Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805

Elfde brief (2 van 2)

De reede van Toulon wordt door sterke torens beschermd, als la Tour de Balaquier, d’ Eguilette, la grande Tour, en het Fort des Vignettes, dat een kwartier van dezen laatsten afgelegen is.

Een man, dien ik in een Koffijhuis aantrof, en aan wien ik eenige vragen deed aangaande deze stad, merkende, dat wij vreemdelingen waren, bood zich aan om ons naar een’ aangenamen tuin, waar men eenige vreemde planten en gewassen kweekt, even buiten de poort van Frankrijk (la porte de France) te geleiden; dit vriendelijk aanbod werd zonder bedenking aangenomen, en ik zag een niet groote, maar wel aangelegde, lommerrijke en netjes onderhouden planthof. Verscheidene menschen wandelden hier, en de reuk van de menigte geurige planten, bloemen en gewassen, was alleraangenaamst. Deze tuin is hier onder den naam van Jardin des plantes bekend. De stad intredende, hoorden wij door het gebulder van het kanon, den geboortedag van den nieuwen Franschen Keizer aankondigen. In de stad liet onze vriendelijke geleider ons ook nog een’ tuin zien, waarin verscheidene groote orange-boomen, die daar winter en zomer in den grond staan; zij waren vol vruchten, en gaven eene aangename lommer.

