Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805

Achtste brief (2 van 2)

In het donker wordt een postwagen met behulp van twee ponten over een brede, onstuimige rivier vervoerd. Twee geüniformeerde gendarmes staan bij de oever.
Illustratie: Twee ponten brengen het postvervoer over de sterk stromende Durance

’s Nachts om twaalf uren vertrok ik met den gewonen postwagen (de l’entreprise Generale), van Avignon naar Marseille, en betaalde voor een plaats in de Cabriolet, dat is te zeggen, voor in, £ 15–:–: en voor mijn koffer, ruim een çentenaar wegende, £5–:–: dezen postwagen vond ik al buitengewoon ruim en vermakelijk. De sterren schenen helder, en hoewel men ’s nachts veel mist, ten opzigten van het gezigt, is het toch aan den anderen kant, in dit jaargetij, weder aangenaam, om de hitte te vermijden. Wij werden door twee Gens d’armes te paard begeleid, omdat ’er gelden of papieren van het Gouvernement op den wagen waren, tot waar men de Durance overvaart, omtrent een paar uren van Avignon. De stroom van dezen rivier, die zijn’ oorsprong neemt in de Alpen, is zeer sterk, en daardoor onbevaarbaar, te meêr om de menigte eilandjes en zandbanken, die zich gedurig verplaatsen. Zelfs de bedding van de rivier verlegt zich dikwijls, en de landen hier om streeks worden aanhoudend door overstroomingen beschadigd. Bruggen zijn daar dan ook niet gemakkelijk te maken, echter naar ik vernam, was men bezig, om het wat lager dan dit veer met eene houten brug te beproeven. Thans was de Durance, door den aanhoudenden regen, ook zeer hoog. Wij wierden met een soort van pont aan een reep, die echter op verre na zoo gemakkelijk en geschikt niet was, als onze ponten, overgezet, tot een groote zandplaat, of liever bank van keisteentjes, en van daar met een tweede diergelijke pont, tot aan den oever. Dit overzetten hield ons omtrent een half uur op. Even voor het opkomen van de zon, terwijl het vrij sterk daauwde, zag ik omtrent in het zuiden een’ flaauwen regenboog. Toen de zon opkwam, en de daauw optrok, was het zoo frisch, dat wij ’er eenigzins hinder van hadden, dit heeft in deze luchtstreek, en in dit jaargetij, dikwijls plaats, en hoewel het over dag zeer heet is, kan het in den morgenstond zeer koud zijn. Over het algemeen, in dit gedeelte van Frankrijk, voorheen onder den naam van Provence bekend, heeft ’er eene zeer groote verscheidenheid in het luchtgestel plaats: om dat men ’er vrij hooge bergen, moerassen, rivieren, vlaktens, en zeestranden heeft. De vruchtbaarheid van den grond is dan ook zeer onderscheiden: men zegt daarom, dat men in Provence te gelijkertijd de vier jaargetijden vindt. Het stadje Orgon, 3½ post van Avignon, en daar wij doorreden, na van paarden verwisseld te hebben, zag ’er niet zeer gunstig uit, het ligt tegen eene vrij steile hoogte. Lambesc een ander stadje, omtrent 3 posten verder, beviel mij beter; het is aangenaam gelegen, en de omstreek schijnt nog al vruchtbaar te zijn, tot nog toe anders was de grond over het algemeen steenachtig en onvruchtbaar. In de omstreek van Lambesc vindt men marmergroeven. Te St. Cannat, daar wij omstreeks negen uren aankwamen, wilde men ons al doen eten, dat is te zeggen, een’ maaltijd doen nemen, die het ontbijt en middagmaal in zich vereenigen moest; dit beviel mij niet; ik ging dan met een’ man van Aix, die ook op den postwagen was, in een klein herbergje, waar het ’er vrij gnap uitzag, niet ver van het posthuis; hier gaf men ons persiken, watermeloen, die men hier pastèque noemt, zoo veel brood, als wij lusten, en een fles vrij goeden wijn, en dit alles koste voor ons beide maar 9 Fransche stuivers. De vrouw scheen een goede huismoeder te zijn, en hield zich met een paar lieve kinderen bezig; de boer, die teffens hospes was, had een gezond oordeel, en scheen zeer aan de eerste beginselen van de omwenteling gehecht, en daar hij hoorde, dat wij het hieromtrent met hem eens waren, kwam hij met verscheidene gegronde aanmerkingen, aangaande de tegenswoordige tijdsomstandigheden, vrij rondborstig voor den dag. Ik praatte veel met deze goede lieden, en dit ontbijt is zeker een van de aangenaamste, die ik tot hier toe op deze reis aangetroffen heb.—Men wil dat de Franschen over ’t algemeen niet geschikt zijn voor eenen Republikeinschen regeringsvorm, indien ’er evenwel hier en daar sommige huishoudens, als dit gevonden werden, zoo als ik veronderstel, dat zij ’er wel te vinden zijn, als men zich de moeite gaf om ze optezoeken, en de zuivere Republikeinsche grondbeginsels werden wat aangemoedigd, zouden zij ’er wel geschikt voor kunnen worden, dunkt mij.