Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805

Dertiende brief (2 van 2)

De hoge bogen van de Pont du Gard overspannen de Gardon. Bovenop staat een kleine reizigersfiguur; bij het bouwwerk bevinden zich werklieden.
Illustratie: Vanaf de Romeinse waterleiding bewondert de reiziger het dal van de Gardon

De gewoonte is, zoo wel hier als elders in Frankrijk, om vooral met de warmte bier in de Koffijhuizen te drinken; doch ik vond, dat het hier en hier omstreeks eenen onaangenamen bitteren smaak had, en vernam dat men ’er palm in plaats van hop bij deed, omdat de brouwers het eerste genoegzaam om niet hebben, en het laatstgenoemde moeten betalen. ’t Is wel mogelijk, dat het niet ongezond is, maar het smaakt niet lekker.

’s Avonds op de gemeene wandeling bij de bron, zag ik een’ man met een mantel en bef, en vernam, dat het een Protestantsch Predikant was. Dat geloofsgenootschap heeft hier twee publieke Kerken, voor de omwenteling aan Kloosters of diergelijke behoord hebbende; doch in een van dezelve word de dienst nog maar verricht, omdat de andere nog niet in gereedheid gebragt is.

Voor 18 livres huurde ik een koets met twee paarden, (dat men te voren wel moet bedingen, anders krijgt men muilezels, die schier altijd stapvoets gaan) om den volgenden morgen naar de vermaarde Pont du Gard te rijden, welke brug drie lieues du pays, dat is, wel drie uren gaans van Nismes is afgelegen.

Pont du Gard.

