Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805

Negende brief

Marseille, 10 Augustus.

Deze stad bevalt mij, en zal den meesten Hollanders, vooral den kooplieden, oppervlakkig wel bevallen; doch in dit saisoen is het ’er vrij warm, dus, als men wat zien wil, moet men den morgen en avondstond waarnemen; ik begon dan met den 7 dezer ’s morgens om 6 uren reeds uit te gaan; het eerste, dat ik ging bezigtigen, was de haven en de fraaije kaai, die dezelve aan drie kanten omringt. Zij lag vol schepen, doch de meesten waren om den oorlog onttakeld, rondom zijn een menigte winkels, pakhuizen, scheepstimmerwerven enz. Overal ziet men matrozen en zeelieden van onderscheidene natiën.—’t Was als of ik door den slag van eene tooverroede zoo eensklaps in eene van onze voorname Hollandsche koopsteden gevoerd was. Een goed gedeelte van deze kaai, vooral daar waar het koren gemeten wordt, is zeer netjes met kleine steentjes of klinkers gestraat. Hier ziet men ook een soort van kraan, om de masten in de schepen te zetten; de Marseillanen toonen dat den vreemden als iets bijzonders; doch mij dunkt, dat ik diergelijke werktuigen bij ons op meêr dan eene plaats gezien heb. Aan het eind van de haven, waar die aan zee uitkomt, wordt dezelve aan de zuidzijde beschermd, door het Fort Notre Dame de la Garde, dat op den top van een’ heuvel ligt, en een gedeelte van de reede bestrijkt, en lager door de citadel St. Nicolas. Aan de noordzijde is hare ingang gedekt door het Fort St. Jean. Ik verwonderde mij, dat ’er aan het eind geen ophaalbrug was, men moet zich met schuitjes, die men daar doorgaans vindt, van den eenen kant naar den anderen over laten zetten, of terug keeren; ik verkoos het eerste. Deze haven is, volgens de beschrijving, daar van zijnde, 500 toisen (3000 voeten) lang, en 200 toisen (1200 voeten) op haar breedst; men rekent, dat zij omtrent 800 schepen van onderscheide grootte kan bergen. Aan de noordzijde van de haven, zijn onder andere verscheide winkels van drogisten en kooplieden in koraal, die bij het stadje Cassis, omtrent 4 mijlen ten Z.O. van Marseille, aan den oever van de Middellandsche zee gelegen, gevischt wordt. Aan dezen kant staat ook het Stadhuis, waar de beurs onder is. Ik ontmoette verscheide kooplieden in Oostersche kleding, als Grieken, Turken en Joden, van Smirna, Aleppo, Alexandrie en vooral ook van de Barbarijsche Kusten, waarmede de Marseillanen zeer veel handel drijven. Aan het eind van dezen kant van de haven lag ook een menigte schuitjes, geladen met citroenen en oranges, zoo als bij ons met aardappelen: zij komen van de plaatsen rondom aan de Middellandsche zee; de vrouwen die ’er bij waren, hadden de haren in een zwart of rood zijden net met breede linten van dezelfde kleur, die op de schouders afhingen. Niettegenstaande de grond, rondom Marseille, dor en onvruchtbaar is, was de groenmarkt rijkelijk voorzien; doch deze overvloed is thans ook buitengemeen, en de overvloedige regen, dien wij gedurende eenigen tijd gehad hebben, was daar de oorzaak van. Meloenen in soorten zijn hier zeer overvloedig, en daar onder die zeer geurig en lekker zijn, ook ziet men ’er in menigte een soort van groote ronde pompoenen, die men hier Courges, in het patois Provencal Cougourde, noemt, men vindt ’er die over de 150 ponden wegen1, deze worden meest gebruikt om soep van te koken; en met vleeschnat ’er bij, is die niet onsmakelijk. Ook vindt men hier in overvloed een gewas, dat men Aubergines2, en een ander dat men pommes d’Amour3 noemt; deze worden hier zeer veel gegeten, doch ik vond ’er niet veel lekker aan, vooral niet aan de eerstgenoemde, die doorgaans in olij gebakken worden: met de pommes d’Amour, maakt men nog al smakelijke rinsche sausen. Op het midden van de groenmarkt staat eene fraaije fontein, en wat verder, eene groote loots, in den smaak van een Chineesche tent, met een tuintje rondom: men noemt het le Pavillon chinois. Deze tent is een koffijhuis, waar de beau monde van Marseille zoo Dames als Heeren, ’s avonds bij elkanderen komen, om Glaces en andere ververschingen te gebruiken; van binnen is het fraai en netjes opgeschikt met spiegels, schilderwerk enz., en daarbij wel verlicht. Dit paviljoen is het Frascati van Marseille: de stijve welvoeglijkheid wordt ’er dan ook zeer in acht genomen; men moet eenigzins naar de mode opgeschikt zijn, en zijn hoed afleggen; ook ziet men ’er niets anders dan een menigte strijkaadjes en dienaressen. Rondom aan kleine tafeltjes gezeten, fluistert men zachtjes tegen elkander, en en het is duidelijk te zien, dat het eene groepje zich bezig houdt met op het andere te letten. Ik vind anders deze soort van bijeenkomsten wel goed, men ziet elkander met weinig kosten; doch wilde dezelve meer in een’ burgerlijken en gemeenzamen trant hebben, en op die wijze zouden zij ook, dunkt mij, veel kunnen toebrengen, om het genoegelijke der zamenleving in ons Vaderland te vermeerderen; des goedvindende, zou men ’er ook meêr bepaalde bijeenkomsten of societeiten van kunnen maken, en ’er zelfs een boekerij bijvoegen; want het spel behoorde ’er, mijns bedunkens, niet toegelaten te worden: en waren diergelijke societeiten dan niet beter, dan die, welke alleen uit mannen bestaan, en in bijna alle onze Vaderlandsche steden maar al te veel zijn ingevoerd?—Was het niet beter, dat de huisvader ’s avonds met zijn vrouw en kinderen onder andere huisgezinnen, zoo als gezegd is, indien men het verkiest, bepaald tot een’ zekeren kring, een uurtje uitspanning ging nemen, dan dat hij alleen naar zijn societeit of collegie gaat, en zich bijna alle avonden, zoodra zeker uur daar is, en dat is al vroegtijdig, haast, om zijn huisgezin te ontloopen, en zijne vrouw en kinderen aan zich zelve overlaat. De kinderen, over welke de moeder dikwijls niet veel gezag heeft lopen, dan ook links en regts, en de vrouw ... wel deze verveelt zich ook natuurlijkerwijze dikwijls in de eenzaamheid, daar zij toch niet altijd in hare huishouding bezig kan zijn. Veeltijds is het laat in den nacht, eer vader uit zijn societeit of kollegie t’huis komt, terwijl moeder en de kinderen, die gemaakt hebben, dat zij een half uurtje te voren binnen waren, al slapende en geeuwende met het avondeten zitten te wachten. De man dikwijls door het spel of den wijn buiten zijn gewone humeur, (want wat wordt ’er anders al in die gezelschappen gedaan, dan gespeeld en gedronken,) zonder juist een speelder of dronkaard te zijn, is hij dan ook het aangenaamste gezelschap noch het beste voorbeeld niet. Deze bijeenkomsten voor mans en vrouwen wilde ik zomers buiten de stad in een aangenaam gelegen tuin, bij fraaije en liefelijke wandelingen hebben, waar tevens gelegenheid was tot eenige gezonde ligchaamsoefeningen als kaatsen, kegelen, in het touwtje springen, en diergelijke; ’s winters kon men hiertoe een geschikte zaal in de stad verkiezen; doch pracht en luxe moesten ’er verbannen zijn, en alle aanleiding tot verkwisting en buitensporigheden ten eenemaal afgesneden worden. Ligt Vaderlands bier, mij dunkt ik zie reeds hoe onzemodepopjes den neus hierbij optrekken4, prijs ik voor den gewonen drank aan. Men kon zich hier ook van tijd tot tijd in de muzijk oefenen, en Vaderlandsche liederen zingen, ter eere van onze Vaderlandsche Helden en groote Mannen, en ter aanmoediging van Vaderlandsche en huisselijke deugden5.—Onze natie weet nog niet genoeg den middelweg te houden tusschen het stijve, stroeve, ernstige en het losbandige, en mist daardoor vele genoegens der zamenleving, waartoe zij anderzins, door haar in zeer veel opzigten boven dat van andere natiën uitmuntend karakter, bij uitnemendheid toe geschikt is.

