Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805

Elfde brief (1 van 2)

Marseille, 18 Augustus.

Ik heb u gezegd, dat ons oogmerk was om een uitstapje naar Toulon en Hières te doen: daar wij nu hier genoegzaam al het merkwaardige gezien hadden, gingen wij den 14 dezer ’s morgens om drie uren, per gewoonen postwagen, naar Toulon op reis. Men betaalt daar voor 9 livres de persoon, en voor een bagatel komt een van de bedienden van den Commissaris de reizigers opwekken, en hun pakje halen; want als men koffers of diergelijken heeft, moeten die daags te voren bezorgd worden. Men rijdt de poort, of eigenlijk de barrière van Rome (want een poort staat ’er niet) uit, voorbij verscheidene bastides (buitenplaatsen), vervolgens door een aangenaam dal, waar men heuvels ziet, die met wijngaarden beplant zijn tot Aubagne, een stadje aan het riviertje le Veaune, 2 posten van Marseille gelegen. Op een stuk marmer, hier omstreeks ontdekt, vindt men dat ’er voorheen ter dezer plaatse een stad bestond, genaamd Lucretum; en eene andere, niet ver van daar, genaamd Gargarium. De Romeinsche regering had, ten haren koste, baden te Lucretum doen maken, om ’er het vrije gebruik van aan de inwoners te laten; men meent dan ook, dat de naam van Aubagne zijn’ oorsprong heeft van ad balnea (bij de baden). Men maakt hier een lekker soort van gekookten wijn, dien men ook malvoisie noemt; de bevolking wordt op omtrent 4000 begroot. De inwoners hebben in ’t geheel den besten naam niet: velen maakten met elkanderen een bende uit, die zich met rooven, moorden, en plunderen der reizigers ophield. De geheele landstreek plagt, aan deze kanten, nog niet lang geleden, zoo gevreesd te zijn, als bij ons het land van Valkenburg bij Maastricht; en het is ’er nog niet zuiver; doch de politie neemt goede maatregelen: echter mag dit plaatsje ook roem draagen, op een in de letterkunde beroemden man; ik meen den Abt Barthelemy1, die hier geboren werd. Men vindt hier digt bij vrij hooge bergen, en die zich, volgens natuuronderzoekers, over de 2000 voeten boven de oppervlakte der zee verheffen; op en tusschen de rotsen, groeijen vele pijnboomen; en zoo lagchende als de natuur aan den anderen kant van Aubagne is, zoo woest en treurig vertoont zij zich hier. Eer men te Cuges komt, heeft men echter een dal, waar het ’er wat beter uitziet; en de afwisseling der gezigten maakt den weg aangenaam. Cuges ligt 3½ post van Marseille, het plaatsje zag ’er slordig en armoedig uit, en hier moesten wij eten, hoewel het ’s morgens omtrent 9 uren was. De herberg had ook in ’t geheel geen gunstig aanzien; doch de kok, hoewel vrij smerig, zag ’er frisch en gezond, uit, en ik geloof, dat hij wel 250 ponden kon halen; ik had daarom nog al goeden moed, dat de keuken ’er niet schraal zou zijn, en dit ging dan ook nog al vrij wel. Een van onze reisgezellen, een ronde en vrij ruwe zeeman, droeg hier zeer veel toe bij, en zorgde dat ’er geen proviand te kort kwam; onder anderen zette men ons roode patrijzen voor, die ik nimmer beter gegeten heb, en wij betaalden maar 40 sols de persoon. Eer ik op den wagen stapte, nam ik den boêl nog eens op, want het scheen mij om de ongemeene morsigheid en slordigheid merkwaardig; daar bij kwam nog de zonderlinge t’ zamenstelling van het huis, en evenwel scheen men ’er veel te doen te hebben, want het was ’er drok, en ik had ’er met dat al ook smakelijk gegeten; doch tusschen een Hollander, die eenigen tijd gereisd, en onder vreemden verkeerd heeft, of een Hollander, die voor het eerst uit eene geregelde en zindelijke huishouding, in eene smerige herberg komt, verschillen de gewaarwordingen nog al eenigzins; en ik herinner mij bij deze gelegenheid een geval, dat om het karakteristieke, dat ’er in is, hier, dunkt mij, wel een plaatsje verdient. Een Amsterdamsch koopman, voor de eerste maal, (behalve een enkel togtje