Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805

Twaalfde brief

Nismes,21 Augustus.

Gisteren avond on 7 uur zijn wij in deze stad, om zijne oudheden zoo vermaard, aangekomen; en hebben onzen intrek genomen in het Hotèl du Louvre; maar, eer ik u van Nismes spreek, moet ik den draad van mijn dagverhaal opvatten.—Wij zijn te Toulon gebleven. Den 17 ’s morgens om drie uren vertrokken wij van daar, met denzelfden postwagen, en langs denzelfden weg, dien wij gekomen waren, en die ik u reeds beschreven heb. ’Er kwam een wel gekleede vrouw op den wagen, die wij even bij het flaauwe lantaarnlicht ziende, meenden dat jong en bevallig was, en verlangden na het daglicht, om haar eens ter deeg op te nemen, doch hoe vonden wij ons toen bedrogen; het Fransche spreekwoord werd hier wel bevestigd: La nuit tous les chats sont gris. De morgenstond was zeer frisch, zoo dat ik om mij te verwarmen, en tevens de landstreek naauwkeurig te bezigtigen, een goed eind wegs te voet afleide. Ik had een stuk brood in den zak en plukte een trosje druiven, daar omstreeks overvloedig langs den weg groeijende; men neemt dit den voorbijgaanden reiziger niet kwalijk; hier in bestond mijn ontbijt, en het smaakte mij zeer goed. De wagen gedurig moetende klimmen, was ik ver vooruit geraakt, en wachtte dezelve op in de loots, die voor een wachthuis diende, van het camp, op de hoogte tusschen Beausset en Cuges; waar ik een teug dronk; want hier omstreeks zijn noch huizen, noch beken, noch bronnen, en de soldaten, die vriendelijk en gedienstig waren, zeiden, dat zij het water meer dan een kwartier ver moesten halen. ’t Is hier een regte woestenij, en die militairen leven ’er als kluizenaars; doch zij worden alle acht of veertien dagen afgelost. Wij hielden ons te Cuges niet op, om te eten, en verkozen liever door te rijden, on nog tegen het middagmaal te Marseille te zijn; waar wij dan ook om 3½ uur aankwamen.

