Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805

Veertiende brief

Montpellier, 27 Augustus.

Voor dat ik van mijne afreis van Nismes spreek, moet ik u nog iets van de oudheid en geschiedenis dier stad zeggen. Vermaarde schrijvers het denkbeeld, dat zij door de kinderen van Hercules zou gebouwd, en wel 3400 jaren oud zijn, als een sprookje verwerpende, stellen, dat die stad haar’ oorsprong verschuldigd is aan de Phoceënsers, die Marseille te klein vindende, zich hier, zoo wel als te Orange, te Nissa, te Antibes, te Turin, en te Tarragone, kwamen vestigen. De onderscheidene Grieksche opschriften, te Nismes gevonden, schijnen dit te bevestigen; in de landtaal (Patois) heeft men ook verscheidene woorden, die van het Grieksch herkomstig schijnen, als mede de Grieksche benamingen van sommige plaatsen hier omstreeks. Zij bestond dan reeds 400 jaren voor de overwinningen van Fabius Maximus onder de Gaulen, en werd toen aan het juk der Romeinen onderworpen. In de 5de eeuw, was zij gedurende zestig jaren, beurt om beurt de prooi der Wandalen en Gothen; in de 6de maakten de Visi-Gothen ’er zich meester van, in de 8ste werd zij door de Saracenen verwoest, aan welke Pepin le Bres1 haar weder ontrukte, en ’er Ondergraven (Vicomtes) aanstelde, onder de Hertogen van Septimanie. Vervolgens namen de Ondergraven van Nismes, en de Graven van Toulouse ’er bezit van, en na hun de Koningen van Arragon, die ze in 1258 aan Lodewijk den IX. bijgenaamd den Heiligen (St. Louïs) afstonden. Na dien tijd heeft zij door Staats- en geloofsonlusten nog zeer veel geleden, en welke aanmerkelijke veranderingen heeft zij in onze dagen niet ondergaan! Van eene Koninklijke regering onder een Republikeinsch bestuur, en eindelijk onder eene Keizerlijke regering! Thans is Nismes de hoofdplaats van het Departement du Gard, het verblijf van de Prefect, en een Regtbank ter eerster instantie.

De menschen schijnen hier vlijtig, en in hunne levenswijze vrij eenvoudig te zijn, en men vindt ’er verscheidene gegoede burgers. Behalve de fabrieken, waarvan ik reeds gesproken heb, heeft men ’er hier ook nog van wollen en andere stoffen, doch de tijdsomstandigheden zijn daar voor ook al niet gunstig.

Den 24 dezer, ’s morgens vroeg opstaande, ging ik voor het laatst het Amphithéater en andere oudheden nog eens bekijken; op de Esplanade raakte ik in gesprek met een’ burgerman, die liefhebberij voor kunsten en wetenschappen scheen te hebben, en mij van dit een en ander nog al wat wist te vertellen. Over het algemeen hebben de burgers hier nog al veel op met de oudheden van hunne stad, het geen ik met genoegen bespeurde. De twee torens die de Gothen of Visi-Gothen, zich binnen de muren van het Amphithéater versterkende, daarin hadden, gebouwd, zijn ook in het begin van de omwenteling, op last van de Municipaliteit, afgebroken, en de steenen daarvan hebben gediend, om den tuin van het voormalige Kapucijner-Klooster, op de Esplanade, met een muur te omringen. De Kloosters afgeschaft zijnde, dient dit gebouw voor een bijzonder gebruik, ik meen voor een fabriek.

Toen ik voor de Hoofdkerk stond, en die nog eens met aandacht bekeek, bood een boer, die waarschijnlijk bespeurde, dat ik een nieuwsgierige vreemdeling was, mij drie oude koperen munten aan, om te koopen; hij zeî, die niet lang geleden, omstreeks deze stad, naar den kant van Arles, in een boschje gravende, gevonden te hebben. Zij schenen van de eerste Christen tijden te zijn; ik kocht ze voor slechts 24 Fransche stuivers; want meêr vroeg de man niet, en ik raadde hem, om daar omstreeks verder te zoeken, alzoo ’er misschien nog oudheden van meêr belang verborgen waren.

Jean Nicot, die, in 1559 Ambassadeur in Portugal zijnde, vervolgens de Tabaksplant van daar aan aanbragt, welke dan ook na hem Nicotiana genaamt werd, is te Nismes geboren.—en dit vergat een Hollander bijna aan een Hollander te schrijven. Hij was Doktor in de Medicijnen, en heeft ook eene Fransche en Latijnsche Dictionaire geschreven.

’s Morgens om elf uren vertrokken wij met den postwagen, die van Avignon naar Toulouse rijdende hier door komt, tot Montpellier, van waar ik u thans schrijve.

