Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805
Dertiende brief (1 van 2)
Nismes, 23 Augustus.
Den 21 dezer, na mij van eene korte geschiedkundige beschrijving van de zoo merkwaardige oudheden, die men hier bij de Boekverkoopers vindt, voorzien te hebben, ging ik dezelve bezigtigen. Sedert de omwenteling heeft men verscheidene huizen, die om en in het Amphithéater stonden, en dat schoone gedenkteeken der oudheid ontluisterden, doen wegbreken; zoodat men het nu van rondom vrij goed zien kan; eenige woningen, die ’er nog binnen in staan, moeten, naar men mij verzekerde, binnen een’ zekeren tijd weggebroken worden. Het is wel jammer, dat de regering dezer stad voorheen heeft toegelaten, dat men in en tegen dit Romeinsche worstelperk bouwde, en hetzelve daar door beschadigde; wegnemende, dat in den weg stond, of het geen men voor bouwstof kon gebruiken, ondertusschen heeft dit verbazend stuk werks, niettegenstaande deze verwaarlozing en de onderscheidene oorlogen en verwoestingen, die hier in vroegere eeuwen al hadden plaats gehad, nog niet zeer veel geleden, en is ten minste uitwendig genoegzaam in zijn geheel gebleven. Men meent als zeker te mogen veronderstellen, dat het door Keizer Antoninus Pius, die van het jaar 138 tot 161, der Christelijke jaartelling regeerde, en te Nismes geboren zou zijn, gebouwd is. Het is eirond, en heeft een omtrek van 190 toises, of 1140 geometrische voeten buitenwerks, en is omtrent 11 toises of 66 voeten hoog; rondom is het met boogsgewijze poorten op denzelfden afstand van elkanderen regelmatig gebouwd. Zestig zijn ’er beneden, die voor ingangen dienden, en even zoo veel boven dezelve, doch deze zijn niet zoo hoog. Ik zal u hier van zoo wel als van de overige voorname oudheden, die men hier vindt, de platen toezenden, die ik hier gekocht en ’er mede vergeleken heb, en die ’er u een duidelijk denkbeeld van zullen geven. De opziender, die in een der poorten woont, laat het voor een fooitje van binnen en boven op zien; ik klom ’er dan in, en doorliep een gedeelte van de binnenste galerij; want een groot deel daar van is nog bewoond. De wijze, waarop het gebouwd is, is zeer merkwaardig; het zijn ontzaggelijk groote stukken steen, zonder eenige kalk of çement op en in elkanderen gevoegd, en door ijzeren krammen in lood, bevestigd; doch de meeste dier krammen zijn ’er al uit. Het blijkt dat zij van buiten eerst werden gefatsoeneerd, en met kolommen enz. versierd, na dat zij geplaatst waren; want aan den eenen kant is dat werk nog maar ruw gehouwen, en de fijne bijtel ontbreekt ’er aan. ’t Is verwonderlijk, hoe men zulke groote brokken steen, niet alleen uit de steengroeven heeft kunnen krijgen, maar hoe men ze op elkanderen tot zulk eene aanmerkelijke hoogte heeft kunnen stapelen. Boven op, dat de Atticus genoemd wordt, heeft men een zeer schoon gezigt op de stad, en de landstreek rondom, en hier ziet men de steenen zitbanken, waarop de aanschouwers plegen te zitten, en van waar men in het middelperk (Arena) alwaar de worstelaars tegen elkanderen, of tegen wilde dieren vochten, kan zien. Oorspronkelijk waren ’er 32 zulke zitbanken, trapsgewijze van boven tot beneden afloopende, rondom in dit gebouw. Men ziet ’er aan eenen kant nog 17 van, op sommige plaatsen ziet men ’er maar twaalf, en op anderen niet meêr dan zes, de overige zijn verwoest. Deze overblijfsels zijn echter meêr dan genoegzaam om een volkomen denkbeeld van de zaak te geven, en die het origineel van den stervende Gladiator, uit het Museum van Parijs, in zijn gedachten hier verplaatst, en rondom op de banken een menigte Romeinsche burgers en burgeressen, kan zich verbeelden van bij die woeste en wreede spelen tegenwoordig te zijn, en wordt daar bij een gevoel van afgrijzen en medelijden gewaar. Men berekent naar deze zitplaatsen, dat ’er omtrent 17,000 aanschouwers konden zitten. Rondom het gebouw ziet men uitstekende stukken steen, waarin ronde gaten; hier stak men palen in, on daar aan tenten (Velaria) vast te maken, ten einde de aanschouwers tegen den regen of zonneschijn te beschutten; doch