Den 18 dezer ging ik ’s morgens vroeg uit, om de vermaarde Beaume of Grot de Rolland te zien; onder anderen verzeld door den zoon van een Koopman, aan wien ik hier aanbevelingsbrieven had. Wij hadden ons van eenige fakkels en kaarsen voorzien, en dewijl de berg van Marseille Veire, waar deze grot is, wel twee uren gaans van de stad afligt, en men daar zijnde eenen zeer moeijelijken weg heeft, namen wij, om ons niet te veel te vermoeijen, voor 3 livres een cariole, die ons moest brengen aan het gehucht Bonavenne, digt bij de buitenplaats van den Heer Borelly, dat omtrent twee derde van den weg is; daar ter plaatse woont een wegwijzer, zijnde een bakker, die gewoon is, om de vreemdelingen naar en in de spelonk te geleiden. Ik kwam met hem over een voor een kleine som. Na in een herberg, die hier digt bij staat, wat ontbeten te hebben, voorzag onze leidsman zich van vuurslag en zwavelstokken, en wij trokken op het pad, en kwamen niet verre van daar langs den oever van de zee, waar ik een menigte ballen van onderscheidene grootte vond liggen, veel overeenkomst hebbende met die, welke men wel in de maag van het rundvee vindt. Deze ballen, uit vezeltjes van zeeplanten en diergelijken bestaande, worden door de beweging van het water op het strand gedurig gerold, en krijgen daar door een zekere vastigheid en ronde gedaante. Wat verder op komt men aan een boschje van pijnboomen, dat aan onzen geleider behoorde; zij stonden bijna op de barre rots, en aan de schrale zeewinden blootgesteld, en evenwel groeiden zij nog.—Hoe vele plaatsen zijn ’er niet in onze duinen, waar zij beter zouden groeijen, en deze liggen geheel ledig.—Een schaapskooi, van ruwe stukken steen onder tegen eene rots in een klein dal gebouwd, maakte geene onaardige vertooning; hier moesten wij tegen de rots op, en vervolgens langs een zeer steilen weg weder benedenwaards klimmen, tot aan den ingang van de spelonk, die omtrent ter halver hoogte is van den berg. Men moet ’er op knieën en ellebogen inkruipen, en dan heeft men eene plaats, waar men weder overeind kan staan, hier staken wij, hoewel met veel moeite, door den wind, die in het gat blies, onze flambouwen aan, kropen vervolgens weder een enge opening door; het geen wij naderhand, wat verder in de spelonk, nog eens verpligt waren te doen. Van tijd tot tijd zetten wij een brandende kaars; hier was het nu een ruime en hooge gang, doch de grond was zeer afhellende, en door de vochtigheid zoo glibberig, dat men dikwijls moeite had, om zich over eind te houden. Omziende zagen wij een van de kaarsen in het verschiet en zeer hoog, zoo veel waren wij al afgeklommen. Aan de wanden en het gewelf zag ik hier en daar kegels van een geelachtigen steen (spath), maar hier waren de schoonste. Twee pijlaren verheffen zich tot eene aanmerkelijke hoogte, zij hebben eenigzins de gedaante van palmboomen, zijnde boven aan het breedste; tusschen beide ziet men, om zoo te spreken, het voetstuk van een derde kolom, deze heeft wel wat van een antiek altaar; boven dit een en ander ziet men van het gewelf, dat zeer hoog is, als een stuk doek met plooijen nederwaarts hangen; alles ziet zwart door den rook der fakkels, het geen deze vertooning nog ontzaggelijker maakt. Aan de linkerhand van den ingang komende, is een gat, dat zes of zeven voeten omtrek mag hebben; naar het geluid door het rollen der steenen, die wij ’er in wierpen, moet hier een zeer diepen afgrond zijn; digter bij den ingang hadden wij nog een diergelijk gat gevonden. Verder opgaande, zoo ver men komen kan, toonde onze leidsman ons aan het eind nog een gat in den wand, als een oven, en verhaalde ons, dat zijn broeder de stoutheid gehad had van hier intekruipen, en ’er wel een halfuur in had doorgebragt, doch vond het overal zeer naauw; daar wij geen zin hadden, om zijn voorbeeld te volgen, keerden wij terug. Hier en daar ziet men kleine kommen met water, het welke wij ook op verscheidene plaatsen voelden druipen: het is dan ook door deze zijpeling van het water door de rots, naar het mij voorkomt, dat die kegels (stalactiten) in allerlei gedaanten worden voortgebragt; de steen- en aardachtige deelen, die het water met zich voert, hoopen zich op of blijven aan elkanderen hangen en kristalliseren zich; want eenige stukken van kegels afslaande, vond ik het van binnen ringsgewijze samengesteld uit rooden steen en geelachtige kristallen. De beeldhouwer Puget wilde ’er de twee pijlaren, waar ik u van gesproken heb, uit laten nemen, om dezelven te bewerken, en ik geloof wel, dat zij, gepolijst zijnde, fraai zouden. wezen; doch het was jammer, dat men die trotsche voortbrengsels der natuur van hier weg nam.—Wie weet hoe vele eeuwen ’er noodig geweest zijn, om ze daar te stellen, en dit werk zou men verwoesten om de pracht en weelde te tooijen;—ligtelijk komt men wel weder eens op dien inval, doch ik hoop, dat de overheid ’er voor zorgen zal. Door den tijd zullen de pijlaren zich waarschijnlijk met het geen ’er boven hangt, in de gedaante van een geplooid doek, vereenigen, en welke zonderlinge verschijnsels kan de natuur hier nog opleveren. Zou men ook, daar deze pijlaren zoo lang staande zijn gebleven, niet mogen veronderstellen, dat hier gedurende dien tijd geen zware aardbevingen hebben plaats gehad? Behalve den weg, dien wij gegaan waren, zijn ’er nog eenige andere wegen in deze spelonk; maar zij zijn niet diep. Ik had geen thermometer bij mij, doch volgens daar van gevonden aanteekeningen staat dezelve in het diepste gedeelte van dit onderaardsch gewelf, het gansche jaar door op 11 graden, schaal van Reaumur. Men behoort zich dan, vooral als de buitenlucht warm is, niet te luchtig te kleden, wanneer men deze spelonk gaat bezoeken, ook moet men niet veel goeds aandoen, om dat het ligtelijk bederft, niet alleen door het vuil te maken, maar zelfs door het te scheuren; want men treft gaten aan, waar men als in een schoorsteen moet inklimmen. Aan een paar flambouwen heeft men genoeg, omdat meêr te veel rook veroorzaken; maar van kaarsen moet men zich wel voorzien, om die hier en daar neder te zetten. Dit hol, zoo verlicht zijnde, levert een zonderlinge doch akelige vertooning op, en zij die een’ tempel van Pluto of hellegrot willen teekenen, ’t zij voor een tooneel-decoratie of anderzins, raad ik, om dit voor een model te nemen1. De rots, waar in deze grot is, behoort thans aan den Heer Rostan te Marseille volgens het zeggen van onzen leidsman. De naam van de landstreek is Moredon. In het terug keeren, in plaats van buiten tegen de steile rots niet ver van de opening of ingang der spelonk weder op te klimmen, wees onze leidsman ons een gat binnen in dezelve, dat hij zeide, dat gemakkelijker was. Hier klimt men in als in een engen toren, en zoo doende komt men op een punt van de rots uit. Dit alles is voor menschen, die het bergklauteren niet gewoon zijn, een vreemd werk. Om de verandering bragt onze leidsman ons gedeeltelijk langs een’ anderen weg door een buitenplaatsje, waar nog al eenige boomen stonden, en waar men ons goede druiven en vijgen gaf. Overal hier omstreeks langs de zee, vangt men om dezen tijd een menigte kwakkels, met een soort van netten, die men bij ons flouwen noemt. De kwakkels, om dezen tijd trekkende, worden door lokvogels hier naar toegelokt, en legeren dan om die kooijen, die bij menigte aan staken onder elkanderen hangen; men maakt vervolgens gerucht, waar door zij verbijsterd in de netten vliegen. Dit geschiedt gemeenlijk ’s morgens zeer vroeg; bij dit buitenplaatsje zag ik zulk een toestel voor die vogeljagt. Men vangt ’er op die wijze zeer veel, zelfs naar men ons verzekerde tot 300 à 400 op eenen dag; wij hadden ’er ook bijna dagelijks op tafel te Marseille. In het voorbijgaan bezigtigden wij de hier omstreeks zoo beroemde buitenplaats, bekend onder den naam van Chateau Borelly. Het huis, dat uitwendig een fraai gebouw is, konden wij van binnen niet zien, omdat de Heer Borelly2 onlangs gestorven, en de familie nog in rouw was. Nu voor Hollanders, die buitenplaatsen om Haarlem en aan de Vecht gezien hebben, is hier waarlijk ook niet veel bijzonders te kijken; dit zal ieder onbevooroordeeld reiziger, die het een en ander gezien heeft, met mij moeten bekennen. Echter wil ik wel gelooven, dat het aanleggen van deze buitenplaats op dien steenachtigen en schralen grond, in eene vlakte aan den oever der zee, veel moeite en geld gekost heeft; want men scheen ’er de natuur nog al gedwongen te hebben, om het een ander voorttebrengen; ik zag ’er althans verscheidene vruchtboomen, waar nog al wat aan was, en een haag van granaatstruiken, die sierlijk bloeide; maar het geen ik bijzonder opmerkenswaardig vond, was de horizontale beweging van een windmolen, dienende om het water uit een ruime put op te malen, en daar mede de tuinen te besproeijen. Deze molen, dien ik, om ’er u een begrip van te geven, niet beter kan vergelijken dan bij een’ grooten haspel of scheerraam, daar de lakenwevers hun kettingen op scheren, staat in een verheven koepel rondom met lange, smalle rechtstandige windgaten; de wind hier door tegen de repen zeil, die insgelijks regtstandig aan den molen vastgemaakt waren, blazende, werd dezelve daar door omgevoerd, en dat al vrij gezwind, hoewel het, toen wij ’er waren maar een matig koeltje woei. Op en tusschen de rotsen hier omstreeks is, naar het mij voorkomt, voor kruidkundigen ook nog al wat te onderzoeken; ik zag ’er onder een menigte bekende kruiden, zoo als rozemarijn, salie, wijnruit, de ruikende clematide enz. Verscheidene aardige plantjes, onder anderen een heestergewasje waar aan stekelige blaadjes als die der hulst, en eikelen, als die der eikenboomen waren; behalve dat het schaaltje daar de eikel onder in vast zit ook stekelig is. Slechts eenige schreden van de plaats van Borelly troffen wij een rijtuig aan, dat ledig naar de stad reed, on zijn’ Heer aftehalen; want het was Zaturdag en dan gaan de Marseillanen ook veel naar buiten. Hier mede kwamen wij voor een bagatel gemakkelijk te Marseille. Ik had reeds gezien, dat ’er in deze stad, eveneens als te Parijs, een huis was, waar onderscheiden soorten van dobbelspelen in het openbaar gespeeld werden; hier zag ik evenwel genoegzaam niet anders dan zoogenaamde Heeren; maar dezen avond op de kaai wandelende, ging ik op het geluid van eenige violen in een huis aldaar, en vond ’er ook een dobbelspel voor de matrozen en zoogenaamde gemeene lieden; dit zag ik met nog meêr leedwezen dan het andere. Tevens vindt men hier een kroeg en danszaal, zoo als te Amsterdam in de Jonker- of Ridderstraat, en dus allerlei soort van buitensporigheden bij elkander.