Den 22 dezer, ’s morgens om 7 uren reden wij naar de Pont du Gard, langs een’ goeden en vrij aangenamen weg, waarvan ik u echter niets bijzonders heb te vertellen. Aan de Barrière, ruim een kwartier, voor dat men aan de brug komt, is een herberg, waar wij afstapten, om den voerman het barrière-geld te doen uitwinnen; en na wat ontbeten te hebben, wandelden wij op een hoogte langs de rivier de Gardon, voorheen Gard genoemd, naar de brug; men heeft hier een allerliefst gezigt op en over de rivier, alwaar een dorpje schilderachtig gelegen is. Weldra ontdekte ik het overgebleven gedeelte van die stoute waterleiding, dat men slechts Pont du Gard noemt. Wij stonden versteld over dit ontzaggelijk stuk werks, een der schoonste gedenkteekenen, dat ons van de Romeinsche grootheid is overgebleven. De afbeelding, die gij in een der platen, welke ik u beloofd heb, zien zult, is zeer naauwkeurig; ik behoef ’er u dus geene omstandige beschrijving van te geven, en het zal voldoende zijn, wanneer ik u zeg, dat de waterleiding, waar van de zoogenaamde Pont du Gard een deel uitmaakte, diende, om het water uit de twee bronnen, genaamd Airan en Eure, tot in de stad Nismes te geleiden; misschien was toen de bron in de stad nog niet ontdekt; de verste van deze twee bronnen ligt omtrent maar 3½, en de andere maar 3 uren van Nismes, en echter was de waterleiding, voor zoo veel men kan nagaan, omtrent 7 uren lang van het eene eind tot het andere, door de omwegen, die men verpligt was te maken, om de noodige helling te behouden. Men veronderstelt, want duidelijke opschriften worden hier niet gevonden, dat M. Agrippa, schoonzoon van Augustus, gedurende zijn verblijf onder de Gaulen, omtrent het jaar 735 van Rome, 19 jaren voor Christus geboorte, dit trotsche en kostbare gewrocht heeft doen bouwen; doch het zou eerst vijftien jaren daarna voltooid zijn geworden. Gij zult in de afbeelding zien, dat het, om zoo te spreken, een brug met drie verdiepingen is, de geheele hoogte van het water af, is 24 toises 3 voeten8; en dit geheele werk werd alleen gemaakt, om de waterleiding, die ’er boven op ligt, te onderschragen, zij is geheel van gehouwen steen zonder kalk of çement gebouwd, behalve de waterleiding, waar aan men die natuurlijk heeft moeten gebruiken, on het doordringen van het water te beletten. Wij klauterden ’er tegen de rots boven op; de waterleiding vier voeten breed, en met platte steenen uit één stuk gedekt zijnde, kan men ’er opgaan; en niet alleen het werk, maar bijzonder ook het schoone gezigt, dat men daar heeft, verdient zulks. Inwendig is die gang, waar het water doorliep, vijf voeten hoog, zoodat men ’er een weinig bukkende in kan gaan; zij is 136 toises, drie voeten lang. Dit gedeelte van die ontzaggelijke waterleiding is nog genoegzaam in zijn geheel gebleven, zoo als gij in de plaat zien zult. De onderste brug dienende tot een’ overgang over de rivier de Gardon, werd eerst in het begin van de 17de eeuw daartoe bruikbaar gemaakt; maar ziende, dat het gebouw, oorspronkelijk voor geen brug gemaakt zijnde, daar door leed, liet men het weder herstellen. In 1743 werd de eerste steen aan eene nieuwe brug gelegd, en deze tegen de oostelijke zijde van de oude aangemetseld, zoodat dezelve in 1747 voltooid werd; dit was des te noodzakelijker omdat de Gardon vooral in den winter zeer hoog kan zijn, en dan om den snellen stroom ongemakkelijk is om over te varen. Deze rivier neemt zijn’ oorsprong in de Cevennes, digt bij den berg Mont de l’Ozère genaamd, en werpt zich omtrent een uurtje boven Beaucaire in de Rhone. Men vindt in het zand langs den oever, kleine schilfertjes goud, die door het water aangevoerd schijnen te worden; onder aan de brug, een hand vol zand oprapende, zag ik daarin terstond een menigte van die kleine schilfertjes, doch ik zou ze eerder voor zilver dan voor goud aanzien; men zegt, dat menschen die dit zand verzamelen, en het weten te zuiveren, ’er wel acht à negen livres daags mede kunnen verdienen. Van verre, aan den overkant van de rivier, ziet men nog eenige overblijfsels van de waterleiding. Op de brug was eenig werkvolk bezig om dezelve op nieuw te bestraten; zij verhaalden mij, dat de muur, die langs den weg bij de brug aan de linkerhand, als men van Nismes komt, onder tegen de rots gemaakt was, diende om daar door het afrollen van steenen te beletten; zijnde ’er nog maar weinig tijds geleden, een man, daar langs komende, onder een zwaren brok steen, dat van boven nederkwam, geraakt. Deze ongelukkige was daar door meêr dan half verpletterd, terwijl het bovenste gedeelte onverzeerd was gebleven, en van onder den steen uitkwam; hij leefde dan nog volkomen, en men kon den ongelukkigen niet helpen; want de steen was zoo groot, dat hij niet anders dan door werktuigen kon bewogen worden, en die had men niet bij de hand; ook was ’er hoegenaamd geen hoop, om den lijder te herstellen, waarom men zijne ellende door een snaphaanschoot verkortte. Ik vernam wijders van die werklieden, dat een bekwaam bouwmeester onlangs had opgenomen, wat ’er aan de geheele Pont du Gard behoorde hersteld te worden, om dit majestueuse gedenkstuk voor verval te bewaren, en dat zijlieden gelast waren met dat werk; het blijkt dus, dat men ’er wel zorg voor draagt. Ik heb u nog vergeten te zeggen, dat men, op de onderste brug staande, op een van de eerste bogen van de tweede aan de linkerhand, van Nismes komende, eene kleine afbeelding gebeeldhouwd ziet, die men den haas (le lievre) noemt, en mij dunkt, dat het ook wel eenigzins naar een haas gelijkt, die door een hond vervolgd wordt; maar volgens oudheidkundigen moet het een Priapus of Phallus verbeelden, in denzelfden smaak, als die, welke men hier en daar tegen de muren van het Amphithéater te Nismes ziet.