Den 16 dezer reden wij met een gemakkelijke koets, want ’er was geen ander rijtuig te krijgen, naar Hières, drie mijlen (trois lieues du païs), dat is drie uren gaans van Toulon gelegen. Bij het uitrijden zagen wij, dat alle de schepen op de reede liggende, met eene menigte vlaggen en wimpels versierd waren, ter eere van Keizer Napoléon, wiens geboortedag thans gevierd werd; waarom dan ook de Heilige Rochus (St. Roch) die op den 16 Augustus in den Almanak plagt te staan, sedert een paar jaren, in Frankrijk daar uit geschrapt is, en St. Napoléon, zeker ook een vermaarde Heilige, hoewel ik de eer niet heb van hem te kennen, in deszelfs plaats gesteld. Zie onder anderen de Almanak Nationaal, thans Imperiaal. De gemakkelijke koets kwam ons hier wel te pas, want de weg was verbaasd hobbelig, zoo dat wij zelfs eindelijk verkozen, on te wandelen. De landstreek is niet onaangenaam en schijnt nog al vruchtbaar, voornamelijk in wijngaarden en olijfboomen. Te Hières, in het Latijn Areæ, stappen wij af aan het Hotel des Ambassadeurs, waar wij van de kamer, die men ons aanwees, een schoon gezigt op de zee en de eilanden van Hières hadden. Na wat ontbeten, en het middagmaal besteld te hebben, gingen wij de vermaarde tuinen en boschjes van orange- en citroenboomen bezigtigen, waaronder die van Madame Fille en Monsieur Beauregard de voornaamsten zijn. Men verzekerde ons, dat deze twee tuinen, hoewel zij geene groote uitgestrektheid beslaan, somtijds, wanneer het gewas voordeelig is, ieder tot 20,000 livres ’s jaars aan vruchten, meestal orange-appelen, chinoises en citroenen, opbrengen. Deze boomen zijn hier even eens in volle aarde geplant, als bij ons de appel-, peeren- of kersen-boomgaarden, doch men ziet ’er meêr groote struiken, zoo als zwaar hakhout, dan opgaande of stamboomen; ook vond ik ’er veel minder citroene dan orange-appelen, waarschijnlijk omdat de laatste duurder verkocht wordende, meer voordeel aanbrengen. In den tuin van Mr. Beauregard, zag ik in volle aarde een’ hoogen Palmboom (palma major) die wel scheen te tieren; voor het overige, vind ik, dat hoe zeer deze tuinen of boomgaarden voor de bewoneren van het noorden, of meer gematigde luchtstreken, eene zeldzame vertooning opleveren; zij echter niet beantwoorden aan het geen men ’er over het algemeen van hoort en leest, en weinig van dat schilderachtige (pitoresque) lommerrijke, en van die vrolijke verscheidenheid hebben, die tot een aangenamen lusthof behoort. Een Franschman, dien wij te Toulon in ons logement hadden leeren kennen, en die met ons partij gemaakt had, om hier na toe te gaan, was dit ook volkomen met mij eens. Ondertusschen beviel mij de wijze, waarop men hier besproeit, en welke besproeijing in deze heete en drooge luchtstreek zoo noodzakelijk is, bijzonder. De tuinen liggen aan de zachte helling van een’ berg tegen het zuiden, zoodat zij voor de noordenwinden, door den berg of rots, beschut zijn, en de terugkaatsing van de zonnestralen de warmte nog vermeerdert. Zij zijn trapsgewijze aangelegd, en op het hoogste gedeelte is een fontein of bron; nu leidt men het water uit dezelve van tijd tot tijd door een menigte kleine kanalen of goten, zoo als wij ze noemen, door den ganschen tuin loopende, van de eene verdieping, om zoo te spreken, op de andere. Zoo ik ooit een hoog en droog buitengoed mogt bewonen, denk ik ook, althans den moestuin in dier voege aanteleggen, van die wijze van besproeijen gebruik te maken, en mij, indien ’er geen bron is, van een put, waarop een pomp staat, te bedienen. In de zestiende eeuw had men hier ook suikerriet geplant; doch de handel met Amerika en de matige prijs, waar voor de suiker toen te bekomen was, heeft deze planterij doen te niet gaan. Niettegenstaande het vrij warm begon te worden, gingen wij in het stadje, dat tegen de hoogte ligt; ’er is nog al een muur om, en men gaat ’er door een poort in; voorheen dienende on de inwoners tegen de aanvallen en stroperijen der zeeschuimers te beveiligen; het ziet ’er armoedig en haveloos uit, en men klimt langs naauwe straten gedurig op en af. In vroegere tijden plagt het eene aanzienelijke stad te zijn, omdat ’er toen een zeehaven was, doch deze haven is droog geworden, en de zee heeft zich een goed eind weegs verder op verlegd. Boven in de stad zijnde, bood zich een kleine jongen aan, zoo veel wij van zijn patois verstaan konden, om ons naar de overblijfsels van het oude kasteel, boven op de rots, nog heel wat hooger gelegen, te geleiden. Wij namen dit aan, en die kleine gast sprong bloots voets, als een klipgeit voor ons heen tegen de rots op, die hier en daar zoo heet was, dat wij het door onze schoenen heen voelden: toen wij een eindje opgeklommen waren, vroeg hij ons om twee stuivers (dou sau) en herhaalde deze vraag gedurig, en als wij hem niet spoedig wat gaven, liep hij weg en liet ons staan, maar kwam ook, zoodra wij een of twee stuivers lieten zien, weder terug, altijd huppelende en springende, of tegen de steilste plaatsen, op handen en voeten opklauterende; nimmer herinner ik mij vlugger kind gezien te hebben. Op eene zekere hoogte wees onze kleine leidsman ons eenige wijngaarden aan, wij plukten ’er van en vonden de druiven, die een’ muscaatsmaak hadden, uitmuntend; te meêr, omdat wij door de hitte aâmechtig waren. Nu hadden wij bijna den top, waarop de vervallen muren stonden, bereikt, doch hier werd de weg zeer steil en ongemakkelijk, en wij waren nog bezig met al zuchtende en blazende te klimmen, toen de kleine al boven ons op een stuk van een muur in zijn handjes stond te klappen en te springen: daar gekomen zijnde, hadden wij een verrukkend gezigt. Ten zuiden ziet men over het stadje; en de onder hetzelve gelegen tuinen met orangeboomen, de eilanden van Hières eenige rotsen, en de Middellandsche Zee; ten westen de reede van Toulon over een aangename valei; duidelijk zagen wij de schepen liggen, en daar het juist middag was het geschut lossen; ten noorden en ten oosten vertoonde zich een uitgestrekt en schiderachtig landschap, met bergen en valeijen aangenaam geschakeerd; en een kudde schapen, niet ver van deze vervallen muren, die hier en daar met struiken en klimöp bewassen waren, weidende, vermeerderde nog de bekoorlijkheden van dit romanesk gezigt. Het kasteel, dat hier in vroegere tijden stond, behoorde aan de Heeren van Hières, eerst de jongste zonen van de vicomtes van Marseille, uit den stam van Fosc, kort daar na de Hertogen van Anjou, Graven van Provence. Hier omstreeks moet ook een Klooster of Abdij gestaan hebben, door die eerste Heeren gesticht; doch de monniken leefden zoo losbandig, dat men ’er hun in 1220 uit deed gaan, en hun Klooster en goederen aan anderen gaf.—Hoewel ons het opklimmen van deze rots vrij wat zweet gekost had, waren wij daar echter, om het schoone gezigt, zeer over te vreden. Na ons wat verfrischt te hebben, deeden wij een smakelijken maaltijd. Het eten, schoon alles ook naar ’s lands gebruik met olij klaar gemaakt, was vrij goed; men is hier echter in ’t geheel niet goed koop; maar op zulke plaatsjes is niet veel keus. Men verhaalde ons dat de Engelschen nog maar weinige dagen geleden, op een der eilanden van Hières geweest waren, om zich van eenige eetwaren te voorzien. Deze eilanden zijn Porque Rolles (om dat men ’er veel wilde zwijnen plagt te vinden) Porto-cros en Titan genaamd. Zij brengen een menigte geneeskruiden en planten, die zeer gezocht zijn, voort. Voor de natuurkundigen valt ’er in de bergen en rotsen, hier omstreeks, ook vrij wat te beschouwen, vooral met betrekking tot de mineralogie. Men vindt ’er de sporen van oude en thans uitgedoofde vuurspuwende bergen (volcans), mijnen, jaspis, porphyr enz. ook wordt niet ver van hier het zoogenaamd moskovisch glas, dat men gebruikt, on voorwerpen voor het microskoop tusschen te liggen, gevonden. Hières is de geboorteplaats van den vermaarden Pater Massillon een der welsprekendste Predikanten, die Frankrijk opgeleverd heeft. Men vindt van Lodewijk den XIV. aangeteekend, dat hij, die reeds de treffende leerredenen van Bourdaloue en anderen gehoord had, tegen Massillon zeide: “Eerwaarde! ik heb verscheidene groote redenaars in mijn kapel gehoord; ik ben ’er zeer te vreden over geweest: wat u aangaat, telkens als ik u hoor, ben ik zeer te onvreden over mij zelven.” Men begroot het getal der inwoners van Hières op omtrent 1200, en men meent te moeten veronderstellen, dat die stad bestaat sedert de zesde of zevende eeuw. Tegen den avond keerden wij langs denzelfden weg, omdat ’er geen andere is, naar Toulon te rug; tusschen beide wandelende, troffen wij een’ man aan, met wien wij in gesprek raakten; deze door het schieten ter eere van den Keizer op dat onderwerp geraakt zijnde, veroorloofde zich uitdrukkingen tegen zijne Majesteit, die ik zeer oneerbiedig en onvoorzigtig vond. Deze man scheen ter zee gevaren te hebben, en te Corsika bekend te zijn.