De nieuwe stad (la ville neuve) van Marseille is zeer fraai: ruime, luchtige en regte straten, veelal aan beide zijde met een eenigzins verheven wegje voor de voetgangers (trottoir), daarbij vrij zindelijk en wel gestraat, op verscheide plaatsen regelmatig, met fraaije huizen bebouwd; dit alles geeft aan dit gedeelte, dat vrij groot is, een allerbevalligst aanzien. Vooral munt daar in uit de lange regte straat waar ik u reeds van gesproken heb, loopende van de poort van Aix, tot de poort van Rome, dat is, van het noorden tot het zuiden: deze straat is wel een half uur gaans lang, van het eene eind tot het andere; ter plaatse van de Cours is zij vrij breed; de wandelingen in het midden en aan beide zijden met een’ rij ijpen bomen, doch die ’er niet zeer tierig uitzien, beplant, en versierd met een paar fraaije fonteinen, die overvloed van water schijnen te geven; dit is ook het laagste gedeelte van de straat, en naar de poorten, aan beide zijden, gaande klimt men op, vooral naar de poort van Aix. Ik zal denkelijk wel gelegenheid hebben, om u een gezigt van dit gedeelte der stad te doen toekomen. De oude stad bijna geheel tegen de helling van een’ heuvel aan de noordzijde van de haven gebouwd, heeft de gebreken van meest alle de oude steden, die ik in het zuiden van Frankrijk gezien heb; de straten zijn naauw, krom en donker, hier is het bijzonder morsig, en de stank alleronaangenaamst; door de leerlooijerijen en zeepziederijen, die men hier in menigte vindt. Het onderscheid tusschen de nieuwe en oude stad is zoo groot, dat iemand, hier niet bekend zijnde, en op bijzondere tijden, langs bijzondere wegen, in de twee gedeeltens dezer stad gebragt wordende, zou denken, dat deze twee plaatsen eenen aanmerkelijken afstand van elkanderen gelegen waren. Men heeft nog andere wandelingen in de stad, dat is te zeggen, breede straten met eenige rijen boomen beplant; men noemt ze de Boulevards, en les allées de Meillan. Op verscheide plaatsen in de stad, treft men fraaije fonteinen aan. De vischmarkt is een mooi nieuw gebouw, rustende op 30 zware, geelachtige steenen pijlaren: men leest op de voorzijde van de kap (facade) Halle, Charles de la Croix, an. XII.

