Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805

Tiende brief

Marseille, 13 Augustus.

Ons voornemen zijnde, om van hier een uitstapje naar Toulon en Hières te doen, gingen wij naar het stadhuis, om onze passen te laten teekenen, viseeren, daar dezelven maar tot Marseille gegeven waren. Onder het stadhuis, zoo als ik u gezegd heb, is de beurs, die men la loge noemt, het is een ruime zaal; dagelijks na den middag vergaderen de kooplieden daar in, en de onderscheide Oostersche kleedingen, die men ’er ziet, leveren voor lieden, die daaraan niet gewoon zijn, een vreemd verschijnsel op. Boven den hoofdingang van het stadhuis ziet men nog de overblijfsels van het fraaije Koninklijke wapenschild door Puget1, en ter zijde, van denzelfden meester, een bas-relief verbeeldende St. Charles de Borromæus, Aartsbisschop van Milaan, zorg dragende voor de pestzieken; beiden zijn van wit marmer, en voor meesterstukken bekend, doch aan het wapenschild is ’er weinig meêr van den bijtel van Puget overgebleven; men ziet hier ook nog drie andere basreliefs, aan beide zijden van den ingang zijn ’er twee, onder een van dezelve, waarop een Haan, heeft men na de omwenteling doen graveren: Le salut de la Republlque tient à la Vigilance, en onder een ander: au vainqueurs du dix Août. Men was bezig met den voorgevel van het stadhuis te herstellen, en schoon te maken. In het portaal van hetzelve tusschen de twee trappen, ziet men het Standbeeld van Bayon, bijgenaamd Libertad, omdat hij de stad bevrijdde, door den eersten Consul, Casauls, dien men beschuldigde van dwingelandij en t’zamenspanning met den vijand, omtebrengen, en Marseille aan Hendrik den IV., of voor hem aan den Hertog de Guise over te geven, hoewel de Spanjaarden reeds meester van de haven waren; dit voorval had plaats in 1595. Libertad en zijn broeder, die hem ondersteund had, werden voor dezen dienst beloond, en tot den adelstand verheven. Vijf jaren daarna wierd Hendrik de IV. zelve vermoord, en zijn moordenaar wierd op de verschrikkelijkste wijze gestraft. Zoo veranderen de omstandigheden dikwijls de zaken; trouwens, hier van hebben wij ook in onzen leeftijd de merkwaardigste voorbeelden gezien. In de groote zaal van het stadhuis moesten wij wel een paar uren wachten, eer wij met onze paspoorten klaar konden komen, omdat hij, die ze moest teekenen, afwezig was, dus had ik wel tijd, om de twee groote en fraaije schilderijen van Serre le Peintre, leerling van Puget2 te bezigtigen; deze twee stukken stellen de akelige tooneelen van die pest, die hier in 1720 en 1721 zoo verschrikkelijk gewoed heeft, voor. Deze Serre bekleedde ook met ijver en oplettendheid den post van Wijkmeester in zijne buurt, ten tijde van de besmetting, en was dus wel in staat, om de ellende naar het leven aftemalen. De eene schilderij verbeeldt le Cours (de algemeene wandeling), vol zieken en dooden, en de andere de plaats voor het stadhuis. Behalve den Ridder Rose, die zich in September 1720 aan het hoofd stelde van 100 Galeiroeijers, om de groote menigte onbegraven lijken, die bijna niemand durfde naderen, in kuilen met ongebluschte kalk te doen werpen, en ten dien einde het eerste de hand aan het werk sloeg, muntte in dit rampzalig tijdstip onder meêr anderen bijzonder uit, zekere Pierre Haristoy Caseneuve, geboortig van Béhaune, in het land van Béarn, hij was eerste Commies van de Levensmiddelen voor de Galeijen, en liet gewoonlijk de uitdeeling door zijne onderhorigen doen; doch daar de Galeijroeijers gelast waren, om de van de pest gestorvenen te begraven, en men dus alle reden had, om hen als besmetten te schuwen, dacht deze brave Commies, dat ’er welligt uit vrees nalatigheid in de uitdeeling zou kunnen plaats hebben, en deze ongelukkigen alzoo gebrek lijden; waarom hij het menschlievend besluit nam, om niettegenstaande het gevaar, altijd zelve bij de uitdeeling tegenwoordig te zijn. De regering, deze edelmoedige handelwijze willende erkennen, bood hem een jaarwedde van 1200 livres aan, doch de belangelooze menschenvriend bedankte ’er voor, hoewel hij in ’t geheel niet rijk was, en een talrijk huishouden had. De nakomelingen van dezen waarlijk edelen man bestaan nog heden, en de Marseillanen hebben niet nagelaten, om zijn’ naam, en die van meêr anderen, welke ten dien tijd in menschlievendheid en weldadigheid uitgemunt hebben, aan de vergetelheid te ontrukken. Een andere trek van edelmoedigheid van een’ Kaperkapitein van Tunis, is niet minder belangrijk en streelende voor gevoelige harten. Paus Clemens de XI. vernemende, dat in 1720 niet alleen de pest, maar ook de hongersnood in het ongelukkig Marseille heerschte, zond ’er van Civita-Vecchia ettelijke schepen met granen naar toe. Eenige Kapers van Tunis deze schepen najagende, achterhaalden dezelven, en namen ze, doch de Reis of Commandant vernemende, met welk oogmerk zij afgezonden waren; en welke hunne bestemming was, zeide tegen den schipper, die deze schepen met graan geleidde, zijne hand op het hoofd leggende: “Ga, Christen, voer uw’ last uit, ik ben uw vijand niet meêr—God zou mij straffen.” Dit laatste geval niet zeer algemeen bekend zijnde, heb ik vooral gemeend u hetzelve te moeten mededeelen.—De ziel van ieder redelijk menschenvriend wordt verkwikt door het hooren van diergelijke trekken.—En waarom verzuimt men, om deze daad ook op eene schilderij te verbeelden, en dat optehangen in deze zaal, waar dagelijks een menigte vreemdelingen komen van allerlei volkeren en waaronder zeer vele zeelieden: zulks zou immers kunnen strekken ter vermindering van haat en vooroordeelen, en zijn alle redelijke en verlichte bestuurders niet verpligt, om hiertoe alles, wat maar eenigzins in hun vermogen is, bij te dragen? De zaal van de Municipaliteit, voorheen van de Consuls (la salle Consulaire), is zoo wel als de groote zaal beziens waardig. Doch dat men de vreemdelingen hier zoo lang na hunne paspoorten laat wachten, is niet vriendelijk; men is daar te Parijs handiger mede.