De weg was goed, doch de stof verschrikkelijk, want de wegen zijn hier niet gestraat, maar met steengruis opgeworpen, en deze steen, die niet zeer hard is, door de raderen gemalen zijnde, veroorzaakt eene fijne en ligte stof. Reizigers, van Marseille komende, verhaalden ons, dat de Admiraal Freville Latouche te Toulon, waar hij kommandeerde, overleden was; hij bevond zich reeds gevaarlijk ziek, toen wij ’er waren.—Dit is een groot verlies voor de Fransche zeemagt.

Het land schijnt hier omstreeks zeer bewoond; wij zagen verscheidene steedjes en dorpjes aan den weg, en van verre liggen. Te Lunel, een steedje beroemd bij alle lekkerbekken om den keurigen muscaatwijn, die daar omstreeks groeit, en de muscadelle druiven, die men ook gedroogd in kistjes naar alle oorden verzendt, en die voor eene ongemeene lekkernij gehouden worden, was het juist jaarmarkt en daar door vrij druk; wij hielden ’er een kwartier stil, en hadden dus den tijd om eens rond te zien, en van den lekkeren wijn te proeven. Zij wordt in kleine flessen van licht groen glas, die verzegeld zijn, en waarop een briefje geplakt is, verkocht; wij betaalden voor zulk een fles 50 sous. Met genoegen zag ik de boeren op de markt met elkanderen, bezig met het koopen en verkoopen van vee, bijzonder schapen, ezels en muilezels; het gaat daar bijna zoo al op dezelfde wijze toe, als op onze markten.

Hier zijn ook vele Protestanten. In vroegere tijden was deze plaats meest door Joden bewoond, en de vermaarde Rabbi Salomon Jarchi had hier zijn school. Behalve de stof is de weg niet onaangenaam, en tamelijk vlak; de voorname vruchten, die deze landstreek oplevert, schijnen olij en wijn te zijn. Ten 6½ uur kwamen wij te Montpellier aan; die stad op een hoogte gelegen, doet zich aangenaam op. Wij stapten af aan het Hotèl du Midi, digt bij den Schouwburg, en de voornaamste gemeene wandeling. Nismes en Montpellier is 6½ post van elkanderen gelegen.

Den 25 dezer, na de stad eens doorgeloopen te hebben, ging ik de gemeene wandeling, de Esplanade genaamd, bezigtigen; zij is vrij groot; en met regte rijen boomen beplant, doch welke ’er niet wel schijnen te kunnen groeijen, want zij zien ’er dor en kwijnende uit; hoewel zij reeds 80 jaren oud zijn; want deze wandeling werd door den Hertog de Roquelaure, Kommandant van de Provincie, in 1724 aangelegd, geven zij nog maar weinig lommer, en men zou denken, dat zij ’er naauwelijks de helft van dien tijd gestaan hadden. Aan ieder eind van deze wandeling is een ronde vijver of kom met water, en in het midden staat een vrij hooge kolom, waarop een Vrijheidsbeeld van geelachtigen steen, dien men hier omstreeks vindt. De citadel, die aan den eenen kant van deze wandeling gelegen is, werd door Lodewijk den XIII. na de belegering van deze stad gebouwd, om de Protestanten in teugel te houden. Ik ging ’er in, doch zag niets bijzonders. ’Er staan uitgestrekte gebouwen, die voordezen voor casernen dienden. Op de wallen rondom, heeft men een schoon gezigt, tot in de Middellandsche Zee; naar ik vernam, moest deze vesting eerstdaags gesloopt worden, de grond en afbraak is aan de stad afgestaan. Men was werkelijk bezig met de grachten te dempen. Inwendig is Montpellier ook al niet fraai, de meeste straten zijn naauw, krom, en op en neder loopende. In de groote straat (grande rue), die nog al redelijk breed is, zijn de fraaiste winkels en Koffijhuizen: vooral in dat gedeelte van de stad, is het ook vrij levendig. La place du Peyrou is eene gemeene wandeling; aan de andere zijde van de stad (met betrekking tot de Esplanade) en op het hoogste gedeelte van den heuvel, waarop zij gebouwd is, gelegen; men komt ’er op door een fraaije poort of zegeboog, die met afbeeldingen en basrelief pronkt, welke keurig gewerkt zijn; een van dezelve verbeeldt den Godsdienst, te weten den Roomschen; die de ketterij, dat is het Protestantsch geloof, vernietigt; het opschrift dat ’er onderstond, heeft men ’er in het begin van de omwenteling uitgehouwen. Door deze poort ziet men op een’ zekeren afstand een sierlijk gebouw, het is een water-kasteel (Chateau d’eau) zeskant van gedaante; de buitenzijde pronkt met twaalf geribde pilaren van Corinthische orde, en van binnen staan ’er zes diergelijken, en in ’t midden van dezelve een fraaije ronde kom met water. Men klimt ’er langs verscheidene trappen naar toe, en heeft daar op eene soort van galerij, met een fraai steenen hekwerk en zitbanken omgeven, een allerverrukkendst gezigt. In het zuid-westen ziet men de keten der Pyrenesche gebergtens, ten noorden over een vrolijk landschap de bergen en rotsen van de Cevennes, ten oosten ontdekt men de Alpen in een flaauw verschiet, en ten zuiden ziet men weder over een fraai en aangenaam geschakeerd landschap tot in de Middellandsche Zee. Het water-kasteel is met fraai en toepasselijk beeldhouwwerk versierd, zoo als Guirlandes van netten met allerlei visschen enz. onder hetzelve liet men ons de bakken zien, waarin het water, door de trotsche waterleiding, waarvan ik u hier na spreken zal, gebragt wordt; onder voor dit water-kasteel, is nog een groote vijver, waarin het water uit de binnenste kom, door kleine watervallen loopt. In dezen vijver, waarvan het water zeer helder is, ziet men karpers, bermen, en eenige goudvisschen. De plaats du Peyrou2 zelve is rondom met een steenen leuning en zitbanken omringd, en in het midden stond voor de omwenteling een fraai metalen standbeeld, verbeeldende Lodewijk den XIV. te paard3. Sedert eenigen tijd heeft men aan beide zijde ook een rij Acacia-boomen geplant, dat wel noodig is; want het is anders zoo vlak en aan de zon blootgesteld, dat men ’er althans zomers niet anders dan ’s avonds, of ’s morgens zeer vroeg, wandelen kan; doch van deze plaats klimt men aan beide zijden af, en daar heeft men een aangename en lommerijke wandeling onder acacia, platanussen, en ijpeboomen, hoewel deze laatste hier ook niet wel aarden willen; doorgaans worden de bladeren al vroeg in den zomer rood, en van een soort van insecten doorknaagd; thans zagen zij ’er door den buitengewoonen regen nog al vrij wel uit; in het achterste gedeelte van deze wandeling, zijn twee vijvers met springende fonteinen, en hier gaat men door ruime bogen onder de waterleiding (aquaduc) door. De ingangen van deze wandeling zijn met fraaije ijzeren hekken versierd, kortom het geheel is zoo grootsch en prachtig, en voegt zoo weinig bij een stad als Montpellier, waar men anders bijna niets van dien aard ziet, dat Keizer Josephus de II. hier door reizende, en la place du Peyrou ziende, vroeg: ”Waar dat toch de stad was.”

