Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805
Achtste brief (1 van 2)
Marseille, 7 Augustus.
’s Morgens van den 4 dezer was het droog, doch het had den ganschen nacht geregend. Zoo veel regen in dit saisoen en in dit gedeelte van Frankrijk, is inderdaad een ongewoon verschijnsel. Niettegenstaande onze voerman ons veel vertelde van den slechten weg, stapten wij omstreeks vijf uren op het rijtuig, om naar de vermaarde fontein van Vaucluse te rijden, men rekent dezelve over l’Isle 5½ uur gaans van Avignon afgelegen; wij hadden een rijtuig op twee wielen, doch op riemen hangende, in den smaak van die, waarmede men van Parijs naar Versailles enz. rijdt; het was met twee paarden bespannen, en de voerman zat en postillon op een van dezelven, die soort van rijtuigen zijn ligt, en men kan ’er des noods met vier personen in zitten. Ik had het voor 21 Livres vrij van alle onkosten gehuurd. Een eind weegs buiten Avignon is de weg goed en zeer vlak, aan beide zijden met sloten, weilanden en boomgaarden, van moerbezieboomen beplant. Het heeft hier wel wat van dat gedeelte van Gelderland, waar men zoo veele kersen en andere vruchtboomgaarden vindt. De landstreek wordt vervolgens bergachtig, en men heeft eene verscheidenheid van aangename gezigten. Tot nog toe was de weg vrij goed; doch hier kwamen wij weder tusschen boomgaarden en akkerland. De grond was hier kleiachtig en zoo week, dat wij verpligt waren te voet te gaan, omdat het rijtuig en de paarden ’er zoo diep in raakten, dat zij moeite hadden, om ’er uit te komen. De voerman wees ons een voetpad langs een’ anderen weg, en wij zouden dan op eene zekere hoogte weder bij elkanderen komen; dit ging in den beginne wel genoeg, doch deze weg werd ook zoo slecht, dat wij aan den kant moeite hadden om ons over eind te houden door de glibberigheid, en in ’t midden zakte men ’er tot over de enkels toe in; tusschen beide liepen de sloten over, en men was schier genoodzaakt om te waden. Zoo sukkelden wij wel een half uur voort, eer wij weder bij het rijtuig kwamen. Onze voerman had het niet beter gemaakt dan wij, zijnde verpligt geweest, om bijna altijd naast het rijtuig te gaan, om het te ondersteunen; hij, wij en de gansche boêl zagen ’er deerlijk beslikt uit; en had de weg in ’t begin ten opzigte van het gezigt naar Gelderland geleken, hier geleek zij wel na dat kleiachtig gedeelte van ons land, waar men ’s winters bijna niet door kan komen; en ik herinnerde mij hier aan een van de onaangenaamste wandelingen van mijn leven, die ik in het najaar van 1801 deed, van Dordt naar het nieuwe veer. Wij kwamen vervolgens door het dorp Morières, klommen een’ heuvel op, veelal met wijngaarden en olijfboomen beplant; hier wordt het oog wederom aangenaam vergast; de weg is hobbelig en steenachtig. Hier wees onze voerman ons in een keten heuvels en rotsen, die voor ons lag, en aan dien kant het gezigt bepaalde, de plaats, waar de fontein van Vaucluse gelegen was; doch wij waren ’er nog een goed eind weegs van daan, en ik zag nog niets anders dan een bruinächtige rots. Afklimmende kwamen wij nog voorbij een ander dorp, en daarna aan het stadje l’Isle (het eiland) genaamd, waarschijnlijk om dat het riviertje la Sorgue het rondom bespoelt.