Marseille.

Nu hebben wij de stad te samen eens doorgeloopen; ik begin daar gemeenlijk mede, als ik op vreemde plaatsen kom, om eerst eene oppervlakkige kennis van de ligging te krijgen, eer ik de dingen van stuk tot stuk beschouw. Een leidsman of wegwijzer neem ik zelden: als men den weg wil leeren kennen, moet men alleen gaan: kan men een plan bekomen van de plaats, waar men zich bevindt, zoo veel te beter, en anders maar vragen. Een oplettend reiziger teekent, eer hij op reis gaat, zoo veel mogelijk op, wat ’er hier en daar aanmerkenswaardig te zien is, en dan komt men met vragen, zoo men geene kennissen heeft, in de koffijhuizen en logementen, of bij de opzienders van boekerijen en natuur- of konstverzamelingen, al vrij wel te regt. Men neemt een toren, markplaats of aanzienelijk gebouw voor hoofdbaak, den naam van het logement, de straat, en zoo de stad groot is, de wijk, waar het in staat, teekent men op, en weldra leert men de onderscheide toegangen naar hetzelve kennen. Zijn ’er in of om de stad hoogtens, van waar men dezelve overzien kan, des te gemakkelijker krijgt men begrip van de ligging. Op zulk eene wijze vind ik den weg in de grootste steden, en dat binnen weinige dagen, zonder bijna te vragen, en ik zie zeldzaam iets bezienswaardigs over het hoofd; terwijl men een’ leidsman of huurknecht hebbende, alleen op hem vertrouwt, veel minder rond-, en dus veel voorbij ziet; ook houden die snaken u doorgaans met een menigte beuzelachtige, verdichte of opgesierde vertellingen bezig, leiden u om, om den tijd te rekken, en laten slechts dat gene zien, dat zij verkiezen. Kortom, men is van die menschen afhankelijk, en dat alleen is al genoeg, waarom het met mijne geaardheid strijdt. Als men alleen wandelt, loopt men links of regts, men is ongestoord in zijn opmerkingen, en staat te kijken, waar en zoo lang men wil; dan vraagt men eens, en dan maakt men met den een of ander een praatje, en ik moet tot lof van de Franschen zeggen, dat zij over het algemeen vriendelijk zijn om de vreemdelingen te onderrigten; onze landgenoten anders zoo gereed om nateäpen, zouden wel doen van hun voorbeeld in dit opzigt wat meêr te volgen. Ik veroorlof mij ook al ligt, om in alle plaatsen of gebouwen, die ongesloten zijn, en mij bezienswaardig voorkomen, in te loopen, doch ik ga ook zonder tegenzeggen terug, zoodra men het vordert; en hier bij heb ik mij altijd wel bevonden.—Een goede mate van vrijpostigheid is den reizenden noodzakelijk.