Aan de linkerzijde, als men de stad zal ingaan, ziet men boven de muren van dezelve een vrij hoogen en van boven platten toren uitsteken. Op dezelve zag ik eenige tamelijke groote pijnboomen; dit maakte geene onaardige vertooning. Van hier verder de muren buiten omwandelende, komt men uit aan de Esplanade, en klimt daar langs verscheidene trappen ter dezer plaatse op.

Den 26 dezer wandelde ik ’s morgens om 5½ uur reeds naar buiten, om de Aquaduc, waar ik u van gesproken heb, en die ik reeds van de place du Peyrou bewonderde, nader bij te beschouwen. Ik ging den grooten weg op, tot het begin van deze waterleiding, dat is een half uurtje van de stad; hier staat een steenen huisje, waarin de buizen, door welke het water van de bron St. Clement, omtrent een uur van daar geleid wordt, uitkomen; dit huisje is geplaatst op een’ heuvel, de helling van denzelven volgende, heeft men eerst ter lengte van eenige passen een muurwerk zonder bogen; vervolgens lager afklimmende, komt men aan de kleine bogen, en daarna aan de groote; daar de kleinen boven opstaan; want deze Aquaduc bestaat uit twee verdiepingen, in denzelfden smaak als de twee bovenste van de Pont du Gard. Jammer is het, dat zij niet regt, maar met een elleboog gebouwd is4; tot dezen hoek of elleboog, naar de stad gaande, telde ik 59 kleine en 10 groote bogen, en van daar 123 kleine en 40 groote, dus in ’t geheel 182 kleine op 50 groote bogen of poorten, behalve de twee, die nog in de onderste wandeling van de place du Peyrou staan. Volgens mijne afmeting is zij 970 treden lang, tot aan den muur van de place du Peyrou. De bovenste of kleine bogen zijn ook aan de binnen zijde boogsgewijze gemaakt, zoodat men daar van de place du Peyrou langs een trap bijklimmende5, ’er in ziet, als in een lange galerij, nimmer heb ik fraaijer perspectief gezien, en nog ziet men maar tot den hoek of elleboog. Ik beschrijf dit wat omstandig, omdat vele schrijvers ’er geen naauwkeurig verslag van doen, en mij dunkt, dat het der moeite wel waardig was. Omtrent het midden van de afgeloopen eeuw, werd dit groote werk ondernomen; en een Pitot, in de water-werktuigkunde bekwaam, met de uitvoering daar van belast.