Terug keerende, maakte ik een praatje met twee boerinnen, die denzelfden Weg gingen; zij waren zeer spraakzaam, en bijzonder de oudste, die wat meer Fransch sprak. Patois, eenigzins verschillende van dat van Provence, is anders de landtaal; ik heb opgemerkt, dat lieden in deze streken, die wat Fransch kennen, ’er grootsch op schijnen te zijn, en het daarom gaarne met vreemdelingen spreken9. Die vrouwen verhaalden mij, dat ’er niet ver van dezen weg aan de regterhand, naar Nismes gaande, onderaardsche gangen waren, welke digt bij die stad uitkwamen, en dat sommige vreemdelingen de nieuwsgierigheid gehad hadden, om daar met fakkels in te gaan; ’t kan zijn, doch ik vind ’er bij de schrijvers, die ik nagezien heb, geene melding van gemaakt.

Wij namen in de herberg, waar het rijtuig stond, het middagmaal, dat maar redelijk was. De Franschen hebben doorgaans de gewoonte, om een menigte schoteltjes te geven, in plaats van een paar goede eenvoudige geregten; dit maakt den maaltijd kostbaar, zonder dat die naar evenredigheid voedzamer of smakelijker is; want vooral in die herbergjes, die men op het land aantreft, weet men vele van de spijzen, die in navolging der groote steden al voorgezet worden, niet goed gereed te maken, en ofschoon ’er de hoeveelheid wel is, de hoedanigheid ontbreekt ’er aan.

Te Nismes terug gekeerd, ging ik ’s avonds op de Esplanade in den maneschijn wat op en neder wandelen, en vond daar veel menschen; ’er staan slechts eenige jonge boompjes, waar men de blaadjes wel aan tellen kan, zij zien nog niet eens groen door de stof, die ’er op zit, en dit en de tuin van de bron zijn genoegzaam de eenigste wandelingen.

Heden den 23 bezigtigde ik de Bibliotheek, zoo als men dat ter loops doet; vervolgens zag ik het kabinet van Natuurlijke Historie en Oudheden, bevattende onder anderen eene menigte versteeningen van visschen, of gedaanten van dezelven in steen, alsmede verscheidene planten, vooral varen in leijen versteend en in de koolmijnen ontdekt. Ook zag ik ’er een fraai stuk lava, uit de voorheen vuurspuwende bergen van de Vivarais; een brok versteend hout, dat mooi gevlamd was, en dat men ook hier omstreeks had gevonden, benevens een menigte andere mineralen en gesteenten. Onder de oudheden is merkwaardig een schoon metalen hoofd zijnde van een reusachtige gedaante, en onder de puinhoopen der baden gevonden, benevens eenige kleine huisgoden (penates) kleine altaartjes, gereedschappen der ouden enz. Men heeft hier ook eene fraaije verzameling van oude munten en medailles, waar onder ik ’er verscheiden vond, die om de teekening en afbeeldingen van kleedingen enz. van belang zijn, zoo wel voor kunstenaars en geschiedkundigen, als voor liefhebbers van oudheden: onder anderen zag ik ’er een, waarop een paard met een opgezetten (geanglizeerden) staart, waar uit dus blijkt, dat de ouden ook reeds de wreedaardige wijze, om die dieren den staart om hoog te doen dragen, gekend hebben. Een aantal van deze munten, waaronder vele zilveren, zijn in deze stad en daar omstreeks gevonden, en behooren dus tot de geschiedkunde van dezelve. De Bibliothecaris en bewaarder (conservateur) van dit kabinet, is een zeer vriendelijk man. Het gebouw, waarin dit alles bewaard wordt, is zeer fraai, en werd voor de omwenteling le Collegue genaamd. Voorheen was hier ook eene Academie Royale des Sciences et belles Lettres; en de smaak der ouden voor de fraaije kunsten en wetenschappen schijnt in latere eeuwen die van Nismes nog bij gebleven te zijn. Thans dient het voormalige Collegue voor een Ecole Centrale. Ik vergat u nog te zeggen, dat ik, in een beneden zaal van dat gebouw, twee gnappe schilderijen zag, door eenen Renaud van hier geboortig, beiden verbeelden een deel van de geschiedenis van Joannes de Dooper, het eene is te Avignon in 1656, en het andere te Rome in 1685, geschilderd.