—Mogelijk is dit het oogmerk dan ook wel van het tegenwoordige Gouvernement, en wie kan gelooven, dat al het geene zoo veele groote mannen, vooral ook in Frankrijk, dienaangaande geleerd hebben, geheel zal uitgewischt of in vergetelheid gebragt worden.—Het dorp St. Cannat beteekent niet veel, en de grond scheen ’er mij ook al niet zeer vruchtbaar. In het begin van de vorige eeuw ontdekte men een uur van dit dorp aan de zuidzijde, een mijlpaal, die ’er het 21 jaar van de Christelijke jaartelling, onder Keizer Tiberius, geplaatst was. De reisweg der Romeinen van Aix naar Arles, liep daar langs. Van St. Cannat tot Aix rekent men 2 posten, of omtrent 3 mijlen van Provence; dat is bijna zoo veel uren gaans. De landstreek blijft aanhoudend berg- of rotsachtig en de grond over het algemeen woest. De gezigten, hoewel niet vrolijk, leveren nog al eenige verscheidenheid op, en houden daar door den reizenden aangenaam bezig. Om het onbelemmerd gezigt vooruit, is dan de cabriolet ook verkiesselijk boven het binnenste van den wagen. Aix, voorheen de hoofdstad van Provence, thans van het Departement les bouches du Rhone, ligt in eene aangename vlakte aan den voet van verscheidene heuvels; hier begon de natuur weder eene vriendelijke gedaante aantenemen. Wij moesten buiten om de stad rijden en verwisselden daar ook van paarden; doch de Conducteur hield zich op mijn verzoek wat op, zoo dat ik den tijd had, om even in de stad te gaan en de fraaije wandeling te zien, en ’er mij een weinig te ververschen; deze stad is de oudste, die de Romeinen onder de Gaulen gehad hebben; zij werd gebouwd in het land der Salyes, die, volgens Strabo, verdeeld waren in zes cantons, voor dat zij aan de Romeinen onderworpen werden. Zij bestond dus reeds, toen ’er de Romeinen eene kolonie naar toe zonden, 46 jaren voor de Kristelijke Jaartelling. Misschien lokten de warme baden, en de nabijheid van Marseille hen hier naar toe; althans deze kolonie, wierd aanmerkelijk onder die welke de Romeinen in Provence hadden. Verscheidene oudheden, opschriften en medailles, die hier van tijd tot tijd gevonden zijn, dienen om meerder licht over de geschiedenis van deze stad te verspreiden. De Graven van Provence hielden hier hun gewone verblijf, en het Parlement enz. van die Provincie zijne zitting. Bij mijne terugkomst van Marseille kom ik hier weder door, zal ’er dan langer trachten te blijven, en ’er u meêr van weten te vertellen. De weg naar Marseille is aangenaam en zeer levendig, hier en daar fraaije gezigten, buitenplaatsen, fonteinen en boomen; voor de herbergen lag een menigte watermeloenen, die men aan de reizende om zich te verfrisschen, voor eenen zeer geringen prijs verkoopt; zij zijn zeer sappig, en men houdt ze hier voor gezond, zoo zelfs, dat men ’er, hoewel verhit, gerust van kan eten; doch zij zijn flaauw van smaak. Op de hoogte, een uurtje van Marseille, heeft men een treffend schoon gezigt; links in het dal ziet men een menigte buitenplaatsen en lusthuizen, die de Marseillanen les Bastides noemen, en regts in de Middellandsche zee tot aan den gezigtseinder: de eilanden, of rotsen die zich als heuvels uit zee verheffen, Pommegue, Bottaneau en de sterkte, die men le Fort d’ Is noemt, breken op eene aangename wijze het gezigt op dezen uitgestrekten plas; regt uit heeft men de stad, doch die houdt zich nog meest verscholen, en verder een keten van hooge rotsen. De weg bij Marseille is zeer vrolijk; hier staan een menigte herbergjes (ginguetes) daar veel volk was, rijtuigen, paarden, opgeschikte wandelaars, alles kondigde de nabijheid aan van eene voorname stad. Wij kwamen de poort, die men la porte d’Aix noemt, binnen. Welk een ongemeene lange regte straat! wat verder is dezelve aan beide zijden met boomen beplant, en daar wandelde in het midden een menigte meestal fraai gekleede Heeren en Dames. Deze wandeling noemt men hier ook le Cours. Op de fraaije en ruime plaats genaamd la canne biere (misschien wel van het Hollandsch kanne bier6 afkomstig) houdt de wagen stil; het was omtrent 7 uren, toen wij aankwamen. Aix en Marseille zijn 4 posten van elkander afgelegen. Ik gaf den Conducteur meêr dan gewoonlijk, omdat hij zich om mij te Aix een kwartier langer had opgehouden, en hij was zeer wel te vreden. Het grand Hotel des Ambassadeurs, waar ik mijn intrek nam, is hier digt bij. Nu weet gij dat ik te Marseille ben—Vaarwel!