In ons logement aten wij ’s middags laat, namelijk te vijf uren, zoo men dat middag eten noemen kan, doch om tien uren ’s morgens ontbijt men ook met koteletten, gebakken visch enz., dat men dejeuner à la fourchette3 heet, en zoo doet men dan, even als te Parijs, maar twee maaltijden daags. Ik gebruikte doorgaans ’s morgens in een koffijhuis brood met limonade, vruchten of iets diergelijks, en las dan met een de nieuwspapieren. Voor het middagmaal betaalde ik aan de gemeene tafel in het logement met den wijn, hoewel ik ’er bijna niet van dronk, 4 livres. Het eten is ’er voor de landstreek vrij goed, en de tafel is zindelijk, en met orde gediend; schotels zijn ’er genoeg, doch ’er is doorgaans te weinig op, naar evenredigheid van de gasten, zoo dat men zich moest haasten, om van die, welke het meeste gezocht zijn, wat te krijgen; en dat vind ik al zeer onaangenaam, vooral als men uit nieuwsgierigheid het een en ander proeven wil. Het rund- en kalfsvleesch schaars zijnde, is de soep gemeenlijk schraal, veeltijds van pompoenen en eenige andere groentens gekookt, waar dan wat brood met olij bij gedaan wordt; dit schijnt voor ons zonderlinge kost, maar is toch zeer wel te eten. Schapenvleesch wordt het meeste gebruikt, en is ’er goed; dagelijks hadden wij versche en lekkere zeevisch, en behalve tongen en tarbot, eenige soorten, die men bij ons niet kent. Als le Rouget, een fijn en lekker vischje, rood van kleur; le Mulet, in het patois, Mujou, die zeer gemeen in de Middellandsche zee, en tevens een goede visch is: men vindt ’er verscheide soorten, waartoe ook die, onder den naam van vliegende visch bij ons bekend, behoort: La Dorade, de zeebaars (perche de mer) en meêr anderen, ook eet men ’er dagelijks versche Sardines, die gedroogd zijnde, wel wat overeenkomst hebben met de Sprot. De Marseillaansche Anchovis is beroemd; de beste wordt in de zee van Frejus gevangen, doch ik voor mij vind ze niet beter dan onze Bergsche. Ook levert de Middellandsche zee goede kreeften op, en waaronder ik ’er zag, die al vrij groot waren; hun kop en pooten zijn ruw en met scherpe puntjes, ook vond ik het vleesch, wreeder dan dat der noordsche; wij hadden ze bijna dagelijks op tafel, en men noemt die hier Lingoustes. Somtijds gaf men ons ook een soort van kleine schelpvischjes. Aubergines, pommes d’Amour, en gestoofde komkommers zijn de gewone groentens. Meloenen en vijgen, die hier uitmuntend goed zijn, hoewel ik ook bij ons meloenen gegeten heb, die niet minder goed waren, hadden wij in overvloed; men geeft die niet op het nageregt, maar na de soep, dit is in Frankrijk algemeen gebruikelijk, en men noemt deze geregten hors d’œuvres. Ik was verwonderd, van in dit jaargetijde nog zuiglammeren te eten; doch vernam, dat de schapen in deze landstreek tweemaal ’s jaars werpen. Gevogelte van allerlei soort vindt men hier zoo als bij ons en elders. Het gebak, taart en pasteiwerk, is meestal met olij of vet gereed gemaakt, doch ik heb het dikwils zeer lekker gevonden. Men eet hier ook eveneens als in Italië veel Macaroni. De vruchten, behalve de meloen en vijgen, beteekenen niet veel; de grond is te dor en te schraal. De persiken, die meestal geel zien, zijn droog en hard, zij houden zoo vast aan de steen, dat men ze ’er af moet snijden, men noemt hier dit soort des peches males in onderscheiding van die, welke bij ons algemeen bekend en hier in ’t geheel niet overvloedig zijn. De versche amandelen had ik haast vergeten, men geeft ze hier in hunne groene bolsters op tafel, en eet de pitten doorgaans met wat zout; ik houde ’er wel van. Deze vrucht wordt veel rondom Marseille geteeld, zij groeit gaarne op de hoogte, en is niet naauwnemend omtrent den grond. Uijen, meestal roode, en knoflook worden hier ook veel gebruikt, en in eene groote hoeveelheid van de plaatsen rondom aan de Middellandsche Zee aangebragt; deze vrucht is hier veel minder sterk dan in het Noorden, eveneens is het gelegen met de Spaansche peper, die men hier veel teelt; zij wordt in menigte groen aan de markt gebragt, en men eet ze doorgaans met zout en azijn. In deze landstreek maakt men ook een kost, dien men de meeste vreemdelingen voor geen lekkernij behoeft voortezetten; het is de zoogenaamde Beurre de Provence4, bestaande uit olijfolij, gestampte knoflook, en zout gemengd en geklopt zijnde, tot het een dikke pap wordt. De wijn is hier voor lieden, die ’er niet aan gewoon zijn, te zwaar, zoo als ik u reeds gezegd heb; ik kon ze volstrekt zonder veel water niet drinken. Doch zij, die ’er aan gewoon zijn, weten ’er niet van, en het komt mij voor, dat de Marseillanen over het algemeen een goed glas wijn drinken. Zij gelooven, dat het in deze luchtstreek gezond is. Brood wordt hier in zulk eene groote hoeveelheid niet gegeten, dan in andere deelen van Frankrijk, daar het koren overvloedig is; want Provence brengt maar zeer weinig koren voort. De zoogenaamde gemeene en landlieden eten veel brood en pap van Maïs (Turksche tarw). Voor een kamer met twee bedden betaalde ik hier ook 40 stuivers daags, doch daar voor moest ik ook wat hoog klimmen; anders is het duurder. De tafel is ook een van de duurste, die men hier vindt, en men kan elders wel voor £ 3–:–: te regt komen, waarvan ik tusschen beide dan ook al eens gebruik maakte. Men is in dit Hotèl zeer goed, en zoo zindelijk, als men in Holland verlangen zou5; zelfs zag ik de meid meêr dan eens ’s morgens het voorhuis uitschrobben, een verschijnsel, dat ik nog nooit in Frankrijk gezien heb. Weegluizen hebben wij ook niet bespeurd, doch van de muggen wordt men verschrikkelijk geplaagd, zoo dat men genoodzaakt is, om even als, op vele plaatsen, bij ons gazen gordijnen te gebruiken; de eene mensch schijnt ’er echter meer voor bloot te staan dan den anderen; ik had ’er weinig hinder van, terwijl mijn reisgezel op dezelfde kamer slapende somtijds met bulten gestoken werd.