naar den Haarlemmerhout of Muiderberg) zijne geboortestad en zindelijke woning verlatende, begaf zich door zijn knegt verzeld, in gezelschap van een Duitscher en een Franschman naar Hamburg, ter verrichting van zijne zaken; want anders was de goede man zeker t’huis gebleven. Naauwlijks was hij over de grenzen, of hij bespeurde al ras, dat de woningen ’er daar, zo in als uitwendig, geheel anders uitzagen dan te Amsterdam, op de Heere-, Prinse- of Keizersgrachten. Aan een herberg komende, waar zij zouden afstappen, sprong de Franschman in eens uit den wagen, in huis, en de waardin ontmoetende, die ’er nog al wel uitzag, hield hij zich bezig met haar een menigte douceurs te zeggen, en bekommerde zich om het overige niet; de Duitscher volgde, en den hospes opgezocht hebbende, vroeg hij, of ’er wat te eten en te drinken was; vervolgens kwam onze landsman binnen, keek naauwkeurig rond, riep zijn’ knecht, en zei tegens hem op een deftigen toon: ”Keesie! ga eens kijken of het hoisie wel schoon is?” Nu vreemden vooral mogen hier mede lagchen, en de zindelijkheid in sommige gedeeltens van ons land overdreven vinden, ieder een zal toch overdreven zindelijkheid, minder onaangenaam vinden dan overdreven morsigheid. Een eind weegs buiten Cuges tegen een hoogte moetende oprijden, die nog al steil was, verkozen wij daar te wandelen, en ik vermaakte mij met de grootsche en woeste tooneelen, die men hier aantreft, te beschouwen. Verbeeld u een woud van pijnboomen op rotsen, die zich hier al vrij hoog verheffen, en ginds een’ afgrond vormen; een steile kronkelende weg loopt daar door, en het gelijkt hier meêr naar het noordelijk, dan naar het zuidelijk gedeelte van Europa, (eene regte schilderij van van Everdingen) nogthans, hoewel de wind zich in de toppen der pijnboomen deed hooren, was op sommige plaatsen, buiten de schaduw, de rots, waar men op ging, brandend heet, en ’er bleef nog al een enkele zweetdroppel, eer wij boven waren. Langs vele van die pijnboomen was de schors en een gedeelte van het hout afgekapt, op zulk eene wijze verkrijgt men de harst, die uit deze wonden traant, doch hier na kwijnt en sterft de boom ook. ’t Is opmerkelijk, hoe deze boomen zich op sommige plaatsen met hunne wortels tusschen de spleten en kloven der rotsen gevestigd hebben, en verwonderlijk, dat ’er op dezen barren en steenachtigen grond, waar op het gedurende een goed deel van het jaar, maar zeldzaam regent, nog iets groeijen kan. Boven op de hoogte is de bodem ook kaalder, en men ziet slechts hier en daar een enkelen boom. Wij kwamen hier aan een klein camp van 40 à 50 militairen, behoorende tot het garnisoen van Toulon; zij wonen in hutten, en zijn daar geplaatst, om te waken tegen de rooverijen en aanrandingen, die hier aanhoudend plaats hadden; sedert zijn de wegen ook veel veiliger: echter is het nog maar veertien dagen geleden, dat hier omstreeks een enkele kerel zich verstout heeft om den postwagen aanteranden; doch men heeft zich ook dadelijk meester van hem gemaakt, en hem naar Marseille gebragt. Zulk soort van volk wordt daar doorgaans zonder vorm van proçes gevonnisd, ter dood verwezen, en op of bij de plaats, waar het feit begaan is, voor den kop geschoten. Wat verder op langs den weg, die echter breed genoeg is, heeft men duchtige diepten. Beausset, waar wij van paarden veranderden, scheen mij een plaatsje, dat niet veel beteekent, en het zag ’er ook al slordig en armoedig uit. Tot mijne verwondering zag ik hier een witten Monnik, waarschijnlijk komt die uit Italië, om hier te bedelen. Onze zeeman, die Kapitein was, en een Fregat voor Genua liggende kommandeerde, wilde hem voor handlanger mede nemen, doch te bejaard zijnde, deed hij hem dat voorstel niet. Buiten dit plaatsje kwamen wij eenige gevangenen tegen, die kettingen om den hals en sommige aan handen en voeten hadden, en zoo aan elkanderen waren vastgemaakt; ik hield hen voor booswichten, die naar de galeijen gevoerd werden; doch onze Zeekapitein zeide, dat het weggeloopen matrozen waren, die men weder naar hun schip bragt, het waren meest jonge lieden; zij werden door Gens d’Armes te paard geleid, en leeden veel door de brandende hitte, en de zwaarte van hunne ketens, zoo dat ik recht medelijden met hun had.