1 Zie het nevenstaande gezigtje.

2 Petrarcha wierd te Arezzo in Toscane den 20 Julij 1304 geboren, en zette zich vervolgens te Carpintras neder. Paus Clemens de V. had nu ook zijn Hof te Avignon gevestigd. Weldra deed de jonge Petrarcha eene bijzondere geschiktheid voor de Dichtkunde blijken, woonde de Universiteiten van Montpellier en Bologne bij, raakte vervolgens in kennis met verscheiden geleerden van dien tijd; ging reizen, na dat hij verliefd was geworden op de schoone Laura, die hij den 6 April 1327 voor het eerst in een Kerk te Avignon ontmoette. Laura werd in het dorpje Noves, digt bij Avignon, geboren, en was toen in den bloei harer jeugd; zij was kortling gehuwd aan een Edelman, genaamd Hugues de Sade, en Petrarcha werd eindelijk sentimenteel verliefd, en ging zich te Vaucluse in 1337 nederzetten. Den 8 April 1341 werd hij te Rome in het Kapitool als Dichter gekroond. In 1348 op denzelfden dag, en op hetzelfde uur, dat hij haar het eerst gezien had, (volgens de Geschiedschrijvers), stierf zijn waarde Laura. Petrarcha was aan het Hof en bij de grooten getrokken. In 1350 kreeg hij een Kanunniksplaats te Padua, werd vervolgens ook een en andermaal in gezantschap gezonden; op het laatst van zijn leven werd hij ziekelijk, en bijzonder door een slaapziekte aangetast, en den 18 Julij 1374 vond men hem dood, leunende op een boek.

3 Ik geloof dat dit de benaaming in patois is, en dat hij eigenlijk Montventoux genaamd wordt.

4 1: Beschrijving van de bron van Vaucluse enz. door J. Guerin, Hoogleeraar enz. Dit, voor de reizigers naar die bron, zeer nuttig boekje, is bij den schrijver zelven te Avignon te bekomen.

5 Ik voeg hier bij de Muzijk van de Romance du Rivage de Vaucluse, met het accompagnement voor de Piano forte of de Harp, door Boïel Dieu. Schoon gij geen dier Instrumenten tracteert, en uw stem niet aan den zang wagen zult, kent gij misschien wel deze of gene, die gij met die Muziek kunt pleisier doen, en ik geloof dat u de woorden, die van Marmontel zijn, niet kwalijk bevallen zullen. Zie hier dezelve:

Du Rivage de Vaucluse
l’Amant de Laura en ces mots,
En s’eloignant de sa Muse,
Fit retentir les Echo’s:
o Toi, qui plains le delire,
On Laure a plongé mes sens,
Roches, qu’attendrit ma Lyre,
Redis encor mes accens.

En repondant à mes plaintes,
Echos, vous avez appris,
Quels sont les vœux et les craintes,
d’Un coeur tendre et bien epris.
n’Oubliez pas ce langage;
Et si Laure quelquefois
Vient rever sur ce rivage,
Imitez encor ma voix.

Ditez-lui que de ses charmes,
Tous mes sens sont occupés:
Ditez-lui que de mes larmes
Toujours mes yeux sont trempés,
Ma voix ne chantera qu’elle,
Mon souvenir ne sera
Qu’un miroir pur et fidele,
Où l’amour me la peindra.

Dites-lui, que son image
Ma suivra dans le sommeil,
Et recevra pour hommage
Le soupir de mon Reveil;
Que mon oreille attentive
Croira sans cesse écouter
Les sons, que sa voix plaintive
Vous fit cent fois repêter.

Jurez lui qu’envain les graces,
Viendraient pour me consoler:
Que les amours sur mes traces
Sans cesse auraient beau voler.
à Leur troupe enchanteresse
Je dirais, dans ma douleur,
Rendez Laure à ma tendresse,
Ou laissez couler mes pleurs.

Insensible à tout loin d’elle,
Rien ne flatte mes Desirs:
Je me croiras infidèle
De goûter quelques plaisirs.
Sur une rive étrangère:
Où le destin me conduit,
Une esperance lègère
Est le seul bien qui me suit.