’s Avonds ging ik in het pavillon chinois, ’er was veel volk, en daar onder eenige gnappe vrouwen of meisjes. De vrouwen zijn meestal bruinachtig, en sommigen hebben veel van de Grieksche wezenstrekken. In fraaije tanden, en levendige oogen, munten zij uit, doch missen ook daar en tegen, dat zachte en bevallige van onze blonde met hare groote blaauwe oogen en mooi vel. De zoogenaamde fatsoenelijke kleeden zich naar de Parijsche mode, die eenige jaren vrij goed geweest is voor de vrouwen, doch thans beginnen ’er weder keurslijven voor den dag te komen.

Den 10 dezer ging ik de oude stad, die ik nog maar ter loops in oogenschijn genomen had, bezigtigen; en klom, aan het eind van de kaai aan de noordzijde, bij het Fort St. Jean, op de hoogte. Dit Fort kan men thans uithoofde van de tijdsomstandigheden, niet gemakkelijk van binnen zien; ook zeide men mij, dat ’er behalve, misschien voor vestingbouwkundigen, niets bijzonders te zien was. Lodewijk de XIV. deed deze sterkte, en de citadel St. Nicolas aan den anderen kant van de haven, in 1660 bouwen, om de stad wegens ongehoorzaamheid aan haren Gouverneur, de Hertog de Mercoeur, te straffen6. De haven wordt tusschen deze twee sterktens met eene ketting geslooten. Op de hoogte had ik een uitgestrekt gezigt in zee. De stadsmuren zijn hier op de steile rots gebouwd, die aan den voet door de zee bespoeld wordt. Ik zag eenige lieden, in het water staande, bezig om met een soort van houweelen, slijk uit de zee optedelven, daar zij insekten in zochten, die men hier gebruikt tot aas, om sommige zeevisch mede te vangen. Wat verder zag ik visschers in schuiten, bezig om met netten sardinen te visschen. Regt uit langs den stads muur gaande, kwam ik aan de plaats waar omtrent waarschijnlijk voorheen de tempel van Diana, die de oude Marseillanen bijzonder vereerden, stond. Ter dezer plaatse ziet men thans de Kerk de notre Dame de la Major, dat de Hoofdkerk is; volgens sommigen zou zij zeer oud zijn; anderen meenen te moeten veronderstellen, dat zij omtrent de 13de eeuw, althans niet veel vroeger, eerst zoo gemaakt is, als men ze thans ziet: het een en ander kan waar zijn. Althans de zes pilaren van granit, die men in dezelve ziet, meent men dat behoord hebben tot den tempel van Diana; anders is ’er niet veel bijzonders; het is een donker en onaangenaam gebouw, en men gaat ’er langs eenige trappen in, als in een kelder. Niet ver van hier, op eene plaats, die men Place de Linche noemd, veronderstelt men, dat de tempel van Apollo gestaan heeft, naderhand is daar de Abdij St. Sauveur gebouwd; en men heeft ter dezer plaatse eenige oudheden gevonden. Het Gasthuis, la Charité genaamd, dat wat verder op staat, schijnt een groot en fraai gesticht. Behalven verscheidene zeepziederijen, daar de bekende Marseillaansche zeep gemaakt wordt, zag ik hier ook een graauwpapier-fabriek, die nog al aanmerkelijk scheen. In dit gedeelte van de stad vindt men weinig gnappe huizen, het wordt meestal bewoond door het minstvermogende deel der burgerij. Men toont den vreemdelingen hier ook een oud huis, waar men wil dat voorheen het paleis der Roomsche Keizers was; voor hetzelve ziet men nog een ouden kop; doch wien hij moest verbeelden, wist men mij niet te zeggen, en ik vind ’er bij de schrijvers, die ik nagezien heb, niets van aangeteekend: mogelijk woonde ’er de Romeinsche Prefecten of Stedehouders, die ’er ’s jaarlijks van Rome naar toe gezonden werden, toen Marseille ophield een Republiek te zijn. Moede van het doorloopen, en op- en afklimmen van zoovele ongelijke kromme en in alle opzigten onaangename straten, keerde ik, toen het warm begon te worden, naar mijn logement; in het voorbijgaan zag ik nog een andere vischmarkt, Halle de la poisonnerie neuve, rustende op 20 Jonische