—welk eene allerliefste landstreek! Wij reden door een fraaije dreef van redelijk zware platanus-boomen langs de stad, tot aan een gnappe herberg daar Petrarque et Laure uithangt, hier stapten wij af, aten ter loops een stuk brood, en wat vruchten, waar onder goede meloenen, en bestelden het middagmaal tegen onze terugkomst, vooral goede paling, forellen en rivierkreeften bedingende; want die zijn hier even zoo vermaard als bij ons de baars van Hillegom, of half weg Amsterdam; en schoon anders geen lekkerbek, van daag wilde ik ook eens smullen, want dat behoort bij de reis naar Vaucluse, en hij, die de fontein gaat zien, moet ook de visch proeven, die ’er in dat water gevangen wordt. Na het stoffelijk deel wat verkwikt te hebben, en dat was noodig; want wij hadden ons nog al wat vermoeid met door het slijk te loopen, spoedden wij voort en ik was dan zeer nieuwsgierig en verlangende. Welhaast verlaat men het dal en de vrolijke landouw van l’Isle; het liefelijk stroomende riviertje, dat hier en daar over een dam heen rolt, en een kleinen waterval vormt, de frisch groene weilanden en de akkers met moerbezieboomen beplant. De natuur neemt eene treurige houding aan, de grond wordt steenachtig, hier en daar rijdt men zelfs over de bloote rots; de landstreek is dan ook onvruchtbaar en woest, slechts hier en daar een struikje of een kwijnend olijfboompje. Hoe zeer men de plaats, waar de fontein moet wezen, een’ geruimen tijd voor zich gezien heeft, men kan zich niet verbeelden, dat dit iets ongemeens zal opleveren, en eenigzins aan de verwachting beantwoorden, die men ’er den reiziger van heeft doen opvatten, en juist dit maakt de nieuwsgierigheid des te sterker gaande; ieder spreekt hier toch van de fontein van Vaucluse, alle vreemdelingen gaan die bijna zien; het Departement is ’er naar genoemd; het moet toch der moeite waardig zijn, en ondertusschen schijnt het niet anders dan een barre rots. Het dorpje Vaucluse naderende, begint het ’er nogthans wat naar te gelijken; hier wordt de natuur schilderachtig; men komt door een’ hobbeligen en kronkelenden, hier en daar zeer smallen weg, langs stukken en brokken van rotsen, in een aangenaam dal, waar de Sorgue langs groene oevers, en weelderig groeijende struiken en boomen door slingert. Bij de brug van het dorpje hield de voerman stil, digter bij de fontein kan men met rijtuig niet wel komen. Een oud vrouwtje met haar spinrok in de hand, wachtte ons reeds op, en bood zich aan ons naar de fontein te geleiden. Het was nu omtrent elf uren, de zon scheen helder; het was al een zeer heete dag, en dus niet zeer aangenaam, om te wandelen, doch een nieuwsgierig reiziger laat zich daar door niet afschrikken, en wij begaven ons met onze geleidster, die al vooruit liep, en trachtte te beduiden dat het niet ver was, op weg, ik zeg trachtte te beduiden, want de goede vrouw sprak bijna niet anders dan het patois van dat land, het geen weinig overeenkomst heeft met het Fransch; door dikwijls hetzelfde te herhalen, en met de handen en oogen te wijzen en te beduiden, begreep ik ’er hier en daar nog al wat van; mij scheen zij genoegzaam te verstaan, maar vergat al gaande en pratende niet te spinnen; en hoewel ’er armoedig uitziende, scheen zij echter gezond en vrolijk. Het dorpje Vaucluse ligt tegen en op een barre rots, die door de Sorgue bespoeld wordt; het is dan onder aan den oever aangenaam en vruchtbaar; doch boven dof en naar. Op den top van een rots bij hetzelve, ziet men de overblijfsels van een vervallen Kasteel, dat men het kasteel van Petrarque noemt; doch het behoorde aan de Bisschoppen van Cavaillon, die Heeren waren van Vaucluse. Men klimt, den stroom aan de regterhand latende, naar de bron; haast wordt men door het ontzaggelijk gezigt van een verbazende hooge muur van steile rotsen, die zich als een halve cirkel vertoont, en door de ruischende watervallen, die zich in den stroom opdoen, verrukt. Ter zijde ziet men spitse punten, door de natuur als gedenknaalden opgericht, en vreesselijke klompen steen, door de Eeuwige Almagt als ’t ware op een gestapeld1.