Na den middag ging ik naar de Protestantsche Kerk, waar heden (Donderdag) een korte leerreden en onderwijs voor de jeugd werd gehouden; onder weg vroeg ik aan eene deftige bejaarde vrouw, waar de Kerk was, en deze ’er zelve heen gaande, bood zich aan om ’er mij naar toe te geleiden, en was zeer vriendelijk, vooral toen zij verstond, dat ik een Hollander was; want hare voorouders en geloofsgenooten, zeide zij, hadden in dat land hulp en bescherming gevonden. In de Kerk komende, moest ik dan ook voor aan bij de Ouderlingen en Diakonen zitten, en de Godsdienst geëindigd zijnde, werd ik verzocht om in het Consistorie te komen, waar de twee Predikanten mij vriendelijk ontvingen, en hunnen dienst aanboden, waarvoor ik die goede lieden bedankte, terwijl ik ’er geen gebruik van kon maken, omdat mijne afreis den volgenden dag bepaald was. De Protestanten luiden hier ook bij het aangaan van de Kerk de klok, en de Predikanten gaan met mantel en bef over de straat. Het is een gnappe Kerk met een orgel ’er in en een torentje ’er op. Ik zag veel vrouwen in dezelve met een kruisje aan haar halssieraad. Eene vrouw, die digt bij den voorzanger zat, vroeg hem overluid in het Patois den hoeveelsten Psalm men zong, en deze antwoordde haar weder in het Patois.

’Er bleven mij nog twee oudheden ter bezigtiging over, namelijk de zoogenaamde Porte de France, en de Porte de Rome; deze zijn alleen van de tien poorten, door de Romeinen gebouwd, overgebleven. De eerstgenoemde vindt men in oude bescheiden, onder den naam van Porta Coöperta (overdekte poort). Aan het geen ’er van is overgebleven, is niet veel bijzonders te zien, dunkt mij.

De poort van Rome (la porte de Rome) is eerst in 1793, bij het slechten van de wallen, aan de oostzijde van de stad, gevonden; en de stukken en brokken weder op een gezet, maken een langwerpig vierkant uit, doch dit gebouw schijnt zeer laag, omdat het voor een gedeelte nog in den grond staat, en het bovenste werk ’er waarschijnlijk van verwoest is. Het is 10 toises, 3 voet lang, en 4 toises, 3 voet hoog; ’er waren twee ingangen naast elkanderen, doch de eene is toegemetseld. Aan beide zijde van de ingangen zijn twee Corinthische pilasters; boven dezelve ziet men nog de overblijfsels van een Latijnsch opschrift, waar uit schijnt te blijken, dat Keizer Augustus deze poort deed bouwen, op het einde van het 738ste, of in de zes eerste maanden van het 739ste jaar van Rome, dat is omtrent 15 of 16 jaren voor de Christelijke jaartelling.

Om deze stad en in de voorsteden zijn verscheidene tuinen; in een derzelven, digt bij den tuin van de bron gelokt, door den aangenamen reuk, dien ik in het voorbijgaan gewaar werd, vond ik daar onder vele andere bloemen en planten, eene menigte zoo dubbelde als enkelde tuberozen; het ging tegen den avond, en dan rieken die bloemen zeer sterk. Ook zag ik ’er gansche hagen van jasmijn, die insgelijks een alleraangenaamsten reuk verspreiden; deze tuin behoorde aan een hovenier en bloemist, die mij verlof gaf, om ’er in te wandelen. Ik had hier ook in eenige tuinen gezien, dat men de leiboomen tegen de muren vastmaakte, aan een draadwerk van koperdraad, met groote ruiten gevlochten, en ik geloof, dat dit beter is dan het latwerk, dat men bij ons en elders gebruikt, omdat het langer duurt, doch misschien kost het ook meêr.—Dezen nog van hier willende afzenden, breek ik af; verwacht nader schrijven van Montpellier.

1 Ten tijde van de Romeinen telde men in de stad Nismes omtrent 70,000 inwoners.

2 Tempel van Diana.

3 Bijna in alle oude steden in het zuiden van Frankrijk: vindt men naauwe en kromme straten; het komt mij voor, dat die met oogmerk zoo gebouwd zijn, om daar door den sterken zonneschijn te beletten, en veel schaduw te hebben. Hier zoo wel als te Marseille, en andere plaatsen aan dezen kant, vindt men ook veel zeilen tusschen de huizen gespannen.