kolommen, en volgens het bestek van den vermaarden Puget gemaakt. Hier is ook een Leessocieteit, in een fraai gebouw op de Canebière, Cercle de l’Union genaamd. De aanzienelijkste lieden van de stad komen hier bijeen, om de nieuwspapieren en andere periodique werken te lezen; in die zaal is het dan ook niet geoorlofd, om overluid te spreken, doch ’er zijn nog andere vertrekken, en in een derzelve staat een billard; als vreemdeling had men mij een kaartje gegeven, om hier, wanneer ik het goedvond, te gaan, en daar van maakte ik dan ook nog al dikwijls gebruik. Na den middag ging ik de kaatsbaan aan den kant van de boulevard zien, de Marseillanen schijnen daar liefhebbers van te zijn; want ’er was veel volk, het is op eene ruime open plaats, voor een gebouw dat voorheen een Klooster was; men kan ’er vrij ingaan, ’er staan stoelen en banken rondom, en men betaalt een of twee stuivers voor eene zitplaats. Ik zag ’er onder de spelers die al zeer vlug, sterk en handig waren; een onder hun muntte voornamelijk uit, hij was groot, sterk gespierd en welgemaakt, en had het voorkomen van eenen gladiator der ouden; want zij zijn bij dit werk, dat zeer vermoeijende is, luchtig gekleed; aan de hand, waarmede geslagen wordt, hebben zij een soort van houten koker, en hier mede worden de ballen, die van leder, en inwendig hol zijn (ballons),7 al zeer ver gekaatst. Bij ons moet ’er altijd bij diergelijke spelen braaf gedronken worden, doch hier zag ik niets gebruiken; tegen het vallen Van den avond scheidde men ’er uit, en ieder ging heen. Eenige zingende en dansende matrozen, die ik op de kaai ontmoette, herinnerden mij aan de bloeijende tijden van ons vaderland; zij zongen liedjes in het patois provencal. Op de Cours was veel volk; men wandelt daar tot laat in den nacht; want over dag is het te warm, ’er worden ook stoelen verhuurd zoo als te Parijs in de Tuillerien enz. De Marseillanen komen mij voor indedaad meêr levendig en vrolijk van aard te zijn dan de Parijsenaars, die zich zooveel moeite geven, om het te schijnen. Naar men mij verhaalde, waren zeer vele vermogende lieden thans op hunne landhuizen (bastides); ’s winters ziet men veel meêr beau monde in de stad, en naar men zegt, is de zamenleving voor alle smaken, en voor alle levensvakken ’er dan inzonderheid zeer aangenaam; vooral in vredestijd, wanneer hier eene aanhoudende toevloed van vreemdelingen is. In den schouwburg had men dezen avond gespeeld les etourdis, een aardig blijspel van Andrieux, (door onzen vriend van Walré in ’t Nederduitsch vertaald); dat ik te Parijs zeer goed had zien vertonen, en dan moet men het hier niet zien; naar hetzelve gaf men het bekende, ook in ’t Hollandsch vertaalde zangspel, Paul et Virginie; en dit beviel mij nog minder, ook heeft men in dezen schouwburg zeer weinig aan de vertooning, omdat de aandacht gedurig belemmerd wordt, en men de vertooners door het aanhoudend rumoer, dat ’er plaats heeft, dikwijls niet kan verstaan; want de kooplieden maken van deze zaal een tweede beurs; de jonge lieden komen ’er om over hunne liefdes-aangelegenheden te spreken, de geriefelijke juffertjes, om klanten op te doen; vele bejaarde dames, om wat te vitten en kwaad te spreken; en eenige liefhebbers, of die ’er zich ten minsten voor uitgeven, om hunne gevoelens over het stuk of de vertooners, aan elkanderen te vertellen; dit alles gaat vrij overluid, voeg daar bij het gedurig geloop van de gaande en komende in het parterre, en oordeel, hoe aangenaam dit moet zijn voor iemand, die komt, on het stuk te zien. In dit opzigt moet ik de Parijsenaars prijzen, de diepste stilte heeft daar in alle schouwburgen, waar maar eenigzins dragelijk gespeeld wordt, plaats; en men duldt daar niet, dat de aandacht der aanschouwers gestoord wordt8.