—Mensch, met al u ingebeelde grootheid, wat zijt gij hier klein!! Naar mate dat men opklimt, wordt ook de bedding van den stroom hooger, en de bruisschende loop van het water dus hoe langer hoe sterker, zoo dat het schier niet anders gelijkt dan sneeuwwitte schuim. Ik had mij reeds van het snapachtig moedertje ontdaan, en zette mij nu op een brok rots aan den kant van de waterval neder, om daar alles bedaard te overzien. Zeker heeft Petrarcha deze plaats niet uitgekozen, om den lof van zijne schoone Laura2 te zingen, want het geweldig gedruis van het water zou de schelste toonen verdoofd hebben; doch hij kon ’er de majestueuse schoonheid der natuur in vloeijende versen beschrijven, ten minste daar toe de ruimste stof in zijn brein verzamelen. Nu ging ik verder op, tot aan de grenzen van dit enge dal, door de steile rots, zoo steil, als of zij regt door was gezaagd, afgeteekend. Aan den voet van dezelve is een ruim onderaardsch gewelf, waar in de bron van Vaucluse opwelt. Het water, in den kom of vijver voor hetzelve, was zoo hoog, dat wij van den boog of opening maar zeer weinig zagen. De oppervlakte van dezen vijver had toen wel 50 voeten diameter. Hier was het water stil en doorschijnende, zoo dat men aan de kanten tot op den grond toe zien kon. Gedurig door de bron gevoed wordende, liep die vijver aanhoudend over, en dit maakte dien heerlijken waterval. Het was hier zeer koel, en door het water, dat bijna ijs koud is, en omdat men ’er geheel beschut is, tegen de zonnestralen; want de steile rots boven de bron helt zelfs eenigzins voorover, en deze rots is van het water af omtrent 700 voeten hoog. Men is hier genoegzaam rondom door ontzaggelijke muren ingesloten, van daar de naam Vallis Clausa, daar men Vaucluse van gemaakt heeft. De vorschende reiziger leest op deze wanden, als een bevel van de hoogste wijsheid: “Tot hier toe en niet verder,” en treedt eerbiedig terug.—Men ziet niets dan rotsen en water, behalve den treurigen vijgenboom, die uit een spleet van de rots, boven den vijver, niet ver van het water is voortgekomen, en hier en daar een weinig mos, en toch is het zoo verrukkend schoon, dat ik ’er niet van daan kon komen. Eenige jaren vroeger had hier de liefde misschien grootendeels mijne denkbeelden bezig gehouden, thans vervulde verhevener gedachten geheel mijne ziel,—de flaauwe beelden der Eeuwigheid, der Schepping en der Onsterfelijkheid zweefden voor mijn’ geest.—Weg met al die beuzelachtige pracht, waarmede men den godsdienst ontluistert, met al die leerstellingen die ’er menschelijk vernuft heeft bijgehangen!—Al wat menschelijk is, is hier beuzelachtig, en zinkt weg naast de Grootheid van den Schepper, dien men rondom niet anders dan met eerbied kan beschouwen.—Ik knielde niet, ik sprak geen gebed uit,—maar betrachtte, bewonderde, gevoelde en hoopte. Het nieuwe en ongewone der voorwerpen, droeg zekerlijk veel tot deze mijne geestvervoering bij.