Mais si Laure m’est ravie,
Si je ne dois plus la voir,
Je perdrai bientôt la vie,
Quand j’aurai perdu l’espoir.
Puisse la parque appaisée
Me laisser après ma mort,
Préférer à l’Elisée
Les Ombrages de ces bors.

Voorts komt dit bericht, uit een Fransch Journaal overgenomen, mij te belangrijk voor, om het u niet vertaald mede te deelen:

Den 15 Fructidor I. l. (12 J.) vertrokken de Leden van het Atheneum van Vaucluse, met het aanbreken van den dag van Avignon, om zich naar de valei van Vaucluse, vijf mijlen van deze stad gelegen te begeven, en ’er den eersten steen van het gedenkteeken voor Petrarca te leggen, tot welks stichting deze Maatschappij besloten had. Het Atheneum werd van eene groote menigte Dames en Inwoners vergezeld. De stoet wies bij elken voetstap aan. Door l’Isle trekkende, had zij het genoegen prachtig en vriendelijk onthaald te worden; maar de overheid van het kleine dorpje Vaucluse, wilde voor die van l’Isle niet onderdoen in die van Avignon wel te ontvangen. De plegtigheid begon met eene statelijke mis, na welke de bijeengevloeide schare aanschouwers zich op de afhangende heuvels verspreidde, die aan de bron grenzen, waarheen weldra zich het Atheneum wendde. De Adjunct van Vaucluse riep het eerst de schim van den minnaar van Laura aan. De President van het Atheneum deed daarop eene redevoering, op de plegtigheid toepasselijk, terwijl tusschen beide verscheide Dichters en Redenaars, en vooral den Heer Piot, de een na den ander een talrijk en uitgezocht Auditorium, belangrijk wisten bezig te houden. Een Ingenieur bood vervolgens den troffel aan den President, die den eersten steen van het gedenkteeken leide. De troffel kwam vervolgens in handen der Leden van de Maatschappij, en in die van verscheidene Dames. Den ganschen dag waren ’er eenvoudige banken aan de boorden van Vaucluse opgeslagen. Men kon toen in waarheid zeggen, dat de echo’s de onsterfelijke namen van Petrarcha en Laura herhaalden. Onder deze namen mengden de geestdrift en het gevoel, die van den grooten Napoléon en zijne vorstelijke gemalin. Dus vermengden zich in alle monden, in alle harten, de roemrijke namen van een Dichter, die zijne Eeuw tot eer verstrekte, en een held, die de zijne met zijn naam vereert. Openbare spelen verbeiden te l’Isle de terugkomst van het Atheneum, en duurden tot laat in den nacht.

6 Ik vind geen anderen grond voor deze onderstelling, dan dat in vroeger tijden hier misschien een kroeg was, waar de Hollandsche matrozen een kanne bier dronken, en geen Fransch kennende, ’er in hunne taal na vroegen.

Du Rivage de Vaucluse
l’Amant de Laura en ces mots,
En s’eloignant de sa Muse,
Fit retentir les Echo’s:
o Toi, qui plains le delire,
On Laure a plongé mes sens,
Roches, qu’attendrit ma Lyre,
Redis encor mes accens.

En repondant à mes plaintes,
Echos, vous avez appris,
Quels sont les vœux et les craintes,
d’Un coeur tendre et bien epris.
n’Oubliez pas ce langage;
Et si Laure quelquefois
Vient rever sur ce rivage,
Imitez encor ma voix.

Ditez-lui que de ses charmes,
Tous mes sens sont occupés:
Ditez-lui que de mes larmes
Toujours mes yeux sont trempés,
Ma voix ne chantera qu’elle,
Mon souvenir ne sera
Qu’un miroir pur et fidele,
Où l’amour me la peindra.

Dites-lui, que son image
Ma suivra dans le sommeil,
Et recevra pour hommage
Le soupir de mon Reveil;
Que mon oreille attentive
Croira sans cesse écouter
Les sons, que sa voix plaintive
Vous fit cent fois repêter.

Jurez lui qu’envain les graces,
Viendraient pour me consoler:
Que les amours sur mes traces
Sans cesse auraient beau voler.
à Leur troupe enchanteresse
Je dirais, dans ma douleur,
Rendez Laure à ma tendresse,
Ou laissez couler mes pleurs.

Insensible à tout loin d’elle,
Rien ne flatte mes Desirs:
Je me croiras infidèle
De goûter quelques plaisirs.
Sur une rive étrangère:
Où le destin me conduit,
Une esperance lègère
Est le seul bien qui me suit.

Mais si Laure m’est ravie,
Si je ne dois plus la voir,
Je perdrai bientôt la vie,
Quand j’aurai perdu l’espoir.
Puisse la parque appaisée
Me laisser après ma mort,
Préférer à l’Elisée
Les Ombrages de ces bors.

Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.