Den 11 dezer moesten wij, volgens afspraak, met een roeischuitje een toertje op zee gaan maken; doch het weder was hier toe niet gunstig, want de noordwesten wind, die men hier le mistral noemt, blies vrij sterk: echter huurden wij een schuitje voor 3 livres, om ’er des goedvindende den geheelen voormiddag gebruik van te kunnen maken; het was toen omtrent 7 uren in den morgenstond. Men vindt doorgaans verscheidene van die schuitjes aan het eind van de haven, bij de Cannebière, liggen; zij zijn met een tentje overdekt, en op sommige staat zelfs een zeiltje. Zoo lang wij in de haven waren, ging het nog al, doch naauwelijks buiten gekomen, moest men om den harden wind het tentje strijken, terwijl ons bootje door de golven ter deeg geslingerd werd, zoo dat de schipper zelve ons niet aanraadde om het veel verder te wagen. Wij lieten ons dan aan den voet van een rots aanzetten, klommen op dezelve, en gingen van daar naar eene plaats, die alleen door Spaansche visschers, die men les Catalans noemt, bewoond wordt. Hier plagt voorheen het Lazaret te zijn, thans is ’er een nieuw aan den anderen kant van de stad; de goederen uit den Levant komende, worden daar gelost, en moeten ’er eenigen tijd verblijven, alvorens zij in de pakhuizen mogen gebragt worden. Dit nieuwe Lazaret is een aanzienelijk gebouw. Wij hadden onzen schipper den voorraad, die wij voor het ontbijt medegenomen hadden, laten dragen, tot in een dal tusschen de rotsen, waar wij wat voor den wind beschut waren, en hier werd de tafel op den grond gedekt. Ik beklom vervolgens de toppen van eenige rotsen hier rondom, van waar ik een woest, doch schilderachtig gezigt had. Een Amerikaansch scheepje hield achter dezelve quarantaine. Bij het Kasteel d’If zag ik een schuit, waar in verscheidene menschen waren; onze schipper dacht, dat het de wacht was, die op het kasteel gebragt werd; zij schenen somtijds door de golven geheel bedekt, en hier sloegen de golven zoo hard tegen de rotsen, dat ik het water ’er boven op, nog al vrij hoog, Voelde.—Onze Vaderlandsche schilder Bakhuizen zou hier thans stof voor zijn uitmuntend pençeel gevonden hebben. Wij misten weinig door niet verder te kunnen komen: want men laat het kasteel d’If, thans niet dan met een bijzonder verlof, dat niet ligt te bekomen is, bezigtigen: omdat ’er Staatsgevangenen, in de zaak van de laatste conspiratie, op bewaard worden. Bij het invaren van de haven, zag ik tegen den muur van het Fort St. Jan, een gedaante zeer ruw uitgehouwen, verbeeldende een meermin; het volk noemt deze beeldtenis Marseille, waarom weet ik niet.