—Franschen met ijzeren kettingen om den hals! en hoe ligt beschuldigen zij andere volkeren van woestheid en barbaarschheid. Nu zagen wij welhaast niets anders dan dorre en naakte bergen, en kwamen vervolgens in de engte tusschen steile rotsen, die men les Gorges d’Ollioules noemt. De rotsen staan hier als steile en onbeklimbaare muren, langs den weg, die zeer ongelijk en hobbelig is, zijnde ook niet anders dan steenrots; hier en daar treft men in deze engte, tusschen de rotsen, langs den weg, aanmerkelijke diepten aan. Het water dat zich bij zware regenbuijen, of door het smelten van de sneeuw, hier langs ontlast, vormt dan een’ snellen stroom, die somwijlen opgestopt wordt door de stukken steen, die hij medevoert, en dan, op eenmaal weder geweldig losbarstende, den weg op die plaatsen, waar hij laag is, overstroomt, en alles wat hij ontmoet medesleept, en den ongelukkigen reiziger verzwelgt. Gelukkig dat de zon niet hoog meêr stondt, toen wij ons hier bevonden; want dan moet het ’er brandende heet zijn, omdat ’er, als rondom beschut zijnde, geen windje toegang heeft, en de terugkaatzende hitte van de rotsen die van de lucht en van de zonnestraalen nog vermeerdert. Op sommige plaatsen zou men hier te vergeefs rondom zich een enkel grasscheutje of plantje, hoe ook genaamd zoeken. De natuur vertoont zich ontzaggelijk, en heeft allen bevalligen tooi afgelegd; echter ziet men bij het steedje Ollioules, reeds orange-, citroen- en granaatboomen in de open lucht; Ollioules is de bloemtuin van Marseille, en men brengt van daar zeer vele bloemen te markt. Hier omstreeks plagt ook een koper- en zilvermijn te zijn, en men ontdekt in deze rotsen ook sporen van uitgedoofde vuurbrakingen (volcans). Daar omstreeks zagen wij veel Kapperplanten2, zoo als wij reeds in menigte tusschen Marseille, en hier vooral in de vlakte van Aubagne gezien hadden: de bloem is fraai, en heeft wel iets van de passiebloem, en de kappers zoo als zij ingelegd worden, zijn de bloemknopjes; de kleinste worden voor de beste gehouden. Nu komt men op Toulonschen bodem, en ziet hier onder anderen een’ grond, bestaande uit steentjes, die door eene harde stof aan elkanderen vastzitten, als of zij met kalk of cement aan een waren gehecht. Dezen grond noemt men saffre; hij wordt zoo hard in de lucht, en men maakt ’er hier omstreeks, met goed gevolg, gebruik van, om muren te bouwen. Van een hoogte, waar de weg overloopt, heeft men een verrukkelijk gezigt op de reede van Toulon; daar lagen verscheidene oorlogsschepen. Wij reden vervolgens over een brug, die eenige jaren geleden door de Engelsche was afgebroken, om hier door hunnen aftogt uit de stad te dekken. De toegangen van Toulon zijn niet onbevallig, en de stad zelve ligt fraai in zijn wallen, muren en grachten, die vrij wel onderhouden schijnen te zijn. Het was ’er door de menigte zeelieden, die hier op de reede liggen, en door het garnisoen, vrij levendig. Het was omtrent half zes, toen wij aankwamen. Beausset en Toulon zijn ook twee, en dus Marseille en Toulon in ’t geheel 7½ post van een gelegen. Wij namen onze intrek in het Hotèl la Croix de Malthe, waar het ’er redelijk wel uit zag. Na eens op de haven te hebben wezen kijken, en een gedeelte van de stad, die niet groot is, doorgeloopen te hebben, ging ik naar den Schouwburg, waar men de Gierigaard van Molière, vrij wel speelde; na hetzelve gaf men Philippe et Georgette, zangspel, en ook dit heb ik op voornamer tooneelen dan dat van Toulon, wel minder gezien.