Den 8 dezer, ging ik ’s morgens al weder zeer vroegtijdig uit. Aan den kant van de poort van Rome, zag ik verscheidene muilezels, die zeer aardig waren opgeschikt met groote pluimen op den kop, en hebbende aan het hoofdstel, onder andere sieraden, kleine spiegeltjes; zij hadden bellen of klokjes aan den hals, en een net met voedsel aan den bek; de koopmanschappen, die zij droegen, waren met een soort van tapijt gedekt, en de voerlieden van deze karavane schenen Italianen; alle die bellen maakten een aardig klokkespel. Ik zag ook een kudde melkgeiten, insgelijks met klokjes aan den hals, die een man door de stad dreef; de lieden, die melk noodig hadden, kwamen op het gebel buiten, zoo als bij ons, als de melkboer tweemaal belt; en ’er werd dan zoo veel gemolken als zij vroegen; dit is hier noodzakelijk, omdat de melk door de warmte zoo schielijk bederft; insgelijks staan de boeren ’s morgens hier en daar in de stad met hunne koeijen, die zij van tijd tot tijd, als ’er zich koopers opdoen, melken. Deze koeitjes zien ’er schraal uit, en geven niet veel; want tusschen de rotsen rondom Marseille en de Purmer of Beemster, is een groot onderscheid. De boter is hier dan ook zeer schaars, en die ’er nog is, ziet wit als onze hooiboter, en heeft min of meêr een’ ongelachtigen smaak. In de straat van Rome, aan den hoek van een klein straatje, voor het huis van een Apotheker, zag ik, dat men bezig was om aan een fontein te werken, men had daar onlangs een wit marmer borstbeeld opgezet; het stond op een voetstuk van blaauw marmer, doch ’er was nog geen opschrift op; de gevel van het huis van den Apotheker, die met beeldhouwwerk versierd was, werd tevens opgemaakt. Ik giste, dat hier de vermaarde Marseillaansche beeldhouwer, bouwmeester en konstschilder Puget gewoond had, en men zijn borstbeeld op de fontein plaatste; om hier zeker van te zijn, trad ik in de pillenvergulders-winkel, en bevond, dat ik het geraden had. Van stadswegen werd hier dat gedenkteeken, ter eere van dien te regt beroemden kunstenaar opgerigt. Met genoegen bespeurde ik, dat de Apotheker hier omtrent ook niet ongevoelig was, want hij zeide, met eene zigtbare tevredenheid: “Oui Monsieur! j’habite la maison du celèbre Puget.” Het beeldhouwwerk in den gevel was van den kunstenaar zelven, en men leest ’er: Salvator mundi miserere nobis6; en wat lager: Nul bien sans peine7. Het borstbeeld op de fontein scheen mij fraai uitgevoerd te zijn. Lof zij de regering van Marseille, die zoo doende de kunsten aanmoedigt.—Hier omtrent zijn wij Bataven ook ellendig achterlijk, en wat hebben wij een ruime stof! getuigen onder andere, helaas! de rijke buit van schilderstukken in het Museum te Parijs.—en waar vindt men bij ons een openbaar gedenkteeken ter eere van een eenigen van zoo vele roemruchtige kunstenaars, Hoe schadelijk is ook in dit opzigt die koude onverschilligheid, die verachtelijke slaperigheid onzer landgenoten niet!—Moeten wij ons niet schamen voor onze naburen de Engelschen en Franschen, zoo wel als voor de bewoners van sommige gedeelten van Duitschland, bij welke laatste de kunsten en wetenschappen, sedert naauwelijks een halve eeuw, zulke aanmerkelijke vorderingen gemaakt hebben; en waar anders door dan door een’ geest van Patriottisme en edelen National-Stolz: terwijl wij in zoo vele vakken schier dagelijks achter uitgaan. Ik weet wel, dat de tijden zeer ongunstig zijn, doch ik weet tevens, dat dit een des te sterker prikkel behoorde te zijn, om alles aantewenden, wat eenigzins strekken kon, om ’s Lands luister te herstellen, de kwijnende kunsten en wetenschappen, handwerken en fabrieken optebeuren, en daar door meêr en meêr zoo vele verstopte bronnen van onze welvaart te openen. Deze uitweiding zou mij haast doen vergeten, om nog het een en ander aangaande Puget te zeggen, dat ik toch doen wil, om u de moeite te sparen, van sommige schrijvers of woordenboeken te doorbladeren, daar ik uwe belangneming heb gaande gemaakt: weet dan, dat deze man hier in 1622 geboren werd, en geene geldmiddelen hebbende, genoodzaakt was, om zich op het een of andere kunst- of handwerk toeteleggen; hij wierd dan als kweekeling in de beeldhouwkunde, bij het Arsenaal dezer stad opgenomen; al spoedig maakte hij vorderingen, en zijn kunde ontwikkelde zich vooral in Italië. In 1653 kwam hij weder te Marseille terug; en na deze stad, Genua en Toulon, en de kunsten in het algemeen8, door zijn beeldhouw-, schilder- en bouwkunde aanmerkelijk te hebben verrijkt, stierf hij in 1694, en alzoo het 72 jaar zijns ouderdoms, in zijne geboortestad. Zijn zoon Francois Puget, was ook een goed schilder.

