begaf mij naar de herberg; daar zag ik met genoegen, dat de tafel voor de deur, en alzoo niet ver van dien aangenamen oever van de Rhone gedekt was. ’Er was schier geen zuchtje aan de lucht, zoodat de kaarsen, die men op tafel zette, zonder moeite aanbleven, en het eten was goed, en smaakte, omdat wij honger hadden, uitmuntend. Wij deden dan een regt aangenamen landelijken maaltijd; het oud moedertje van den huize ziende, dat wij wel over haar te vreden waren, kwam ook bij ons zitten snappen, en scheen zeer opgeruimd. Hadden wij den volgenden morgen niet vroegtijdig op reis gemoeten, ik had hier zoo spoedig niet van daan gekomen, doch nu was slapen de boodschap.
Heden morgen om vier uren begaven wij ons weder scheep. De rivier vertoont zich hier als geheel van bergen en rotsen omringd; de gezigten zijn schilderachtig. Weldra kregen wij Viviers hoofdplaats van le Vivarais, in het oog; ook dit gezigt zou een zeer fraaije teekening opleveren; doch die hier alles, wat de moeite waard is, wilde uitteekenen, zou ’er wel eenige maanden mede kunnen doorbrengen. Dit stadje is tusschen de rotsen aan den regter of westelijken oever van de Rhone gebouwd, en de hoofdkerk gelegen op een rots, die boven de huizen uitsteekt; het schijnt een oud en groot gebouw te zijn. Voor de omwenteling was Viviers een Bisdom, en de Bisschop voerde den titel van Comte de Viviers. Beneden aan den oever van de rivier ligt een zeer groot, en zoo het schijnt, fraai gebouw; men zegt dat het zoo veel vensters heeft, als ’er dagen in het jaar zijn; nu ’er waren ’er inderdaad zeer veel; het diende voorheen tot een Seminarium. Aan onze linkerhand zagen wij een oud Kasteel, dat de schipper le Chateau de Roche-mollet noemde, meêr wist men ’er mij niet van te zeggen. Een eindweegs gevorderd zijnde, aanhoudend bezig met de fraaije gezigten rondom ons te bewonderen, zagen wij le Bourg St. Andeol, voorheen het verblijf van den Bisschop van Viviers, en waar hij zijn paleis had. Dit stadje ziet ’er nog al wel uit, en is aangenaam aan de regteroever gelegen: wij stapten ’er een oogenblik aan wal, en kochten ’er wat provisie; want het water geeft eetlust, en het werd tijd, om te ontbijten. Het oogenblik naderde vervolgens, dat wij onder die vreesselijk vermaarde Pont-Saint Esprit, waar van men ons zoo veel verteld had, door moesten varen. ’Er wierd raad gehouden, of wij scheep zouden blijven, dan of wij ons voor de brug aan wal zouden laten zetten, en op één na besloten tot het laatste, als zijnde het algemeen gebruik; daarbij wilden wij wel een half uurtje wandelen. Ik had anders nog al lust gehad, om ’er in te blijven, doch voegde mij nu na de meerderheid van het gezelschap; onze reisgenoot, die ’er in bleef, kon zwemmen, en trok zelfs zijn laarsen en rok uit, om daar door, in geval ’er een ongeluk plaats mogt hebben, niet belemmerd te worden; de schipper lagchte hier om, en verzekerde ons, dat ’er geen gevaar was, en hij dien togt meêr dan honderdmalen, zonder eenig letsel, gedaan had; maar het besluit was genomen, en wij stapten een groot kwartier, voor dat wij bij de brug kwamen, aan land. Als een pijl uit een boog zagen wij van daar ons schuitje wegsnellen, en wandelden langs een’ aangenamen weg, beplant met moerbezieboomen, wijngaarden, en hier en daar olijfboompjes, de eerste die ik zag, tot het stadje Saint Esprit. Het zal waarschijnlijk een sterkte geweest zijn, en heeft een citadel en bastions, maar heeft voor het overige weinig te beteekenen; het is aan den regteroever van de Rhone gelegen, en behoort thans tot het Departement du Gard. Wij zagen ’er in een lang en smal gebouw meer dan dertig vrouwen zitten, die bezig waren met de zijde van de poppen te haspelen. De uitwaseming van die poppen, die men in heet water legt, veroorzaakt eenen zeer onaangenamen reuk, en men zegt dat het ongezond werk is, dat ik zeer wel gelooven wil. Nogthans waren ’er onder die werklieden, eenige meisjes die ’er wij wel uitzagen; maar misschien hadden zij dit bedrijf ook nog niet lang bij de hand gehad. Vervolgens gingen wij de vermaarde brug zien; het is een ontzaggelijk stuk werks; zij rust op 26 bogen, waarvan 19 grooten en 7 kleinere zijn; zij is, volgens de beschrijving, 420 toises lang, en 2 toises, 4 voeten, en 4 duimen breed7. Zij werd begonnen in 1265, en in 1309 voltooid, men werkte ’er dus 44 jaren aan.