Hoewel gij het, zoo wel als ik, bij de geschiedschrijvers van dit land vinden kunt, wil ik echter, on u die moeite te sparen, een woordje zeggen van den oorsprong van deze oude stad. Men meent op goede gronden te moeten veronderstellen, dat een hoop uitgewekene Phocéensers, afstammelingen van de Grieken, Marseille of Massiliæ stichtte, het 154 jaar van Rome, het eerste jaar der 45 Olympiade, of 599 jaren voor der Christenen tijdrekening; welhaast werd zij door den koophandel, den scheepsbouw en de visscherij aanzienelijk. De wetten van dit volk waren op steenen tafelen gegraveerd, en op de markten en openbare plaatsen ten toon gesteld. Onder dezelven is die tegen den zelfmoord opmerkelijk om hare zonderlingheid. Zij verbood aan de Burgers om hun leven te verkorten, zonder verlof van den Magistraat, die over de gegrondheid of ongegrondheid der redenen, waarom men wilde sterven, oordeelde, en dezelven billijkende, sap van dolle kervel, die men doorgaans in de openbare vergaderingen in gereedheid hield, aan den lijder liet drinken. Zij waren goede zeelieden, sterre- en aardrijkskundigen. 320 jaren voor Christus geboorte, deed de vermaarde Pythéas al een aanmerkelijken zeetogt, stevenende door de Straat van Gibraltar tot bij Ysland. In het begin was Marseille een vrij gemeenebest; het werd door haar Senaat bestuurd, en hield zich zoo een ruim tijdbestek staande; vervolgens werd zij aan de Romeinen onderworpen. De Medailles, die nog bestaan, toonen, dat de schoone kunsten ook in Marseille vrij ver gevorderd waren, vooral onder de Republikeinsche regering. Zij was toen een tweede Athenen in bloei en welvaart; doch deze gelukkige toestand eindigde ook met het Republikeinsch bestuur, omtrent het einde der eerste eeuw van de Christen-Jaartelling. Daarna raakte zij onder de beheering van onderscheidene volkeren, die zich meester maakten van Provence; werd vervolgens door heerschappen (Vicomtes) geregeerd3 en kwam eindelijk bij testament van Charles d’Anjou4 in 1481 onder de regering van Lodewijk den XI. aan de kroon van Frankrijk. In het begin van de omwenteling onderscheidden zich de Marseillanen bijzonder door hun Republikeinismus—de oude vrijheidszucht kwam weder boven—en wie kent niet de Carmagnole, waar van de wijs uit dat land herkomstig is, gelijk mede de zoo vermaarde Marseillaansche marsch naar die van Marseille, als behoorende tot de ijverigste Republikeinen, genaamd5.