Verder voortwandelende, zag ik in die zelfde wijk, naar het mij voorkwam, eene andere fraaije fontein, bestaande uit een kolom van granit of gespikkeld marmer, volgens de Jonische order, rustende op een rood marmeren voetstuk; boven op den kolom stond het borstbeeld van Homerus, en op het voetstuk las men aan den eenen kant: Les descendans des Phocéens à Homère, en aan den anderen kant: Le General Bonaparte, premier Consul etc. Charles de la Croix prefet etc. Aan den kant van de Boulevard was men bezig om een nieuwen Schouwburg, tot het vertoonen van kleine stukjes, Vaudevilles etc. te bouwen. Hij was bijna voltooid, en men moest ’er met den aanstaanden winter nog in spelen. De smaak voor het tooneel neemt nog dagelijks meêr en meêr toe onder de Franschen; doch mijns bedunkens is het de regte smaak niet; het schouwspel strekt bijna geheel ter voldoening van hunnen ligtzinnigen smaak, terwijl men het nut, ik meen het moreele nut, niet genoeg in het oog houd. Men was ook niet ver van hier in een gebouw, voorheen een Kerk, bezig met een luchtbol (ballon) te maaken, die al vrij groot was, een man te paard zittende, ik meen den vermaarden Blanchard zelven, moest daar binnen eenige dagen mede opstijgen. Men zou, dunkt mij, ook wel doen, om van dat gevaarlijk luchtreizen, waarin men het toch nooit verder schijnt te zullen brengen, aftestappen, om liever het geld, dat daar aan verkwist wordt (en dit bedraagt zeker eene aanmerkelijke som, want men houdt zich vooral in Frankrijk nog zeer veel met luchtbollen bezig) aan de aarde, waar van de bewerking nog voor zoo veel verbetering vatbaar is, te besteden: behalve dat, vind ik alle spelen of vertooningen, waar bij menschen, alleen om de aanschouwers te vermaken, hun leven of gezondheid wagen, zoo als luchtreizigers, koorddansers, paardrijders en diergelijken, in eene maatschappij, daar de goede order gehandhaafd wordt, ten eenemaal ongeoorloofd. Ik bezag eenige Kerken, doch vond ’er weinig bezienswaardig; in een van dezelve was een man in Turksche kleeding, en met een tulband op het hoofd, die zeer devoot de mis scheen bijtewonen; en behalve het ontdekken van zijn hoofd, dezelfde plegtigheden in acht nam als de anderen. De warmte was vrij dragelijk, en ik kon genoegzaam den geheelen dag wandelen; terwijl ik den vorigen dag verpligt geweest was, om mij op het midden van den dag in huis te houden. Krediet-brieven aan een’ koopman alhier hebbende, had ik gelegenheid, om naar den staat van den handel eenig onderzoek te doen. Het schijnt ’er ook hier in dit opzigt ellendig uittezien: de Amerikanen en Spanjaarden waren de eenigste, waarmede men nog iets deed; de Levantschen handel, die hier de voornaamste tak van commercie uitmaakte, en waar toe alleen eenige honderde schepen gebezigd werden, is door den oorlog schier geheel werkeloos, en met de Barbarijsche kust, Marocco enz. beteekent het ook zeer weinig, en geld en krediet ontbrak ’er algemeen, naar men mij verzekerde. De Marseillanen plagten ook veel met de Engelschen en Hollanders te handelen, maar ook deze handel staat thans genoegzaam stil. Verscheidene kooplieden, die ik sprak, en in hunne bezigheden zag, kwamen mij voor, wat hunne geaardheid aanbelangt, dezelfde soort van menschen te zijn, als de onze te Amsterdam, Rotterdam enz.; en men zou in een kantoor of pakhuis te Marseille zijnde, waar Kooplieden, Makelaars, Kantoorbediendens, Pakhuisknechts, enz. onder elkanderen bezig zijn, indien ’er geen Fransch gesproken werd, zich zeer wel kunnen verbeelden, dat men in Amsterdam of Rotterdam was. Goedkoop koopen, ’en duur verkoopen, is altijd de hoofdbedoeling en de beweegoorzaak van hunne daden en verrigtingen, en dit bedrijf schijnt eenen aanmerkelijken invloed op het karakter te hebben; echter meen ik, zonder partijdig te zijn, wat aanbelangt de ijver, orde, naauwkeurigheid, en vooral ook de goede trouw, mijnen landgenooten de voorkeur te mogen geven. De kooplieden van Marseille schenen in ’t geheel niet in hun schik met het tegenwoordig Gouvernement, en beschouwden het als een krijgsbestuur (Gouvernement-militair) nadeelig voor den koophandel, Bourbons-gezind schenen zij echter over het algemeen ook niet; het oude Aristocratisch-Republikeinsche zit ’er misschien nog wel wat in, vooral als de vrijheid en onafhankelijkheid opzigtens den handel daar door kon begunstigd worden; met één woord, de geest van koophandel (esprit de commerce) schijnt ’er, de algemeene geest (esprit public). Het nieuwe Fransche gewigt scheen hier ook weinig in gebruik; nu ik geloof ook, dat men moeite zal hebben, om, en wel de vreemdelingen vooral, daar aan te gewennen. Hier ziet men bijna in ’t geheel geen balance en gewigt, zoo als bij ons en elders in Frankrijk in gebruik, en men verkoopt veel bij het pond, zelfs tot de houtskolen toe, alles wordt schier gewogen aan ijzeren of houten staven, die de zwaarte aanwijzen, door een ijzeren of koperen bol, die men op zekere merken schuift9. In de winkels hangt deze staf doorgaans op een bepaalde plaats, met eene schaal ’er aan, doch anders heffen twee menschen die aan een stok op de schouders op, met de goederen die men ’er aanhangt; zoo weegt men in de pakhuizen en op de kaaijen, bij het afleveren van goederen enz. De goederen Worden hier meestal gedragen, door mannen, die men porte-faix noemt. Zij dragen op den rug en met twee aan een boom, doch niet zoo als bij ons de bierdragers achter elkander, maar naast elkander; zij hebben groote ronde hoeden op, en daar aan hangt een kussentje, dat hun in den hals ligt, hier op rust de draagboom. Ik geloof, dat op die wijze het geheele lichaam meer draagt, en het alzoo gemakkelijker is, dan dat de boom maar op eene schouder rust. Deze lieden maken een soort van Gilde uit, zoo als bij ons de zakkedragers, dat men le corps de porte-faix10 noemt. Hunne hoofden, die ’er goede order onder houden, bezitten in eene ruime maate het vertrouwen van de kooplieden, en schijnen zich dat vertrouwen ook waardig te maken.