—Zulk eene verhevene gewaarwording, zulk eene zachte aandoening is onbeschrijfbaar. Doch daar het tijd werd om deze zielstreelende tooneelen te verlaten, vervoegde ik mij weder bij het gezelschap. Wij hadden een fles wijn medegebragt, die onze geleidster aan den kant van de bron gezet had om te verkoelen, hier dronken wij nu een teug van, doch ik verkoos het zuivere water, daar ik bij mijn aankomst reeds van geproefd had, doch niet veel van durfde drinken, omdat ik te warm was. Dit water is zoo klaar als kristal en uitmuntend van smaak. Onze geleidster beduidde mij, dat in den sterken stroom bij den val (cascade) Forellen gevangen werden. Hoe merkbaar was de warmte, toen wij weder in de zon kwamen; doch het is slechts eene kleine wandeling, en wij waren weldra bij het rijtuig; hier keerde ik mij nog eens om, bleef een poos op den stroom en op de rotzen staren, en zeî met aandoening, Vaucluse vaarwel. Het moedertje, dat ik wat gegeven had, wenschte ons zegen en gezondheid, en wij reden, wel voldaan over deze reis, naar l’ Isle terug. Hier vonden wij den maaltijd gereed, in een kamer waar de borstbeelden van Petrarcha en Laura op den schoorsteen stonden. Nimmer heb ik lekkerder paling, forellen en rivierkreeften gegeten, en het was jammer, dat de wijn, hoewel van de beste soort, die men hier had, ons niet beter smaakte, en wij genoegzaam verpligt waren om enkel water te drinken. De wijn van Provence en Languedoc is te zwaar, en heeft een’ smaak, welke voor de meeste menschen, die ’er niet aan gewoon zijn, walgächtig is. Goed koop is het hier niet, wij moesten voor het middagmaal £ 4–:–: de persoon betalen. Na het eten ging ik de bekoorlijke wandelingen om het stadje bezigtigen, en trad ook even binnen de poort, doch inwendig scheen het niet veel te beteekenen. Voorheen waren hier ook verscheidene Kloosters, want het behoorde aan den Paus; met dat al zijn ’er ook veel Joden. De zijdeteelt, zijdeverwerijen en leêrlooijerijen, maken het voornaamste bedrijf van de inwoners uit. l’Isle is 1½ uur gaans van Vaucluse en 4 uren van Avignon. Wij reden ’er dan ook eerst tegen, dat de grootste hitte wat over was, van daan. Nu scheen mij het gezigt op de hoogte nog fraaijer en uitgestrekter dan in het heenrijden. Aan onze regterzijde zagen wij onder anderen van verre een vrij hoogen berg, dien onze voerman le Dojo3 noemde, aan de linker deed zich op een goeden afstand, in de valei een keten rotsen op; aan den voet van de hoogte lag het dorp Morières, en regt uit in het verschiet de stad Avignon. In den omtrek van Morières, en op meêr plaatsen langs dezen weg, vond ik ook velden met meekrap, doch zij staat zoo goed niet, als bij ons. De weg was aanmerkelijk opgedroogd, zoo dat wij nu niet veel hinder van de slijk hadden; wij kwamen dan omstreeks ’s avonds half negen te Avignon terug, en gaven aan onzen voerman, behalve de bedongen vragt £ 3–:–: en dus in ’t geheel een Louïs d’Or en hij was zeer wel te vreden. ’Er was zeer veel volk op de publieke wandeling, die hier even buiten de poort langs de Rhone is; wij gingen daar dan ook een avondluchtje scheppen. Deze wandeling is digt met ijpe-boomen beplant en zeer lommerrijk, tusschen beide staan steenen banken, en in het midden over de poort, een fraaije tent, waar men ijs en andere ververschingen tegen eenen zeer billijken prijs kan bekomen. Men ontmoet hier ook, hoewel deze stad tot de Staten van zijn Heiligheid behoorde, en van zijnen wegen bestuurd werd, zeer veel galante meisjes, zelfs naar men verzekerde waren ’er ruim 500 bij de Policie aangeteekend, en de gehele bevolking bedraagt omtrent 20,000 menschen.
Bron van Vaucluse.