deze tenten kwamen niet verder dan de zitplaatsen, en het midden bleef open. Misschien diende het ook somtijds voor een renperk te voet of op paarden, of ’er werden allerlei sprongen en diergelijke kunsten vertoond. En hoewel het eigenlijk voor een worstelperk was ingerigt, is het niet onwaarschijnelijk, dat ’er ook bijwijlen een Tooneel in opgerigt is geworden, waarop de Treurspelen van Seneca, of de Blijspelen van Plautus of Terentius en anderen, werden gespeeld. Diergelijke vertoonplaatsen, die ’er voor worstelaars en voor Tooneelspelen dienden, waren onder de Romeinen niet onbekend, en dat van Curio, waarvan Plinius, als van een wonder van pracht en kunst, melding maakt, bestond uit twee deelen van hout gemaakt, die op duimen of spillen draaijende zig van elkanderen afscheiden, om voor twee onderscheiden vertooningen te dienen, of zich vereenigden om één Amphithéater, in wiens midden het worstelperk was, uittemaken. Althans het is niet denkelijk, dat ’er in eene zoo aanmerkelijke Romeinsche volksplanting als Nismes1, geen Toneelspelen in het openbaar zijn vertoond, en waar kon zulks beter geschieden dan in het Amphithéater, dewijl men geen blijken vindt, dat ’er hier nog een ander gebouw bestond, het welk daar voor bijzonder geschikt was.
Amphitheater te Nismes.
In de bouworde van dit Amphithéater heeft ’er, zoo als gij zien zult, weinig verscheidenheid plaats; ’er zijn vier hoofdingangen, tegen de vier winden, zij zijn verdeeld van 15 tot 15 poorten; die van het noorden heeft alleen eenige sieraden, boven denzelven is een soort van driekante kap, en daar onder ziet men de afbeeldingen van twee rundbeesten, ter halver lijf en met gebogen knieën; het verbeelden twee stieren, het gewoone zinnebeeld van de Romeinsche volkplantingen, zoo als men ook op de gedenkpenningen vindt. Ik kocht hier onder meer anderen een medaille, waarop men twee stieren of ossen, voor een ploeg gespannen, ziet. Deze munten waren in en om de stad, en eenige in het Amphithéater bij het afbreken der huizen, dat onlangs plaats had gevonden. Nog ziet men hier en daar aan de buitenmuren van dat gebouw, eenige kleine afbeeldingen, als de Wolvin met Romulus en Remus, twee vechtende Gladiators met dolk, schild en helm; en drie anderen beeldtenissen, zijnde onderscheidene afbeeldingen van Priapus of Phallus, in misselijke en zonderlinge gedaantens. Men meent, dat dit zinnebeelden zijn van offeranden, aan den God Priapus gedaan, en van de Hanen-gevechten ter zijner eere, somtijds in het Amphithéater gegeven; of wel, dat de bevolking en uitbreiding der Colonie van Nismes daar door moest verbeeld worden.
Tempel van C. Cæsar te Nismes.
De breede straat, waar aan het Amphithéater aan den eenen kant uitkomt, doorgaande, ziet men aart het eind derzelve, ter regterhand, den fraaijen Tempel van Cajus Cæsar, dien de Franschen den zoo onbeduidenden naam van Maison Carrée hebben gegeven. Te regt is dit schoone gebouw, om zijn nette en bevallige bouworde, die zelfs den minstkundige in het oog moet loopen, beroemd; het wordt dan ook voor een der uitnemendste gedenkstukken, die de oudheid ons heeft nagelaten, gehouden. In ’t geheel is het 12 toises (72 voeten) lang, en 6 toises of 36 voeten breed, en rondom versierd met 30 geribde Corinthische kolommen, en de kapiteelen van deze kolommen worden voor schier onnavolgbare meesterstukken gehouden; men gaat ’er in langs 12 trappen. De Afbeelding vertoont u hetzelve, zoo als men het nog tegenwoordig ziet. Inwendig is ’er niets bijzonders; ten tijde van Lodewijk den XIV. maakte men ’er een Kerk of Kapel van, waar voor het dan ook tot de omwenteling toe gediend heeft. Van hier gaat men langs een fraaije gracht, aan den kant met boomen beplant, en die wel wat heeft van sommige grachten in onze Vaderlandsche Steden, naar de fontein, of liever bron; want wij verstaan gewoonlijk door het woord fontein een’ watersprong, en hier te land bedoelt men daarmede eene eenvoudige bron. Deze bron is aan het eind van een’ netten tuin, met regte laanen, bloemperken en hagen: men gaat daar door fraai