Naauwlijks was ik op mijne kamer, of ik hoorde eene soort van muzijk op straat; ik keek uit, en zag eenige boeren en boerinnen op hun zondags uitgedoscht; de mans hadden pluimen, en de vrouwen galonnen op hare hoeden; zij gingen twee aan twee, en waren verzeld door eenige tamboers, die een langwerpige trommel droegen, waar op zij met de eene hand sloegen, en met de andere op een fluitje speelden: dit fluitje noemt men hier le galobet, het heeft een’ zeer scherpen klank. De vrouwen droegen een soort van koeken van meel, olij, suiker en anijs te zamengesteld, en als een cirkel met een ster ’er in gemaakt. Deze lieden, die op het land rondom Marseille wonen, kondigen op deze wijze het feest aan, dat in hun dorp plaats moet hebben; dat is de naamdag van hun’ beschermheilige of iets diergelijks; zij gaan dan bij de stedelingen, die omtrent hun dorp of gehucht hunne bastides hebben, brengen hun een koek, en noodigen ze, on het feest bijtewonen; deze van hunn’ kant geven dan aan de boeren eenig geld, zoo dat dit eigenlijk niet anders dan een bedelarijtje is. Na den middag bezigtigde ik de kerk en de puinhoopen van de gewezen Abdij van St. Victor, aan de zuidzijde van de haven bij de citadel. Deze kerk is volgens oude bescheiden door St. Leon den Grooten gewijd, en was benevens de Abdij gebouwd, van overblijfsels van Heidensche oudheden. In een half afgebroken muur zag ik nog het overschot van een’ steenen boog met loofwerk gebeeldhouwd, welk het merk scheen te dragen van den bloei der konsten onder de Grieken en Romeinen. Men plagt hier ook nog pilaren van granit en oude graftombes te zien, doch de geheele Abdij is gesloopt; om en in de Kerk, die ’er alleen van is overgebleven, zag ik niets merkwaardigs, dan dat zij zeer oud scheen. Zij was van binnen wat opgemaakt, doch anders zeer eenvoudig en zonder veel sieraad. Van daar ging ik op den berg Bonaparte wandelen: de zon, achter de rotsen ondergaande, leverde eene majestueuse vertooning op; de wind was wat gaan liggen, en de avondstond zeer aangenaam.