’s Avonds in een Koffijhuis te Toulon, ontmoetten wij onzen reisgezel den Zeekapitein, hij was met het kruis van het Legion d’honneur versierd, en had zeer veel bekijks; want hij was de eenigste onder een menigte Officieren, die het had, en men was nog niet gewoon, sommigen hoorde ik ’er mede spotten, en andere ’er over morren; waarschijnlijk veelal uit misnoegen en afgunst; want menig een meent dan ook al, dat zijn Uil een Valk is. In oude aanteekeningen van de tweede eeuw der Christelijke Jaartelling, wordt ’er reeds melding gemaakt van Toulon, en de Romeinen hadden ’er in het begin van de vijfde eene verwerij, die waarschijnlijk aanleiding gaf tot vergrooting van de stad. Voor de omwenteling was hier een Bisdom; deze stad telt echter niet meer dan ten hoogste 4500 inwoners, thans is zij de hoofdplaats van het Departement du Var. De scheepsbouw, en wat daar verder bij behoort, maakt het voorname bestaan van deze stad uit, men maakt ’er ook een soort van grof laken, dat men Pinchinats noemt. Wij hadden reeds bij onze aankomst plaatsen besproken, om morgen ochtend weder met den Postwagen van hier naar Marseille terug te keren; doch eer ik van Toulon afstap, moet ik u een verhaal mededeelen, dat gij ongetwijfeld met genoegen lezen zult. Paul, zoon van een waschvrouw4, werd gelijk als onze de Ruiter, van scheepsjongen tot een der aanzienelijkste posten bij, de Fransche vloot, te weten, tot dien van Onder-Admiraal verheven; ook was hij Chevallier de Justice in de order van Maltha, en werd daarom de Ridder Paul genaamd. Omtrent het midden van de 17e eeuw voerde hij het bevel over de Zeemagt te Toulon. Op zekeren dag, dat hij te Marseille langs de haven wandelende, verzeld door verscheidene Offiçieren en de voornaamste Edellieden van de stad, zag hij een Matroos van zijn kennis, onder de menigte, uitgelokt door de begeerte om hem te zien; deze uit een soort van verlegenheid zich naauwelijks durvende vertoonen, treedt Paul naar hem toe, en spreekt hem vriendelijk aan, zeggende: “Waarom ontwijkt gij mij? denkt gij dat de voorspoed mij mijne oude vrienden doet vergeten?” En zich vervolgens wendende tot hen, die hem vergezelden, zeide hij: “Mijne Heeren! zie daar een van mijne oude makkers: wij zijn te zamen scheepsjongens op hetzelfde schip geweest: het geluk heeft mij gediend, en hem den rug toegedraaid; ik acht ’er hem niet te minder om, vergun, dat ik mij een oogenblik met hem onderhoude.” Dit gezegd hebbende, trok hij zijn’ ouden vriend ter zijde, onderhield zich gemeenzaam met hem, vooral over de voorvalletjes hunner jeugd, toen zij te zamen dienden, vervolgens naar zijn vrouw en kinderen en eene en andere huisselijke omstandigheden vragende, verzocht hij hem om op een bepaalden tijd bij hem te komen, ten einde nader met hem te spreken en te overleggen, op wat wijze hij hem het beste van dienst zou kunnen zijn, en het gevolg hier van was, dat de goede Paul aan zijnen ouden makker, die het niet te ruim had, een postje bezorgde, waar van hij met zijne vrouw en kinderen ordenlijk leven kon. Hoe groot de betoonde moed en heldendaden van deze brave Zeeman ook mogen geweest zijn, de edele trek van nederigheid en vriendschap, dien ik hier met een regt hartelijk genoegen ter nederstelle, en die men onder de zoogenaamde grooten, en vooral die, welke van klein groot geworden zijn, zoo zeldzaam aantreft; die trek alleen, zeg ik, doet zijne nagedachtenis meêr eer aan, dan het winnen van verscheidene zeeslagen.