De visschers hadden hier van 1431 af een regtbank, bestaande uit vier mannen, die zij onder hen kozen, en die in alle geschillen aangaande de visscherij regtspraken; zij werden Prud’hommes genaamd; of die regtbank nog heden bestaat, heb ik verzuimd te onderzoeken.

De bevolking van Marseille, die van de omliggende landstreek ’er onder gerekend, wordt op 85 à 90,000 begroot. Het is ’er vrij gezond, en de zeewinden vooral de mistral’s, dienen zeer veel, om de zomerhitte te temperen. De winter is ’er aangenamer dan het begin van de lente, wanneer het veelal ruw en nat weder is; doorgaans vriest het hier zeer weinig. ’Er wordt om de stad nog al wat wijn geteeld, die meest in dezelve gebruikt wordt. De vijgen van Marseille zijn bij uitstek beroemd, en worden ook veel in de zon gedroogd en verzonden.

Den 19 dezer een van onze reisgenooten zich kleedende, voelde iets in zijn mouw, dat hem jeukte en werd, daarop wrijvende, gestoken door een dier, dat vervolgens op den grond viel; mij ’er bij geroepen hebbende, erkende ik het insekt terstond voor een Schorpioen; het was met staart en al omtrent een duim breed en lang. Op het wondje werd schorpioen gelegd, die men in het logement in huis had; want men had ze daar beneden aan de put, wel eens meêr gevonden, doch boven, daar wij onze kamers hadden, nimmer. Denkelijk was dat dier den vorigen dag, toen wij de grot gingen bezigtigen, en tegen de rotsen opklommen, of op den grond kropen, in de kleederen gekomen. De beet had geen gevolgen, en de Schorpioen werd verpletterd en in olij gelegd om bij volgende gelegenheden te dienen; doch naar ik vernam, zijn die dieren hier niet zeer vergiftig.

Ik kogt hier eenige tooneelstukken in de landtaal patois of langue provencale, zijnde zamengesteld uit Celtische, Grieksche, Latijnsche, Fransche, Italiaansche, Spaansche en zelfs Hoogduitsche woorden. Zie hier een paar spreekwoorden in die taal:

”De la fillo et de la figuiere,
Fau pas veire la jarretiero.”

Dat is: van een jong meisje en een ouden vijgenboom, moet men de kousseband niet zien; omdat men den vijgenboom zeer kort moet houden, zoo dat de takken naar de aarde buigende, een groot deel van de stam bedekken. ”Quu san trevo, san deren.” Die met wijze omgaat wordt wijs.

Aix.