’s Avonds ging ik in den grooten Schouwburg, die digt bij mijn logement, regt over de straat Beauvau, is, zoo dat de facade eene fraaije en prachtige vertooning maakt, en het heeft daar door wel wat overeenkomst met het van binnen uitgebrande Théatre de l’Odéon te Parijs. Deze Schouwburg is naar het bestek van Benard in 1787 gebouwd. Van binnen is deze zaal fraai, doch men kan in het parterre ook niet zitten, dan op een enkele bank rondom; men betaalde ’er ook maar 25 sous. Ik bleef ’er slechts zeer kort, want het was ’er warm, zoo dat ik schier zweette van het zien dansen, dat anders vrij wel was; men zeide mij ook, dat zij in de balletten uitmunten; maar dat het overige niet veel beteekent. Fraaije Koffijhuizen vindt men te Marseille in menigte, zoo rondom de Cours en bij den schouwburg, als elders; le Caffé du Commerce, in de straat de Beauvau, is een van de beste; de ververschingen zijn ’er niet duur. IJs wordt hier ook zeer veel gebruikt, men betaalt de glace11 tien à twaalf stuivers.

Den 9 dezer, werd ik ’s morgens gewekt door een kanonschoot, die bij het openen van de haven van een der forten gedaan wordt. Ten vijf uren ging ik reeds uit, en alles was al in beweging. Ik klom op den berg, daar het fort notre Dame de la Garde op gelegen is; men heeft van daar een allerschoonst gezigt over de stad, de omstreken, en op de zee. Ten tijde, dat de Romeinsche legioenen zich hier bevonden, moet ’er een aanzienelijk bosch op dezen berg geweest zijn; oude schrijvers althans spreken daar van; thans is ’er niets, dat naar een bosch gelijkt, op te zien; de grond is dor en steenachtig. Hier omstreeks heeft men nog een anderen berg of heuvel, die men thans den berg Bonaparte (la montagne Bonaparte) noemt; men heeft pas een nieuwen weg gemaakt, langs welken men ’er zeer gemakkelijk opklimmen en omwandelen kan. In het opklimmen las ik op een bordje een verbod om de boomen en struiken op deze wandeling niet uit te rukken of te beschadigen—geene wet zal ’er beter nagekomen worden dan deze; want ’er is geen boompje of struikje op den ganschen berg te zien, en ik geloof niet, dat ’er ooit boomen of struiken, van eenig belang op zullen groeijen, omdat het genoegzaam niets anders is dan rots of stukken steen; boven op heeft men nogthans een allerverrukkendst gezigt, vooral ook in de haven en op den berg aan den overkant, waar tegenzich de huizen van de oude stad als een Amphitheater vertoonen. In de zee zag ik een enkel visschersschuitje; anders was het in deze, in vredestijd zoo drokke, zeehaven dood stil. Aan den voet van den berg, waar men denzelven opklimt, is een fraaije fontein met een Jonische kolom, waar op het borstbeeld van Bonaparte, van wit marmer; op het voetstuk dat met twee witte marmeren bas-reliefs pronkt, verbeeldende het eene eenige merkteekens van den koophandel, en het andere van den wijnoogst, leest men: A Bonaparte vainqueur et pacificateur Marseille reconnaissante12. Verder blijkt uit het opschrift, dat dit gedenkteeken onder het bestuur van den prefet Charles de la Croix, die, in Holland zijnde, zoo een groote voorstander scheen van een Demokratisch bestuur, is opgerigt. Dit alles is door een fraai ijzer hek omringd, en deze fontein staat aan het eind van een vrij lange pas beplanten laan, te weten aan iedere zijde met eenen rij boomen, die voor een algemeene wandeling moet dienen, makende alzoo eene fraaije vertooning. Langs de haven wandelende, zag ik, dat men daar bezig was, om met een werktuig, dat ik mij niet herinner van bij ons gezien te hebben, het slijk uittebaggeren; dit werktuig bestond uit twee groote baggerhaken, ten naasten bij zoo als die in het klein zijn, waar onzer baggerlieden mede arbeiden, zij worden door windassen, die bewogen worden door lieden, die in een rad loopen, bestuurd, zoo dat de eene telkens naar beneden, en de andere naar boven gaat; de scheppers van deze baggerhaken zijn van onderen met een klep, die met een klink sluit; deze klep opent men door middel van een haak, en loost zoo den modder in een schuit, die ’er onder ligt. Dit werktuig slaat op een vierkante bak of schuit, en ik zag ’er zoo verscheidene liggen. Dit schoonmaken van de haven