De morgenstond schoon zijnde, wandelde ik weder naar de akkers terug; onder aan de bogen van de Aquaduc tegen den zonkant, zag ik verscheidene hagedissen, die overal in het zuiden van Frankrijk zeer algemeen zijn, doch nergens zag ik ’er meêr bij elkanderen dan hier; sommige zijn wel een span lang, doch zij doen hoegenaamd geen kwaad. De grond, hoewel van natuur schraal, levert, door de bewerking en bemesting, echter akkers, konstweiden, meestal van Lucerne-klaver, en moestuinen, op; deze laatsten moet men gedurig bevochtigen, en dat geschiedt op de volgende wijze: bij de meeste tuinen is een put gegraven, die eene vrij wijde opening op een heuveltje heeft; digt bij deze opening is een rosmolen, waarin een paard of muilezel loopt, en door de gewone werking van die molens, een redelijk breed rad in den mond van de put verticaal beweegt. Aan dit rad hangt een soort van touwladder, waaraan verscheidene aarden potten of kruiken onder elkanderen geplaatst zijn6, deze ladder los om het rad hangende, gaat dezelve door de draaijing op en neder, zoo dat de onderste kruiken water scheppen, en de bovenste het uitstorten in een bak tegen de put geplaatst, uit welken bak het dan door een buis of buizen afloopt in den tuin, door groeven ten dien einde gemaakt, dezelve overal bevochtigende, en langs en op de bedden loopende. Deze wijze van begieten zou in de Meijerij van den Bosch, en andere hooge landen bij ons, ook zeer wel te pas komen, en scheen mij toe, de put gegraven zijnde, niet zeer kostbaar te zijn. De groentens in soorten stonden daar dan ook vrij frisch. Anders ziet men hier omstreeks weinig vrolijk groen; de vale olijfboom, de wijnstok en de moerbeziënboom, die in de lente, en het begin van den zomer schier bladerloos is, omdat het blad voor de zijwormen geplukt wordt, deze zijn het, die men in een groot deel van Provence en Languedoc het meeste aantreft, en men mag onze Vaderlandsche vlakke gronden eenzelvig noemen; zij hebben een veel weelderiger en aangenamer voorkomen, dan de landen, die men over het algemeen in het zuiden, en zelfs in het grootste deel van Frankrijk, dat ik gezien heb, vindt. Wat is het bovendien aangenaam, dat men zoo vele goede en nuttige dieren, zoo vrij en vrolijk in de weide ziet omspringen en huppelen; hier zijn zij bijna altijd onder het juk of op de stallen, als in eene gevangenis opgesloten. Bij ons geeft een koe hare melk, en leeft althans zomers genoegzaam volkomen in haren natuurstaat, zij ziet ’er gezond en vrolijk uit, terwijl hier het magere kwijnende koeitje, dat ’er doorgaans morsig uitziet, op den stal vermuft, of zelfs nog wel een kar moet trekken. Bij ons spant de landman ’s avonds zijn paard uit, en brengt het naar de weide; daar loopt het vrolijk heen, rolt zich in het lange gras en vergeet zijne moeite en arbeid; het heeft ook zoo wel als de mensch zijne rustdagen. In ons Vaderland gebruikt men de dieren, ten minste op het land, en vooral daar overvloedige weilanden zijn, om zoo te spreeken, als bedienden—hier zijn het ellendige slaven.—Ja, Vriend! wat men ’er ook van zeggen moge, ons Land is in alle opzigten een land waar Vrijheid en Welvaart wonen willen! en God geve, dat wij het toch eindelijk onder elkanderen hierin eens mogen worden, om met vereende kragten alles in het werk te stellen, tot handhaving van onze vrijheid en onafhankelijkheid, en alzoo tot bevordering van ons wezenlijk heil; want zonder vrijheid kunnen wij veel minder dan andere landen bestaan; zij is immers genoegzaam onafscheidelijk aan onze Vaderlandsche bodem verbonden? en wee ons! indien wij haar van daar, door schandelijke onverschilligheid en gebrek aan Vaderlandsche deugden, verjagen.