4 Dit wapen is getrokken uit een oude medaille, waarop een krokodil aan een’ palmboom geketend, met deze verkorte woorden: col, dat is colonia, en Nem, dat is Nemausensis. Aan den anderen kant ziet men twee hoofden, verbeeldende die van Augustus en Agrippa zijn schoonzoon. Ik heb hier twee zulke medailles gekocht.

5 Velen laken dit misschien in de Heidenen, maar maken het sommige Christenen wel veel beter, in onze dagen?—Het volgende hoorde ik in de Gereformeerde Kerk te Parijs, vierende het kroningsfeest van Keizer Napoléon, zingen: “Il franchit et les monts et les mers en courroux, il arrive: (te weten Bonaparte) et semblable a la Toute-puissance, Faisant saillir le jour du milieu du cahos, Il rend le bonheur à la France, etc.” Deze buitengewone eeredienst had plaats den 29 December des voorleden jaars 1804, en ik heb die Gezangen nog gedrukt onder mij berustende, zij zijn van eenen Fabre d’Olivet.

6 Hij was Aartsbisschop te Alby, Hoofdstad van het: landschap Albigeois, dans le haut Languedoc. Helaas! maar al te veel bekend door de wreede vervolgingen, den ongelukkigen Albigensen aangedaan, in de 12de en 13de eeuw.

7 Te Parijs vond ik in een der beste letterkundige tijdschriften een vers, dat ik gedeeltelijk hier afschrijve.

Mais que j’aime la bienfaisance,
De ce Cardinal adoré,
Qui par son ame et sa naissance,
A double titre est illustré.
Grossi par les eaux des montagnes,
Se debordant avec fureur,
Le Tarn avoit dans ses campagnes,
Detruit l’espoir du Laboureur,
Tout perissait dans la misère,
l’Air retintit de cris affreux.
“Ah! dit le prelat généreux,
Cest donc à moi qui suis leur père,
A secourir ces malheureux.”
Aussitôt sa main secourable,
Verse à grand flots l’or sous ses pas,
Et l’abondance favorable,
Ranime tout en ces climats.
Des qu’il parais sur ce rivage,
Le peuple enivré de transports,
Se jette en foule a son passage,
Et fait répèter à ces bords:
“Grand Dieu! dont son coeur est l’image.
Repand sur lui tous tes trêsors
Il sait tropbien en faire usage.”
Chacun pour lui forme ces voeux,
Il partage cette allégresse,
Et dans ces doux momens d’ivresse,
Il est encore le plus heureux.
Ah! sans doute la bienfaisance,
Fut le premier Dieu des Mortels,
Et ce fut la reconnaissance,
Qui dressa les premiers autels.

Blin Desainmore.

8 ’t Zal onnoodig zijn, om gedurig te herhalen dat de toise 6 geométrische voeten is.

9 De boerinnen dragen hier kleiner hoeden, doch van dezelfde stof en kleur als in Provence; hare kleeding is ook in ’t geheel niet bevallig, en ik zag hier ook op het land weinig gnappe vrouwen; doch de menschen schijnen nog al gezond en sterk.

Mais que j’aime la bienfaisance,
De ce Cardinal adoré,
Qui par son ame et sa naissance,
A double titre est illustré.
Grossi par les eaux des montagnes,
Se debordant avec fureur,
Le Tarn avoit dans ses campagnes,
Detruit l’espoir du Laboureur,
Tout perissait dans la misère,
l’Air retintit de cris affreux.
“Ah! dit le prelat généreux,
Cest donc à moi qui suis leur père,
A secourir ces malheureux.”
Aussitôt sa main secourable,
Verse à grand flots l’or sous ses pas,
Et l’abondance favorable,
Ranime tout en ces climats.
Des qu’il parais sur ce rivage,
Le peuple enivré de transports,
Se jette en foule a son passage,
Et fait répèter à ces bords:
“Grand Dieu! dont son coeur est l’image.
Repand sur lui tous tes trêsors
Il sait tropbien en faire usage.”
Chacun pour lui forme ces voeux,
Il partage cette allégresse,
Et dans ces doux momens d’ivresse,
Il est encore le plus heureux.
Ah! sans doute la bienfaisance,
Fut le premier Dieu des Mortels,
Et ce fut la reconnaissance,
Qui dressa les premiers autels.

Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.