Den 12 dezer liep ik ’s morgens zeer vroeg als naar gewoonte uit, met oogmerk om buiten de stad te wandelen; maar de buitenstreken van Marseille aan de landzijde, bevielen mij niet; naar de bastides gaande, is men bijna altijd tusschen muren, als in een gemetselde doolhof; en buiten de poort heeft men ook niet anders dan een open weg; lommer vindt men bijna nergens; redenen genoeg, waarom ik Marseille om er te wonen, niet zou verkiezen, even zoo min als Amsterdam; want gemis van wandelingen is voor mij al een zeer groot gemis. Zeer veel had men mij van de warmte gesproken, en wij hebben hier zeker een paar dagen drukkende hitte gehad; doch bij ons dunkt mij, kan het even zoo heet zijn, hoewel zeker minder aanhoudend. Ik had geen gelegenheid om den thermometer waar te nemen, doch ik ben wel verzekerd, dat hij niet hooger dan 27 of 28 gr. volgens de schaal van Réaumur, gestaan heeft; en de zeewinden brengen hier ook veel toe, om de lucht te verkoelen. De aanhoudende regen, die men eenigen tijd geleden gehad heeft, is een ongewoon verschijnsel; anders regent het hierin dit jaargetij zelden, de aarde wordt alleen door de daauw, die nog al sterk is, bevochtigd—en hoe dor moet dan die dorre grond hier omstreeks niet zijn. Daar het zondag was, en ik vernam, dat de Protestanten hier ook eene Kerk hadden, ging ik daar heen. De vergadering werd in eene ruime en zindelijke zaal, op eene eerste verdieping gehouden, en was vrij talrijk. De Leeraar deed een eenvoudig zedelijk vertoog, dat ik met genoegen hoorde. Tegen den avond ging ik buiten de stad, aan den kant van de zee wandelen; men heeft hier veel de gewoonte, om zich in zee te baden of te zwemmen; ik zag ’er een menigte zwemmers, en lieden, die zich baadden. Verscheidene vrouwen, die ’er wel in de klederen uitzagen, en dus nog al tot de zoogenaamde deftige klasse schenen te behooren, wandelden hier langs, zonder den waaijer voor de oogen te houden; hier en daar zaten zelfs aan den oever groepjes, waar onder vrouwen en meisjes, op hun gemak te kijken; trouwens, de zeden der Marseillanen over het algemeen, zijn vooral in dit opzigt niet als zeer gestreng beroemd; nu ik geloof ook, dat indien de Laplandsche vrouwen kuischer zijn dan deze, zulks meêr aan de luchtstreek dan aan hare meerder beredeneerde deugd moet toegeschreven worden. Deze onderscheidene groepen, naakte en gekleede menschen, hier en daar op stukken van rotsen, langs den oever van de zee, die toen, zoo als gewoonlijk in dezen tijd, zeer kalm was, staande of ongedwongen zittende, terwijl men hooge rotsen in ’t verschiet, en hier en daar een visscherschuitje zag, dit alles te samen leverde eene schilderachtige vertooning op, en Vernet zou hier van een mooi stuk hebben kunnen maken. Het water in de Middellandsche Zee, althans hier omstreeks, heeft een groene kleur. Ik zag menigmaal schilderijen, waar op het water zeer groen, en de lucht en bergen in het verschiet helder blauw verbeeld werden, en dit kwam mij toen onnatuurlijk voor; doch thans nu ik eenige gezigten aan deze oevers gezien heb, vind ik dat die schilders de natuur getrouwelijk afgemaald hebben.

Behalve de koude baden, houden de Franschen, en vooral die, welke het zuidelijk gedeelte bewonen, even als voorheen de Romeinen en Grieken, veel van het warme bad, en maken daar zelfs in de zomerhitte gebruik van, blijvende ’er doorgaans een half uur of langer in zitten; men vindt dan ook in de meeste steden badhuizen, waar men zich voor 24 of 30 sols in blikken of steenen bakken baadt9. Ik maakte ’er op reis nog al eens gebruik van, om mij te wasschen, maar om ’er lang in te blijven, vind ik niet goed: want men wordt ’er loom en vadzig van. De Fransche vrouwen maaken ’er ook veel gebruik van om zich te reinigen, en in dat opzigt zijn zij dan ook zindelijker, dan de onze.