Den 15 dezer ging ik al vroeg naar de haven, waar het regt vrolijk was, door de menigte van varensvolk, die dan met sloepen aankwamen, en dan weder wegroeiden. Hier zag ik voor het Stadhuis een fraai verguld Vrijheidsbeeld, op een marmer voetstuk. Het beeld zelve, naar ik vernam, was slechts van hout. ’t Is of die van Toulon voorzien hebben, dat het maar voor eenige jaren zou moeten dienen.—Het ware te wenschen, dat dit vooruitzigt meêr algemeen was geweest. Rondom op het voetstuk las ik de volgende versen:

“Sur les vertus, et sur les lois
l’Auguste Liberté repose:
A la perdre l’homme s’expose,
Si-tot qu’il meconait ses devoirs ou ses droits.

Souviens toi, que le créateur
Te fit pour n’avoir point de maitre,
Lui même si bien fait pour l’être,
Se derobant aux yeux ne commande qu’au coeur.

“Mortel jusqu’au dernier soupir,
Que la Liberté te soit chère,
Ton plus digne soin sur la terre,
Est de la conserver, et d’en savoir jouïr.

“On est digne d’un si grand bien,
Lorsque l’on sait à la patrie,
Immoler tout jusqu’a la vie,
Lors qu’au bonheur de tous on attache le sien.”

De twee beelden die het balcon van het Stadhuis onderschragen, zijn twee kunst-stukken van den Marseillaanschen beeldhouwer Puget. Men zegt, dat deze kunstenaar zich te beklagen hebbende over twee consuls dezer Stad, die toen aan het hoofd van het bestuur waren, met zoo veel waarheid de trekken van hun gelaat in die zijner beelden wist te brengen, dat men ze niet miskennen kon, zoo dat die twee Heeren, na hun consulaat, niet meêr voorbij het Stadhuis durfden gaan.

Toevallig bekwamen wij een brief aan den Kommandant van het Fort de la Malgue, op een’ heuvel even buiten de Italiaansche poort gelegen; hoewel het zeer warm was, gingen wij ’er naar toe. Die offiçier, die nog jong, maar verminkt was, ontving ons vriendelijk, en na onze paspoorten onderzocht en verscheidene vragen gedaan te hebben, gaf hij ons een onderoffiçier mede, on ons het Fort te laten zien. Het is naauwelijks dertig jaren geleden gebouwd, schijnt zeer sterk, en bijzonder geschikt om de reede te dekken: men heeft van hetzelve een alleraangenaamst gezigt in zee. Nimmer zag ik in Frankrijk iets van die natuur, dat zoo net onderhouden was. Rondom in hetzelve zijn casernen en casematten; in een van die liet men ons de looden kist zien, waarin het gebalsemde lijk van den Generaal Joubert, gesneuveld in de bataille van Novi, ligt. De wand was met zwart laken behangen, en tegen denzelven stonden verscheidene krijgsstandaarden, met onderscheidene toepasselijke opschriften. Om de kist zag men een soort van Lijklampen. Dit lijk werd hier bewaard, tot dat de graftombe, die ’er voor gemaakt moest worden, in gereedheid zou gebragt zijn. De wijn, die langs dezen heuvel groeit, is vooral hier omstreeks beroemd en bekend onder den naam van Vin de la Malgue. Wij telden van hier 22, zoo groote als kleine, schepen op de reede, en waar onder, naar men ons verhaalde, 10 van linie. De Pholade een schulpvischje, dat zich in den harden steen eene woning weet te maken, wordt ook in de steenen aan den oever der zee, hier omstreeks, gevonden. Dit schulpvischje, dat goed is, om te eten, geeft, versch zijnde, in het donkere een phosphoriek licht van zich3. De kermes of vermiljoen insect wordt ook op de struiken, staande op en tegen de heuvels langs de zee in deze streek, en wel bijzonder van Toulon tot St. Tropéz gevonden.