is zeer noodzakelijk, om dat het slijk en de vuiligheid uit de stad ’er in uitloost, en ’er heeft geene doorspoeling plaats, daar het water altijd stil staat; want, gelijk gij weet, in de Middellandsche Zee gaat geen ebbe noch vloed. Het kan dan hier langs de haven, vooral als het heet is, wel eens onaangenaam rieken, zoo dat Marseille ook in dit opzigt eenige overeenkomst heeft met Amsterdam. Maar zeldzaam gebeurt het dat het water hier hooger of lager wordt, en dan is die verandering nog maar van weinig belang. De kaai is slechts weinige voeten boven water, zoodat men van daar gemakkelijk in de schuitjes, waar men mede overvaart, stapt. Indien de bovengemelde baggerwerktuigen bij ons niet bekend mogten zijn, was het dunkt mij der moeite wel waardig, dat men ’er onderzoek na deed, en ’er eene naauwkeurige afteekening van trachtte te bekomen; want immers zouden zij bij ons op verscheidene plaatsen met veel vrucht kunnen gebezigd worden. Ik dacht, dat de vette modder, dien men hier uitbaggerde, gebruikt werd, om de onvruchtbare steenachtige gronden, rondom deze stad te bemesten, daar de bemesting hier zoo schaars en tevens zoo noodzakelijk is; maar neen, men wierp die op eenen zekeren afstand van de stad in zee, en zelfs scheen men vrij algemeen staande te houden, dat deze slijk of modder in ’t geheel niet deugde, om de gronden te verbeteren. Dat dezelve in een of twee jaren de vruchtbaarheid niet bevordert, is zeer wel mogelijk, doch na verloop van eenigen tijd, ben ik wel verzekerd, dat zij op deze barre gronden, behoorlijk bewerkt zijnde, zeer nuttig moet zijn, en indien ik hier woonde, en de vereischte gelegenheid had, twijfel ik niet, of ik zou ’er met goed gevolg wel gebruik van weten te maken; doch ook in dit opzigt zijn verkeerde begrippen en kwade gebruiken niet gemakkelijk te veranderen. Zoo gaat het bij ons met de straatmest, asch enz. In ons vaderland hebben wij zoovele onbebouwde gronden, die slechts bemesting en matigen arbeid vorderen, om het een of ander, al was het maar dennenhout en aardappelen voorttebrengen. De deerniswaardige bewoners van onze zeedorpen vooral, lijden bitter gebrek, en vergaan hier en daar bijna van honger, en ondertusschen twijfel ik niet, of men vervoert altijd nog de straatmest, asch enz. uit den Haag, Leijden, Haarlem, enz. naar Braband, in plaats van ze door die ongelukkigen te laten weghalen, om ’er de nabijgelegen duinen mede te bemesten, en ’er aardappelen, die ’er ongetwijfeld goed in groeijen, in te zetten. Ik weet wel, dat de bevordering van den landbouw en fabrieken, in ’t geheel niet met den algemeenen handelgeest in ons vaderland strookt; doch ik weet tevens ook, dat welke de redenen ook zijn mogen, die men tot staving van dat denkbeeld, als strookende zelfs met het algemeen belang, moge aanvoeren, dezelven althans in oorlogstijden, niets afdoen, en sedert hoe vele jaren, en hoe dikwijls is de oorlog, helaas! ons lot niet. In vredestijd brengt de koophandel, wel is waar, schatten aan, maar schatten maken ook de afgunst en begeerten onzer nabuuren gaande, en geven aanleiding tot weelde, en dus ook tot zedenbederf; daarenboven blijven deze schatten doorgaans maar in een gedeelte van het land in omloop, en verrijken maar een zeker aantal van deszelfs inwoners. De landbouw, en ook de fabrieken, te weten van kleeding en andere stoffen, die wij voor eigen gebruik noodig hebben, zijn minder voordeelig in het aanbrengen van rijkdommen, doch ook een zekerder middel ter algemeene verschaffing van het noodzakelijke, en alzoo ter behoeding van gebrek—zoo veel mogelijk onafhankelijk te zijn van de omstandigheden, is voor ons van vrij wat meer belang, dunkt mij, dan rijkdom, dien wij toch ook niet aanhoudend en rustig kunnen blijven bezitten; maar al dikwijls moeten wij zien, dat vreemden de vruchten van onzen, arbeid en spaarzaamheid inoogsten.—Dit althans, houde ik voor zeker, dat ook ten dezen opzigte de waarheid in het midden ligt, en het alzoo noch redelijk, noch staatkundig is, om den koophandel alleen, ten koste van de landbouw en fabrieken, te willen staande houden.—Wat zegt gij, Vriend! zijt gij het hier omtrent niet volkomen met mij eens?