Heden morgen ging ik het Stads-Museum van schilder-, beeldhouwwerk, en oudheden bezigtigen; men heeft een gedeelte van een voormalig Klooster, aan den kant van de Boulevard, daar toe in gereedheid gebragt, of liever was men daar mede bezig; want de zaal, waar de beelden en oudheden moesten geplaatst worden, was noch niet gereed, en alles lag ’er nog overhoop. Ik zag ’er eenige oude steenen doodkisten of graftombes, eenige met beeldhouwwerk, anderen met Grieksche opschriften, kapiteelen van pilaren, bas-reliefs, een altaar met stierenkoppen, het bovenste gedeelte van een Isis-beeld met hieroglijphische figuren ’er op, van zwart steen, een groote Isis-kop enz. De voorname opzigter van deze verzameling was niet in de stad, zoo dat ik ’er niet anders van kon te weten komen, dan dat deze oudheden, meestendeels hier omstreeks, en onder anderen ook in de Abdij van St. Victor gevonden zijn, men verhaalde mij tevens, dat ’er onlangs Commissarissen van Parijs hier geweest waren, en het een en ander opgeteekend hadden; waarom men vreesde dat het een of ander stuk naar de hoofdstad wel eens zou kunnen vervoerd worden. Het altaar, het Isis-beeld, en de grafsteenen met Grieksche opschriften, zeker voor oudheidkundigen van waarde zijn; doch het kwam mij voor, dat ’er ook veel Gothisch werk onder het overige was. In de schilderijen-galerij zag ik eenige goede stukken, onder anderen een paar van Rubens, die ik meende te kennen; geen wonder; want, naar ik vernam, had men ze van Parijs gezonden; benevens een van van Dijck, en nog eenige anderen; ook zag ik ’er eenige fraaije stukken van Puget, en een paar groote schilderijen van Vien, de Vader; een bekend en nog in leven zijnde schilder te Parijs, lid van het Institut (ik weet niet of het nog national heet, dan of men het imperial moet noemen) en Sénateur; sommige andere stukken schenen van Kerken of Kloosters herkomstig. Digt hier bij, ik geloof dat het voorheen tot hetzelfde gebouw behoorde, is thans het Lyceum10 waarin een aantal jongelingen, op kosten van den lande, in de eerste beginzelen der wetenschappen onderwezen worden. Een van de opzigters of onderwijzers, die een hupsch en vriendelijk man scheen, liet ons het gebouw zien. Men kon merken, dat ’er een goed bestuur plaats had, en overal droeg het de blijken van zindelijkheid en orde, en dat is onder zoo een menigte jongelingen dan ook zeer noodzakelijk.

’s Avonds ging ik in den Schouwburg het zangspel la Rosière de Salency zien. Dit is het eerste tooneelstuk dat ik, een aankomend jongeling zijnde, zag vertoonen; ik herinner mij nog duidelijk, met welk een vermaak ik het zag, en welke aangename gewaarwordingen dit gezigt bij mij veroorzaakte, en zie het daarom nog altijd met genoegen, hoewel het hier ook maar zeer middelmatig gespeeld werd; van daar komende, nam ik de pen op, en voleind dezen voor u.

1 Thans leest men ’er op: vivre et mourrir libre. In plaats van een Kroon staat ’er nog een Jacobijnen muts boven dit schild; doch dit zal waarschijnlijk ook nog wel eens veranderd worden, daar de kroonen weder in de mode gekomen zijn.

2 De Beeldhouwer Veyrier was ook een leerling van Puget, als mede eene André, die de Uitvinder was van de wijze, om behangseltapijten met lijmverf te schilderen.

3 Ontbijten met de vork.

4 Boter van Provence.

5 Het gelijkt wel wat naar het Gulde Vlies te Haarlem, en is ’er zekerlijk niet minder zindelijk; daar bij zijn de hospes en zijn vrouw zeer vriendelijk, en de bediening scheen mij toe vrij goed te zijn.

6 Ter dezer gelegenheid is ’er eene medaille geslagen, met het hoofd van den Koning aan de eene, en de haven, door eene ketting geslooten, aan de andere zijde.

7 Het zijn blazen met wind gevuld en met leder overtrokken.

8 Behalve bij de eerste vertooning van een stuk, wanneer het ’er vreesselijk ruw kan toegaan. De Fransche wellevendheid wordt dan dikwijls op een verregaande wijze vergeten.

9 Te Marseille, bij den grooten Schouwburg, is een badhuis, waar de baden van wit marmer zijn.

10 De beroemde school, waar Aristoteles de wijsgeer te Athene al wandelende onderwees, werd alzoo genaamd; in onze taal zou die dan plaats, waar men wandelend onderwijst, kunnen geheeten worden. De Franschen hebben sedert eenige jaren verscheidene Grieksche en Romeinsche benamingen aangenomen, zoo als école politecnique, société philotecnique, Tribuns, Senatoren enz. doch alle deze namen komen hier mijns bedunkens, volgens hunne oorspronkelijke beteekenis niet altijd te pas, en vele dier zaken hebben inderdaad weinig meêr van het Grieksche en Romeinsche dan den blooten naam.

Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.