’s Namiddags om een uur vertrokken wij met den postwagen op hier, hebbende onze plaatsen reeds eenige dagen te voren besproken gehad. Wij hadden vrij goed gezelschap, en kwamen omstreeks zes uren te Aix, waar wij afstapten aan het Hotèl des Princes, op de Cours of algemeene wandeling, bij het inkomen van dezelve. Het onaangename van de reis naar Marseille, Toulon, enz. was, dat wij tot Aix toe langs denzelfden weg weder terug moesten komen, althans met de openbare rijtuigen. Ik haastte mij, om deze stad, die nog al bezienswaardig is, in oogenschijn te nemen. Op eene groote plaats zag ik de fondamenten en het muurwerk, even boven den grond, van een gebouw, dat men scheen begonnen te hebben, en vernam, dat men voornemens was hier het Regterlijk Paleis (Palais de Justice), en daar bij behoorende gevangenissen te bouwen; doch dat de omwenteling het voltooijen daar van belet had; volgens de beginselen te oordeelen, moest het een groot en schoon gebouw worden. Op een andere plaats zag ik een verheven Obeliscus met een arend ’er boven op; doch het is modern werk; bij de schrijvers, die ik over deze stad heb nagezien, vind ik ’er hoegenaamd geene melding van gemaakt. De Hoofdkerk is een groot Gothisch gebouw; in dezelve staat eene doopvont, waarvan de koepel door acht groote Corinthische kolommen, die in een’ Heidenschen tempel, naar men veronderstelt, gediend hebben, wordt ondersteund. Men heeft daar omstreeks meer oudheden gevonden, waaruit men gemeend heeft te moeten opmaken, dat ’er een tempel, aan de Zon of Apollo gewijd, gestaan heeft. In het koor zijn twee orgels over elkanderen, en genoegzaam even eens; digt bij den grooten ingang van deze Kerk, is een der stadspoorten; ik ging ’er uit, en zag aan mijn regterhand een gedenkteeken; boven op stond de beeldtenis van een eerwaardig man, een stenen tafel in de hand hebbende, waar op men leest: Aimez Dieu et le prochain; en lager, twee beelden in eene eerbiedige of biddende houding. Uit het opschrift zag ik wel, dat het aan de Municipaliteit enz. van Aix scheen toegewijd; maar niet door wie of bij welke gelegenheid; doch vernam, dat een Charles Sec, bemiddeld metselaar dezer Stad, het gebouwd had in 1792, en ’er naderhand onder begraven is geworden; dit was al wat men ’er mij van zeggen kon. Men vindt te Aix gnappe straten en huizen, en over het geheel heeft deze stad een zeer goed aanzien, ’t Is jammer, dat het Stadhuis, dat een fraai en ruim gebouw schijnt, genoegzaam achter de huizen verscholen is, en niet op een ruim plein staat. De wandelingen om de stad kwamen mij ook regt aangenaam voor, en ik zag ’er veel zware ijpeboomen. Het land rondom levert ook veel olijf-olij op, die den voornamen tak van koophandel der inwoners van Aix uitmaakt. Die olij wordt voor zeer fijn en lekker gehouden en is algemeen beroemd. De soort, die men huile vierge6 noemt, omdat ze, zoo ik meen, de eerste is, die uit de olijven geperst wordt, is, naar men zegt, het meeste gezocht. De gemeene wandeling, die gij op de afteekening ziet, en die men hier behalve de gewone benaming in deze landstreek, le Cours, ook Orbitelle noemt, beviel mij ook bijzonder, zoo als gij kunt begrijpen; aan beide zijden staan aanzienelijke gebouwen, en in het midden van de dreef drie altijd springende fonteinen, waar van de middelste warm water geeft; het is zeer helder; en heeft denzelfden smaak als gewoon bron- of rivierwater; boven aan de pijp, waar door het uit de fontein komt, is het tamelijk warm, doch onder in de kom slechts laauw. Deze bron werd in 1704 door eenige arbeiders, bezig zijnde met een vervallen huis, aan het eind van de voorstad des Gordeliers af te breken, wedergevonden; want zij was reeds bekend geweest bij de Romeinen, zoo als men tegelijkertijd uit de oudheden, die men ’er verder voortgravende vond, ontdekte7. De ouden schenen ’er een geneeskundig gebruik van te maken, en men schrijft ’er nog eenige kracht aan toe. De regering heeft daar voor dan ook groote en fraaije badhuizen laten bouwen, doch naar ik vernam werden zij weinig anders dan als gewone baden (bains domestiques) gebruikt. Voor de omwenteling had hier op Heiligen Sacramentsdag eene zonderlinge proçessie plaats, waarin onder anderen verscheidene menschen in eene misselijke kleeding gedrochtelijk toegetakeld, moetende duivels verbeelden, verschenen, en vele kromme sprongen langs de straat maakten: men noemde dit in het patois Provencal: lou grand juec deïs diables; dat is: Het groote spel der duivelen; en lou pichoun juec deïs diables, het kleine spel der duivelen; en deze duivelen gingen, let wel, in de Hoofdkerk de mis horen, maakten het teeken van het kruis, en namen wijwater.—Wat heeft men den Godsdienst niet met allerlei beuzelarijen en afzigtelijke ongerijmdheden overladen!!

De vermaarde kruidkundige Joseph Pitton De Tournefort werd hier den 5 Junij 1656 geboren, en stierf den 28 December 1708. Hij bezocht ook, zoo wel als Linnæus, ons Vaderland.

Het Hotèl des Princes, hoewel een groot en aanzienelijk gebouw, is het beste niet, en wij moesten ’er evenwel rijkelijk voor het avondeten en slapen betalen.