De achtingwaardige Paul stierf te Toulon den 18 October 1667, latende bij uitersten wil alle zijne goederen aan de armen, en vorderende tevens, als een nieuw bewijs zijner nederigheid, om onder hen, op het kerkhof, begraven te worden.—Leest dit, trotsche en laatdunkende grooten! vergelijkt de prachtige grafzuilen uwer voorvaderen bij deze begraafplaats,—en zoo gij nog denken en gevoelen kunt, zult gij het lage en eenvoudige kruidje op het graf van Paul, een schitterender sieraad vinden, dan zoo vele zwierige versierselen en kostbare beeldhouwwerken van marmer en albast, zoo koud en ongevoelig als het hart van den mensch, die ’er onder ligt was, toen hij nog leefde, en waar op nimmer een enkele dankbare vriendentraan gestort is.

1 Schrijver van de Reize van den Jongen Anacharsis in Griekenland, enz.

2 De Kapperplant behoort oorspronkelijk in Sicilië, Griekenland en Egypten te huis; die vrucht behoudt ook nog den Griekschen naam in het provencale woord tapenos, dat kruipende beteekent, omdat de plant langs de aarde, en de muren, daar zij tegen geplant is, kruipt.

3 Men kan, onder andere natuurkundigen, Réaumur hier over nazien; deze veronderstelt, dat de Pholade zijn hol maakt, in een soort van klei, die naderhand hard wordt, maar anderen wederleggen dit, op grond, dat men dit diertje gevonden beeft, in steenen, die men in zee gelegd had.

4 Zijne moeder, hoog zwanger zijnde, ging te Marseille scheep, om van daar naar het kasteel d’If varen, en werd zoodanig ontroerd door een hevigen storm, dat zij van hem beviel in de maand November 1597.

Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.