Hier over peinzende, ging ik de stad weder in, want het begon reeds warm te worden; en vervolgens, na wat ontbeten te hebben, de Protestantsche Kerk (Temple de Protestants) zoo als men die in Frankrijk noemt, opzoeken: want het was zondag, en ik wist, dat hier vele inwoners tot dat Geloofsgenootschap behoorden. Deze Kerk staat in een der voorsteden le Faubourg de Lattes genaamd, voorheen behoorde zij ook tot een Klooster; inwendig is dit gebouw zeer netjes opgemaakt, en ’er is een fraaije zaal voor den Kerkenraad. De tafel voor het Nachtmaal blijft altijd in de Kerk staan. Zij bestaat uit een’ marmeren blad, op twee, naar den antieken smaak, gewerkte schragen van gemarmerd hout. ’Er was geen orgel, doch men zong ’er redelijk wel, ten minste schreeuwde men ’er zoo vervaarlijk hard niet, als doorgaans bij ons. De Gemeente was vrij talrijk, en scheen met aandacht te luisteren naar een goed en eenvoudig zedelijk Vertoog, dat door den leeraar zonder veel omslag of pedanterie, duidelijk werd uitgesproken, en dat niet langer dan een half uur duurde. De Diaken, welke aan de deur stond, en dien ik bij het uitgaan mijn aalmoes reikte, boog het hoofd, zeggende: Que Dieu vous le rende! Zoo hier als te Nismes, zag ik verscheiden Roomschgezinden, (zoo het scheen; want zij maakten tusschen beiden een kruis) den Godsdienst van het begin tot het einde bijwonen.—Met hoe veel genoegen zag ik dit bewijs van broederlijke verdraagzaamheid. Voor aan de straat was men bezig, om deze Kerk met een fraai portaal van gehouwen steen te versieren; het was reeds aanmerkelijk gevorderd: op dezelve staat ook een torentje met een klok, en men luidt ’er eveneens als te Nismes, bij het aangaan van den dienst7. Van hier ging ik de Hoofdkerk bezigtigen; zij is, zoo men wil, door Paus Urbanus den V., die in 1370 gestorven is, gebouwd. Het portaal bestaat uit twee torens met een gewelf ’er tusschen, en gelijkt eerder naar den ingang van een vesting- of ridderslot, dan naar dien van een Kerk, Boven het koor staat nog een fraaije en hooge toren. Inwendig is zij ruim, vrij licht, en naar het schijnt onlangs opgemaakt. Het merkwaardigste, dat men hier ziet, is het groote en vermaarde schilderij van Bourdon, in deze stad geboren. Dit schoone stuk is aan het eind van het koor geplaatst, en verbeeldt Simon den Toovenaar, zijne kunsten voor Keizer Nero, in tegenwoordigheid van Petrus en Paulus, doende. Hij wordt door de duivelen, want die moeten toch altijd in het spel komen bij soortgelijke dingen, in de lucht opgeheven, enz. De hoofden van St. Pieter en St. Paulus, worden bijzonder in dit stuk bewonderd. Bourdon heeft ’er ook zijn eigen afbeelding (portrait) in gemaakt, en is te erkennen daar aan, dat hij naar de aanschouwers gekeerd is, en ook eenigzins een moderner voorkomen heeft8. Het stuk kwam mij voor wat hoog geplaatst te zijn, doch heeft een goed licht. Aan beide zijden van hetzelve ziet men twee andere groote schilderijen; verbeeldende insgelijks geschiedenissen tot die van St. Pieter en St. Paulus behoorende; want St. Pieter is de patroon van deze Kerk; deze stukken schenen mij ook wel bezienswaardig te zijn; doch wie ’er de meester van was, wist men mij niet te zeggen. Van de Kerk sprekende, moet ik u eene afschuwelijke gebeurtenis verhalen, die hier in vroegere eeuwen plaats gehad heeft. Een der Bisschoppen van Maquelone, voorheen eene aanzienlijke, doch thans vervallen stad, niet ver van Montpellier, willende omtrent het jaar 1250, zijne onderhoorige Geestelijken, die vrij zedeloos en losbandig waren, tot het betrachten van hun’ pligt terug brengen; besloten deze monsters om zich van zulk een’ strengen zedemeester te ontdoen, en vergiftigden ten dien einde de hostie, die hij moest gebruiken om te communiçeren; zij bereikten maar al te wel hun oogmerk, want de redelijke Bisschop overleed wel dra aan de gevolgen van het vergift. Hoe gruwelijk deze moord op zich zelven ook reeds zijn moge, in het oog van Roomschgezinden vooral moet zij allerafgrijsselijkst wezen.

’s Avonds ging ik in den Schouwburg; het is een vrij gnap gebouw, digt bij de Esplanade; voor hetzelve is een fraaije fontein met een groep, verbeeldende de drie bevalligheden, van wit marmer. Inwendig stond mij de zaal ook wel aan. Men gaf ’er een Ballet en les Miletiens, Opera, à grand spectacle. De dekoratien waren vrij wel, doch de rest beteekende niet veel. Het zingen bijzonder was nog minder als redelijk, en ik, die buiten dien geen groot liefhebber van Opera’s, en vooral niet van Balletten ben, liep ’er al schielijk uit, en ging liever op de Esplanade wandelen, waar het in den maneschijn allerliefst was.