—En hoe, denkt gij dat men aan het geld gekomen is; want dit moet nog al een sommetje gekost hebben. Men maakte gebruik van het bijgeloof van dien tijd, om deze nuttige gemeenschap tusschen den regter- en linkeroever te bewerkstelligen. Het gerucht werd verspreid dat een Engel aan een’ schaapherder verschenen was, en hem geboden had, om daar ter plaatse eene brug te bouwen; weldra kwam ’er een ruime toevloed van offeranden en giften van alle kanten. De Prior van de Abdij, waar het stadje om gebouwd was, had echter het spel haast bedorven; want men had de onvoorzigtigheid gehad, van ’er hem niet in te kennen: doch men herstelde dezen misslag, en gaf hem duimkruid; hij lag den eersten steen, en ziet het wonderwerk had de gewenste uitwerking. Een groot gedeelte van deze brug is op de rots, die daar de bedding van de rivier uitmaakt, gebouwd. Waarschijnlijk bestond ’er een reden, waarom men ze met een elleboog, die tegen den stroom gesteld is gebouwd heeft; want zij zou fraaijer zijn, als zij regt was. Wij waren veel te laat gekomen, om ’er onze schuit onder door te zien varen, zij wachte ons reeds lang aan den anderen kant. ’t Is zeer duidelijk te zien, dat de stroom tusschen de bogen van deze brug, en vooral tusschen die, welke het meest midden in staan, zeer sterk moet zijn, doch als de schippers niet onhandig zijn zie ik ’er geen gevaar in. Nog iets opmerkelijks aangaande het metselwerk van deze brug is, dat de pilaren van de bogen doorluchtig zijn als of ’er vensters in zijn. Ter instandhouding van dit ontzaggelijk en kostbaar stuk werks, is men zeer behoedzaam; de zware vragtkarren of rijtuigen, mogen ’er niet willekeurig overrijden, en om het dreunen voortekomen, worden somtijds de wielen vastgemaakt, in een soort van houten laden (sabots) gezet, en de karren ’er zoo zachtjes over gesleept. Wederom scheep zijnde, bekeek ik de brug nog eens ter deeg, doch wel dra verloren wij dezelve uit het oog. Naar ik vernam, moeten de schippers, onder die brug door willende varen, niet op het midden van een boog, maar op een pilaar aanhouden, even als of zij tegen denzelven aan wilden varen. De stroom brengt hen dan van zelve in het midden van den boog of poort daar zij door moeten, en in een oogenblik zijn zij aan den anderen kant. De gezigten blijven aanhoudend schoon, en de landstreek berg- en rotsachtig. Orange zagen wij aan de linkerhand van verre liggen; het speet mij, dat ik de overblijfsels der Romeinsche oudheden, die deze stad nog bezit, niet kon zien; doch zij is omtrent een mijl van den oever afgelegen, en dus wat te ver om ’er naar toe te wandelen; daar bij was het zeer warm, en omstreeks elf uren voor den middag. Onze voormalige Stadhouders voerden den naam van Prinsen van Oranje, naar het Prinsdom, of liever Prinsdommetje, waarvan deze stad toen de hoofdplaats was.—Wat heeft zelfs die naam in ons Vaderland niet dikwijls aanleiding tot verregaande onaangenaamheden gegeven!!... Verder op zagen wij het stadje Caderousse aan den linkeroever gelegen; voor deze plaats ligt ’er een eiland in de Rhone, dat nog al uitgestrekt is. Eindelijk wees men ons de oude Pausselijke stad Avignon, die door zijne aangename gelegenheid, zijne torens en hooge gebouwen, en de rots, waar het oude Apostolische Paleis op gebouwd is, eene fraaije en aanzienelijke vertooning oplevert. Eer dat men aan de stad komt, ziet men ook nog een eiland in de rivier, dat vrij aanmerkelijk is, de Rhone maakt daar twee armen en vereenigt zich weder bij Avignon. Het was omtrent twaalf uren ’s middags, toen wij hier aankwamen. Wij hadden dus in minder dan 23 uren (want den tijd dat wij geslapen en ons opgehouden hebben, reken ik ’er af,) een’ weg afgelegd van omtrent 48 mijlen, ik was ’er dan ook bijzonder over te vreden en zou ieder, die deze reis aangenaam, goedkoop en gemakkelijk wil doen, raden, om het op dezelfde wijze aanteleggen. Wij gaven elk aan onzen schipper, behalve de bedongen vracht, 30 sols drinkgeld, en hij was zeer wel te vreden. Die man moest nu zijne schuit hier verkoopen, doorgaans voor eenen zeer geringen prijs, en dan te voet weder terug keeren naar Lyon, zijne woonplaats.
Dezen langen epistel hebt gij wederom aan het slechte weder te danken; want naauwelijks waren wij in ons Logement of werden door een geduchte donder- en regenbui, even eens als Lyon, verwelkomd: thans (om elf uren ’s nachts) houdt dezelve nog aan.
1 Dit was beste oude wijn; de gewone kocht men voor 5 sols.
2 Onze reisgenoot verhaalde dit met verscheidene natuurlijke omstandigheden, als een echte gebeurtenis, waar van hij zelve meêr dan eens ooggetuigen geweest was, en ik heb geen de minste reden om aan ’s mans goede trouw te twijfelen.
3 Hoe ver is Thain van Tournon?
4 Hoe vele ligte vrouwlieden zijn’ er te Tournon?
5 O! dat is der moeite niet waardig, om ’er van te spreken, maar zeg mij, hoe ver is Maintenon (een steedje) van Versailles? of ook hoe veel Maintenons (te weten ligte vrouwen, want Madame de Maintenon, was, gelijk gij weet, bijzit van Lodewijk den XIV.) zijn ’er wel te Versailles?—Deze anecdote durf ik u haast voor wat nieuws aanrekenen, zijnde verzekerd dat zij zeer weinig bekend is.
6 De Faujas is Professor bij het Museum van natuurlijke historie te Parijs.
7 Men rekent de toise op 6 géometrische voeten. Die brug is dan ook veel te smal, naar evenredigheid van de lengte.
Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.