Het was hier feestdag, zijnde Maria Hemelvaart, een van de heilige dagen, die volgens het concordaat, in Frankrijk gevierd worden—zijnde ook de Verjaardag van Bonaparte;—ik ging eenige Kerken bezigtigen. Die van St. Louïs, maar korten tijd voor de omwenteling voltooid, heeft in het begin van dezelve gediend voor een tempel der Reden: thans wordt de Roomsche godsdienst ’er in verrigt, en ’er was een Lieve Vrouwe beeldje ten toon gesteld, met een fraai geborduurde samaar aan, dat de geloovigen kwamen kussen. Deze Kerk is een schoon gebouw, het pronkt met een mooije, en in den antiquen smaak gebouwde facade. Rondom de koepel, waar onder het groot autaar staat, zijn fraaije kolommen, en over het geheel heeft deze Kerk een deftig en bevallig voorkomen. Wij aten ’s middags in ons Logement met eenige Offiçieren, waar onder ’er waren die zeer Republikeinsch gezind schenen. Het eten was vrij goed voor 3 Livres: wij namen ook een fles wijn de la Malgue, doch die beviel mij zoo min als de overige wijnen van dit land. Na den middag ging ’er een proçessie door de straten, men droeg een mooi opgeschikt Lieve Vrouwebeeld rond; eenige weinige leden van den Magistraat, met fakkels in de hand, waren hier bij tegenwoordig; voor het overige waren het meest vrouwen, die volgden, en vele der omstanders schenen ’er weinig eerbied voor te hebben; sommige dreven ’er zelfs openlijk den spot mede. Toulon is een vrij gnappe stad, en vooral het nieuwe gedeelte (le quartier neuf) ziet ’er wel uit. De paradeplaats is fraai en rondom met boomen beplant: zij dient tevens voor eene gemeene wandeling, en met den feestdag was hier veel volk. Op deze plaats zijn ook eenige schoone koffijhuizen, die veel te doen hadden, vooral door de Zeeoffiçieren en andere militairen, die meest aan de deur zaten; dit alles maakte het hier zeer levendig en vrolijk. Ik zag in een ander gedeelte van de stad ook nog een breede straat, die met boomen beplant was. Op de markt, waar wij geherbergd waren, staat een fraaije fontein; tegen het zuiden open, en van de noordzijde beschut door hooge bergen of rotsen, daar bij op 43 graden, 7 minuten en 24 seconden noorderbreedte gelegen, kan het te Toulon zeer warm zijn. De haven is fraai, ruim en zeer geschikt ter beveiliging der schepen. Van den wal, vooral aan den kant van de haven, heeft men ook een aangenaam gezigt. Men had mij gezegd, dat om het Arsenaal, een der merkwaardigste dingen, die men hier heeft, te zien, wij een schriftelijk verlof van den prefect van de Marine moesten hebben; dat, uit hoofde der tijdsomstandigheden, niet ligt werd toegestaan. Ik was ’er den vorigen avond te gelijk met eenig werkvolk al eens opgeloopen, want, van den postwagen komende, had ik een lange broek en een buisje aan; men had in die kleeding geen acht op mij geslagen, maar waarschijnlijk voor een zeeman, die daar een boodschap had, aangezien; doch ik kon ’er toen niet lang blijven, om dat het, avond wordende, de ingang gesloten werd, en allen, die ’er af wilden, een kaartje of briefje moesten vertoonen. Heden waagde ik het dan in dezelfde kleeding weder, en het gelukte mij insgelijks, gelijk ook mijn reisgenoten. Het geen men hier het Arsenaal heet, zou men bij ons een Scheepstimmerwerf noemen. Deze plaats, waar men schier al het noodige tot den scheepsbouw in bijzondere gebouwen bij elkanderen vindt, als mede het geen tot de wapening en