Den 5 dezer was het Zondag, en dus gelegenheid, om kerken te zien; voor de omwenteling waren die hier in menigte en schitterden van goud en kostbaarheden. Behalve de Kerken, waren ’er nog twintig zoo Mans- als Vrouwen-Kloosters, thans is dat getal aanmerkelijk verminderd, en ook in verscheidene Kerken, die ik bezigtigde, vond ik niet veel bijzonders. De stad beviel mij vrij wel, men vindt ’er nog al eenige ruime straten en fraaije gebouwen. Een Dame te paard gezeten, en door een’ slaanden Tamboer voorafgegaan, trok mijn aandacht; zij had eenige zeldzame natuurverschijnselen te kijken, en maakte dit bekend. Deze wijze van bekend maken scheen hier gebruikelijk. In Avignon zijn ook verscheidene Boekdrukkerijen; voor deze hielden die zich veel bezig met voorname Fransche werken natedrukken; voor het overigen drukten zij vele theologische geschriften. Het leven van Petrarcha enz. willende koopen, ging ik in eenige Boekwinkels, en vond ’er onder die vrij groot waren, behalven het leven van Petrarcha kocht ik ook nog een werkje, ten titel voerende: Description de la Fontaine de Vaucluse etc. par J. Guerin Professeur etc. Avignon 18044. Er staat een fraai plaatje voor, waarop een gezigt van den waterval en omliggende rotsen, zeer naauwkeurig is afgeteekend, en daar bij eene juiste beschrijving gegeven; bij gelegenheid zend ik u dat boekje, dat u deze opmerkingswaardige bron nader zal leeren kennen5; ook voor de Natuur- en Kruidkundige is daar wat in te leeren. Ik was blijde, dat ik het niet eerder gevonden had, want dan had de verrassing minder aangenaam geweest nu ging ik de bron van Vaucluse zien, zonder ’er bijna iets meêr dan den naam van te kennen. In het voorbijgaan zag ik hier ook eene geschutgieterij. Wij hadden onzen intrek genomen in het Hotèl genaamt le Palais Royal digt bij de poort aan de gemeene wandelplaats uitkomende; het huis ziet ’er juist niet zeer gnap uit, doch over hetzelve staat een nieuw gebouw, hier gaf men ons kamers, die zindelijk en goed waren, en wij betaalden slechts £ 1–10-: voor ieder bed of £ 3–:–: voor een kamer met twee bedden. ’s Middags aten wij aan de algemeene tafel (table d’hote) in een groote zaal, met wel 40 à 50 personen, veelal kooplieden van de kermis (foire) van Beaucaire terug komende, en met eenige duizende vliegen; want de tafel, de muren, de zolder, alles zag ’er zwart van; ik herinner mij niet van ooit zoo veel van die insecten bij elkanderen gezien te hebben; ik kon ze naauwlijks van mijn bord afhouden, vooral was men genoodzaakt om alle schotels, daar zoet bij kwam, te dekken, en bovendien gebruikte men de voorzorg, van de vensters digt te houden, en het zoo donker te maken, dat men ter naauwernood zien kon. Het was heden weder zeer warm. Het ossen en kalfsvleesch begint hier al schaars te worden, en schapenvleesch is het voorname voedsel. Olij wordt veel in plaats van boter, die hier ook in ’t geheel niet rijkelijk is, gebruikt. Vele groentens, die te Parijs en elders overvloedig zijn, onder anderen de frissche salade, die men daar Romaine noemt, vindt men hier weinig of niet; doch daar en tegen heeft men overvloed van geurige meloenen. De Rhone en andere riviertjes of beken hier omstreeks leveren goeden visch op; ook schijnt het gevogelte, als hoenders, kalkoenen, duiven enz. ’er niet te ontbreken. Na het eten klom ik op de rots, de Dons genaamt, en waarop het voormalig Pausselijk slot gelegen is, men klimt ’er aan den eenen kant met trappen op, en boven zijnde, heeft men op een soort van terras een fraai en uitgestrekt gezigt, over de stad en derzelver omstreek. De geheele stad, behalven deze rots, is in een vlakte gebouwd, en door een’ fraaijen muur omringd. Het voormalig zoogenoemd Pauselijk paleis, is een groot en stevig