Heden den 27 stond ik weder vroeg op, want ik herhaal het, men moet, in deze warme landen, vooral van den morgenstond gebruik maken, en ging eene wandeling buiten de stad doen. Het eerste dat mijne aandacht trok was een wol-bleekerij; de wol gewasschen zijnde werd op het veld uitgespreid, en met netten overspannen, om het verwaaien te beletten. Hier omstreeks heeft men ook eenige wasch-bleekerijen. Immers leverde dit ook in ons land een aanzienelijken tak van bestaan op; doch zal zekerlijk door de ongelukkige tijdsomstandigheden ook al veel verminderd zijn. Verder voortwandelende, zag ik nog meêr wol wasschen in een riviertje dat men hier le Lez noemt, de velden langs, en bij dit riviertje gelegen, waarop men de wol droogt, worden in het Patois, lous Pras de la Lana9 genaamd. Naar ik vernam, is deze wijze van de wol te zuiveren, hier reeds van ouds een voornaam bedrijf, en levert een’ aanzienlijken handel op; men maakt hier ook wollen dekens. De wandelingen beteekenen niet veel. Hier en daar op de hoogtens heeft men wel fraaije gezigten, en treft nu en dan nog al fraaije tuinen en buitenplaatsen aan; maar het lommer, dat lieve lommer, ontbreekt genoegzaam overal. Getroost u dan, Vriend! veroorloven uwe beroepsbezigheden u niet, om buiten ’s lands te reizen, gij woont in het midden van de aangenaamste wandelingen, en ik verzeker u, dat ik nog nergens zulk eene aangename en bevallige verscheidenheid daarvan aangetroffen heb, als men rondom Haarlem vindt. Balsamique en aromatique kruiden en planten groeijen hier omstreeks veel, en worden door de reukwerk-bereiders (parfumeurs) ter dezer plaats woonachtig, wier waren, zoo als gij weet, ook onder ons beroemd zijn, in eene groote hoeveelheid gebruikt. Bij het inkomen van de stad bood mij een aardig meisje lekkere muskadelle druiven, voor den geringen prijs van drie sols het pond, te koop aan; zij had ’er versche broodjes bij; ik kocht van het een en ander, en zette mij op een’ bank, die niet ver van hier stond, neder, daar ik het voor mijn ontbijt met smaak opknapte; want in dit opzigt val ik in ’t geheel niet verlegen. Dat de mist hier niet overvloedig zijn moet, blijkt; want niet alleen paarden-, maar allerlei soort van straatmist wordt hier langs de straten en wegen, zoodra het ’er maar nedergeworpen is, opgeraapt, en op ezels geladen; eens zelfs zag ik twee jongens elkanderen bijna in het haar zitten, om een hoopje paardenmist. Deze mist dient dan ook voor den land- en tuinbouw, en niet zoo als bij ons, om aan vreemden te verkoopen.—Hier aan kan ik toch nooit denken, zonder mij te ergeren.