Men begroot het getal der inwoners van Aix op omtrent 20,000; nu de stad is ook niet groot, en het scheen ’er mij nog al levendig, vooral op de Cours, waar een menigte menschen wandelde. ’Er stonden ook eenige kramers, en een blinde, die vrij goed Provencale liedjes zong, deed de omstanders ter deeg lagchen; het speet mij wel, dat ik bijna niets van zijne aardigheden verstond, Deze stad scheen mij, vooral voor die genen, welke op de Cours wonen, de stedelijke en landelijke vermaken te vereenigen; slechts eenige treden en men is buiten, en dat vind ik, als men dan toch in een stad moet wonen, al zeer aangenaam.

Den 20 dezer, ’s morgens om twee uren, vertrokken wij van Aix, en namen denzelfden weg, dien ik gekomen was tot Orgon. Hier kwamen wij omstreeks 9 uren, en hadden ’er een vrij goed ontbijt, waar onder schapenvleesch, dat ik maar zeldzaam zoo goed gegeten heb; de wijn, voor wijn van dit land, was voor mij ook nog al drinkbaar. In plaats van nu den weg te nemen naar Avignon, namen wij die van St. Remy. Even buiten Orgon aan de regterhand, zagen wij een poort in een rots gemaakt, het was een waterleiding om deze landstreek te besproeijen, zijnde een arm van de rivier la Durance, waar ik u reeds van gesproken heb. Men verzekerde mij, dat het gat in de rots gemaakt, omtrent 300 toises (1800 voeten) lang is. Het werd le Canal de Boiselin genaamd, en was nog niet geheel voltooid. De landstreek werd nu minder rotsachtig, vruchtbaarder en bevalliger. Wij reden door het dorp St. Remy, twee posten van Orgon, en hadden hetzelve reeds een goed eind weegs achter den rug, toen men mij herinnerde, dat daar digt bij eenige overblijfsels van oudheden, zoo als van een zegeboog ter eere van Nero Claudius Drusus, zoo men meent, en van een praalgraf, ook door de Romeinen opgerigt, te zien waren. Dit verzuim speet mij zeer, doch ik kon niet weder terug keeren; vooral ook, omdat ’er onder onze reizigers waren, die grooten haast schenen te hebben. Bij een plaatsje dat men l’Orade noemt, zag ik eene zeer aangenaame buitenplaats, door een klein riviertje besproeid, en digt beplant; het hout stond ’er zeer tierig, en maakte een bevallig lommer; dit valt bijzonder in het oog, als men eenigen tijd in de schrale en steenachtige landstreek van Marseille heeft doorgebragt. Hier groeiden langs den weg vele van die planten, die men bij ons in sommige tuinen wel aangekweekt, en spring-komkommers noemt; omdat, als men ze rijp zijnde afplukt, ’er een straaltje vocht uitspringt. l’Orade is nog 3/4 uurs van Tarascon, eene zeer oude stad, twee posten van St. Remy, en dus in ’t geheel 14 posten van Marseille. Voorheen behoorde zij tot la Basse Provence, thans tot het Departement les bouches du Rhone. Welk eene menigte kleine windmolens ziet men hier aan den weg, digt bij de stad. Ook wordt hier omstreeks nog al wat koren geteeld; onder weg had ik boeren gezien, die, bezig waren met het graan te zuiveren, niet met een wan- of kafmolen, maar door het, met een schop, in de hoogte te werpen terwijl het redelijk woei. Op die wijze stoof dan het kaf weg. De poort aan dezen kant ziet ’er nog al wel uit, doch het stadje zelve scheen niet veel te beteekenen. Men wil dat Tarascon of Tarasco, van een Grieksch woord, dat verschrikken of bang maken beteekent, afkomstig is; ook plagt men hier in de Kerk een draak te vertoonen, Tarasquo geheeten, die volgens een oud sprookje zich in de Rhone ophield, en veel schrik en verwoesting hier omstreeks aanrigtte; want hij leefde van menschenvleesch, en was een toovenaar, die nog al een vrouw en kind had; men verhaalt ’er eene menigte allerbeuzelachtigste vertelseltjes van, die hier echter bij zeer velen voor evangelie werden aangenomen, en misschien nog wel geloofd worden, want de religie had ’er, zoo het scheen, zijn zegel aangehecht, en wat gelooven de menschen dan al niet!—Althans op St. Martha’sdag werdt de beeldtenis van dien lelijken draak, plegtig in proçessie door de stad gedragen, om dat die sanctinne door hare gebeden dit monster ten onder gebragt had. Deze proçessie ging nog kort voor de omwenteling. Het Gasthuis (l’Hospital), dat men even buiten de stad ziet, is een aanzienelijk gebouw. De vrouwen hebben hier een bijzonder hoofdtooisel, bestaande in een gekleurde gazen doek, die zij over hun muts doen, zoo dat de rand daar van haar op het voorhoofd en om het aangezigt hangt, zoo als de kanten, die de vrouwen elders aan hare mutsen hebben. De menschen zien ’er hier vrij gnap en gezond uit, ook wordt deze landstreek, die vrij vruchtbaar is, voor gezond gehouden. Aan den kant van de Rhone ligt een groot en sterk kasteel; men meent, dat het door een der Graven van Provence in de 15 eeuw gebouwd is; het maakt geen onaardige vertooning; en men moet ook van de terrassen op hetzelve een aangenaam gezigt hebben. Van Tarascon gaat men over een lange schipbrug, die over de Rhone ligt, naar Beaucaire; thans ligt ’er bijna midden in de rivier een eiland, waar men een gestrate kade op gemaakt heeft, voorheen schijnt ’er dat niet geweest te zijn; want een oud spreekwoord zegt: Entre Beaucaire et Tarascon il ne pait ni vache ni mouton. Men gaat over dit eiland een eindje tot aan een tweede schipbrug, en daar over tot Beaucaire. Op deze schipbruggen, waarop ook hier en daar banken staan, en die vooral bij de aangename zomeravonden, tot een gemeene wandeling verstrekken, heeft men een alleraangenaamst gezigt op de rivier, welke hier vrij breed is, en op de twee steden; men betaalt een sous voor de passage, en die is vooral met de vermaarde kermis (foire) van Beaucaire zeer druk; zij was nog maar