toerusting van denzelven vereischt wordt, is zeer ruim, en aan het eene eind van de kaai gelegen. Ik zag hier verscheidene groote schepen op stapel staan. De in den grond gebouwde steenen kom, geschikt om daar in de schepen te kalfateren, verdient vooral opgemerkt te worden; zij heeft omtrent de gedaante van een schip, zijnde, volgens daar van gevonden aanteekeningen, 300 voeten lang, 100 breed, en 34 hoog. Door middel van sluizen en pompen, kan men ’er het water uit en inlaten; als het schip ’er in is, pompt men de kom ledig, zoodat de scheepstimmerlieden dan overal bij kunnen. Niet ver van hier ziet men de galeijen, die echter niet meêr gebruikt worden, en zelfs masteloos zijn. Thans dienen zij alleen maar tot een verblijf voor misdadigers, veroordeeld, om geboeid aan ’s lands werk te arbeiden, en waar van ik ’er hier een groote menigte zag. Men verzekerde mij, dat ’er wel 4000 waren; zij zijn met zware kettingen geboeid, meestal twee aan twee; deze ketting is dan aan een ijzeren beugel, dien zij aan een der beenen hebben vastgemaakt, aan een gordel die zij om het lijf hebben, is een ijzeren haak, waaraan zij, wanneer zij gaan, de ketting, die hun anders zou naslepen, ophaken. Hunne kleeding is voornamelijk een wambuis, of korte schanslooper, van een grove pij, en een mutsje van diergelijke stof op het hoofd. Zij zijn afgedeeld in onderscheidene klassen, die tot onderscheidenen arbeid gebruikt worden. De kleur van hunne kleeding verschilde dan ook, en ik zag troepen, die in het bruin, en anderen die in het rood waren. Eenigen, wier tijd bijna uit is, of die zich door een aanhoudend goed gedrag het vertrouwen van hunne opperhoofden hebben waardig gemaakt, worden aangesteld als opzienders over de anderen, en deze hebben slegts een beugel en geen ketting aan het been, en zien ’er ook beter uit in de kleederen; zij doen allerlei ruw werk op de werf en in de werkhuizen. Ik zag ’er ook een hoop in de stad, komende uit een caserne, die zij schoon hadden gemaakt; zij werken ook aan de vestingen, aan het schoonmaken van de haven enz. Wanneer zij arbeiden, worden zij door wachten verzeld, en blijven bovendien geketend. Met dat al vinden sommigen nu en dan nog gelegenheid, om te ontkomen. Mogelijk is het veelal aan hunne ruwe levenswijze, harden arbeid, en haveloze kleeding toeteschrijven, anders zou men deze menschen beschouwende, moeten bekennen, dat de leer van Lavater al vrij gegrond is; want zij zien ’er dan, over het algemeen, al zeer afschuwelijk uit, en de ondeugd is, zoo als men zegt, op het gelaat van velen te leezen. De galeistraf schijnt niet eerder in Frankrijk, dan sedert het midden van de 16de eeuw gebruikelijk geweest te zijn; althans de eerste vonnissen, die tot deze straf verwijzen, zijn van 1532 en 1535, en de eerste ordonnantie, die ’er van spreekt, is die van Karel den IX. gegeven te Marseille in 1564. Voorheen waren ’er ook galeijen te Marseille, doch sedert eenige jaren bestaan zij daar niet meêr, en in ’t geheel worden deze schepen door Frankrijk niet meer gebezigd; toen men ’er nog gebruik van maakte, dienden de misdadigers, om ze voortteroeijen op de Middellandsche Zee. Zekere Koning van Frankrijk, zegt men, te Marseille zijnde, ging de galeijen bezoeken, en vroeg aan verscheidene galeiboeven (forçats) hoe zij daartoe gekomen waren; ieder wendde voor, dat hij onschuldig was, en trachte door een