Gothisch gebouw, en gelijkt meêr naar een gevangenis, dan naar een paleis; trouwens, een groot gedeelte ’er van dient ook tegenwoordig om ’er de misdadigers in te bewaren; het overige wordt door oude krijgslieden (invalides) bewoond, en men noemt dat une sucursale. De voormalige Pausselijke munt, die over dit gebouw staat, wordt thans door de ruiterij, ten dienste van de policie, (Gens d’Armes) bewoond; overigens ziet men op deze rots veel puinhoopen en overblijfsels van gesloopte gebouwen. De eerste Paus, die zijn zetel van Rome hier na toe verplaatste, was Bertrand de Got, genaamd Clemens de V., en geboortig van Bazas in Gascogne; hij had aan Philippus le Bel beloofd, om altijd in Frankrijk te zullen blijven, en verlegde zich in 1308 te Avignon, doch had toen, aangaande het wereldlijk bestuur van die plaats, niets in te brengen. In 1348 eerst kocht Clemens de VI., van Johanna, Koningin van Siciliën, en Gravin van Provence, de stad Avignon, voor 80,000 guldens. Het Graafschap Venaissin bezaten de Pausen toen reeds. De Pausselijke zetel bleef ’er toen tot 1376, toen Gregorius de XI. (de laatste Fransche Paus tot nu toe) weder naar Rome ging wonen, waar hij in 1377 aankwam, en den 27 Maart 1378 stierf. Mij dunkt, indien ’de Pausselijke waardigheid nog lang in stand word gehouden, dat het dan ook zeer mogelijk is, dat Gregorius de XI. niet altijd de laatste Fransche Paus blijft. Na deze Gregorius de XI. zijn ’er tweemaal achter elkanderen twee Pausen te gelijk geweest, waarvan de eene telkens te Avignon, en de andere te Rome zijn verblijf hield. De geleerden waren het toen in ’t geheel niet eens onder malkanderen. Vervolgens regeerden de Pausen Avignon en het aangelegen Graafschap, door Kardinalen legaten, en deze wederom door vice legaten, die te Avignon bun verblijf hielden, en die Onderkoningjes lieten zich daar dan ook ter deeg gelden. Thans is deze stad de hoofdplaats van het Departement van Vaucluse. Oorspronkelijk behoorde zij aan de Cavariense Gaulen, en wierd daarna een Romeinsche Volkplanting (Colonie) kwam door verscheide andere handen aan de Graven van Provence, vervolgens aan den Paus, en eindelijk aan de Fransche Republiek. Het afschaffen van de menigte Kloosters en Dom Kapittels, heeft het vertier in deze stad wat verminderd, en eene aanzienlijke somme gelds buiten omloop gebragt. Onder de gangbare munten alhier, ziet men ook zeer veel Spaansche stukjes, doende 20, 10 en 5 stuivers Fransch. De menschen zagen ’er vrij gnap en gezond uit, en men vind hier nog al fraaije vrouwen. De kleeding der boerinnen, of liever hunne groote zwarte filten ronde hoeden, beviel mij niet. Zij zijn doorgaans in ’t geheel niet bevallig, en maakten zich door die hoeden nog onbevalliger. Tot een sieraad der burgervrouwen, schijnt even als bij onze Vaderlandsche huismoeders, een schaar aan een zilvere ketting te behoren; boven aan is nog een zilver beugeltje als een sleutelring, doch ik heb ’er geen sleutels aan gezien. Het Patois de Provence is de gewone spraak, doch de stedelingen spreken ook Fransch, hoewel de meesten, onder het zoogenaamde gemeen, zeer slecht. Tegen den avond ging ik weder naar de openbare wandelplaats, waar nu met de zondag veel volk was: het is hier dan ook allerliefst, en om de lommer, en om het aangename gezigt over de rivier. In dezelve ziet men ook nog een gedeelte van eene steenen brug; deze brug in 1188 volbouwd, wierd door den sterken stroom in 1669 vernield, zoo dat ’er nog maar drie of vier bogen van overbleeven; van den kant van de stad gaat men ’er nog op. Die brug is naderhand in hout wel weder bij gebouwd, doch Lodewijk de XIV., naar men mij verzekerde, heeft ook de houten brug, daar de rivier aan Frankrijk behoorde, doen wegnemen, om daardoor