sinds omtrent 14 dagen geëindigd8, en wij zagen ’er de lootsen nog staan. Voorheen was deze kermis of jaarmarkt in de stad, doch van tijd tot tijd toenemende, was men reeds voor vele jaren verpligt, om dezelve op het open veld, buiten de stad, langs de Rhone, onder tenten te houden; thans slaat men daar, zoo wel om de kooplieden te herbergen, als om de goederen te plaatsen, lootsen op. Volgens het groot aantal, dat wij ’er zagen, moet deze jaarmarkt al zeer aanmerkelijk wezen; het gelijkt een gansche stad met houten huizen. De koophandel, die hier dan gedreven wordt, is zeer belangrijk, en men zegt, dat ’er verscheidene millioenen omgaan; ook komen ’er niet alleen kooplieden uit de voornaamste plaatsen van het zuidelijk deel van Europa, maar zelfs Turken, Arméniërs, Marokkanen, enz. en men vindt ’er allerlei soorten van goederen en koopmanswaren. Men heeft ’er dan ook eenige openbare vermaken, en de dobbelspeelders laten niet na, om op de beursen der kooplieden te komen azen. Dit jaar had ’er de sterke en aanhoudende regen veel schade aan toegebragt. In 1721 en 1722, toen de pest in deze landstreek heerschte, is deze kermis twee jaren opgeschort geweest; anders schijnt zij in alle tijden en omstandigheden geregeld plaats te hebben gehad; en la foire de Beaucaire, is niet minder beroemd in Frankrijk, Spanje, Italië, Zwitserland enz. dan in Duitschland, en het noordelijk deel van Europa, de Frankforter en Leipsiger missen. De gelegenheid van deze stad aan de Rhone, niet ver van de Middellandsche Zee, gaf zeker aanleiding tot die aanmerkelijke markt. Men kan echter de goederen niet dan met groote kosten de rivier opvoeren, en het vervoeren moest grootendeels per as geschieden; doch men is sedert eenigen tijd bezig, om eene vaart te graven, die de Rhone bij deze stad, met het kanaal van Languedoc moet vereenigen, en dit zal den handel van dezelve een zeer groot voordeel toebrengen. Men wees mij de plaats aan, waar die vaart in de Rhone moet uitloopen; ’er werd zeer druk aan gewerkt, om dat men wil, dat dit nuttige ontwerp binnen weinig tijd zal volvoerd worden. Buiten de kermis is het hier doodsch en naar. Voorheen was dit stadje het verblijf van den Intendant van Languedoc, waar onder het behoorde; wij reden voorbij het Hotèl, dat hij bewoond had, doch dat zag ’er ook al niet zeer voordeelig uit; thans wordt dit gedeelte van die Provincie, het Departement du Gard genaamd. Het is inderdaad te verwonderen, dat deze, naar het schijnt, voor den handel zoo wel gelegen plaats, geen welvarender voorkomen heeft; ik zag ’er geen een aanzienelijk gebouw, zelfs vindt men ’er, zoo als ik vernam, naauwelijks goede herbergen; trouwens buiten de kermis is ’er ook weinig vertier, zoo dat de inwoners grootendeels het gansche jaar leven van het geen zij, gedurende die weinige dagen, opzamelen. Aan de andere zijde, buiten de stad ziet men een uitgestrekt bosch van olijfboomen. Hier omstreeks ontdekte men in 1734 een gedeelte van den grooten weg door de Romeinen gemaakt, en die zich van Rome tot de uiterste grenzen van Spanje uitstrekte, zoo als uit de mijlpalen en opschriften, die men hier vond, blijkt. Die weg wordt bij de Fransche Geschiedschrijvers la Voie Aurélienne genaamd. Vervolgens ziet men van verre aan de linkerhand de oude stad Arles, voorheen plagt de postwagen Marseille naar Nismes daar door te rijden; doch sedert eenigen tijd is dat veranderd. Te Arles zijn ook nog eenige overblijfsels van Romeinsche oudheden, en onder anderen een fraaije Obeliscus te zien. De weg is hier vrij gelijk, en de grond schijnt tamelijk vruchtbaar te zijn. Hier ziet men velden met wijngaarden beplant, zoo ver het oog reiken kan; wat verder zag ik met vijf muilezels ploegen. Te Beaucaire was ’er iemand op den wagen gekomen, die, naar wij vernamen, een voornaam bankier was; hij toonde zeer wel zijn verstand te hebben, doch tevens een hevige Roijalist te zijn, ook verhaalde hij ons, dat de oorlog van Rusland en Zweden tegen Frankrijk onvermijdelijk, en de dood van den Hertog van Enghien daar de oorzaak van was, razende en tierende vervolgens in eenen adem tegen Bonaparte, de Jakobijnen, de Filosofen, de Romans, en zelfs tegen den Paus, en toen wij hem onder het oog bragten, dat Keizer Napoléon toch veel deed, waar over hij zeer te vreden behoorde te zijn, zoo als het herstellen der openbare wegen, het doen graven van vaarten enz. durfde hij wel antwoorden: “en waarom doet hij dat anders, als omdat hij wel weet, dat men geen vliegen met azijn vangt; en wat heeft Lodewijk den XIV. niet gedaan?”—Iemand antwoordde hem, dat door de groote ondernemingen van dien Vorst, de schatkist van Frankrijk ook een’ krak had gekregen, die men helaas! nog maar al te wel voelde; “en denkt gij,” zeide onze bankier, “dat Bonaparte het uit zijn eigen beurs betaalt. Men heeft reeds twee derde van onze fondsen geschrapt, wie weet wat ’er van dat overgebleven derde nog wordt?” Denk eens, Vriend! zoo veroorloven zich sommige Franschen over hun’ Monarch, en over het publiek crediet, in het openbaar, en in bijzijn van vreemdelingen, te spreken. Wij waren nog een’ goeden afstand van Nismes, toen wij reeds op een hoogte de Tour magne zagen. ’t Was ruim zeven uren, toen wij in die stad aankwamen. Van Tarascon tot hier is 3¼ post. Wij stapten af aan het Hotèl du Louvre, waar de postwagen ook ophoudt. Terwijl het heldere maneschijn was, ging ik nog dien zelfden avond het beroemde Amphithéater uitwendig bekijken—welk een groot en trotsch gebouw! Op de Cours, die op een terras hier digt bij is, wandelde veel volk; de avondstond was ook regt aangenaam.