gewerkte ijzeren hekken in, zoo dat zij veel gelijkt op eene ouderwetsche Hollandsche buitenplaats. Deze tuin dient ook voor eene gemeene wandeling. Bij die bron, die aan den voet van eene rots opwelt, hadden de ouden hunne baden, als mede een’ tempel, welken naar de overblijfsels die men ’er nog van ziet, te oordeelen, een fraai en aanzienlijk gebouw moet geweest zijn. Men heeft het gedeelte, dat nog staande is gebleven, om het verder te bewaren, door een muur afgesloten; doch de opzigter van den tuin laat het vreemdelingen zien, en men geeft hem dan doorgaans een fooitje. Men noemt dezen tempel in ’t gemeen, Temple de Diane2; dan of hij inderdaad aan den dienst van deze, dan wel aan die van anderen Goden of Godinnen is gewijd geweest, hierover zijn het de oudheidkundigen nog niet eens. De overblijfsels der baden, sedert eeuwen onder de puinhoopen bedolven zijnde, heeft men hieromstreeks gravende, weder gevonden, en omtrent het midden van de laatst afgeloopen eeuw ontbloot, zoo veel mogelijk hersteld, en ’er veele fraaije versierselen bij gebouwd. De kamertjes van de oude baden zijn voor een gedeelte nog zigtbaar; ook zijn ’er aan de bron nog overblijfsels van de oude trappen. Onder de puinhoopen van deze baden, werd in 1739 de romp en het hoofd van een fraai marmerbeeld, het welke men voor dat van Apollo erkende, gevonden. Dit beeld, benevens meêr andere oudheden, ziet men thans in den zoogenaamden tempel van Diana. Eenige overblijfsels van steenen buizen, die inwendig met lood bekleed waren, en tot waterleidingen voor de baden dienden, kan men daar ook vinden. Aan het eind van dezen tuin, ziet men boven op de rots, aan wier voet de bron is, de overblijfsels van den ouden toren, die men la tour Magne noemt, en die waarschijnlijk de grootste zijnde, van al de torens, die langs de muren van deze stad stonden, ten tijde van de Romeinen voor een vuurbaak (Pharus) diende. Het brok, dat men ’er nog van ziet, is omtrent 80 voeten hoog, doch zeer beschadigd. Bij dezen toren ziet men ook nog de overblijfsels van de oude muren van Nismes, die 4640 toises omtrek hebbende, 6 toises hoog en 1 dik waren; op andere plaatsen ziet men ook nog overblijfsels van deze muren; men berekent, dat Nismes toen elf maal zoo groot moet geweest zijn, als tegenwoordig. Op deze hoogte heeft men een schoon en uitgestrekt gezigt. In het terug komen van dezen tuin, zag ik, op twee bijzondere plaatsen, vloeren, die met kleine steentjes (en Mosaïque) waren ingelegd; de eerste in een fabriek van gedrukte katoenen neusdoeken, voorheen de tuin van den Gouverneur, waar hij in 1785 ontdekt werd, is nog zeer wel bewaard, en door steentjes van onderscheidene kleuren, waarop een aardige teekening, gemaakt; de gedaante is vierkant; aan een’ van de hoeken ziet men eene Romeinsche galei, aan een’ anderen twee visschen, aan een derden twee watervogels, en aan een vierden wederom twee visschen van een ander soort. Den anderen ingelegden vloer zag ik in een slechts weinige trappen diepen kelder in een burgerhuis, rue de la calandre Anglaise, aan het eind van 1766 ontdekt; deze bestaat minder in zijn geheel, is ook minder gekleurd en eenvoudiger van teekening, zijnde in het midden met vierkante ruitjes, zoo als men bij ons wel op het tafelgoed ziet. Het water in de gracht, langs welke men naar de bron enz. gaat, komt alleen uit de bron op, en kan somtijds vrij hoog staan. Aan het eind van de gracht is eene fraaije kom gemaakt voor de waschvrouwen, doch zoodanig, dat het zeepwater zich niet met het zuivere vermengt. Over den tempel van Cajus Cæsar heeft men een’ nieuwen Schouwburg gebouwd; de voorgevel (facade) die met een fraaije colonnade moet pronken, is nog niet voltooid; doch in de zaal moet reeds den aanstaanden winter gespeeld worden. Alle deze oudheden van het Amphithéater af tot de Tour magne, liggen in eenen weg, en men kan dezelven genoegzaam in een halven dag zien. Men heeft hier, zoo wel als te Marseille, meestal pannen daken, doch zij hebben eenigzins eene andere gedaante, dan bij ons. Bijna overal ziet men de menschen