Door een’ aanbevelingsbrief aan iemand, die naverwant was aan den Professor Broussonet, hadden wij bijzondere gelegenheid, om de zoo vermaarde Faculteit der Geneeskunde alhier te zien. Het gebouw, dat men l’Université noemt, is digt bij de hoofd- of St. Pieterskerk. De Heer Broussonet, Professeur de Clinique interne, ontving ons zeer vriendelijk, doch daar hij het drok had, moetende dadelijk bij een examen tegenwoordig zijn, gaf hij order, om ons al het merkwaardige te laten zien. Hij kwam mij voor tusschen de 35 en 40 jaren oud te zijn. Wij begonnen met het Amphithéater voor de ontleedkunde, dat een schoon gebouw is, met een koepel, waarin een lantaarn, waardoor het licht valt; de zitbanken zijn, zoo als gewoonlijk, trapsgewijze en in de rondte geplaatst, en men zeide, dat dit Amphithéater 2000 menschen bevatte. Ik zag ’er ook het borstbeeld van den bekenden Chimist Chaptal, zoo ik meen, Oom van den voormaligen Minister van binnenlandsche zaken te Parijs, en schrijver van een werk genaamd, Elémens de Chimie. Vervolgens zagen wij de boekerij, die men zegt, dat in het vak der geneeskunde al zeer volledig is. Men toonde ons verscheidene fraaije en kostbare werken, met afgezette platen, enz. De verzameling van geraamtens, dissecaties, injecties, enz. vond ik niet zoo aanmerkelijk, als ik wel verwacht had; en de ontleedkundige afbeeldingen in wasch, die ik hier gezien heb, kwamen mij veel minder voor dan die, welke men in het Kabinet van Bertrand te Parijs ziet. Dit verwonderde mij omtrent de vermaardste geneeskundige Faculteit van geheel Frankrijk. Men was reeds bezig met het examen in een ruime zaal, waar wij ook onder de toehoorders, welker getal echter niet zeer aanmerkelijk was, plaats namen. De Candidaat, die wel 25 Jaren oud scheen, deed een vertoog (Dissertatie) in de Fransche taal, staande in een gestoelte; achter hem op een zeer verheven plaats zat een van de Professoren, en ter zijde, aan de linkerhand van den spreker, vier anderen, waar onder de Heer Broussonet, van wien ik reeds sprak, en een Mejon, die een vermaard Operateur en Oculist moet zijn; de namen van de anderen heb ik vergeten. Deze Heeren Professoren hadden roode satijnen wijde toga’s aan, met boorden van wit bont, en roode mutsen op met een zwart en goud boord. Het examen ging niet gemakkelijk, zoodat de arme Candidaat het al vrij benaauwd kreeg. Ik bleef niet tot het einde, maar vernam naderhand, dat hij nog niet was aangenomen, en verpligt, zich aan een nader onderzoek te onderwerpen. In hoe verre het spreekwoord: ”een nieuwe Arts een nieuw Kerkhof,” gegrond is, zullen wij hier niet onderzoeken; doch zoo ’er al Doctors wezen moeten, doet men echter wel, van te zorgen, dat ieder zoo maar op zijn eigen houtje niet doctoren kan. Het merkwaardigste dat men in deze zaal ziet, is een metalen hoofd, levensgroot, verbeeldende dat van Hippocrates; het scheen mij, wat de teekening aangaat, keurig uitgevoerd. Men wil, dat het vele jaren geleden in of om Athene gevonden is, en van daar naar Rome vervoerd werd, waar het, tot de Pauselijke oudheden en kunststukken behoorende, door de Franschen gevonden en genomen, en eindelijk aan deze Universiteit gegeven is. Ik had het reeds, voor dat het examen begonnen was, van nabij bezien en bewonderd. Volgens sommige geschiedschrijvers, zou de geneeskundige Faculteit van Montpellier, reeds in 1220 zijn opgerigt; en men meent dat de Saracenen en Joden, die een groot deel van Montpellier uitmaakten, ’er de geneeskunde, die toen meerder vorderingen onder hun dan onder andere volkeren gemaakt had, bragten. De vermaarde Rabelais10 alhier in de geneeskunde gestudeerd hebbende, werd volgens oud gebruik, met een tabbaart bekleed, die men vervolgens de Tabbaard van Rabelais noemde, en waarmede men na dien tijd alle de nieuw aangenomen Doctoren bekleedde. Deze tabbaard was bij de Studenten in groote achting, zoo dat ieder doorgaans trachtte, om ’er een stukje tot een aandenken aftescheuren, en hier door, en door den tijd, was dit kleed eindelijk niet meêr bruikbaar, doch, zoo als het doorgaans met diergelijke dingen gaat, het werd meêr dan eens vernieuwd, en het laatste ging zoo wel voor een achtingwaardige oudheid door als het eerste. De geneeskundige Faculteit van Montpellier is nog beroemd, en vele vreemdelingen, en in vredestijd, bijzonder Engelschen, die hier om hun Guinjes dan ook zeer geacht zijn, komen dezelve raadplegen.—’Er was ook eens een tijd, dat onze Hooge Scholen zeer beroemd waren; vreemdelingen uit alle oorden vloeiden ’er toen in menigte naar toe,—en de naam, van Boerhaave klonk met roem de wereld door.—Helaas! waarop kunnen wij thans onzen hoogsten roem dragen?—misschien op ons taai geduld.

De kruidtuin, die ter zijde van de place du Peyrou ligt, kwam mij niet zeer ongemeen voor, doch ik beken gaarne, dat mijne Botanische kundigheden zeer bepaald zijn. Men toonde hier eene plaats, waarin men langs eenige trappen afklimt, en alwaar de, door zijn sombere Nachten, zoo bekende Young zijne dochter zou begraven hebben; deze plaats is onder een boog of gewelf, en wordt le Tombeau de la fille de Young11 genaamd; doch men ziet ’er niets, dat een grafstede aanduidt. Gij weet, dat Young met een ziekelijke dochter van zijne vrouw, te Montpellier kwam, om ’er hare gezondheid te herstellen, doch dat dezelve daar overleed; dit gebeurde omtrent 1741. En die zwaarmoedige, en, toen in der daad zeer ongelukkige man, verloor in drie maanden tijds zijne vrouw en hare twee dochters; en deze slag trof hem in den ouderdom van zestig jaren. Tot het Protestantsche geloofsgenootschap behoorende, waar onder Young zelfs Predikant was, mogt die dochter niet op de gewone wijze, en in zoogenaamde gewijde aarde begraven worden; hij droeg het ligchaam dan zelf bij nacht hier henen, en begroef het met behulp van een tuinmans knecht, die hem door een klein deurtje ter sluip had ingelaten. Eenigen tijd voor de omwenteling vondt men hier, de aarde roerende, dan ook nog eenige beenderen. De te regt vermaarde Tooneelspeler Talma, en Madame Petit, beide tot het eerste Tooneel van Parijs en van Frankrijk behoorende, bevonden zich hier weinige jaren geleden, en stelden edelmoediglijk eene inschrijving voor, denzelven te gelijker tijd beginnende, om een eenvoudig gedenkteeken op het graf van Narcissa opterichten, ten einde daar door de schandelijke onregtvaardigheid van het bijgeloof eenigzins te vergoeden, en de gedachtenis van een voornaam dichter te vereeren12. Tot nog toe echter is dit ontwerp niet uitgevoerd. Had het een beeld of altaar in een Kerk betroffen, waarschijnlijk zou het ’er al gestaan hebben.