1 De landlieden hier omstreeks vertellen een menigte spook- en tooversprookjes van deze grot; er zou onder anderen een vreesselijke reus, Rolland geheeten, in gewoond hebben, van hier den naam van Beaume, dat is grot van Rolland. Dit intusschen schijnt zeker, dat een Priester genaamd l’Abbé Géoffrédi eenige eeuwen geleden, te Marseille is verbrand geworden, om dat men hem voor een’ toovenaar of heksenmeester hield, daar hij dikwijls deze spelonk ging bezoeken, waarschijnlijk om eenig natuurkundig onderzoek, of physische proeven te doen, terwijl hij misschien minder dom en bijgeloovig was dan de meeste zijner ambtgenoten, en daarom door hun benijd en vervolgd werd.

2 Het huis van Borelly wordt voor het voornaamste en rijkste huis van negotie van Marseille gehouden; zij zijn door den koophandel rijk geworden.

3 Ter dier tijd, en vooral onder de Vicomte Baral, deden de Troubadours (oude provincale Dichters) de Dicht- en Letterkunde te Marseille en daar omstreeks herleven.

4 Comte du Maine et dernier comte de Provence.

5 De woorden zijn van Rouget de l’Isle, neef van den ongelukkigen Bailly, en de muzijk van Gossec. Sedert Tyrtæus is ’er, voor zoo ver mij bekend is, geen oorlogslied gemaakt, dat zoo veel geestdrift veroorzaakt, en de moed meêr opgewekt heeft dan de Marseillaansche marsch. Dit lied wordt niet meêr gezongen, en geen der heeft tot noch toe zijne plaats bekleed.

6 Maagden-olij.

7 Uit de opschriften en gedenkpenningen, die men daar onder anderen vond, bleek het dat de baden van Sextius hier ter plaatse geweest waren.

8 Men noemt ze la foire de la Magdelaine, om dat zij den 22 julij, dat is, St. Magdalenasdag, begint; sedert 1217 was zij vrij van alle regten, maar in 1632 heeft men die vrijheid besnoeid. Zij plagt zes dagen te duren, thans wordt die tijd al wat verlengd, naar men mij verhaalde. De oorsprong van deze kermis schijnt niet bekend; doch het blijkt, dat zij zeer oud is.

Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.