de gemeenschap met het Languedokse zoo veel mogelijk te belemmeren, en de zijden stoffenfabrieken van Avignon, die ook aanmerkelijk plagten te zijn, te onderdrukken, om daardoor die van Lyon meêr te bevoordeelen. Daar Avignon thans aan Frankrijk behoort, verwacht men, dat de brug weder hersteld zal worden, en men verhaalde mij zelfs, dat ’er reeds een ontwerp dien aangaande begonnen was. Aan den anderen kant van de Rhone over deze stad ziet men tegen de helling van een’ heuvel, het stadje Villeneuve-lez-Avignon, en bij hetzelve een groot en aanzienelijk gebouw, voorheen een Benedictijner Abdij. ’Er werd ook dezen avond in den Schouwburg, dien men hier van een Kerk gemaakt heeft, gespeeld; men gaf ’er onder anderen la Caravane du Caire, groote Opera; noch het tooneel, noch de vertooners waren tot de uitvoering van dit stuk geschikt, doch men moet Parijs naäpen, al zou het dan ook nog zoo gebrekkelijk zijn: behalven de Bastaille was ’er geen een bij, die maar dragelijk zingen kon; ik liep ’er dan ook al heel spoedig uit. Apropos van zingen, men verbeeldt zig ook vrij algemeen bij ons, dat schier alle menschen in Frankrijk zingen als nachtegalen, en dat onze landslieden ’er ten eenemaal ongeschikt toe zijn; ik heb zelfs te Parijs door een’ geleerde, in het openbaar sprekende, eens hooren aanvoeren, en dat in goeden ernst, dat de Hollanders misschien zoo slecht en smakeloos zongen, omdat zij alle uren of half uren de klok hoorden spelen, daar dit (zoo men wilde) op hun muzijkaal gehoor een nadeeligen invloed moet hebben; maar ten platten lande, en in verscheide plaatsjes van Frankrijk, die ik al bezocht heb, spelen geen klokken, ondertusschen hoorde ik nog al dikwijls een boere meisje of knaap, een werkgast of spindster, een deuntje zingen; maar deze bragten toch ook alles, behalve aangenaam muzijk en strelende toonen, voor den dag. Te Parijs en in de voornaamste steden gaat het beter; maar waarom?—omdat men daar gelegenheid heeft van dagelijks goede zangers en zangeressen te hooren, en omdat ’er een menigte muzijkanten zijn, die de jongelieden onderwijzen, en met dat al vindt men ’er onder de liedjeszangers, en het zoogenaamde gemeene volk nog een menigte, die het niet veel beter maken dan de onze. Velen, zoo in Holland als elders, die natuurlijk een goede stem, en een geschikten aanleg tot de zangkunst zouden hebben, maken ’er, mijns bedunkens, geene vorderingen in, omdat zij geene gelegenheid hebben, om zich behoorlijk te oefenen, of zelfs hunne stem misbruiken en bederven. Het Psalmgezang, bij voorbeeld, zoo het den naam van gezang verdient, geloof ik, dat ’er in ’t geheel geen goed aan doet, dikwijls heb ik in ons Vaderland, vooral in de Nederduitsche Gereformeerde Kerken menschen gezien, die zoo hard schreeuwden, dat zij rood en paarsch werden, en dit leert men den jongelieden al vroeg in de scholen; als of men ’er, in plaats van zangers, nachtroepers of havenwagters, die de schepen moeten praaijen, van wilde maken. Wenschelijk ware het, inderdaad, dat men in ons Vaderland ook hier op eene behoorlijke aandacht vestigde, en gepaste middelen in het werk stelde, om de zoo aangename, en zelfs van den kant van den Godsdienst beschouwd, nuttige zangkunst, meerder te bevorderen en aantekweeken; en ik houde mij verzekerd, dat het aan natuurlijke begaafdheden veel minder zal haperen, dan men schijnt te veronderstellen. Men zinge dan ook Vaderlandsche liederen op eenvoudige welluidende, en op de woorden toepasselijke zangwijzen, in plaats van een menigte laffe en onbetamelijke Fransche prullen, die onder ons in ’t geheel niet voegen, en die men echter al dikwijls de voorkeur nog geeft boven het goede zangwerk van die natie.
Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.