hier in de zijde bezig, dat het voorname bedrijf is: men heeft ’er ook veel zijden-kousenwevers; doch men acht de kousen zoo goed niet, als die van Gange Lion, enz. Het getal der inwoners wordt op ruim 45,000 begroot, waar van wel een derde Protestanten zijn. Deze stad heeft dan ook veel door de religie-oorlogen geleden, en ..... doch in plaats van deze oude wonden weder te ontblooten, verhaal ik u hier liever een trek van edele grootheid en menschenliefde. Ten tijde van den St. Bartelsmoord, was een Villars te Nismes consul, en ontving van wegen Karel den IX., hoogst afgrijsselijker gedachtenis, bevel, om in zijn stad, het voorbeeld van Parijs te volgen—en Villars durfde (ô zeldzame deugd onder regenten, van een’ machtigen dwingeland afhankelijk!) dit wreede bevel ter zijde leggen, en deed, in plaats van ’er aan te gehoorzamen, de voornaamste van beide de geloofsgenootschappen bijeenkomen, en in zijn bijzijn zweren, dat zij zich onderling zouden beminnen, als broeders leven, elkanderen trachten te verlichten en in vrede hunne onderscheidene Godsdiensten uitoefenen. Zij zwoeren, omhelsden elkanderen, en hielden woord. Het Hof durfde niets zeggen, en de gansche stad werd behouden, door eenen edelen menschenvriend.—En ik vond geen gedenkteeken ter gedachtenis van dien goeden Villars in deze stad.—Nu ... is hij bij vele menschen vergeten, hij is het voorzeker niet bij de regtvaardige Almagt.
Behalve de oudheden is ’er aan de stad niet veel bijzonders te zien, en ’er zijn nog vele naauwe en kromme straten3, die eene misselijke tegenstrijdigheid opleveren, met een paar anderen, die in later tijd zijn aangelegd, en in het oog loopen door de ongemeene breedte. Het is hier thans zeer warm, doch men zeide mij, dat het weder ’er verbaasd ongestadig kan zijn, het geen men aan de zeewinden toeschrijft; ook heeft men in den zomer nevel- of mistluchten, die in ’t geheel niet gezond zijn, en wel eens zinkens en verkoudheden veroorzaken. Vele vreemdelingen, hier door afgeschrikt, haasten zich dan ook, om van hier, na dat zij de merkwaardigheden gezien hadden, weg te komen; ik voor mij geloof, dat men het, zoo als gewoonlijk, erger maakt dan het in der daad is; hoewel ik tevens moet bekennen, dat ’er de menschen, vooral het zoogenaamde gemeene volk, over het algemeen niet zeer gezond uitziet; maar het komt mij voor, dat men dit meêr op rekening van het aanhoudend zitten, bij het werk in de fabrieken, en bijzonder aan het afhaspelen, spinnen, enz. van de zijde, dat men hier tirages noemt, moet toeschrijven.—Zoo offert de arme zijne gezondheid op aan de weelde en hoogmoed der rijken, en wat is zijn loon? een weinig geld, en veel verachting, daar immers vele dezer groote pralers, die al dikwijls minder waard zijn dan het kleed, waar zij insteken, den wever en zijn weefgetouw beiden, beschouwen als werktuigen, ten zijnen dienste geschikt, en den ongelukkige het zuure stuk brood dat hij hem op die wijze laat verdienen, nog wel als een weldaad of bijzonder gunstbewijs aanrekenen.—Menschen! menschen! wanneer zult gij door meêr de eenvoudige natuur te naderen, en alzoo ook meêr aan uwe wezenlijke bestemming te voldoen, zoo vele schadelijke dingen, die gij tot een behoefte gemaakt hebt, afschaffen! Dit is het ware middel om vrijer, onafhankelijker, en dus wezenlijk gelukkiger te worden.—Want dezulken, die ’er zoo sterk voor zijn, om hen, die zij het gemeen gelieven te noemen, altijd zoo gemeen te laten, als maar eenigzins mogelijk is; en zich doorgaans behelpen met te zeggen: “die soort van volk is daar aan gewoon;” zullen mij toch wel goedgunstig gelieven toetestaan, dat gezondheid geen ingebeeld geluk, en ongezondheid eene alleronaangenaamste zaak is.
Het geen ik bijzonder hinderlijk vind in deze streek, is de sterke stof, die daarbij zeer fijn is, en schier overal indringt; zoodat ’er van de vijf zinnen vier zeer merkbaar door lijden. De mannen dragen hier dan ook veel vrij groote grijze hoeden, van onderen groen, en geele schoenen, welke laatste ik ook al veel te Marseille en aan die kanten gezien had.