1 Naar men mij verzekerde, vindt men ’er somtijds, die meer twee centenaars wegen; verscheide heb ik ’er op de markt gezien, die een kloek man niet alleen op zijn hoofd kon brengen, om weg te dragen.

2 Een soort van Eijerplant (solanum), doch die men hier gebruikt, zijn violet van kleur en langwerpig.

3 Een orange kleur platachtig geribt appeltje, omtrent zoo groot als de palm ven de hand, zeer sappig en vol pitjes, het groeit aan een laag plantje. Ik heb het bij ons ook wel in de tuinen gezien, doch ken ’er den, botanischen naam niet van.

4 Ondertusschen is dit ook te Parijs de algemeene mode, en men ziet daar zelfs, vooral zomers, in de fraaije koffijhuizen van het Palais Royal, en elders door elegante Dametjes en petits maitres bier drinken, en wel met de fles of kruik.

5 Zulk zingen is nuttig en aangenaam, en waarom is het Liederenboek van de Juffrouwen Wolff en Deken niet meêr algemeen in gebruik?

6 Zaligmaker der wereld ontferm u onzer!

7 Geen goed zonder moeite.

8 De Milon en de Andromeda die men te Versailles ziet, zijn ook van Puget.

9 In Bataafsch Braband worden diergelijke werktuigen, om te wegen, veel onder de landlieden gebruikt, en zijn daar bekend onder den naam van ponders of unsters.

10 Het ligchaam der zakkendragers.

11 Un glace noemt men een glaasje met bevrozen room, en zuiker of sap van vruchten, zoo als van aardbeziën, persiken, abrikosen enz. ook wordt dit sap, in vormen gegoten zijnde, wel aan stukjes verkocht, en dit noemt men glaces en brique.

12 Aan Bonaparte, overwinnaar en bevrediger, is Marseille erkentelijk.

Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.