Men was nog drok bezig met bouwen in den kruidtuin (jardin des plantes) aan eene nieuwe kas voor vreemde planten; ook werd ’er, naar ik vernam, van wegens het Gouvernement, ter zijde van dezen tuin, een huis gebouwd voor den vermaarden Professor in de Botanie Broussonet, broeder van dien waarvan ik reeds gesproken heb13. Rondom den tuin is een gemeene wandeling, die nog al aangenaam en zeer lommerrijk is, door de onderscheidene soorten van boomen, die ’er staan. De goede Hendrik den IV. was de stichter van dezen tuin; hij bestond meêr dan 25 jaren voor dien van Parijs, en was de eerste van dien aard, welke in Frankrijk aangelegd is.

De stad doorgaande, bragt onze vriend ons in een paar winkels van zuikergoed (dragées) en reukwerken, want wie zou hier verzuimen, om die te bezoeken. Voor het eerste is Montagu, en voor het tweede Riban de voornaamste; men behoeft hier anders na de reukwerkers-winkels niet te vragen, want daar zijn ’er verscheiden, en men wordt ze door de straten gaande, aan den aangenamen reuk gemakkelijk gewaar.

Ik heb reeds rijtuig gehuurd, om morgen een reisje in de Cevennes, waar men mij veel van verteld heeft, te doen, verwacht hier over dan het een en ander bij mijne terugkomst.

1 Pepin le Bres was de Vader van Carolus Magnus, en de eerste Fransche Koning, die zich deed kroonen en zalven met Kerkelijke plegtigheden; dit geschiedde door een legaat van Paus Zacharias den I., welke Paus hem behulpzaam was, niettegenstaande Childeric de III. door zijn toedoen onttroond, geschoren en in een Klooster was opgesloten, en de Zoon en opvolger van dien Vorst in een ander. De Pausen sprongen ’er toen ook maar vrij luchtig met de zalvingen om. Eenigen tijd, na dat Pepin Koning was, verzocht hij van Paus Steven den II. vergeving der misdaad, die hij tegen zijn wettigen Koning, zoo als hij hem zelven noemde, begaan had.

2 Het woord Peyrou beteekent in het Patois van Languedoc steenachtig, omdat de grond zeer steenig is. In de eerste tijden van deze stad schijnt dit een marktplaats geweest te zijn; want men vindt in eene acte van het jaar 1156, door d’Aigrefeuille, Geschiedschrijver van Montpellier, aangehaald: Forum seu mercatum Montispessulana del Peyrou.

3 Het was door een’ beeldhouwer van Troyes, genaamd Joly, naar men mij verzekerde, te Parijs gegooten, en woeg 45,000 ponden; in 1717 deden die van Montpellier het hier oprichten.

4 Naar men mij verzekerde, is zij niet regt gebouwd om de gronden en landgoederen van eenige voorname personen te vermijden. Welk eene schandelijke inschikkelijkheid bij zulk een werk! want de waterleiding is geen bloot sieraad, maar dient vooral, om het water in verscheidene fonteinen in de stad, en ten algemeene nutte dienende, te brengen.

5 De oppasser van dit gebouw laat dit en de waterbakken onder het Chateau d’eau, voor een fooitje zien.

6 Aan die, welke ik hier zag, waren ’er naar gissing, 60 of 70; naar mate de put meêr of min diep is, moet dit getal vermeerderd of verminderd worden.

7 Het bovenste gedeelte van dit torentje, waarin de klok hangt, bestaat uit eene soort van ijzeren korf. Ik had u nog vergeten te zeggen, dat men diergelijk soort van torens op verscheidene plaatsen in Provence en Languedoc aantreft; in sommigen ziet men poppen, die op de klok slaan.

8 Sebastiaan Bourdon werd in 1616 geboren, en gehoorde tot het Protestantsche Kerkgenootschap; hij is eenigen tijd eerste schilder van de Koningin Christina van Zweden geweest, en wordt voor een der voornaamste schilders van Frankrijk gehouden; behalve verscheidene schilderijen, bestaan ’er van hem ook nog teekeningen en geëtst werk. Hij stierf te Parijs in 1671.

9 De wol-velden.

10 Een van de geestigste schrijvers van de 16de eeuw.

11 Het graf van de Dochter van Young.

12 Young heeft ook voor het tooneel gewerkt, en twee Treurspelen van hem, namelijk Busiris en de Wraak zijn in het Fransch overgezet.

13 Hij is ook door zijne kruidkundige werken bekend.

Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.