menigte verontschuldigingen het medelijden des Konings optewekken; een enkele echter bekende rondborstig schuld, en beleed zijne misdaden. De Koning wendde zich daar op tot de opzienders van de galei, zeggende: “dat men dezen deugniet terstond van hier uit het midden van zoo vele goede en eerlijke lieden wegjage, en dat hij ’er nooit weder kome!” Indien dit, zoo als het verteld wordt, waar is, moet men bekennen, dat die Koning eene aardige tegenwoordigheid van geest toonde; doch men zet zoo veel dingen van dien aard, op rekening der Vorsten, en bedient zich over het algemeen van alle middelen, die maar eenigzins strekken kunnen, om hen, is het mogelijk, in het oog van het volk wijzer, beter en verhevener te maken dan andere menschen: jammer is het voor hun, dat zij zich noch niet boven de menschheid kunnen verheffen, en toch maar even eens in de wereld komen, en ’er uitgaan als wij. Gedurende verscheidene eeuwen, is een groot deel van het menschdom in de verbeelding geweest, dat men, om in Europa Vorst te zijn, juist door een bijzonder ras moest geteeld wezen; doch dit vooroordeel schijnt ook in onze dagen, dank zij de meerdere verlichting, den bodem ingeslagen, Bonaparte is zoo wel Keizer en gezalfde des Heeren, als de Keizers te Weenen en te St. Petersburg; en de een zoo wel als de andere verdient onze hoogachting, wanneer zij alleen trachten te schitteren en uitteblinken boven hunne natuurgenooten, door deugden en ware grootheid; en de meerdere magt, die zij boven hen bezitten, niet anders gebruiken, dan ter bevordering en uitbreiding van het geluk hunner medemenschen. Maar ik hervat de beschrijving van het Arsenaal. Behalve verscheidene tuighuizen en werkplaatsen voor de timmerlieden, smeden enz. is hier ook eene aanzienelijke geschutgieterij. Bijzonder verdient de touwslagerij en lijnbaan gezien te worden, en is aanmerkelijk om hare ongemeene lengte; zij is geheel verwulfd, rustende op drie rijen boogen, en volgens het bestek van den vermaarden vestingbouwkundige de Vauban gemaakt. Als men van binnen aan het eene eind staande door al die bogen ziet, kan het oog naauwelijks het eind bereiken, en dit levert een fraai vergezigt (perspectief) op. Wij hadden een Vlaming ontmoet, die hier ook als scheepstimmerman werkte; deze had de vriendelijkheid, om ons, als eenigzins landslieden zijnde, het een en ander aantewijzen, en met ons rond te gaan.—Met smart dacht ik hier, aan den toestand van onze Vaderlandsche Marine—voorheen werden ook onze scheepstimmerwerven door alle vreemdelingen bewonderd, onze tuighuizen waren wel voorzien, en in plaats van de speelbal van vreemde mogenheden te zijn, werden wij met ontzag behandeld, en wisten onze regten op zee duchtig te doen gelden.—Helaas! waar zijn die tijden, vriend? en wat is ’er van die edele zucht naar Vrijheid en Onafhankelijkheid, die eene van onze voorname karaktertrekken plagt te zijn, geworden?—Moet het vaderlandsch bloed ons niet in de aderen koken, als wij bedenken, dat ’er een tijd bestond, waar in de Engelschen hunne schepen veelal in Holland of te Lubeck moesten laten maken, en dit is immers nog zoo heel lang niet geleden? En was niet een van hunne eerste Koningen verpligt, geen goede matrozen in Engeland kunnende vinden, om dezelve uit Friesland te laten overkomen?—wat is thans Engeland?—en wat zijn wij?

Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.