De levensmiddelen schijnen te Nismes nog al overvloedig en matig in prijs te zijn, althans de markten vond ik wel voorzien; men vindt ’er bijna dezelfde spijzen als te Marseille; onze tafel was hier juist wel niet met zoo veel orde aangerigt, en wij hadden ’er misschien ook wel een paar lekkere schotels minder op, dan daar; maar hier betaalt men ook een 1/3 minder, en dat lijkt een’ reiziger zoo als mij, die het niet om te eten of te drinken, maar om te zien en te leeren te doen is.
Na den middag zag ik verder, de stad doorwandelende, op sommige plaatsen onderscheidene oudheden, en sommige langs de straten in de muren van de huizen gemetseld. De arenden, waarvan men ’er verscheide ziet, zijn genoegzaam levensgroot van wit marmer, keurig gewerkt, hebbende een festoen loofwerk in den bek gehad, want de koppen zijn van alle afgeslagen; en in dit, zoo wel als in andere opzigten, zijn zij elkander gelijk, zoodat, als men ’er een gezien heeft, heeft men ze alle gezien; zij hebben waarschijnlijk gediend tot sieraad van hetzelfde gebouw, en zijn onder de puinhoopen van het oude Nemausus (Nismes) gevonden. Op de plaats van het Stadhuis ziet men ook zoo een arend. Dat gebouw is ook bezienswaardig; maar het geen ik vreemd vond, is, dat ’er boven in een groote zaal verscheidene opgevulde krokodillen, waar onder die al vrij groot waren, aan den zolder hingen, omdat zulk een dier tot het wapen van de stad behoort4. Onder sommige derzelve leest men, wie ’er de gevers van zijn. Ter plaatse waar thans de Hoofdkerk, een oud Gothisch gebouw, staat, meent men dat voorheen een tempel stond, aan Keizer Augustus gewijd; want men had, zoo als gij weet, dien Vorst in den rang der Goden of Halve-Goden geplaatst5. Deze meening is gegrond op de oudheden, die men hier gevonden heeft. Men was druk bezig met deze Kerk optemaken, en ’er werden schoone marmeren platen en diergelijke versierselen toe gebruikt. Ik zag ’er ook in een Kapel, aan de regterhand, als men de groote deur inkomt, een fraai, doch eenvoudig gedenkteeken van wit marmer, en las op hetzelve: Ci git F. J. de Pierre de Bernis Cardinal-Evêque de la S. E. R. & mort à Rome le 1 Novembre 1794, deposé dans cet eglise par les soins de ses neveux l’an IX. R. J. P. (Requiescat in pace)—en ik herhaal dezen wensch, dat hij in vrede ruste!—want hij was een menschenvriend, een beminnaar en beoefenaar der schoone wetenschappen, door zijne vrienden geacht, en vooral in zijn Aartsbisdom als een redelijk en weldadig man algemeen geliefd en als een vader geëerd. De rivier le Tarn, die door die landstreek loopt, had door eene overstrooming vreesselijke verwoestingen, in een gedeelte van hetzelve aangerigt; de ellende der landlieden was groot—en wie troostte hen, wie kwam hun in deze akelige toestand zoo krachtdadig te hulp?—wie anders dan de goede de Bernis6. Dit geval was mij bekend7, en ik zag dan ook met veel genoegen deze tombe. Zij bestaat in een verheven graf (sarcophage) waarop een kussen fraai van marmer gewerkt, en daarom een vergulde rand en kwasten; boven hetzelve aan het gewelf van de Kapel hangt de roode Kardinaalshoed, met de daar aan behoorende strikken en kwasten. Voor de Kapel is een eenvoudig ijzeren hek, anders zag ik in deze Kerk niets bijzonders; doch ik ontmoette ’er denzelfden Monnik, dien ik tusschen Marseille en Toulon gezien had; ik sprak hem aan, en vragende, waar hij van daan was, vernam ik, dat hij in een Klooster in deze landstreek had gewoond, en behoorde tot de order de la Merci, dat is, om de Christen-slaven vrij te koopen, doch dit ging zoo ver, als het voeten had. De man was oud en arm, ik was hem dus een aalmoes schuldig, die ik hem dan ook in de hand stopte.—Waarom laat men, dacht ik, in plaats van zoo een mensch hier te laten rondzwerven, hem niet liever zijn Monnikspak, dat ’er zeer smerig en versleten uitzag, uittrekken, bezorgende hem vervolgens in een oude Mannen- of Gasthuis, on daar zijne dagen te eindigen.
Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.
